|
|
|
| |
| | | |
Levensberigt van Willem Nicolaas Munting.
Willem Nicolaas Munting, geboren den 24 October 1785 te Charlois, waar zijn vader Dirk Munting († Leiden 7 Jan. 1836) destijds Predikant was, heeft zijne opvoeding ontvangen te Brielle, werwaarts de vader zich ten jare 1789 verplaatst zag. Zes jaren bragt hij door op de te dier stede gevestigde Latijnsche school, die hij Aug. 1801 verliet, na het uitspreken eener Oratie: ‘De brevitate et fragilitate vitae humanae.’ Van loffelijke getuigschriften voorzien vertrok hij weldra naar de Hoogeschool te Leiden, om er tot de Evangeliebediening, waarnaar reeds zijn kinderlijk verlangen uitging, opgeleid te worden. Gedurende de eerste jaren genoot hij met gewenscht gevolg het onderwijs der Hoogleeraren Wyttenbach, van de Wynpersse (vader en zoon) en Rau. Aldus voorbereid, ging hij over tot de Godgeleerde studiën, onder de leiding van de Hoogleeraren Boers, te Water en van Voorst. Aan dezen laatsten sloot hij, gelijk de meesten zijner tijdgenooten, zich voornamelijk aan, en onder diens leerlingen verdiende hij met onderscheiding genoemd te worden. Na zes welbestede jaren van oefening werd hij 24 Junij 1807 tot de openbare predikdienst toegelaten door de toenmalige Classis van Voorn en Putten. Weldra beroepen te Eemnes-binnendijks had hij het voorregt aldaar 14 Februarij 1808 door zijnen vader ingezegend te worden. Een jaar later vertrok hij naar Bodegraven; en van daar in 1812 naar Wageningen, welke standplaats hij in 1819 met die van Hoorn
| | | |
verwisselde. Een nog uitgebreider werkkring opende zich voor hem bij zijne beroeping naar Leiden, waar hij 8 April 1827 als Evangeliedienaar optrad. Ook hier, gelijk vroeger elders, diende hij de Gemeente des Heeren met liefde en trouw en was velen ten zegen. Zijne vrije uren waren steeds gewijd aan voortgezette letteroefeningen en hij hield er zich in latere jaren te liever mede bezig, naar mate hij, door herhaalde sterfgevallen in zijnen huisselijken kring gedrukt, minder behagen vond in den gezelligen omgang. Maar het was niet slechts de uitbreiding van eigene kennis die hij daarbij op het oog had: op meer dan ééne wijze heeft hij zich bij het beschaafd en godsdienstig publiek verdienstelijk gemaakt. En waren het veelal welbewerkte vertalingen van merkwaardige buitenlandsche geschriften die hij leverde, de uitgebreide aanteekeningen, waarmede tij deze vertalingen verrijkte, getuigen van zijne veelzijdige en grondige wetenschap. Om van kleinere, meerendeels in tijdschriften geplaatste, stukken te zwijgen, de volgende boekwerken, bijna allen tot de geschiedenis der Kerkhervorming, die hem bijzonder aantrok, betrekking hebbende, verdienen hier vermeld te worden:
1. Godsdienstige overdenkingen over de Kerkhervorming door F.V. Reinhard, gevolgd naar zijne leerredenen. Uit het Hoogduitsch, Leiden 1810.
2. Bijzonderheden uit de tijden der Hervorming, betreffende de daden, lotgevallen, gevoelens en het karakter der Hervormers. Utrecht 1815; tweede stuk 1824. (door hem zelven bewerkt).
3. De Bartholomeus-nacht van het jaar 1572, beschouwd in deszelfs aanleiding en gevolgen voor de godsdienst der Hervormden in Frankrijk, door K. Kurths. Uit het Hoogduitsch vertaald en met aanmerkingen voorzien. Dordr. 1827.
4. Levensgeschiedenis van Jezus, door Joh. Jakob Hess, naar de achtste, door den schrijver op nieuw bearbeide, uitgave. Uit het Hoogduitsch vertaald (met vele aanteekeningen en bijvoegsels); 4 deelen. Dordr. 1828-1830.
| | | |
5. Merkwaardigheden uit de geschiedenis van het Christendom en het Christelijk leven, door Dr. A. Neander. Uit het Hoogduitsch. Leeuw. 1829. Eerste deel. (is niet vervolgd).
6. J.J. Hess, Antistes der kerk te Zurich, voorgesteld in eenige omtrekken van zijn leven en werkzaamheid, door zijnen opvolger G. Gessner. Uit het Hoogduitsch. Leiden 1830.
7. Geschiedenis van den voortgang en de onderdukking der Hervorming in Italie, in de 16e eeuw, door Dr. Th. M'Crie. Uit het Engelsch vertaald en met aanteekeningen vermeerderd. Dordr. 1832.
8. Johannes Wessel, een voorganger van Luther, door Dr. C. Ullmann. Uit het Hoogduitsch vertaald en met aanmerkingen vermeerderd. Leiden 1835.
9. De waardij van de Kerkhervorming der 16e eeuw, in eenige overdenkingen godsdienstig beschouwd, door wijlen Dr. F.V. Reinhard. Met bijgevoegde aanteekeningen. Leiden 1838.
(Hoe veel hij voor zijne vorming als Leeraar aan de schriften van Reinhard te danken had, wordt door hem in de Voorrede dankbaar erkend.)
10. Geschiedenis der uitbreiding en onderdrukking van de Hervorming in Spanje in de 16e eeuw, door Dr. Th. M'Crie. Met aanmerkingen. In twee deelen. Amsterdam 1838, 1839. (Nog heeft hij een levensberigt aangaande dezen geleerden schrijver uit een Engelsch woordenboek medegedeeld in de Godgeleerde Bijdragen van 1839, bl. 560-585).
Een en ander van deze Werken werd door hem aan de Bibliotheek onzer Maatschappij, waarvan hij sedert het jaar 1827 lid was, ten geschenke gegeven. Zie den Catalogus, II, 2, 46.
Tweemaal is hij gehuwd geweest. Zijne eerste gade, Anna Aleida van der Weide, zuster van één zijner beste Academie-vrienden, den vroeg overleden Dokkumschen Predikant Lambert Willem van der Weide, verloor hij kort na zijne komst te Leiden. Later ging hij een tweede huwelijk aan met Vrouwe Jacoba Margaretha de Jong, Wed. B.J. Weymar. Twee dochters waren hem uit den eersten echt overgebleven.
| | | |
In 1847 begonnen zijne krachten zigtbaar af te nemen, zoodat hij zich in het begin des volgenden jaars verpligt zag zijne rust te zoeken. Maar, vóór nog zijn ingediend verzoek was toegestaan, moest hij zijn dienstwerk staken en een huiszittend leven leiden. Met een onderworpen Christelijken zin verdroeg hij, gedurende ettelijke maanden, zijn steeds toenemend ligchaamslijden, en naauwelijks was op 1 Januarij 1849 zijn Emeritaat ingegaan, toen hij, weinige dagen later, 13 Januarij, zacht en in de hope des beteren levens ontsliep. Een ongenoemd vriend heeft zijne nagedachtenis vereerd met eenige dichtregelen: ‘de rust des leeraars,’ opgenomen in de Boekzaal der geleerde Wereld 1849. I, 557, 58.
In de maand October 11. werd zijne Bibliotheek te Leiden verkocht. Zij bevatte o.a. eene verzameling van bijna 3000, meest gegraveerde portretten, waarvan het meerendeel verrijkt was met bijschriften van zijne hand, behelzende merkwaardige levensbijzonderheden, voorname karaktertrekken, puntige gezegden enz. der afgebeelden, of wel lofverzen te hunner eere, uit Latijnsche, Fransche, Engelsche, Hoog- en Nederduitsche dichters verzameld. Ook deze bijschriften mogen als bewijzen van zijne onvermoeide werkzaamheid en rijke, oordeelkundige lectuur aangevoerd worden.
N. Berkhout.
|
|
|