Hollands Maandblad. Jaargang 6


auteur: [tijdschrift] Hollands Maandblad


bron: Hollands Maandblad. Jaargang 6. Stichting Hollands Weekblad, Den Haag 1964-1965


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Vervolg van: De echtgenoot]

kaal door zijn keel laat zakken op het gevaar af zichzelf te doden, zo gebruikte hij het woord ‘nauwkeurig’. ‘Nee zei hij, volgens mij zit het er niet in’.

Hij kwam thuis en zijn kinderen, Herbert en Joyce, sprongen woest tegen hem op, zoals goede kinderen dat doen; wel vroegen ze soms naar hun moeder - ‘waar is mama met paardestaartje’ - maar hij nam speelgoed mee, elke keer en zoveel als ze wilden. ‘Ze zullen het goed hebben’ zei hij tegen de huishoudster. Ze knikte, maar wat hij bedoelde begreep ze niet. Ze begreep het wel, maar niet zoals hij het bedoelde.

Zo dacht ze bijvoorbeeld dat hij nog steeds werkte, maar Franchimont had ontslag genomen; hij had zijn positie vacant gesteld, liever gezegd, nog in dezelfde week dat zijn vrouw vertrokken was en hij bracht de dagen door met niets doen, met rijden dus en zitten op terrasjes, met visites, al ontdekte hij dat vrienden na een nauwkeurig (nauwkeurig) onderzoek altijd door de mand vallen, hun vrouwen incluis, ja, die vooral. Hij merkte het aan de manier waarop ze hem helpen wilden. Iedereen wilde hem min of meer helpen.

 

Slechts één was er die zei ‘ik help je niet’. Ze schreef het, het was zijn vrouw. Hij las haar woorden en herlas. Hij zat in zijn schrijfkamer voor de open kluis gehurkt. Hij keerde haar brief om en om, vouwde hem toen dubbel en stak hem bij de andere brieven, die daar stonden, rechtop tegen de kant. Hij dreef de deur in het slot, juist op tijd, want daar stond zijn huishoudster, met tussen duim en vinger een glaasje whiskey, een drup onderaan. Er was een lach in zijn ogen toen hij het glaasje overnam, een donkere lach. Hij zette het neer op zijn bureau, wachtte tot zij weg was.

Daarna ging hij bezig met tekenen. Hij zette een pulletje neer en pakte een schetsboek. Toen dat niet lukte, althans niet lukte zoals hij het zich had voorgesteld - licht, eenvoudig, briljant -, begon hij repen te scheuren van gekleurd crêpe-papier, wat hij altijd al had willen doen, en hij plakte ze op. Met een tube sneldrogende lijm bracht hij ze aan op het behang en hij formeerde een bloedrode zonsondergang, of een Buick, hij wist niet preceis wat het was geworden toen hij klaar was, maar het was gebeurd; hij had een ding geschapen in welks bestaan hij zich verheugde. Het was elf uur geweest en hij ging naar bed. De whiskey had hij niet aangeraakt.

 

Marijke. Nog nooithad zij zulke indringende woorden gebruikt. Alsof ze voor de ingang van een grot stond, een kelder, en riep met luide stem: ‘ik help je niet!’ En hij, Robert Franchimont, maar scharrelen, in het donker wat rondkruipen, overal tegen aan lopen, blind, blind, op klaarlichte dag. Het was een gedachte, een idee, verdomd. Een mens, dacht hij, is omgeven door duisternis. Het licht is een lichtbeeld in de holle achterkant van zijn hoofd. Franchimont stond voor het raam en hij zag ze lopen, de mensen, de verliefden gearmd, huppelend omdat het zomer was. Hij zag hun blijdschap omgekeerd in hun schedel, als een plasje water, schomme-

[p. 30]

lend, - whiskey. De mens is omgeven door stilte, door de dood, maar zie wat hij er van maakt: een huppelpas en hij weet zelf niet dat hij zo is.

Franchimont stond naar beneden te kijken, met de handen in de zak. In zijn vingers frommelde hij (misschien dat dit hem juist zulke machtige gedachten gaf) zijn laatste bankbiljet. Hij prikte er met de duim doorheen en nog eens. Hij gooide het in de prullemand zonder dat hij wist wat hij deed. Dat was 's middags en 's avonds, toen de kinderen naar bed waren, toen hij ook zijn huishoudster naar bed had laten gaan, toen zat hij in zijn fotoboeken te kijken. Het was niet de eerste keer, maar van een foto - evenals van vele andere dingen - is het belangrijkste degene die hem bekijkt; had hij dit zelf niet 's middags, in het algemeen, ontdekt? Hij zat er mee op zijn knie en hij zag er opeens van alles in, wat dat betreft had hij net zo goed in een ander boek kunnen bladeren, het fotoalbum van zijn huishoudster desnoods. Als hij maar mensen zag, plaatjes ervan waarop hun geluk uitbrak in een zorgeloze lach. Maar dit had zijn fotoboek toch wel op andere voor, dat hij zichzélf zag: met een voetbal in de handen, met zijn vrouwtje in de handen, of met de afwas bezig, met de luiers en hij las de onderschriften. O, die onderschriften! ‘Aan de afwas’, ‘op vakantie’, ‘in de duinen’... Kon zijn nieuwe theorie ook verklaren waarom juist deze simpele woorden hem tot tranen brachten?

 

Hij belde zijn vrouw. Daar is, dacht hij, zeker eerst een traan voor nodig. Zijn huishoudster vertelde hij dat haar dienstverband was afgelopen, dat van haar kind ook en opnieuw belde hij zijn vrouw. Opnieuw geen gehoor. En toen deed hij wat hij, volgens anderen, meteen had moeten doen; hij haalde haar op.

Hij startte zijn Buick, zag links en rechts en boven in het spiegeltje voor hij met een schok vooruit en scheef hellend in de bocht meteen over de tramrails in zuidelijke richting wegschoot, naar het huis waar zij verbleef, Marijke. Als een monster, laag bij de grond, slippend, schoof hij om de hoeken en toen hij aankwam, de straat, het nummer, vond hij de deur dicht, een deur zonder naam. Hij belde en toen er niet open gedaan werd deed hij zichzelf open. Hij ging naar binnen, naar boven, liep vertrekken in en uit, stoorde maaltijden, kinderspelen, studerenden zag hij, knutselaars en daar zat zij, zijn vrouw op een kussen, Ach ach, zij was het, Marijke, klein als een schemerlampje, en broos. Ze stond op, en ook hij stond op, de man die met de rug naar haar toe had zitten houtsnijden en hij protesteerde. Ook Marijke protesteerde maar Franchimont lachte, een blaf was het. Niets was hem liever dan dat men hier protesteerde. Hij tilde Marijke aan een arm uit haar hoek - de knutselaar zette hij weer aan het werk - en hij nam haar mee naar beneden, naar buiten en toen hij haar, terwijl ze een beetje schreide, in zijn wagen had binnengelaten en hij, om de motor heen, aan de andere kant ook naar binnen was gekropen, toen draaide hij het sleuteltje om en hij vertelde het haar: ‘ik heb je’.

 

‘Ik heb je’. Daar moest ze wel om lachen, toen ze thuis waren gekomen. ‘Ik heb je’ zei ze, met een kort lachje dat na klonk in de pendule. Hij was al bezig met een nieuwe advertentie, met de oprichting van een adviesbureau zoals hij er een paar maand geleden een had prijsgegeven. Hij hoorde haar lachje, maar ook die klok en hij dacht aan zijn theorie, n.l. dat die klok gehoord moest hebben dat zij weer terug was. Alles deed mee, alles luisterde en keek toe en toen hij haar, op weg maar de slaapkamer - op de drempel stonden ze - in de armen nam en het haar wilde vertellen, zijn gedachte, toen vertelde hij het haar niet. Hij streek alleen met de hand het haar weg dat voor de ogen hing, zoals sommige dieren dat hebben die daar blind van worden.



illustratie