Indische Letteren. Jaargang 23


auteur: [tijdschrift] Indische Letteren


bron: Indische Letteren. Jaargang 23. Werkgroep Indisch-Nederlandse Letterkunde, Alphen aan den Rijn 2008


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 63]

Van de schoonheid, de angst en de troost
De Indische jeugd van Louis Couperus
Annette Postma

De familie Couperus had oude wortels in de koloniale samenleving. De overgrootvader van Couperus (toepasselijk Abraham geheten) ging in de tweede helft van de achttiende eeuw naar Indië, verdiende een fortuin in Malakka en werd er in 1788 gouverneur. Later verhuisde hij naar Java en werd president van het gerechtshof van Soerabaja. Couperus' vader werd in 1816 in Batavia geboren. Hij studeerde aan de universiteit van Leiden en werd in Indië uiteindelijk lid van het hooggerechtshof. Toen hij officieel met pensioen ging, keerde hij met zijn vrouw terug naar Holland, naar Den Haag. Daar werd Louis Couperus in 1863 geboren. De familie bleef nauw verbonden met Indië; Louis' ouders bezaten een plantage op Java en de zonen waren voorbestemd voor een ambtelijke carrière in Indië. Negen jaar later keerde de familie dan ook weer terug. Ter plekke was het makkelijker voor vader Couperus om zijn zonen te helpen met die carrière en dat gold ook voor het besturen van zijn landgoed.

Louis Couperus heeft niet vanaf zijn geboorte, en maar vijf jaar, van zijn negende tot zijn vijftiende in Indië gewoond (1872-1878). Hij woonde in een groot huis aan het Koningsplein, het belangrijkste plein van Batavia op het eiland Java, waar zijn ouders een plantage hadden, Tjicoppo genaamd.1 Alhoewel hij maar een korte periode van zijn jeugd in Indië doorgebracht heeft, heeft deze tijd diepe indruk op hem gemaakt. Ik probeer van zijn beleving en weergave van zijn Indische jeugd een beeld te geven en laat vaak Couperus aan het woord, want wie kan het beter en mooier verwoorden dan de grote schrijver zelf?

De schoonheid

Couperus denkt met plezier terug aan zijn jeugd in Indië. Wat bekoorde hem daar? Allereerst het klimaat:

[p. 64]
Ik vond het heerlijk, dat de zon er scheen. De zon, o dat was iets oneigelijks, iets verborgens in Holland, ook al scheen des zomers de zon! Maar de staâge zon, dat was er iets goddelijks! Een kind lijdt niet van de warmte en ik, ik aanbad de zon. De zon was mij als een godheid. De zon in de blauwe lucht scheen mij God zelve toe, zijn óog minstens! De zon was een god, en de maan was zijn vrouw!2

Ook zijn woonhuis beviel hem beter dan in Nederland:

Ik vond er ons huis mooier dan in den Haag, omdat het grooter was en de tuin heel groot was en er bloeiende oleanders waren. Een ‘oleander’... dat zeide mij iets.3

Om nog maar niet te spreken van zijn kleding:

Ikvond mij er een meneertje dadelijk, omdat ik witte broeken kreeg, verlakte schoenen droeg des avonds, en meê mocht naar de opera, en kinderbals bezocht.4

Op een van deze kinderbals, dat hij samen met zijn nichtje en latere vrouw Elisabeth bezocht, mocht hij tot zijn verrukking een fluwelen pakje aan. De dandy was al vroeg ontwaakt in Couperus.

Op school ging een hele nieuwe wereld voor hem open. Hij leerde er de schoonheid van de mythologie kennen en zag de Olympus voor zich, met zijn goden en godinnen. Hij vond het heerlijk, luisterde aandachtig en schreef alles koortsachtig op, in extase door die plotselinge schoonheid.5 Hij vond het prettig in Indië, ook omdat het er heel anders was dan in zijn geboorteland. Er werden dingen besproken en gedaan, die in Nederland niet aan de orde waren en waarvan hij wel begreep dat hij die thuis niet moest vertellen, zelfs niet aan zijn moeder:

Het leven ging er voor mij open; de jongens, die mij, toen ik aankwam, hèel dom vonden, leerden mij de verborgen dingen en de wijze, nòoit onder de groote menschen, gezegde woorden, en waren allemaal, òf verliefd op kleine meisjes, òf heel branie met de baboe's thuis van hun moeders of zusjes, òf zij hadden vriendjes op school, heel innige vriendjes. Dit alles maakte te zamen op mij den indruk of het leven voor mij open ging, of ik nu heel het leven inzag, al was het maar het leven van jongens en meisjes, van kinderen; eigenlijk veel interessanter dan het leven van groote en oude menschen, dacht ik. Ik begreep, dat ik thuis moest oppassen, niets moest laten merken van álles wat ik al wist; al waren er dingen, die ik niet goed begreep.6
[p. 65]



illustratie

[...] zij, in een marquise-toiletje, een marquisetje van acht jaar, gepoeierd, met een moesje op de wang; ik, als een page en ik herinner mij nog het pakje, dat mijn zusters mij hadden gemaakt: zwart fluweel met gele satijnen crêvé's en ik was erg trotsch op die eerste travesti.7


Op school in Indië maakte Couperus dus voor het eerst kennis met seksualiteit, maar laat wijselijk zijn eventuele, eigen ervaringen buiten beschouwing. In de roman Metamorfosen wordt iets explicieter wat die ‘innige vriendschap’ tussen de jongens inhoudt. Couperus' hoofdpersoon Aylva is schrijver, en schrijft over de vriendschap tussen Kareltje en Arnold, twee jongens op een particuliere school te Batavia. Arnold is een forse, sterke jongen en ouder dan Kareltje, een elfjarig teer, bleek en blond jongetje. Het verhaal begint met de schooljongens die het ‘baarspel’ spelen. Bij het baarspel is de speelplaats door twee lijnen of baren in twee kampen verdeeld,

[p. 66]

met een gevechtsterrein daartussen in. Wie geraakt (getakt) wordt, is krijgsgevangene; hij moet op de baar staan, maar kan door zijn partijgenoten verlost worden. Het is een spel waarbij het er nogal wild aan toe kan gaan. Zo ook hier: Arnold probeert Kareltje te weerhouden de vlag te bemachtigen en haalt hem zo hard onderuit, dat Kareltje bewusteloos raakt. Arnold heeft enorm veel spijt, want hij had hem geen pijn willen doen, hij houdt namelijk heel veel van Kareltje. Zo veel zelfs, dat hij jaloers is als Kareltje op een kinderbal telkens met hetzelfde meisje danst. Kleine Kareltje kijkt op tegen de oudere Arnold, die hem dingen leert en vertelt, waar Kareltje geen weet van had:

En Arnold leert hem hoe het leven is. Kareltje is heel nieuwsgierig en vraagt hem allerlei dingen met glimmende oogen. Dan praten ze geheimzinnig en Arnold waarschuwt Kareltje zich niet te bemoeien met die jongens en met die: die doen slechte dingen met elkaâr in donkere hoekjes...
Eerbiedig ziet Kareltje op naar Arnold, omdat hij zooveel weet. Hij is wel heel nieuwsgierig naar de slechte dingen in de donkere hoekjes, maar hij gelooft niet, dat hij ooit zal durven, om Arnold. Want Arnold windt zich op en zegt hem, dat hij een pak slaag krijgt, Kareltje, als hij zich met die jongens bemoeit... Kareltje belooft.8

Het lijkt erop dat Arnold graag zelf dingen met Kareltje zou willen doen, maar dat van zichzelf niet mag of niet durft. Uiteindelijk wint Kareltjes nieuwsgierigheid het van zijn angst voor een pak slaag. Arnold is diep bedroefd als hij hoort dat Kareltje tóch met andere jongens in donkere hoekjes knoeit...9

De angst

Couperus is altijd al, van kleins af aan, een bangelijk kind geweest:

Want ik was bang, ik was een bang kind: ik was bang voor donkere trappen, ik was bang voor baardige mannen, ik was bang voor moordenaars en voor tijgers vooral, en dan was ik héel bang voor spoken.10
[...]
Nu vond ik het soms wel prettig bang te zijn, en maakte mij verhalen van tijgers en moordenaars, heel groote tijgers en baardige moordenaars; de laatste vooral waren mijn stadige vrees en ik herinner mij nog de koude rilling, die mij over-
[p. 67]
viel, toen mijn nichtje- nu mijn vrouw- mij eens vroeg, zij toen een klein, bleek, blond meisje, veel jonger dan ik:
- Waar ben jij meer bang voor, zeg....voor dieven... of voor móordenaars??
Toen heb ik, uit den grond van bevend hart, gestameld:
- O, voor moordenaars... want diè... die maken je dood.11

Couperus vertelt hierop bang te zijn voor de dood, die hij bijna had ontmoet en voor God. Die laatste vreesde hij, zegt hij, bijna meer dan de moordenaars... Ook was hij, als klein kind (omdat de kindermeid en het kamermeisje daarover enge verhalen vertellen) bang voor de Zwarte Kunst. Hij besloot zijn zelfgemaakte gebedje voor het slapen gaan dan ook steevast met de woorden: ‘Heere, bewaar mij voor de Zwarte Kunst.’12

Couperus speelde meestal alleen en verzamelde de zonderlingste dingen, zoals modeplaten, de gouden en zilveren blikjes van wijnflessen, stukjes glas, lappen tarlatan van de baljaponnen van zijn zussen, pionnen van belegeringsspellen, giornoballons. Van zijn spelletjes begrepen zijn broers en zussen niets, zij lachten om die rommel. Maar die ‘rommel’ stelden mensen voor en Couperus gaf ze namen. En met die rommel maakte hij zijn eerste romans, meestal draaiden ze om ‘door vreeslijke roovers en moordenaars geschaakte mooie dames’ en de romans liepen meestal heel treurig af. 's Avonds huilde de kleine Louis om zijn eigen treurige verhalen in zijn bedje.13 Deze fantasiespelletjes speelde hij in Indië ook met zijn vier jaar jongere nichtje Elisabeth, en ieder maakte zijn eigen verhaal, zijn eigen roman. Zij speelden dit in de donkere regentijd, als de grote mensen hun siësta hielden, samen in de binnengalerij.14

In Indië werd Couperus' angst heviger, de kleine Louis kon zijn vrees cultiveren in het voor hem vreemde en mysterieuze land. Couperus maakt een onderscheid tussen bang zijn en angst (met een hoofdletter): ‘Want wie bang is, is bang voor iets of voor iemand... Maar wie de Angst kent, voelt die Angst als een geheimzinnigheid, in hem, om hem: als een geheimzinnige dreiging van wat gebeuren of komen gaat...’15 In Indië is er genoeg geheimzinnigs om vrees voor te hebben:

Het kind kende later de Angst, in geheimzinnig Indië... Kent gij de tropische ure der schemering, kort maar huiverig angstig, als alle geluiden plotseling zwijgen: de huivervolle, angstige poze, als tussen de lovering van de waringins de bleke spokegezichten uitstaren... In de schaduwen der duisterende tuinen liggen de gekronkelde python-slangen op de loer en in de schaduwen der grote
[p. 68]
huizen, waar de lampen nog niet alle ontstoken zijn, schuifelen de witte schimmen langs de witte kalkwanden... Het is het ogenblik, dat de geesten mét u mee gaan door de overdekte gangen, die, door de tuinen, naar de grote badkamers geleiden... Neem uw tweede bad toch niet zo laat... Het is het ogenblik, dat de zwarte schimmen dansen langs de gitkleurige teerranden der grote badkamers, en uitgrijzen tussen de grote martevanen... De martevanen zelve zijn grote gnomen geworden... Als het kind school had moeten blijven en heel laat het tweede bad moest nemen, goot hij zich het water over zijn rillende lichaam uit terwijl de zwarte schimmen rondom hem dansten en boven hem drie vleermuizen in dreigende kringen zwapperden.16

In ‘De badkamer’ beschrijft Couperus een angstige gebeurtenis die hem volgens eigen zeggen overkwam op ‘een namiddag in Indië’. Deze gebeurtenis zal waarschijnlijk plaatsgevonden hebben toen hij al volwassen was, tijdens een verblijf in Indië rond 190017. Dit verhaal verscheen samen met twee andere verhalen onder de kop ‘Wonderlijke historiën’. Hij leidt dit derde, wonderbaarlijke verhaal in met de volgende zin:

Dit is De Stille Kracht, die zich aan mij heeft geopenbaard, op een namiddag in Indië...18

Daarop vertelt hij dat hij in de schemering de badkamer, die zich een eindje van het woonhuis bevindt, betreedt en een witte figuur - een figuur in wit gekleed, wit getulband - ziet verdwijnen in de richting van de andere uitgang van de badkamer. Couperus meent dat het een bediende is en als hij zijn bad wil nemen, bedenkt hij dat hij de tweede deur nog op slot moet doen. Tot zijn ontzetting is de deur al van binnenuil vergrendeld. Hij realiseert zich dat ‘het Witte’ dwars door de deur moet zijn gegaan... Hij bezweert de lezer dat het geen literaire fantasie is, en om dit te benadrukken, tekent hij zelfs een plattegrond van de bewuste badkamer onderaan het verhaal. Ook hier keert weer de badkamer in het schemerdonker terug.

Couperus' nicht en latere vrouw, Elisabeth Baud, was wel geboren in Indië, in 1867 te Batavia. Zij was vier jaar jonger dan Louis. Toen zij tien was, woonde zij drie jaar op Deli, waar haar vader administrateur was op de eerste tabaksonderneming.19 Volgens Louis noemde zij deze Indische kindertijd op Deli ‘romantisch’. Hoe romantisch, valt te lezen in het verhaal ‘Kindersouvenirs’:

Papa had een groot huis laten bouwen, hoog op palen, van hout - de andere hui-
[p. 69]
zen waren van bamboe, en het huis stond op een soort landtong in de rivier, met water aan alle kanten. Daar om heen de schuren, dan de velden, en rondom ons het woud, de geheimzinnigheid, de verlatenheid... Ook al was het druk om ons: de opzichters, de oppassers, driehonderd koelie's... Tusschen die driehonderd koelie's waren, wij, enkele Europeanen, verlaten... Dichtbij, aan de rivier, woonde een zonderling, een Franschman, een explorateur, in een klein huisje, héel alleen, en tusschen ons huis en het zijne was een klein kerkhof: daar was zijn vrouw begraven, en daar is mijn kleine broertje begraven... Zoo vreemd stil somber, dat kleine kerkhof, zoo vlak bij... In het woud, diep, hadden de Bataks zich teruggetrokken... Het was wel gepacifieerd, zoo als het heette, maar telkens stonden zij op, de Bataks, tegen de Kompenie, die hun hun landen had af genomen, en dan ondernamen zij roof- en moordtochten... Telkens werden er moorden gepleegd, gruweldaden, in den omtrek... Je wende er aan, aan de verschrikkingen... Ik leefde tusschen de verschrikkingen... Stel je voor: wij alleen tusschen driehonderd koelie's... Als ze eens oproer hadden gemaakt! Trouwens, van ondernemingen in de buurt hoorde je telkens de gruwelijkste berichten... Diè was vermoord met vrouw en kinderen; diè was gemarteld, op een afschuwelijke manier... Een kwartier rijden van ons af was het kampement: een kapitein, twee luitenants, een handjevol soldaten... En daar achter het woud, met het altijd dreigende gevaar... Onder ons huis, tusschen de palen, waarop het voor het vocht was gebouwd, was... de gevangenis. Soms werd er een onwillige koelie daar voor de nacht opgesloten. Dan hoorde ik hem beneden mij vloeken, gillen, schreeuwen, stampen, trappen... Ik rilde van den angst in mijn bedje... Ik was een tenger kindje, maar ik kreeg een Spartaansche opvoeding. Vijfminuten zeker van het huis was de badkamer, groot, van bamboe, bij de rivier. Ik vond diè al onveilig, zoo ver, zoo in het gezicht van het dreigende gevaar. En omdat ik ook heel bang was voor het donker, zei papa dan soms, in den avond:
Kleine... ik geloof, dat ik mijn sigarenkoker in de badkamer heb laten liggen: ga hem eens halen...
Dan ging ik, met een kloppend hart. Door den zwarten tuin, op zij de donkerende velden, naar de sombere rivier, naar de badkamer... Ik dacht de witte pontianaks te zien spoken, met haar bloedende borsten en losse haren, over het water en tusschen de zwarte boomen. En rillend bracht ik papa zijn sigarenkoker terug, die hij expres daar had vergeten.
[...]
Soms hoorde je de tijgers, in de nacht, om het huis, krijschen, tragiesch en ra-
[p. 70]
zend, als immense katten... Eens... ik keek door de jalouzieën... zàg ik een tijger... Het beest sloop, weg van het huis, verdween in de nacht... Ik, rillende, ging het dadelijk zeggen, aan papa... Den volgenden morgen zoû papa met de opzichters en oppassers op den tijgerjacht gaan... Zij zochten naar de sporen... Toen bleek het, dat de sporen niet waren van tijgerponten, maar... van platte menschenhanden! De tijger was een spion geweest, in een tijgerhuis, een spion van de Bataks. We vonden soms, des morgens, aan de palen van het huis gespijkerd, wat haar, met bloed...20

De romantiek lijkt meer op pure horror! Let wel, het verhaal ‘Kindersouvenirs’ is door Couperus geschreven, het is zijn weergave van Elizabeths jeugd. De schrijver lijkt hier zijn eigen angsten en preoccupaties op de jeugd van Elizabeth te projecteren, want het is zeer onwaarschijnlijk dat Elisabeths vader zijn kleine meisje in zo'n gevaarlijke omgeving in haar eentje 's avonds naar buiten stuurt.

Couperus' bekendste badkamerscène (mede door de gelijknamige televisieserie die een doodsbange, naakte Pleuni Touw, bespuwd met sirih uit onzichtbare monden, op het netvlies van een hele generatie brandde) komt uit De stille kracht. Zowel in ‘De angst’, ‘De badkamer’ en in De stille kracht keren dezelfde verhaalelementen terug: het schemerdonker, de badkamer en de angst voor de natuur, het wezen, het mysterie van Indië. Couperus lijkt door de mond van Eva Eldersma, de vrouw van de secretaris van de resident Van Oudijck, te spreken als zij zegt:

Soms maakt Indië me bang. Voelen jullie dat geen van allen? Een vage angst, een geheimzinnigheid in de lucht, iets dreigends... Ik weet het niet. De avonden zijn soms zoo vol geheimzinnigheid en er is iets mysterieus in het karakter van den inlander, die zoo ver van ons staat, zooveel van ons verschilt...21

Ondanks de angst was Couperus gelukkig in Indië:

[...] ik voelde er mij, als een klein groen vruchtje, rijpen; er zwol iets in mij, en de glimlach, die altijd glimpte in mijn kleine ziel werd iets schitterender, van levensvrzeugd.22

De familie Couperus keerde in 1878 terug naar Nederland, vooral in verband met de opvoeding van de 15-jarige Louis. Zijn oudste twee broers en zijn oudste zuster bleven in Indië.23 Groot was Louis' teleurstelling bij de terugkeer naar het land van herkomst, hij vond het er verschrikkelijk. Holland was klein, dof, somber, saai en vervelend. Het leven was eentonig en zijn ziel grauw. Hij miste te veel om op te noemen.24

[p. 71]



illustratie

De Soesoehoenan van Soerakarta (Solo) Pakoe Boewono x, naast de resident De Vogel in 1897. De indruk die wij van de Soenan krijgen vinden we bij Couperus in De stille kracht terug: ‘Ik vind hem een levende wajangpop. Alleen zijn ogen, daarvoor ben ik bang. Wat een verschrikkelijke ogen. Soms slapen ze.’ Het is Eva Eldersma die dit zegt (uit: Rob Nieuwenhuys, Baren en oudgasten. Tempo doeloe - een verzonken wereld. Amsterdam: Querido, 1981, p. 76-77).


[p. 72]
Ik geloof, dat ieder Indiesch kind, komende in Holland, het zoo moet vinden. Het kleinere huis, het gat van een tuin, geen rijtuigen en geen paarden; ik géen bendie en paard meer; twee meiden en een knecht, in plaats van dertig bedienden: ik vond het vreeslijk, begreep er niets van, dacht, dat mijn ouders geruïneerd waren en wilde niet gelooven dat dit toch niet het geval was. En de school, de Hoogere-Burgerschool! De jongens hadden voor mij allen een luchtje: ik vond, dat ze zich niet waschten, en van passioneele drama's was geen sprake meer: er werd niet gesproken over vrouwen, ze waren niet verliefd op meisjes, en niemand had een innig vriendje. Ik zag met minachting op ze alle neêr, vond ze ‘kinderen’ en erg saai en vervelend. Het was in dien tijd, dat de glimp in mijn ziel doofde: pas véel later is die vonk hergloeid.25

Eigenlijk heeft Couperus zich in Nederland nooit meer thuisgevoeld. Het liefst pakte hij zijn koffers en reisde de wereld af:

Ik was steeds de dwaler, de wandelaar, de schoonheidszoeker en de grenzen bestonden niet. Eén zelfde hemel - bij u misschien grauwer, bij mij meestal blauwer - welfde over ons heen. De wereld was mijn vaderland.26

Hij noemde zich een vagebond en in plaats van ergens ‘wonen’, zeker in Nederland, zou hij liever vagebond blijven, ‘[...] met wat meubels hier en wat meubels daar, met wat koffers hier en wat koffers daar en zonder veel bindende papieren...’27 Couperus voelt zich meer wereldburger (een predicaat dat Maxima niet in dank werd afgenomen in Paul Scheffers boek Het land van aankomst) dan Nederlander. Als hij, gedwongen door de WO I, of volgens eigen zeggen ‘oorlogstoestanden en psychische toestanden’28 naar Nederland terugkeert in 1915, is Nederland hem vreemd. ‘Zoo ik ìets ben, ben ik een Hagenaar’29, verklaart Couperus, omdat hij eigenlijk alleen Den Haag goed kent, en de rest van Nederland nauwelijks. Hij wijt dit ontheemd voelen ten dele aan zijn verblijf in Indië tijdens zijn jeugd:

Het is mogelijk, dat die vroege verplaatsing van grooten invloed was op ziel en geest van den kleinen Hagenaar. Sedert voelde hij - na vijf jaren kwam hij in Den Haag terug - de vreemde onrust in zich, die niet duldt het wortelen op de plek der geboorte. Sedert werd hij de Hagenaar, die zich kriebelig voelde worden als hij lang toefde in Den Haag.30
[p. 73]

De troost

Rond zijn zeventiende wordt Couperus door een angstbeeld gekweld, dat te maken heeft met zijn toekomst. In deze familie, waar het voor de mannen sinds overgrootvader Abraham naar het ‘beloofde land’ trok traditie was een Indische bestuurscarrière na te streven, is Couperus een buitenbeentje. Voor geen goud wil hij de ‘gouden galonnen’ van het Binnenlands Bestuur dragen.31

Tot er eens een verjaardag kwam, - o, je was nog heel jong en niet meer dan een groote knaap - dat je verjaardag nu niet meer zoo hèel plezierig was, zóó heel feestelijk voor je eigenste eigen. Zeker, rond om je waren de familie en de kennissen en de vrienden maar je hadt dien morgen... op je bovenlip het waas, het eerste waas van een snor ontdekt. En papa had je juist een week geleden gevraagd: wat moet er tòch van je worden, als je geen ambtenaar wil zijn? En die vraag van papa, tè gelijk met dat eerste donkere waas over je bovenlip...deden je huivering wekkend angstig aan.32

Een latere verjaardag beviel hem beter, toen hij verschoond was van het Binnenlands Bestuur te Indië en het ambtenaarschip en zijn scheepje ‘mòcht varen den gevaarvollen maar lokkenden oceaan van de kunst op’. Hij kon weer opgelucht ademhalen en nu vond hij ook dat zijn snorretje hem niet slecht stond.33

Dat Couperus zich zou gaan wijden aan de kunst is hem, volgens het verhaal ‘Kindersouvenirs’ in Indië voorspeld. Toen hij een jaar of negen was, ging hij met zijn moeder naar een Chinese meubelmaker. Als deze de kleine Couperus ziet, buigt hij viermaal diep voor hem en roept zijn vrouw en kinderen. Ook deze buigen met grote eerbied voor de jongen. Couperus' moeder vraagt verwonderd waarom de meubelmaker en zijn familie zo buigen voor haar zoon. Daarop antwoordt de Chinees dat de jongen een kruintje op zijn voorhoofd heeft in plaats van op zijn achterhoofd, zoals de meeste mensen. Dit is een gelukkig teken, het geeft aan dat Couperus een ‘grote ziel’ heeft. ‘Een grote ziel’ blijkt een kunstenaarsziel te betekenen:

Daarmeê bedoel ik, dat de kleine meneer gelùkkig zal worden in het leven, dat hem wacht, omdat zijn ziel ‘groot’ zal zijn en zal zien rond om hem heen, en al het moois zal zien wat er is op de wereld en in den mensch. De ‘groote zielen’, die dat zoo zien, zijn de dichters en de kunstenaars: zij bootsen de natuur en het leven na, en die nabootsingen zijn hun geluk. Hun zielen zijn ‘groot’, omdat zij veel zien en veel begrijpen, en op hun beurt veel geven van wat zij ontvangen:
[p. 74]
want de ‘groote zielen’ zijn mild. En omdat zij ontvangen en geven, en zien en bewonderen en nabootsen, zijn zij gelukkig, is hun leven gelukkiger dan van vele andere menschen: zij zijn de gezegenden van de goden, en de goden hebben hen lief...34

Ook dit gebeuren klinkt, net als de ‘romantische’ jeugd van Elizabeth, te mooi om waar te zijn. Wat er uit naar voren komt, is dat Couperus zijn schrijverschap als een groot geluk beschouwt. De vonk - waarover Couperus in dit artikel al eerder sprak - die in Holland doofde, glimpte weer op door het lezen van boeken, vooral die van Ouida35 en toen hij op school les kreeg over ridderromans, het Humanisme en Petrarca.

Maar al waren er tijden, dat de vonk doofde om de te intense gedachte, een enkele gewaarwording van schoonheid, een beeld, een landschap, een zin in een boek kon weêr de vonk doen glimpen. En ik geloof, dat, trots alle ernst en het leed, die er geweest zijn, de vonk nooit meer heelemaal doofde, de vonk altijd weêr kracht had te hergloeien met haar schitterende ster.36

De vonk, het levensgeluk, is er als Couperus schoonheid ziet en als hij dat kan weergeven in zijn boeken. Hiermee gezegend, kan hij de wereld aan. Symbolisch is de eindscène van ‘Kindersouvenirs’ . Hierin knielt de kleine Couperus samen met de zoon van de al eerder genoemde Chinese meubelmaker voor het huisaltaar, waarop twee goden staan die hem zullen zegenen. De een is een goedige, glimlachende, roze god, gekleed in een prachtig gouden gewaad, de ander een angstaanjagend grijnzende, zwart en scharlakenrode god met klauwende vingers. Couperus vindt de zwarte god niet heel erg griezelig; hij vindt zijn gewaad, zwart, rood en goud, heel erg mooi...37

Alhoewel Couperus geen ‘gouden galonnen’ in het Binnenlands Bestuur hoefde na te streven, en hij de schone letteren mocht gaan dienen, toch heeft Indië hem ook in deze carrière niet losgelaten. Het heeft zijn meesterwerk opgeleverd: De stille kracht.

Bibliografie

Basset, Frédéric. Louis Couperus, Een biografie. Amsterdam: Querido, 1987.
Beekman, E.M. ‘Louis Couperus (1863-1923): de magie van het onuitsprekelijke’. In: E.M. Beekman: Paradijzen van weleer, Koloniale literatuur uit Nederlands-Indië, 1600-1950, p. 261-299. Vertaald door M. van der Marel en R. Wezel. Amsterdam: Prometeus, 1998.
[p. 75]
Couperus, Louis. Metamorfoze. Volledige werken Louis Couperus 13. Veen, uitgevers, Utrecht / Antwerpen 1988.
Couperus, Louis. De stille kracht. Volledige werken Louis Couperus 17. Utrecht / Antwerpen: Veen uitgevers, 1989.
Couperus, Louis. ‘Ter uwer verjaring’. In: Van en over mijzelf en anderen, p. 321-329. Volledige werken Louis Couperus 27. Utrecht / Antwerpen: Veen uitgevers, 1989.
Couperus, Louis. ‘Een Hagenaar terug in Den Haag’. In: Van en over mijzelf en anderen, p. 508-520. Volledige werken Louis Couperus 27. Utrecht / Antwerpen: Veen uitgevers, 1989.
Couperus, Louis. ‘Brieven van den nuttelozen toeschouwer.’ In: Van en over mijzelf en anderen, p. 612-672. Volledige werken Louis Couperus 27. Utrecht / Antwerpen: Veen uitgevers, 1989.
Couperus, Louis. ‘Toen ik een kleine jongen was’. In: Louis Couperus. De zwaluwen neêrgestreken, p. 43-51. Volledige werken Louis Couperus 31. Amsterdam / Antwerpen: uitgeverij L.J. Veen, 1993.
Couperus, Louis. ‘Kindersouvenirs’. In: Louis Couperus. De zwaluwen neêr gestreken, p. 52-58. Volledige Werken Louis Couperus 31. Amsterdam / Antwerpen: uitgeverij L.J. Veen, 1993.
Couperus, Louis. ‘De vonk’. In: Louis Couperus. De zwaluwen neêr gestreken, p.109-113. Volledige Werken Louis Couperus 31. Amsterdam / Antwerpen: uitgeverij L.J. Veen, 1993.
Couperus, Louis. ‘De badkamer’. In: Louis Couperus. ‘De badkamer’. In: Louis Couperus. Ongebundeld werk, p. 273-275. Volledige werken Louis Couperus 49. Amsterdam / Antwerpen: uitgeverij L.J. Veen, 1996.

Dit artikel is ook geïnspireerd door en schatplichtig aan de lezing van Bas Heijne, getiteld Angst en schoonheid, Over Louis Couperus en Indië. Deze lezing is uitgekomen als Couperus Cahier II van het Louis Couperus Genootschap in 1996.

[p. 76]

Annette Postma studeerde Nederlands aan de Universiteit Leiden. Haar doctoraalscriptie was gewijd aan Couperus. Nu is zij werkzaam bij de gemeente Leiden.