Indische letteren. Jaargang 1


auteur: [tijdschrift] Indische letteren


bron: Indische Letteren. Jaargang 1. Werkgroep Indisch-Nederlandse Letterkunde, Oude Wetering 1986


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 101]

[Nummer 3]

De Eed op het Kerkhof
Een Maleis-Portugees verhaal uit 1780

B.N. Teensma

Aantekening van de redactie

Het onderwerp van het hierop volgend artikel heeft oppervlakkig bezien weinig met de Indische letteren te maken. Toch heeft de redactie gemeend het te moeten opnemen, temeer waar ze aan het begrip ‘Indische letteren’ een zo ruim mogelijke betekenis heeft willen geven. Bovendien is dit artikel bijzonder interessant en intrigerend. Het heeft indirect ook wel degelijk met de Indische letteren te maken, vooral als we ons met geschriften uit de zeventiende en achttiende eeuw gaan bezighouden.

Het Portugees-Maleis is talrijke decennia de omgangstaal geweest van de Mardijkers, Mestiezen en Kastiezen. Vooral de vrouwen onder hen waren tot in de hoogste kringen van de Europese samenleving doorgedrongen. Deze Europese samenleving was zéér Indisch, veel Indischer dan later. We kunnen bij Teensma lezen dat nog in 1780 een woordenboekje verscheen van het gesproken Portugees-Maleis, vooral ten behoeve van de ‘baren’ of nieuwkomers. Zo'n boekje moet in een behoefte hebben voorzien. Er blijkt uit dat die taal toen nog vrij algemeen gesproken werd.

De in zijn tijd befaamde geschiedschrijver dominee François Valentijn gewaagt meer dan eens van de Portugees-Maleise omgangstaal in zijn reusachtig, volumineus, achtdelig werk Oud en Nieuw Oost-Indiën (1724-1726) (maar verwijzingen staan ons nu niet ter beschikking).

Nicolaus de Graaff citeert in zijn zedenschildering de Oost-Indise Spiegel (1703) verschillende woorden en flarden van zinnen in het Portugees-Maleis door ze in de mond te leggen van dochters van aanzienlijke VOC-dienaren. Niet het Nederlands, maar het Portugees-Maleis was de taal waarin ze zich uitdrukten, de taal van hun begeleiders en opvoeders. En dat waren de slaven aan wie ze werden overgelaten. Van de vele moeilijkheden en misverstanden in de conversatie tijdens officiële ontvangsten en maaltijden, vertelt Nicolaus de Graaff met spot en verachting. In de meeste gevallen verstonden deze vaak zeer fraaie meisjes nauwelijks een woord Nederlands. Een gesprek konden ze in ieder geval in het Nederlands niet voeren. Het ‘Nokke save’ (‘weet niet’, ‘ik versta u niet’) lag in hun mond bestorven.

[p. 102]

Teensma betreedt met zijn bijdrage een tot dusver onontgonnen terrein. Het onderwerp dat hij vanuit de taal beziet is fascinerend, misschien juist omdat we er zo weinig van weten. Onze kijk op de Indische maatschappij uit de zeventiende en achttiende eeuw krijgt er een dimensie bij.

 

Ten tijde van Prins Hendrik de Zeevaarder (1394-1460) begonnen de Portugezen op systematische wijze naar de zeeweg naar Azië te zoeken. In 1488 slaagde Bartholomeus Dias erin de Afrikaanse zuidpunt te ronden, en in 1498 bereikten de eerste Portugese schepen onder Vasco da Gama de Indiase westkust. Sinds 1500 bestond er geregeld scheepscontact tussen Portugal en Azië. Het doel van Lissabon was de Aziatische specerijenhandel te monopoliseren, waartoe een aantal strategisch langs de handelsweg gelegen plaatsen ingenomen moest worden. In 1510 veroverden zij Goa, in 1511 Malakka, en in 1515 Ormuz. In 1509 werden de eerste Portugese schepen voor Maleissprekende gebieden waargenomen.

In de jaren voor 1500 hadden de Portugezen langs de Afrikaanse westkust ervaring opgedaan in de omgang met aan hen onbekende volkeren, talen en culturen. Een versimpeld Portugees had zich daar tot handelstaal ontwikkeld. Deze rudimentaire omgangstaal namen zij mee naar Azië, waar zij al snel verrijkt werd met Aziatische lexicografische en syntactische elementen. Door hun steeds verdergaande vermenging met Aziatische volkeren creoliseerde deze taal in toenemende mate. In de verschillende Aziatische taalgebieden waar de Portugezen en hun afstammelingen binnendrongen, ontstonden diverse creoolse varianten van hun taal, waaronder het Maleise Portugees, alias Portaleis of Malugees.

Die taal is nooit statisch geweest, heeft nooit een officiële status genoten, werd voornamelijk gesproken, en maar zelden opgeschreven. Toen de Nederlanders zich in de 17e eeuw in de Indonesische archipel vestigden, poogden zij tevergeefs het Malugees te weren en door het Nederlands te vervangen. Maar deze taal had een voorsprong van decennia op het veel stuggere Hollands; zij lag makkelijker in het gehoor der Indonesiërs, en was flexibeler door zijn grote creoliseringscapaciteit. Het Nederlands moest zich bij die taalrealiteit neerleggen, en er voorlopig mee volstaan het Portaleis met een beperkt aantal Nederlandse termen te verrijken.

In het tweede decennium van de 18e eeuw was het Maleise Portugees nog zo vitaal op Java, dat de VOC-functionaris Abraham Alewijn er in Batavia toe overging samen met de Mardijker Jan Collé een Portugees-Nederlands woordenboek samen te stellen, dat in 1718 in Am-

[p. 103]

sterdam verscheen onder de titel Woordenschat der twee taalen, Portugeesch en Nederduitsch. In de opdracht van dit boek constateert Alewijn dat er in Batavia twee hoofdtalen bloeien, het Maleis en het Portugees. Laatstgenoemd idioom werd door hem gekarakteriseerd als een ‘gebrooke Portugeesche taal, welke met veel Maleitsche, opgeraapte, bastaard, en gebrooke Nederduitsche woorden ondermengd is’. Daar had hij minachting voor, zodat hij in zijn woordenboek slechts standaard-Portugees opnam.

Pas in 1780 verscheen er een anoniem boekje dat het Malugees registreert. De titel ervan luidt: Nieuwe woordenschat uyt het Nederduitsch in het gemeene Maleidsch en Portugeesch, zeer gemakkelyk voor die eerst op Batavia komen. Te Batavia, by Lodewyk Dominicus, Stads-Drukker op de Tygers-Gragt, aan de West-Zyde, 1780. Dit boekje is niet onbekend, daar Hugo Schuchardt er in deel IX van zijn Kreolische Studien (Wien, 1891) ruimschoots uit citeert.

De Nieuwe Woordenschat bevat 121 bladzijden lexicografische tekst, gedrukt in drie kolommen per pagina, respectievelijk Nederlands, Maleis en Portugees. De Portugese kolommen weerspiegelen de Portaleise taalrealiteit van 1780. In de erop volgende eeuw zou die taal gaandeweg afsterven, en de nagalm ervan in het hedendaagse Indonesisch staat geboekstaafd in de 327 Portugese woorden in European loan-words in Indonesian; a check-list of words of European origin in Bahasa Indonesia and Traditional Malay (Leiden, 1983). De Woordenschat uit 1780 en de Check-list uit 1983 zijn mijlpalen langs de ontwikkelingsweg van het Maleise Portugees; zij markeren een proces van tweehonderd jaar, van bloei tot nagalm. De beide publikaties kunnen dat aftakelingsproces tastbaar, want cijfermatig aantonen, en wel als volgt:

Woordenschat Check-list identiek
Portugese woorden 869 327 131
Aziatische woorden 236 - -
Nederlandse woorden 116 5400 69

Men leest er het afglijden van het Portugees, en het aanzwellen van het Nederlands uit af, en het geeft voor de harde kern der ‘identieken’ een dateringsgegeven. Van de 236 geregistreerde Aziatische termen uit de Woordenschat zijn er 33 niet-Indonesisch. Het geboekstaafde Malugees uit 1780 verhoudt zich dus van Maleis tot Nederlands in de woordaantallen 869:203:116, ofwel in procenten van 75:17:10.

De Woordenschat bevat tussen de lange woordenlijsten een verhalende tekst. Als voorbeeld laat ik een legende-achtig fragment volgen, waar-

[p. 104]

aan ik de titel De Eed op het Kerkhof heb gegeven. Ik heb er een vrijwel letterlijke Nederlandse vertaling bijgezet, om deze niet makkelijk leesbare tekst toegankelijk te maken. En ook een verklarende woordenlijst.

De Eed op het Kerkhof

Pasa bira bira coorpoe, skoeta Heupwiegend loopt hij rond,
toedoe banda, brienka brienka overal luistert hij, zijn ogen
oloe. Grande cobisojoe noe lem- lonken. Een groot verlangen
bransa poor panja aloen koeja. heerst in zijn geest om iets
Ille boeska ki atja te kapen. Hij probeert een
oeng kris, oen badé, oeng kris te vinden, een priem, een
klëwan, oen spada, oeng katana. kapmes, een zwaard of een dolk.
Ille noenkoe sierbies, aloeng Hij gebruikt ze nooit, een enkele
bees. Lansa koempriedoe, keer maar. Een lange lans,
lansa koertoe, oeng assegaaya, een korte lans, een werpspies,
oeng redie, poekat, oeng pan- een visnet, een kuilnet of een
tjieng teeng soea koonteentie. hengel zijn ook van zijn gading.
Pasa sero, pëga pees, pëga Hij zet fuiken, vangt vissen,
paster koen jarieng, koeng en verschalkt vogels met een
soempiet, koen jierat. net, een blaaspijp of een strik.
Soebie rieba di albie, tira Hij klimt in bomen, haalt vogel-
paster soe kajoe, tira froeta nesten uit, en plukt kokosnoten.
klapa. Koemie betel, oeng passa Sirih pruimt hij als tijd-
tempoe. Ille frëtta oen pedas verdrijf. Hij huurt een stuk grond,
tjang, ille kompra oeng orta na hij koopt een tuin naar zijn
soe koonteentie. Ille manda loekoe, genoegen. Die laat hij ploegen
ille manda mamoetia. Ille tarra, en spitten. Hij plant, hij
ille gaboerta, ille botta someentie. graaft, hij zaait. Hij koopt
Ille compra oeng boefra; oeng kan- een buffel; een stal laat hij
dang ille manda faji. Tara oeng orta maken. Hij legt een sirihtuin
di betel. Ille boeska oeng moler, aan. Hij zoekt een vrouw, een
oen coempienjëra. Ille kaja, ille gezellin. Hij huwt, hij blijft
fika koen ella. Ille faay festa. bij haar. Hij viert een feest.
Ille tjoma (compienja) soe Hij nodigt zijn kennissen uit,
consedoe, soe cambradoe. Ille balla, zijn kameraden. Hij danst, hij
ille salta, ille brienka koen katana springt, hij speelt met zijn
seen tokka. Ille bebé dolk zonder [iemand] te raken.
koen folgejoe. Ille discansa. Hij drinkt met plezier. Hij rust
Noyba lawa, pitja no cama. uit. De bruid brengt hij weg,
Illotoor droemi. hij sluit het bed. Zij slapen.
Nooyboe irgie di sonoe, rakoelie De bruidegom ontwaakt uit zijn
fatoe. slaap, en zoekt zijn kleren bij

[p. 105]

Ille teeng oeng cabaloe, oen boenitoe elkaar. Hij heeft een paard,
oeng caballoe di Bima. Ille soebie een mooi paard uit Bima. Hij
caballoe; ille anda noe tjang die bestijgt het paard; hij rijdt
soea moleer soe paay. naar het land van de vader van
Ille olla olla toedoe laay sorte zijn vrouw. Hij ziet allerlei
die foela, die froeta froeta, die soorten bloemen, vruchten, bomen
alber alber koen raaysoe, koen fölla, met wortels, met bladeren,
koen foela, koen froeta, koen takoe, bloemen, vruchten, takken en zaden,
koen someentie, koema alla teeng: zoals daar zijn: de rozewater-
alber jamboe agoe roejadoe, alber djamboe, de zoete sinaasappel,
limaang dossie, alber limaang ajiedoe, de zure citroen, de anona-boom,
alber anonna, alber manga kambrang, de garnaalmangaboom, de guava-
alber goyaba, alber masang, alber boom, de appelboom, de mais-
jagoon. Esta alber alber kie teen plant. Van de bomen die genoemd
poor loemia, soea froeta podie botta worden, kan men de vruchten in-
sal, e fajie aloenga dossie; alber zouten of confijten: de papaja,
papaaya, alber ananas, alber caram- de ananas, de karambool. Behalve
bolla. Forra die isté ienda teeng die zijn er nog de peperboom,
alber pimenta, alber cubebe, alber de lange peper, de Chili-peper
tjielie, alber jinjiber. Alber alber en de gemberplant. Bomen uit
die kel soea froeta podie spriemie wier vruchten olie geperst kan
ajietie: alber klapa, alber jarak worden: de kokosnoot, de rode
bormeloe, alber jarak brankoe, alber wonderboom [ricinus], de witte
koesambie, katjang baar. wonderboom, de ijzerhoutboom,
E tambeen alber de canarie, de aardnoot. En ook de kanarie-
tjampaka, kananga, limaang boom, de tjampaka, de kananga,
proet koen limaang balie. de ruwe citroen en de pompelmoes.
Pertoe riba die baar ste nassie e Bij en over de grond ontluiken
kriesie: koemblie hollanda (é en groeien: de Hollandse knol
poma de terra), alber battatta; (dat is de aardappel), de bataat
assie mesmoen (e tambang) en eveneens (en ook) de
piepienjoe, troon margojoe, troong komkommer, de bittere eierplant,
bormeloe (é brienjella), e todo laay de rode eierplant (de aubergine),
sorte die alber katjan: katjang en allerlei soorten bonen: lange
koempridoe, katjang mareloe, katjang bonen, gele bonen, groene bonen,
berdie; katjang bormeloe, katjang bruine bonen, witte bonen.
brancoe. Toedoe laay sortie de figoe: Allerlei soorten bananen: de pisang
figoe ambon, figoe agoela, figoe cotté, Ambon, de naaldbanaan, de pitjes-
figoe di ree, figoe banaan, de koningsbanaan, de
sapatoe, figoe meja, wrange banaan, de tafelbanaan,
figoe letie, figoe kapokan. de melkbanaan, de kapokbanaan.
Noe meo die camienjoe teen im Midden op het pad steekt een
pedoe oen poos. Noe camienjoe put omhoog. Aan weerszijden van
amoes bandoe teeng oen rantjoe die de weg staat een groepje pinang-
alber arëkka. Na soea poontoe ste bomen. Aan het einde doemt van

[p. 106]

parsie die lonjie oen alber altoe. verre een hoge boom op. Over het
E passando no campo ille atja oen veld gaande vangt hij een aange-
tjeroe sabrojoe. Passando so camien- name geur op. Zijn weg vervolgend
joe iencontra foela de dudaim, kie vindt hij de pandanusbloem, die
ille ja lëwa soe joentoe. Forsa hij met zich meenam. Stevig
martjando e pasa soe camienjoe. stappend vervolgt hij zijn weg.
Ja tjëgga noe oenga sepultoera. Pertoe Zo kwam hij bij een graf. Vlakbij
die akel sepultoera teeng oeng alber dat graf staat een waringin-
briengien. Ille proenta noe kal loegar boom. Hij vraagt waar hij is.
ille teeng. Istie beloe da sabeer Die oude man geeft hem te verstaan
com ille kie esta teeng loegaar dat dit de plaats is waar
oendie ja tarra todo soe pareentie. hij al zijn verwanten begraven
Assie mesmoe (no akel momento) heeft. Meteen (op dat moment)
ille ste triemie, e ille fika begint hij te beven en wordt hij
medoe. E falla: ‘O Deoes! O mienja bang. En hij zegt: “O God, o mijn
Sinjoor, perdoea mienja peccadoe”. Heer, vergeef mij mijn zonden’.
Akel beloe da ientiendie kie Die oude man maakt hem duidelijk
agorra ille noe miestie fika medoe. dat hij nu niet bang moet zijn.
Diespoos ille inclinous soon roostoe Vervolgens boog hij zijn gelaat
atie noe tjang e piedie perdoea tot op de grond en vraagt vergiffenis
koen toedo baseja. Soe moleer soea in alle nederigheid. De vader
paay lëwa trees bees roendoendoe di van zijn vrouw voert hem drie
akel sepultoera, e falla koen ille: keer rond dat graf, en zegt tot hem:
‘Faay oeng joeramentoe kie lo tarra “Leg een eed af dat je me zult
koen eo na esta loegar kantoe eo begraven op deze plek als ik
ja morree”. Diespoos ille fajie gestorven zal zijn’. Daarop zweert
oeng joeramentoe grandie kie assi hij een dure eed dat eveneens
mesmoe miestie soestie kon ille, zo met hem gebeuren moet,
kilaay ille logo faay koen elle. als hij met hem zal doen.
Oenga aboersa koen otroe, e tjoera. De een omarmt de ander, en zij
E passando saay die akel loegaar. wenen. Voortgaande verlaten zij
Ja tjegga noe oeng loegar oendi ja die plek. Zij kwamen bij een
tara oeng kriansa. Na akel loegar plaats waar een kind begraven
ja teeng oen rantjoe die alber lag. Op die plek stond een
combödja, e oter sorte die alber foela groep kerkhofbomen, en andere
foela, todo ientjiedo koen foela soorten bloesembomen, alle vol
foela. Alla ja teeng: alber moegri bloemen. Daar stonden: de jasmijn
koen soea foela, foela agoe roejadoe met zijn bloemen, de witte roze-
brancoe, foela agoe roejadoe waterbloem, de rode rozewater-
bormeloe, foela roejadoe dublo, foela bloem, de dubbele rozebloem, de
soendal malang, e lirio. E patjar herfsthyacinth, en de lelie. En
bormeloe, e patjar brancoe, e patjar rode balsemien, en witte balsemien,
rooysoe, e foela matra, en purperen balsemien, en de kamille,
e foela kandia, koen foela sol. de kandelaarbloem, en de zonnebloem.
Assie illoter passa e foera matoe. Zo gaan zij verder, en zij dringen het

[p. 107]

Na akel matoe illotoor ja olla toedoe bos in. In dat bos zagen zij allerlei
laay die alber boong poor faay fogo voor brandhout geschikte bomen.
(kima). No meo di matoe teeng oeng Midden in het bos is een grote
poos grandi: trejie brasoe koen put: dertien vadem en drie voet
trees peo so foendo; soe largoera is zijn diepte; zijn breedte
sees peo, doos dedoe. Oeng cöbra is zes voet, twee duim. Een
grandie - fika medoe por olla - grote slang - angstig om te zien -
teeng alla denter se oendidoe. houdt zich daarin verscholen.
Illoter larga akel loegar, e atja poor Zij verlaten die plek, en krijgen
olla die lonjie oen liang, van verre een leeuw te zien,
oen tiger, oeng oersoe, oen bada, een tijger, een beer, een neus-
oen alfontie. Die medoe illoter hoorn, een olifant. Uit angst
ste koree, e tjegga na siedadie. beginnen zij te hollen, en komen
Illotoor troekoe biestiedoe. bij de stad. Zij verwisselen
Alla ja teeng: oeng rokkie pasment hun kleren. Daar waren: rokken
die oroe, oeng camsool koen prata, met goud-passement, hemden met
oeng kalsang biloedoe, oen rokkie zilver, fluwelen broeken, rokken
die zeida koen boenietoe knoop, oen van zijde met mooie knopen,
kamsool koen foela die oroe, oeng hemden met bloemen van goud,
kalzang kooyeer, sapatoe sapatoe lederen broeken, mooie schoenen,
bonitoe, gesper die sapatoe prata soea, zilveren schoengespen, gouden
gesper die dasie orie soea, gesper die dasspelden, diamanten gespen,
diamantie, gesper koen pëdra (crys- gespen met stenen (kristal),
tallo), camieja fienjoe koen lobbetje, fijne hemden met lubben, fijne
camieja fienjoe seeng lobbetje, camija hemden zonder lubben, grove
groos poor koesier, kalsang kie biestie hemden voor de koetsier, onder-
baas, borstrok ommie, panoe kie broeken, mansborstrokken, hals-
mara gargantie (stropdassie), karpoes, doeken (stropdassen), mutsen,
koos zeida, oeng boenito oen horlogie, zijden kousen, een mooi horloge,
oeng spada de soeasa, oen cana een degen van soeasa, een riet
(rottang) koen cabessa de oroe. Illoter (rotting) met gouden knop. Zij
pidie agoe. Agoe poor liempa vragen om water. Water om het
roostoe, agoe poor liempa maau, gelaat te wassen, water om de
agoe poor liempa peo. handen te wassen, water om de
Karbang fienjoe poor voeten te wassen. Fijne houtskool
roesa dientie. Illotoor baja om de tanden te schuren.
rieba de röpa koen agoe tjirojoe. Zij besprenkelen de kleren met
Oeng lensoe brankoe illoter reukwater. Een witte zakdoek
fay moeladoe koen agoe roejadoe. bevochtigen zij met rozewater.
Illoter biestie soea biestidoe klei Zij trekken hun kleren aan zoals
miestie teeng, e botta illoter soea dat hoort, zetten hun hoed
tjapeo riba de illoter soea cabessa, op hun hoofd, en gaan als een
e passa koema oen pawang na cajoe pauw naar het huis van de koning.
de rei. Alla ja teeng: e imperadoor, e Daar waren: de keizer, de koning,
rei (ree), e prinsoe, e grande, e prinsen, groten, markiezen en

[p. 108]

markees e compte. Donoe de aloeng graven. Heren over steden en
sidade e tjang grandie, e commandoor grote gebieden, landheren,
de tjang, praefectos, praesidente, bestuurderen, presidenten,
o juizo, thesourier, conseljeiroe, de rechter, thesauriers, raadsheren,
offician de juizo, e ambassadoor, officieren van justitie, ambassadeurs,
e jërraal, e nobile, principe poderoso, generaals, edelen, machtige prinsen,
jeentie grandie de tërra, sirbidoor rijksgroten en dienaren
de o rei. van de koning.

Woordenlijst

aboersa = abraçar. Omhelzen.
agoe = água. Water
agoela = agulha. Naald.
agorra = agora. Nu.
ajiedoe = ácido. Zuur.
ajietie = azeite. Olie.
akel = aquele. Die.
albie, alber = árvore. Boom, struik.
alfontie = elefante. Olifant.
allá = alá. Ginds.
aloen, aloeng, aloenga = algum. Een, enig.
altoe = alto. Hoog.
ambassadoor. Nld. ambassadeur.
Ambon. Ambonnees.
amoes = ambos. Beide.
ananás = ananas.
anda = andar. Gaan.
anonna. Anona-vrucht.
arëkka = areca. Betel.
assegaaya = azagaia. Spies.
assi, assie = assim. Aldus.
atie = até. Totaan.
atja = achar. Vinden.
baar = Arab bodem.
baas = baixo. Onder.
bada. Mal. badak. Neushoorn.
badé. Mal. badik. Dolk.
baja = baixar. Afdalen.
balla = bailar. Dansen.
Balie. Balinees.
banda, bando = banda. Zijde.
baseja = baixeza. Nederigheid.
battatta = batata. Knol.
bebé = beber. Drinken.
bees = vez. Keer.
beloe = velho. Oude man.
bërdie = verde. Groen.
betel. Mal. betel.
biestie = vestir. Kleden.
biestidoe, biestiedoe = vestido. Kleding.
biloedoe = veludo. Fluweel.
Bima: plaats op Soembawa.
bira = virar. Draaien.
boefra = búfalo. Buffel.
boenieto, boenietoe, boenitoe = bonito. Mooi.
boeska = buscar. Zoeken.
boong = bom. Goed.
bormeloe = vermelho. Rood.
borstrok.
botta = botar. Gooien.
brancoe, brankoe = branco. Wit.
brasoe = braço. Arm, vadem.
brienca = brincar. Spelen.
briengien. Mal. beringin. Waringin.
brienjella. Mal. berinjela. Aubergine.
caballoe, cabaloe = cavalo. Paard.
cabessa = cabeça. Hoofd.
cajoe, kajoe = casa. Huis.
cama = cama. Bed.
cambradoe = camarada. Kameraad.
camieja, camija = camisa. Hemd.
camienjoe = caminho. Weg.
[p. 109]
camsool, kamsool = camisola. Hemd.
cana = cana. Riet.
carambolla = carambola. Boomsoort.
cobisojoe = cobiçoso. Belust.
cobra = cobra. Slang.
coempienjëra = companheira. Metgezellin.
combodja. Mal. kembodja. Kerkhofboom.
commandoor. Nld. commandeur.
compienja = acompanhar. Uitnodigen.
compra, kompra = comprar. Kopen.
compte. Fr. comte. Graaf.
consedoe = conhecido. Bekende.
coorpoe = corpo. Lichaam.
cotté. Tamil kottai. Pit, kraal.
crystallo = cristal.
cubebe. Arab. peper.
da = dar. Geven.
dasie, stropdassie. Ndl. dasje.
dedoe = dedo. Vinger, duim.
deentie = dente. Tand.
denter = dentro. Binnen.
Deoes = Deus. God.
di, die = de. Van.
diamantie = diamante.
diespoos = de(s)pois. Vervolgens.
discansa = descansar. Uitrusten.
donoe = dono. Eigenaar.
doos = dois. Twee.
dossie = doce. Zoetigheid.
droemi = dormir. Slapen.
dublo. Ndl. dubbel.
dudaim. Pandanus-soort.
e = e. En.
é = é. Is.
ella = ela. Zij.
elle, ille = ele. Hij.
eo = eu. Ik.
esta, istie = este. Deze.
faji, fajie = fazer. Doen.
faay, fay = faz. Hij/zij doet.
falla = falar. Spreken.
fatoe = fato. Kostuum.
festa = festa. Feest.
fienjoe = fino. Fijn.
figoe = figo. Banaan.
fika = ficar. Blijven, worden.
foela. Sanskr. phull. Bloem.
foendo = fundo. Diep(te).
foera = furar. Doorboren.
fogo = fogo. Vuur.
folgejoe = folguedo. Plezier.
fölla = folha. Blad.
forra = fora. Buiten.
forsa = força. Kracht.
frëtta = fretar. Huren.
froeta = fruta. Vrucht.
gaboerta = [es]garavatar. Graven.
gargantie = garganta. Keel.
gesper. Ndl. gesp.
goyaba = goiaba, guaiaba. Soort vrucht.
grande, grandi, grandie = grande. Groot.
groos = grosso. Grof.
hollanda = Holanda. Nederlands.
horlogie. Nld. horloge.
iencontra = encontrar. Vinden.
ienda = ainda. Nog.
ientiendie = entender. Begrijpen.
ientjiedoe = enchido. Vol.
illoter, illotoor = eles/elas. Zij (mv.). Cf. oter, otroe.
im pedoe = em pé. Omhoog.
imperadoor = imperador. Keizer.
inclinous = inclinou-se. Hij boog zich, zij bogen zich.
irgie = erguer. Opstaan.
ja = já. Reeds. (Duidt verleden tijd aan.)
jaggon. Mal. djagung. Mais.
jamboe. Mal. djamboe. Soort vrucht.
jarak. Mal. djarak. Ricinus-plant.
jarieng. Mal. djaring. Jachtnet.
jeentie = gente. Volk.
jërraal. Nld. generaal.
[p. 110]
jierat. Mal. djirat. Strik, strop.
jinjiber =gengibre. Gember.
joentoe = junto. Nabij.
joeramentoe = juramento. Eed.
juizo = juiz. Rechter.
kaja = casar. Trouwen. Cf. cajoe.
kal = qual. Welke.
kalsang, kalzang = calção. Broek.
kambrang = camarão. Garnaal.
kananga. Mal. kananga. Bloesemstruik.
kandang. Mal. kandang. Stal.
kandia = candeia. Kandelaar.
kantoe = quando. Wanneer.
karbang = carvão. Houtskool.
karpoes = carapuça. Muts.
katana. Jap. kataná. Dolk.
katjan, katjang. Mal. katjang. Erwt, peul, boon.
kel = aquele. Die.
ki, kie = que. Die.
kilaay, klei = que laia. Zoals.
kima = queimar. Verbranden.
klapa. Mal. kelapa. Kokosnoot.
klëwan. Mal. keléwang. Kort zwaard.
knoop. Ndl. knoop.
koeja = coisa. Ding.
koema = como. Hoe.
koemblie. Mal. kembili. Knol.
koemie = comer. Eten.
koempridoe, koempriedoe = cumprido. Lang.
koen, koeng = com. Met.
koertoe = curto. Kort.
koesambie. Mal. koesambi. IJzerhoutboom.
koesier. Ndl. koetsier.
koonteentie = contente. Tevredenheid.
koos. Ndl. kous.
kooyeer. Sp. cuero? Leder.
koree = correr. Hollen.
kriansa = criança. Kind.
kriesie = crescer. Groeien.
kris. Mal. keris. Dolkmes.
laay, lay = laia. Soort. Cf. kilaay.
lansa = lança. Lans.
larga = largar. Achterlaten.
largoera = largura. Breedte.
lawa, lëwa = levar. Brengen.
lembransa = lembrança. Gedachte.
lensoe = lenço. Zakdoek.
letie = leite. Melk.
liang = leão. Leeuw.
liempa = limpar. Schoonmaken.
limaang = limão. Citroen.
lirio = lírio. Lelie.
lo, logo = logo. Dadelijk. (Duidt toekomstige tijd aan.)
lobbetje. Ndl. lob, lub.
loegaar, loegar = lugar. Plaats.
loekoe. Mal. luku. Ploegen.
loemia = nomear. Opsommen.
lonjie = longe. Veraf.
maau = mão. Hand.
mamoetia. Tamil mamuti. Spitten.
manda = mandar. Opdragen.
manga. Mal. manga. Soort vrucht.
mara = amarrar. Ombinden.
mareloe = amarelo. Geel.
margojee = amargoso. Bitter.
markees = marquês. Markies.
martjando = marchando. Lopende.
masang = maçã. Appel.
matoe = mato. Bos.
matra. Mal.? Kamille.
medoe = medo. Angst.
meja = mesa. Tafel.
meo = meio. Midden.
mesmoe, mesmoen = mesmo. Zelf.
mienja = meu/minha. Mijn.
miestie = mester. Noodzaak.
moegri. Concani mogri (afkomstig van de Mogul). Port. bogari. Jasmijn.
moeladoe = molhado. Besprenkeld.
moleer, moler = mulher. Vrouw.
momento = momento.
morree = morrer. Sterven.
na, no, noe = na, no. In, naar.
nassie = nascer. Geboren worden.
[p. 111]
nobile = nobre. Edelman.
noe = não. Niet.
noenkoe = nunca. Nooit.
nooyboe = noivo. Bruidegom.
noyba = noiva. Bruid.
o = oh! (Uitroep.)
o = o. (Lidwoord.) De/het.
oem, oen, oeng, oenga = um/uma. Een.
oendi, oendie = onde. Waar.
oendidoe = fundido. Weggedoken.
oersoe = urso. Beer.
offician. Ndl. officiant.
olla = olhar. Kijken.
oloe = olho. Oog.
ommie = homem. Man.
oroe = oero. Goud.
orta = horta. Tuin.
oter, otroe = outro. Ander. Cf. illoter, illotoor.
paay = pai. Vader.
panja = apanhar. Pakken, grijpen.
panoe = pano. Doek.
pantjieng. Mal. pantjing. Hengel.
papaaya = papaia.
pareentie = parente. Bloedverwant.
parsie = (a)parecer. Verschijnen.
pasa, passa = passar. Passeren.
pasa. Mal. pasang. Monteren, zetten.
passa tempoe = passatempo. Tijdverdrijf.
pasment. Ndl. passement.
paster = pássaro. Vogel.
patjar. Mal. patjar. Balsemien.
pawang = pavão. Pauw.
peccadoe = pecado. Zonde.
pedas = pedaço. Stuk.
pedra = pedra. Steen.
pees = peixe. Vis.
pëga = pegar. Vangen.
peo = pé. Voet.
perdoea = perdão, perdoar. Vergiffenis, vergeven.
pertoe = perto. Dichtbij.
piedie = pedir. Vragen.
piepienjoe = pepino. Komkommer.
pimenta = pimenta. Peper.
pitja = fechar. Sluiten.
poderoso = poderoso. Machtig.
podie = poder. Kunnen.
poekat. Mal. pukat. Visnet.
poma de terra. Fr. pomme de terre. Aardappel.
poontoe = ponto. Punt, eindpunt.
poor, por = por. Voor, om te.
poos = poço. Put.
praefecto. Ndl. prefect. Hoofdambtenaar.
praesidente = presidente.
prata = prata. Zilver.
principe = príncipe. Prins.
prinsoe. Ndl. prins.
proenta = perguntar. Vragen.
proet. Mal. purut. Ruw.
raaysoe = raiz. Wortel.
rakoelie = recolher. Vergaren.
rantjoe = rancho. Groep.
redie = rede. Net.
ree, rei = rei. Koning.
riba, rieba = riba. Boven.
roejadoe = rosado. Rose.
roendoendoe = redondo. Rondom.
roesa = roçar. Schuren.
rokkie. Ndl. rokje.
roostoe = rosto. Gelaat.
rooysoe = roxo. Purper.
ropa = roupa. Kleding.
rottang. Mal. rotan. Wandelstok.
saay = sair. Weggaan.
sabeer = saber. Weten(schap).
sabrojoe = saboroso. Smakelijk.
sal = sal. Zout.
salta = saltar. Springen.
sapatoe = sapato. Schoen.
sapatoe. Mal. sepat. Wrang.
seen, seeng = sem. Zonder.
sees = seis. Zes.
sepultoera = sepultura. Graf.
[p. 112]
sero. Mal. sero. Fuik.
sidade, siedadie = cidade. Stad.
sierbies = servir-se. Dienen.
sinjoor = senhoor. Heer.
sirbidoor = servidor. Dienaar.
skoeta = escutar. Luisteren.
so, soe, soea, soon = seu/sua. Zijn/haar.
soeasa. Mal. suasa. Metaallegering van koper en zink.
soebie = subir. Bestijgen.
soempiet. Mal. sumpitan. Blaasroer.
soendal malang. Mal. sedap malam. Tuberoos.
soestie = suceder. Gebeuren.
sol = sol. Zon.
someentie = semente. Zaad.
sonoe = sono. Slaap.
sorte, sortie = sorte. Soort.
spada = espada. Zwaard.
sprimie = exprimir. Uitpersen.
sta, ste = estar. Zich bevinden. (Duidt actuele tijd aan.)
takoe. Ndl. tak.
tambang, tambeen = também. Ook.
tara, tarra = (en)terrar. Begraven, verbouwen.
teen, teeng = tem. Er is/er zijn; hij/zij heeft.
tempoe = tempo. Tijd.
tërra = terra. Land, aarde.
thesoureir. Ndl. thesaurier.
tiger = tigre. Tijger.
tira = tirar. Plukken, weghalen.
tjampaka. Mal. tjempaka. Bloesemstruik.
tjang = chão. Bodem.
tjapeo = chapéu. Hoed.
tjëgga = chegar.Aankomen.
tjeroe = cheiro. Geur.
tjielie. Ndl. Chili. Spaanse peper.
tjirojoe = cheiroso. Geurig.
tjoera = chorar. Wenen.
tjoma = chamar. Roepen.
todo, toedo, toedoe = todo. Geheel.
tokka = tocar. Aanraken.
trees = três. Drie.
trejie = treze. Dertien.
triemie = tremer. Beven.
troekoe = trocou. Hij/zij wisselde(n).
troon, troong. Mal. terung. Aubergine.
zeida. Ndl. zijde.

Kort taalkundig commentaar

Het is niet eenvoudig een taalkundig commentaar op deze complexe tekst te schrijven, daar men er zowel Portugees, Maleis als Nederlands voor moet kennen. Maar in een artikel voor een tijdschrift dat zich vooral op letterkunde richt, is een taalkundig commentaar van ondergeschikt belang, zodat ik het kort en summier zal houden.

De in dit artikel afgedrukte Malugese tekst bevat een groot aantal ongelijksoortige ingrediënten in zowel spelling, syntaxis als woordmateriaal. De spelling werd voornamelijk op het Nederlands gebaseerd, de syntaxis werd sterk door het Maleis beïnvloed, en in de woordenschat treft men naast Portugees ook veel Maleise en Nederlandse elementen aan, alsmede enkele woorden uit Indiase talen, het Arabisch en zelfs het Japans.

Voor spelling en vocabularium verwijs ik eenvoudigweg naar de bij-

[p. 113]

gevoegde woordenlijst, waar ik terloops bijzondere aandacht vestig op de werkwoorden droemi (dormir), waarin het Nederlandse dromen vermoedelijk heeft doorgewerkt; en op pitja (fechar), waarin de bekende Maleise afkeer van de f valt waar te nemen.

De hoog-Portugese vrouwelijke substantiva op -a hebben die -a in het Malugees meestal behouden, met als opvallende uitzonderingen agoe (água) en cajoe/kajoe (casa). De mannelijke substantiva op -o kregen overal de spelling -oe, met als enige uitzondering boefra (búfalo). Het zelfstandig naamwoord kooyeer wordt zowel in de Nederlandse als in de Maleise kolom met leder/kulit vertaald, maar het is mij niet duidelijk hoe het hoog-Portugese woord couro de vorm kooyeer heeft kunnen opleveren. Liever breng ik het woord in verband met cueiro (luier). De in het verhaal genoemde kalzang kooyeer zou dan de typisch Mardijker. pofbroek kunnen zijn, die door F. de Haan in zijn Oud Batavia (p. 398 van de 2e druk) met de term muggenbroek wordt aangeduid.

Het Portaleis was een taal van infinitieven, waar men al naar behoefte een persoonlijk voornaamwoord bij kon plaatsen: eo (ik), elle/ella (hij/zij), illoter (zij). In het Portugees kent men werkwoorden van drie vervoegingen, met infinitieven op respectievelijk -ar, -er en -ir. In de tropen was de eind-r verloren gegaan. De in het verhaal voorkomende werkwoorden horen overwegend tot de eerste vervoeging, bijvoorbeeld anda, compra, discansa. Tot de tweede vervoeging horen bebé, koree, morree, en de gesubstantiveerde infinitief sabeer. Tot de derde vervoeging horen: biestie, droemi, piedie, saai, sirbies, soebie en sprimie. Een aantal werkwoorden uit de tweede vervoeging werd naar de derde verschoven: ientiendie, irgie, kriesie, nassie, parsie, podie, rakoelie, soestie en triemie.

Enkele niet-creoolse werkwoordsvormen doen veronderstellen dat het tekstfragment oorspronkelijk in het officiële Portugees was geschreven, en in een mondelinge overlevering van vele decennia zijn uiteindelijke Malugese vorm gekregen heeft. Die hoog-Portugese elementen zijn onder andere de tegenwoordige deelwoorden martjando en passando; de verleden deelwoorden moeladoe en oendidoe; de slot-s bij inclinous en sierbies (servir-se), die op het reflexieve voornaamwoord se teruggaat; en de vormen inclinous (inclinou-se) en troekoe (trocou), die op de derde persoon enkelvoud van de Pretérito Definido (Passé Défini) teruggaan.

Aan de neutrale infinitieven kon men in het Portaleis naar believen verschillende tijdscategorieën geven door er tijdsaanduidende markeerders bij te plaatsen, namelijk ste/sta (estar) voor de actualiteit; ja voor het verleden, en lo/logo voor de toekomst. Een frequentatieve nuance verkreeg men door de infinitief een keer te herhalen: bira bira, brienka brienka, olla olla. Dit laatste procédé gaat op het Maleis terug.

[p. 114]

De werkwoordsvorm teen(g) (tem heeft zowel de betekenis van het koppelwerkwoord zijn (esta teeng loegaar oendie [...]), als van het zelfstandige werkwoord zijn = zich bevinden (ille proenta noe kal loegar ille teeng). Als relict uit de hoog-Portugese fase laat teeng zich ook een keer registreren als hulpwerkwoord van tijd: oeng cobra grandie teeng alle denter se oendidoe. Verder betekent het ook nog hebben/bezitten: lansa koempriedoe [...] teeng soea koonteentie.

Het werkwoord pas(s)a gaat in de eerste plaats terug op het hoog-Portugese passar = passeren; maar ook op het Maleise pasang = monteren. Een vergelijkbaar Portugees-Maleis homoniem is sapatoe, dat zowel schoen (Port. sapato) als zuur (Mal. sepat) betekent. De bekende kembang sepatu (hibiscus) wordt dan ook ten onrechte als schoenenbloem vertaald, wat iedereen kan beamen die wel eens de wrange hibiscusthee heeft gedronken.

Het persoonlijk voornaamwoord van de eerste persoon is in hoog-Portugees eu (ik). Voor de term met mij gebruikt die taal de merkwaardige vorm comigo, die teruggaat op het (vulgair) Latijnse cum mecum. Het Malugees gebruikt voor ik het woord eo. De vorm comigo werd verworpen; daarvoor in de plaats treft men in het tekstfragment de term koen eo (met ik) aan.

Het hoog-Portugese voorzetsel para (voor/om te) heeft in dit fragment overal plaats gemaakt voor por, als poor geschreven. Het is niet onmogelijk dat dit onder invloed van het Franse pour gebeurd is. Enkele voorbeelden daarvan zijn:

 
alber boong poor kima
 
camija groos poor koesier
 
grande cobisojoe poor panja aloen koeja
 
karbang fienjoe poor roesa deentie
 
een goede boom voor brandhout
 
een grof koetsiershemd
 
een groot verlangen iets te gappen
 
 
 
fijne kool om de tanden mee te schuren

In neutraal verband worden de substantiva, zowel in het enkelvoud als in het meervoud, in hun enkelvoudige vorm gebruikt. Wanneer men echter nadrukkelijk een meervoud op het oog heeft, herhaalt men het woord een keer: alber alber (bomen), froeta froeta (fruit). Ook dit procédé is aan het Maleis ontleend.

In het hoog-Portugees kent men zowel mannelijke als vrouwelijke zelfstandige naamwoorden, en de erbij gebruikte bijvoegelijke naamwoorden moeten dienovereenkomstig in hun mannelijke of vrouwelijke vorm gezet worden. Het Portaleis heeft de verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke vormen verloren, zij het met behoud van een

[p. 115]

aantal grillig gebruikte relicten van het hoog-Portugese model. Het Lusitaanse normbesef schrikt bij combinaties van mannelijk gevormde adjectiva bij vrouwelijke substantiva, als: toedoe banda, lansa koempriedoe, aloeng bees; of omgekeerd: aloenga dossie.

Het bezittelijk voornaamwoord van de eerste persoon, mijn, is in het hoog-Portugees meu bij mannelijke substantiva, en minha bij vrouwelijke. Van de derde persoon zijn die vormen (zijn/haar) respectievelijk seu bij mannelijke substantiva, en sua bij vrouwelijke. In de onderhavige tekst treffen wij mienja aan voor de eerste persoon, en so, soe, soea, soon voor de derde. Mienja en soea gaan terug op de vrouwelijke vormen minha en sua; en so, soe, soon op de mannelijke vorm seu. Voor hoog-Portugese normen is het combinatiepatroon van in oorsprong mannelijke substantiva met vrouwelijke persoonlijke voornaamwoorden dramatisch in gevallen als: mienja Sinjoor (mijn Heer), mienja peccadoe (mijn zonde), soe moleer soea paay (zijn schoonvader). Hoe arbitrair de vormen soe en soea gebruikt worden, blijkt uit de wèl correcte combinatie: soea moleer soe paay (zijn schoonvader), die men eveneens in deze tekst aantreft. Het in het verhaal gebruikte bezittelijke voornaamwoord van de derde persoon (hun) is illoter soe of illoter soea (hun, z'n): illoter soea cabessa (hun hoofd); illoter soea tjapeo (hun hoed).

Even grillig als soe/soea wordt ook het onbepaalde lidwoord een gebruikt, dat in het hoog-Portugees um (mnl.) en uma (vrl.) luidt. Daarvan komen in de tekst de derivaten oen, oeng en oenga voor: oen poos (een put), oen spada (een zwaard), oeng caballoe (een paard), oeng kriansa (een kind), oenga sepultoera (een graf).

In de syntaxis is het Maleis voortdurend werkzaam. Daarvan volgen nu enkele voorbeelden, die voor iedere kenner van het Maleis herkenbaar zijn:

bira bira coorpoe zwieren
brienka brienka oloe lonken
esta alber alber soea froeta het fruit van deze bomen
noe camianjoe amoes bandoe aan weerszijden van de weg

In de vormen boenitoe oeng caballo (een mooi paard), en boenieto oen horlogie (een mooi horloge) lijkt het tussengevoegde element oen(g) niet terug te gaan op het Portugese lidwoord um, maar op het Maleise partikel jang. De Maleise syntaxis staat ook heel dicht op de achtergrond van de volgende twee zinnetjes, die de meest hybridische uit het hele tekstfragment zijn. Ik citeer het Maleis in de verhollandste spelling van de Nieuwe Woordenschat:

[p. 116]

esta alber alber kie nama darie poon pohon op de vruchten van
teen poor loemia, njang iekot selaga de hierna te noemen
soea froeta poddie boea boean bolee bomen kan men zout
botta sal. doe taroe garam. strooien (= inzouten).
 
alber alber die kel poon pohon darie de bomen uit wier
soea froeta podie boeanja njang die vruchten olie geperst
sprimie ajietie. pras mienjak. kan worden.

Ook bij de samengestelde woorden zijn de toegepaste procédé's grotendeels aan het Maleis ontleend. Enkele voorbeelden daarvan zijn:

alber foela foela bloesemboom
alber jamboe agoe roejadoe rozewater-mangaboom
alber limaang dossie zoete-citroenboom
alber manga kambrang garnale-mangaboom
kalzang kooyeer lederen (?) broek
katjang baar aardnoot, pinda
koos zeida zijden kous
paster soe kajoe vogelnest
pedas tjang stuk grond, perceel

Daarnaast vindt men echter ook voorbeelden volgens het hoog-Portugese procédé:

alber de canarie kanarieboom
cajoe de rei koningshuis, paleis
commandoor die tjang landheer
figoe di ree pisang radja (koningsbanaan)
gesper die diamantie diamanten gesp
gesper die sapatoe schoengesp
orta di betel betel-tuin
rantjoe die alber boomgroep
rokkie die zeida zijden rok
toedoe laay die alber allerlei bomen

Een mengvorm, tenslotte, waarin men Nederlandse en Portugese woorden in zowel Maleise als Portugese syntaxis gerangschikt vindt is:

rokkie pasment die orie een rok met goud-passement

[p. 117]

Met deze paar opmerkingen hoop ik aangegeven te hebben hoe ingewikkeld deze tekst in elkaar zit, en hoe onontwarbaar de verschillende talen erin verstrengeld zijn. Ik heb slechts een paar fenomenen ter oriëntatie aangestipt. Een uit een Malayist, een Neerlandicus en een Lusitanist gevormde werkgroep zou een taalkundig belangrijke publikatie over het materiaal van de Nieuwe Woordenschat kunnen samenstellen. Ook zouden zij een onderzoek kunnen instellen naar de herkomst en de literaire traditie van het hier aangehaalde tekstfragment.

Bibliografie

P.S.A. de Clercq, Nieuw plantkundig woordenboek voor Nederlands Indië. [...] Tweede herz. en verm. druk, bewerkt door A. Pulle. [...] Amsterdam, J.H. de Bussy, 1927.
S. Rodolfo Dalgado, Glossário luso-asiático. Coimbra, Imprensa da Universidade, 1919/1921.2 vols.
European loan-words in Indonesian. A check-list of words of European origin in Bahasa Indonesia and traditional Malay, compiled by C.D. Grijns, J.W. de Vries and L. Santa Maria. Leiden, KITLV, 1983.
Aurélio Buarque de Holanda Ferreira, Novo dicionária da língua portuguesa. la ed. Rio de Janeiro, Nova Fronteira, [1975].
F. de Haan, Oud Batavia. Tweede herziene druk [etc.]. Bandoeng, A.C. Nix & Co., 1935. Hfdst. XII, pp. 397-425.
David Lopes, A expansão da língua portuguesa no Oriente nos séculos XVI, XVII e XVIII. Barcelos, Portucalense, 1936.
W.J.S. Poerwadarminta en A. Teeuw, Indonesisch-Nederlands woordenboek. Tweede [...] druk. Groningen-Djakarta, J.B. Wolters, 1952.
Hugo Schuchardt, Über das Malaioportugiesische von Batavia und Tugu. Wien, F. Tempsky, 1891. (Kreolische Studien, IX.)
António de Morais Silva, Grande dicionário da língua portuguesa. 10a ed. rev. [etc.] por Augusto Moreno, Cardoso Júnior e José Pedro Machado. [Lisboa], Confluência, [1949/1959]. 12 vols.
Henry Yule and A.C. Burnell, Hobson-Jobson. A glossary of colloquial anglo-indian words and phrases, and of kindred terms, [...] New edition, edited by William Crooke. London, John Murray, 1903.