Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1787


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1766-1799


bron: Handelingen der jaarlijksche vergadering van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leyden, gehouden den 26sten van Zomermaand 1787. Z.p., z.j.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 1]

[Uitnodiging door J.A. Clignett]

[Levensberichten van J.F. Parvé en W.J.T. van der Does]

MIJN HEER!

 

Uit naam van de Maatschappy der Nederlandsche Letterkunde te Leyden, heb ik de eer U te noodigen op de Jaarlijksche Vergadering, welke dit jaar, volgens besluit der laatstgehouden Jaarlijksche Vergaderinge, gehouden zal worden op Dingsdag den 26sten van Zomermaand, des morgens ten negen en des namiddags ten drie uure, in de Vergaderkamer van de Maatschappy, op de Oudevest, om de navolgende punten in overweging te nemen, en daar op de noodige besluiten te maken.

I.

Het verslag van de Maandelijksche Vergadering, wegens het Woordenboek der Maatschappye.

II.

Het opnemen van de stemmen der Gekommitteerden tot het beoordeelen der ingekomen Verhandelinge, ter beantwoording der vrage, over het toenemen der Hollandsche Steden in aanzien en vermogen onder de Graaflijke Regering.

III.

Het verslag der Gekommitteerden, nopens de bedenkingen op het onderwerp, om naar eenen prijs te laten schryven, in de laatstgehouden Jaarlijksche Vergadering gekozen:

‘Eene meest volledige opgave van echt Vaderlandsche, en by andere Volken niet gebruikt wordende spreekwoorden, met derzelver Historie- of Oudheidkundige Verklaaring.

De Heeren te Water, Fortman, N. Hinlopen, Tydeman en Valk, die in de Jaarlijksche Vergadering des Jaars 1786. tot die kommissie benoemd zijn, worden verzogt de bedenkingen, welken zy op het voorgesteld onderwerp, of zelven gemaakt, of van andere Leden der Maatschappye ontvangen mochten hebben, drie weken voor het houden der Jaarlijksche Vergaderinge mede te deelen aan den Heer te Water, als den eerstgenoemden der Gekommitteerden.

[p. 2]

IV.

Het benoemen van zeven Gekommitteerden tot het beoordeelen der Verhandelingen, welke op het vastgesteld onderwerp voor den eersten van Wijnmaand 1789. zullen inkomen.

V.

Het verkiezen van een onderwerp om naar eenen Prijs te laten schryven, om vastgesteld te worden in de Jaarlijksche Vergadering van 1788. waar toe voorgedragen worden:

 

In de Oudheid en Historiekunde.

 

1.Van waar heeft het recht van Exue zynen oorsprong? waar in bestaat het eigenlijk, en op welken grond kan of mag hetzelve thands gevorderd worden?
2.Wat is de oorsprong van de Collegien eer Vroedschappen in de Hollandsche Steden, en langs welken weg hebben zy derzelver tegenwoordige constitutie verkregen?
3.In hoe verre hebben onze Nederlandsche Historie Schryvers beantwoord aan de vereischten van een' goed Geschiedschryver, byzonder in het aanhaalen van Schryvers of Gedenkstukken, op wier gezag zy zich beroepen?

VI.

Het benoemen van vijf Gekommitteerden; om de bedenkingen van alle de Leden der Maatschappye op het gekozen onderwerp te ontvangen, en benevens hunne eigene bedenkingen aan de volgende Jaarlijksche Vergadering voor te dragen.

VII.

Het bepalen der Klasse, uit welke in het volgend Jaar een onderwerp zal gekozen worden.

VIII.

Het voorstel der Maandelijksche Vergaderinge, om de Vryheid, tot het verkiezen van Leydsche Leden, wederom voor een Jaar te verleenen.

IX.

Het voorstel om de Jaarlijksche Vergadering voortaan te bepaalen op den laatsten Dingsdag in Zomermaand.

[p. 3]

X.

Het opnemen van de rekening van den Penningmeester.

XI.

Het bepalen der Toelagen.

XII.

Het aanstellen der Amptenaaren.

XIII.

Het benoemen van Gekommitteerden.

 

De Heeren Calkoen, de Malnoe, van Wyn, N. Hinlopen, te Water, Valk en Steenwinkel, worden, ingevolge het IIde punt van dezen brief verzogt hun Stembriefje, voor den 15den van Zomermaand aan den Secretaris of Briefschryver te bezorgen.

 

Wyders heb ik de eer U te berichten dar de Maatschappy twee van hare Leden verloren heeft door den dood van den Wel-Ed. Gestr. Heere Mr. J.F. Parvé en van den Hoog Wel Geb. Heere W.J.T. van der Does, Vryheer van de beide Noordwijken, enz. enz.

 

De Leden, welke eenige Excerpten, of eenigen anderen Voorraad, ten dienste van het Woordenboek, mochten gereed hebben, worden verzogt die aan de Maatschappy te doen toekomen dit Jaar, voor den 15den van Zomermaand, om te kunnen gebracht worden in het Verslag der Maandelijksche Vergaderinge, volgens het eerste punt van dezen brief: en die Heeren, welke genegen zijn eene Verhandeling of Dichtstuk, 't zy met hunnen Naam, 't zy onder eene Zinspreuk, in gevolge het beslotene op de Jaarlijksche Vergadering des jaars 1777., aan de Maatschappy toe te zenden, worden verzogt zulks mede voor dien tijd te doen.

 

Ik heb de eer van met achting te zijn.

 

MIJN HEER!

 

Uw Dienaar

 

[J.A. Clignett]

 

Leyden den [26] van Bloeimaand 1787.