|
[p. 248]
Laat en sing zijn niet als infinitief gemarkeerd; samen treden ze als voltooid deelwoord op, met optionele ge-prefigering. Het contrast tussen het Nederlands en het Afrikaans waar het hier over zal gaan, is voornamelijk dat van de volgorde van elementen in de werkwoordelijke eindgroep. De vergelijking gaat uit van de standaard- of algemene vormen van de twee talen. Een aantal verschillen kan gedemonstreerd worden aan de hand van de volgende enigszins kunstmatige zin uit de ANS (1059):
‘Vertaald’ in het Afrikaans zou het moeten luiden:
[p. 249] In zoverre de laatste zin als naaste equivalent van de ANS-zin beschouwd kan worden, laat het bij vergelijking een aantal opvallende overeenkomsten en verschillen zien. 2. Overeenkomsten en verschillenLange aaneenrijgingen van werkwoorden zijn in beide talen mogelijk. Ze bestaan uit modale werkwoorden, hulpwerkwoorden en lexicale werkwoorden, die door de herhaalde toepassing van werkwoordverheffing (‘verb raising’) allemaal naast elkaar aan het zinseinde terecht kunnen komen en waarvan sommige - als staan in de voorbeeldzin - een aspectuele functie kunnen hebben. Onder werkwoordverheffing wordt verstaan dat hoofdwerkwoorden uit verschillende ‘zinnen’ van een onderliggend samengestelde zin gehaald kunnen worden en in volgorde van incorporatie aan elkaar gehecht kunnen worden. Dit principe zou ook modale werkwoorden, die dezelfde volgorde in de twee talen aannemen, kunnen gelden. Verschillen die zich in de bijzinnen van voorbeelden 6 en 7 hierboven aftekenen, zijn:
3. Volgorde van werkwoorden in de eindgroepIn de tabel hieronder worden een aantal Nederlandse volgordes en hun eventuele Afrikaanse correlaten opgesomd. Het blijkt dat het Afrikaans over veel minder volgordemogelijkheden beschikt dan het Nederlands. In Afrikaans is de volgorde modale werkwoorden + lexicale werkwoorden + hulpwerkwoorden vast geworden, met het type het moes + werkwoord als uitzondering, waarover later. In het Afrikaans zijn (1b), (2b), (4a), (5b) en (6) dan ook uitgesloten. [p. 250]
3.1 (1a) en (1b): PV + INF / INF + PV (moet zingen/zingen moet)De volgorde PV + INF komt volgens Gerritsen (1991: 38) het meest voor ten zuiden van de lijn Amsterdam-Zwolle, dat tevens het herkomstgebied van het Afrikaans insluit. Omdat het onwaarschijnlijk is dat een stilistische omkering over een doorbreking heen zou plaatsvinden, dus van
[p. 251] naar
zou ik willen aannemen (i) dat moet zingen de onderliggende volgorde is, waar al of niet doorbreking plaatsvindt, en (ii) dat zingen moet een stilistische variant is die alleen optreedt als er geen doorbreking is. Doorbreking stelt ons dus in staat de rode volgorde als onderliggend te beschouwen en de groene als afgeleid.3 Het ziet ernaar uit dat de volgorde INF + modaal werkwoord tevens uitgesloten is als deel van PV + twee infinitieven. De ANS (1072) beschouwt bijvoorbeeld ⋆eten zullen komen en ⋆eten komen zullen als onacceptabel, hetgeen waarschijnlijk ook geldt voor zullen eten komen, komen eten zullen en komen zullen eten. Indien alle omkeringen in deze gevallen uitgesloten zijn, hebben we hier een verdere aanduiding dat PV + INF(en) inderdaad de onderliggende volgorde is, dat omkeringen beperkt zijn tot tweeledige groepen en dat de omkering bij tweeledige groepen stilistisch van aard is. De afwezigheid van (1b) (sing moet) in het Afrikaans is dus een gevolg van de uitschakeling van een stilistische variant. Na het verval van het flexieonderscheid tussen PV en INF in het Afrikaans is de volgorde modale + lexicale werkwoord(en) vast geworden. 3.2 (2a) en (2b): VDW + PV/PV + VDW (gezongen heeft/heeft gezongen)Tegenover de twee volgordes van het Nederlands, kent het Afrikaans alleen maar de groene volgorde: Ndl. gebracht heeft, Afr. gebring het. Volgens de studie van Pauwels (aangehaald in Stroop 1983: 251) komt deze groep voor 81% in literaire taal voor en slechts voor 23,6% in de krant. Stroops eigen studie (1983), die uitgaat van de gesproken taal, geeft soortgelijke data te zien. Volgens Gerritsen (1991: 38) komt VDW + PV ten zuiden van een lijn Amsterdam-Zwolle voor, maar het ziet ernaar uit dat de rode volgorde aan het toenemen is, mogelijkerwijs onder druk van de schrijftaalnorm (1991: 39). Ook Duinhoven (2001: 203) vind dat de volgorde is gevallen toeneemt. Voor De Sutter et al. (2005), die tweeledige eindgroepen (VDW + hulpwerkwoord en hulpwerkwoord + VDW) in het CONDIV-corpus geschreven Nederlands en het Corpus Gesproken Nederlands bestudeerden, komt de volgorde hulpwerkwoord + VDW (de rode volgorde) in twee derde van de gevallen in zowel Nederland als Vlaanderen voor (67,4% en 60,1% respectievelijk) (2005: 104). De volgorde VDW + hulpwerkwoord (de groene volgorde) daarentegen wordt ‘zonder meer frequenter gebruikt (...) in Vlaanderen dan in Nederland’ (2005: 106). Het Afrikaans sluit zich dus aan bij de volgorde die in zijn herkomstgebied althans tot in de twintigste eeuw toonaangevend geweest moet zijn.4 De rode volgorde moet [p. 252] een latere ontwikkeling in het Nederlands zijn. Volgens Duinhoven (2001: 204) is geschreven heeft meer een toestand en dus statischer, terwijl heeft geschreven meer een werking is en dus dynamischer. Hij ziet tevens (2001: 205) de ontwikkeling van een parallellie tussen hoofdzin- en eindgroepvolgorde:
Deze twee waarnemingen hangen samen: omdat hoofdzinnen waarschijnlijk dynamischer zijn dan bijzinnen, zou PV + VDW een eindgroep dynamischer kunnen maken. Hoofdzinnen zijn over het algemeen de dragers van de handeling in vertellingen. Taalhandelingen (bijvoorbeeld imperatieven) zijn meer aan hoofddan aan bijzinnen gebonden. Bijzinnen leveren vaak commentaar op of geven verdere achtergrond bij hetgeen in hoofdzinnen genoemd wordt. Waar de volgorde hulpwerkwoord (als V1 of V2, respectievelijk in vragen en mededelingen) + VDW dus kenmerkend is voor hoofdzinnen (zie (10)), versterkt hulpwerkwoord + VDW als eindgroep (zie (11)) de associatie met de hoofdzin, terwijl de volgorde VDW + hulpwerkwoord in bijzinnen verschil met hoofdzinnen markeert. Er is iets soortgelijks aan de hand met het Afrikaans, waar de hoofdzinsvolgorde van mededelings- en vraagzinnen zich steeds meer in de bijzinnen manifesteert:
In beide talen is er aanpassing aan de hoofdzin. In het Nederlands past de interne volgorde van de werkwoordelijke eindgroep zich bij die van de hoofdzin aan. In het Afrikaans past de bijzin zich bij de zinsdeelvolgorde van de hoofdzin aan. 3.3 (3): PV + INF + INF (heeft moeten zingen)Haeseryn (1996: 120) contrasteert met elkaar (zie ook ANS: 987):
en [p. 253]
Volgens hem komen beide types in het gehele taalgebied voor, maar de (b)-varianten ‘zijn (...) in België gebruikelijker dan in Nederland’. Ik neem aan dat het hier om twee verschillende regeertypes (dus twee constructies) gaat: het modaal werkwoord wordt door het hulpwerkwoord geregeerd, of omgekeerd:
Een argument hiervoor is dat infinitivus-pro-participio (zie boven) slechts in het a-type optreedt. Blijkbaar wordt in het ene geval het hulpwerkwoord en in het andere geval het modaal werkwoord als PV gekozen. Naar aanleiding van de verdere ontwikkeling in het Afrikaans, waarbij (a) gewijzigd en geatrofieerd is terwijl (b) ingeburgerd is, zou men ook kunnen argumenteren dat (a) en (b) verschillende structuren vertegenwoordigen. Weer eens stemt het Afrikaans mutatis mutandis met de Belgischse voorkeur overeen (ook semantisch):
Die (a)/(b)-alternantie is in het Nederlands ook voor verdere complicaties verantwoordelijk, als in (zie (6) in tabel):
dat een recursief regeerschema heeft: [mod.ww. [hulpww. [mod.ww. [hoofdww.]]]], dat wil zeggen: een modaal werkwoord wordt door een hulpwerkwoord geregeerd, dat zelf door een modaal werkwoord geregeerd wordt.5 Deze volgorde is in het Afrikaans volkomen uitgesloten. Het type (a) van hierboven komt desondanks in het Afrikaans beperkt als geatrofieerde constructie voor, een aanduiding dat het enigszins vreemd is aan de systeemvorming van de Afrikaanse eindgroep. Vergelijk:
[p. 254] Er heeft zich in het Afrikaans een structurele aanpassing voorgedaan die erin bestaat dat een imperfectumvorm als moes, en zelden een basisvorm als moet, in de plaats van een Neerlandse infinitief optreedt. Door het verlies van had als hulpwerkwoord mist de constructie in het Afrikaans het contrast met een irrealis (in casu Zij had al het werk zelf moeten doen). De constructie komt alleen in hoofdzinnen (dus met het als V2) voor; noch *... dat sy al die werk self het moes doen noch *... moes doen het is aanvaardbaar. Overigens maakt de constructie slechts deel uit van het taalvermogen van sommige sprekers van het Afrikaans; Ponelis (1993: 438) noemt het ‘recessief’. Dat het niettemin nog steeds voorkomt (en met verschillende modale werkwoorden), blijkt uit de volgende voorbeelden:
3.4 (4): PV + INF + INF ... /INF + INF ... + PV (heeft laten zingen/laten zingen heeft)Het Afrikaans heeft als eindgroep alleen maar laat sing het (naast laat sing word/is), nooit het laat sing, enzovoorts. De volgorde laten zingen heeft is daarentegen niet vreemd aan het Nederlands. Stroop (1970: 259) laat in kaart 8 zien: die ik u laten zien heb. In zijn ‘Systeem II’ (264) komt overigens ook voor:
Ook bij langere Nederlandse eindgroepen komen hulpwerkwoorden aan het eind voor. Haeseryn (1996: 121) beschrijft als typisch voor het zuidwesten, ‘de plaatsing van hebben en zijn na twee infinitieven in plaats van daarvoor’, bijvoorbeeld:
In zijn studie van de syntaxis van het zeventiende-eeuwsche Dagregister van Jan van Riebeeck, eerste VOC-goeverneur aan de Kaap, wijst Verhage (1952: 59) erop dat Van Riebeeck hulpwerkwoorden als worden en zijn bij voorkeur aan het einde van eindgroepen plaatste, bijvoorbeeld:
[p. 255] Het ziet er dus naar uit dat de stilistische mogelijkheid om in het Nederlands een hulpwerkwoord in slotpositie te plaatsen een vast kenmerk van de Afrikaanse eindgroep geworden is. Deze volgorde is volgens Gerritsen (1991: 38) kenmerkend voor OV-talen. Welk werkwoord persoonsvorm wordt, wordt evenwel door andere factoren bepaald, die maken dat het hulpwerkwoord PV of INF kan zijn: zal laten liggen hebben komt naast laten zien heb voor. Met het wegvallen van de onderwerpscongruentie en het verschil tussen PV en INF in het Afrikaans, ziet men dat het hulpwerkwoord in beide gevallen het kan zijn, dus sal laat lê het en laat sien het. In het midden van de negentiende eeuw wordt het in geschreven teksten met hebbe(n) afgewisseld en kunnen twee historisch finiete vormen in één eindgroep optreden. Een en ander blijkt uit een vrij lange krantenbrief uit 1851 van een zekere veldkornet Bezuidenhout (in Nienaber 1971: 171-4):
Terwijl in het Nederlands in korte eindgroepen het principe ‘overeenstemming met de hoofdzinsvolgorde’ dus versterkt wordt, is het principe ‘hulpwerkwoord als laatste’ de overwegende neiging in het Afrikaans. Overigens vinden er rondom het hulpwerkwoord het een aantal uitzonderlijke ontwikkelingen plaats, doordat
Deze verschijnselen kunnen als geheel verklaard worden door aan te nemen dat het pas in een laat stadium van derivatie aan de groep toegevoegd wordt, namelijk nadat te geplaatst is, andere deelwoorden gevormd en desgewenst naar links verschoven zijn en de infinitiefvormen hê en wees gekozen zijn (dat wil zeggen op dezelfde wijze als hebben en zijn in het Nederlands). Het werkwoord dat uiteindelijk na zijn rechtstoevoeging door het geregeerd wordt en deelwoord [p. 256] wordt, staat dus, in te-constructies, vanzelf tussen te en het en kan in ieder geval niet meer naar links verschoven worden. 3.5 (5a) en (5b): PV + VDW + INF/PV + INF + VDW (moet gezongen hebben/moet hebben gezongen)Terwijl het Nederlandse deelwoord in tweeledige groepen naar achterplaatsing neigt (ook in grotere groepen als kan hebben gezien, maar vooral in geschreven taal, de journalistiek bij uitstek) is in grotere eindgroepen voorplaatsing van het deelwoord heel gebruikelijk. Stroop (1970: 121, 259) stelt zelfs dat het deelwoord, zoals in gemaaid moest worden, in geheel Nederland ‘vrijwel altijd voorop gezet’ is. Ook de ANS (1069) stelt dat gezien kan hebben de ‘meest gangbare’ volgorde in het gesproken Nederlands is. In het volgordeschema van de ANS (1065) staan de deelwoorden aan het begin of aan het eind van de eindgroep. In België, evenwel, komt tussenplaatsing van het deelwoord vaak voor, bijvoorbeeld dat ... kan beweerd hebben (Haeseryn 1996: 121). In zowel het Afrikaans als het Nederlands is het deelwoord morfologisch gemarkeerd (minstens met het prefix ge- in beide talen) én bewegelijk. Volgens de ANS (1071) kan het deelwoord in het Nederlands in principe overal staan. Vanwege zijn verwantschap met het niet-werkwoordelijk deel van de zin, neigt het in beide talen naar links, dus met minimale deelname aan raising). Zie:
Voor het Afrikaans is positie 1 uitgesloten omdat hulpwerkwoorden steeds rechts toegevoegd worden, dus alleen maar:
Maar, zoals gezegd, wordt het voltooid deelwoord door het geregeerd, bijvoorbeeld geword in:
is het niet naar links verplaatsbaar. Met deze uitzonderingen, geven de twee talen dezelfde plaatsingsvrijheid aan deelwoorden, en gelden waarschijnlijk dezelfde voorkeuren. [p. 257] 4. ConclusieAls algemene waarneming kan gelden dat het Afrikaans een vastere volgorde van werkwoordelijke subcategorieën (modale werkwoorden, lexicale werkwoorden, hulpwerkwoorden) kent dan het Nederlands. Wat hoofdzin- tegenover eindgroepvolgorde (V2- tegenover niet-V2-zinnen) in het Nederlands betreft, moet men constateren dat korte eindgroepen maximaal aanpasbaar aan hoofdzinnen zijn geworden; de volgordes (1a), (2b), (3), (4a), (5a) en (5b) en (6) kunnen allemaal onveranderd in beide contexten gebruikt worden, bijvoorbeeld:
naast
Indien men evenwel aanneemt dat er bij langere eindgroepen juist een voorkeur voor voorgeplaatste deelwoorden bestaat, als in
tegenover
dan stemmen de twee volgorden juist niet overeen. Overeenstemming al dan niet tussen de volgorden wordt dus hoofdzakelijk door de lengte van de werkwoordsgroepen bepaald. Daar kortere groepen echter frequenter zijn dan langere, kan men aannemen dat in een grote meerderheid van de gebruiksgevallen Nederlandse werkwoordsgroepen een volgorde hebben die evengoed bij zinnen met en zonder V2 passen. In tegenstelling hiermee is de kloof tussen werkwoordsvolgorden in de twee contexten in alle gevallen groter geworden in het Afrikaans; (2a) en (4b) behouden juist niet hun eindgroepvolgorde in V2-zinnen, bijvoorbeeld:
tegenover [p. 258]
en uiteraard ook niet in langer groepen met het deelwoord voorop:
tegenover
Gaat men ervan uit dat V2-plaatsing vanuit een onderliggende eindgroep geschiedt, dan is de regel heel eenvoudig: plaats het eerste niet-deelwoord van links in tweede zinsdeelpositie (zie (41) en (42)). Omdat modale werkwoorden in het Afrikaans vooraan staan in eindgroepen maar hulpwerkwoorden achteraan, kan ‘eerste niet-deelwoord van links’ ook betekenen laatste werkwoord (zie (43) en (44)).
Er zijn zelfs aanwijzingen dat het Afrikaans ook wat betreft de keus van werkwoorden een asymmetrie of gespletenheid tussen de twee contexten kent:
Terwijl de Afrikaanse eindgroep het voordeel van vaste volgorde heeft (uitgezonderd deelwoord- en V2-plaatsing) en het Nederlands het voordeel heeft dat in de meeste gebruiksgevallen dezelfde werkwoordsvolgorde kan worden gebruikt ongeacht de plaatsing van een werkwoord in V2, tonen beide talen toch - althans in hun standaard- of algemene vormen - de tekens van een gespletenheid wat de structuur van hun werkwoordsgroepen betreft. [p. 259] Bibliografie
[p. 260]
|
1Niet als eindgroep, dus steeds met het in V2. Met V2 wordt hier steeds ook V1 bedoeld, zoals in ja/nee-vragen.
2Van Riebeeck heeft laten metselen hebben.
3Volgens Haeseryn (1996: 111) is doorbreking van de eindgroep kenmerkend voor het Belgisch Nederlands. Zie: dat de kinderen moesten naar boven gaan.
4Arfs (2007), die de afwisseling van de rode en groene volgorde met de ritmische structuur van het VDW in verband brengt, biedt een mogelijke verklaring voor het doorzetten van de groene volgorde in het Afrikaans. Vereenvoudigd komt haar hypothese erop neer dat een VDW en zijn omgeving naar ritmisch evenwicht streeft. Een VDW als betaald heeft een onevenwichtig ‘punthoedpatroon’ [-
∧] en wordt aantoonbaar vaker door een hulpwerkwoord, dat dus een zwakker accent draagt, gevolgd. Een VDW als gelezen, daarentegen, heeft een evenwichtig patroon, namelijk [- ∧ -], en kan dus evengoed door een hulpwerkwoord gevolgd worden als voorafgegaan. Tijdens het regulariseringsproces van het Afrikaanse VDW (zie Conradie 1979), waarbij het verschil tussen zwakke en sterke deelwoorden opgeheven werd, verloren de sterke deelwoorden doorgaans hun -en-eindsyllabe (dus gelezen > gelees) en verkregen zij dus ook het onevenwichtig patroon van [- ∧], dat om een achterop geplaatst hulpwerkwoord vraagt.
5Voor voorbeelden, zie ANS (1059, 1061, 1057): kan hebben willen en: hij zei dat hij de chauffeur had willen laten blijven wachten, waar willen door niet-modale werkwoorden ‘omringd’ wordt.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||