|
|
|
| |
| | | |
Levensberigt van Jhr. Mr. J.W. van Vredenburch.
Jonkheer Mr. Johan Willem van Vredenburch werd op den 6 Augustus 1782 te Delft geboren uit ouders, die tot de voornaamste vaderlandsche geslachten behoorden. Zijne neiging en zijne liefde voor de beoefening van letteren en wetenschappen werden opgewekt door de achting, die zijn vader voor eene beschaafde en geletterde opvoeding koesterde, en geleid door de bekwame mannen, aan wie in zijne geboortestad het onderwijs in de oude talen was opgedragen. In het jaar 1802 begaf hij zich naar de Leidsche Hoogeschool, met het doel om zich inzonderheid op de beoefening der Regtsgeleerdheid toe te leggen. Om den buitengewonen ijver en de onafgebrokene inspanning, waarmede hij zich aan de studie toewijdde, was hij bij zijne leermeesters zoo wel als bij zijne mede-studenten hooggeacht; en toen hij reeds op den 29 Junij 1805 tot Doctor in het Romeinsche en Hedendaagsche Regt bevorderd werd, gaven allen in het openbaar de ondubbelzinnigste blijken, hoe zij het waardeerden, dat hij de genoegens van grondige studie wist te schatten boven al de vermaken en uitspanningen, die geboorte en fortuin hem zoo ruimschoots aanboden.
Ofschoon van Vredenburch slechts drie jaren aan de Hoogeschool had doorgebragt, schreef hij eene uitgewerkte Dissertatie de prohibitis nuptiis inter tutorem et pupillam ex jure Romano et hodierno. Door bevoegde beoordeelaars werd zij onder de beste academische proefschriften van dien tijd gerekend. Bij de openbare verdediging er van toonde hij in de
| | | |
Kantiaansche wijsbegeerte, waarvan hij een warm voorstander was, eene buitengewone ervarenheid te bezitten, toen men sommige zijner wijsgeerige stellingen, die men in dien tijd minder gewoon was in het openbaar te hooren uitspreken, met kracht aantastte. De dag zijner promotie is bij hem steeds in dankbaar aandenken gebleven. Als hij er in ver gevorderden leeftijd over sprak, dan was het met eene voorbeeldige hoogachting voor zijne leermeesters, waaronder hij vooral van der Keessel en Smallenburg noemde, en werd men geheel verplaatst in al den deftigen ernst en logischen toon, die bij zulk eene gelegenheid in het groote Auditorium heerschten.
Na de Hoogeschool verlaten te hebben, verkoos van Vredenburch de rustige en stille beoefening van letteren en wetenschappen boven het bedrijvige leven. Menig ambt, dat hem aangeboden werd, sloeg hij van de hand, en hij zat liever in zijn uitstekend kabinet van natuurkundige werktuigen en van delfstoffen en rotssoorten, dan op het gestoelte der eere, waarop velen zijner beroemde voorvaderen gezag in den lande uitgeoefend hadden. Vooral ging hem ter harte de toepassing der Natuurkundige Wetenschappen op de belangen der maatschappij, en menig werktuig daartoe uit Engeland ontboden, diende hem bij zijne voorlezingen daarover in de Genootschappen zijner geboortestad of te 's Gravenhage. Zijne liefde voor de natuur en hare voortbrengselen en zijne kennis aan hare wetten vonden voedsel in zijn verblijf op zijn landgoed in het Westland, waar land- en tuinbouw op eene uitgebreide schaal verbeterd, en de vruchten van den Hollandschen bodem in zeldzame grootte en schoonheid gezien werden. 's Winters hield hij zich bezig met de studie der Vaderlandsche Dichters.
Reeds in het jaar 1809 werd van Vredenburch, op voordragt zijner leermeesters, tot lid der Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde opgenomen, en als jongeling, twee jaren na zijne promotie, werd hij in eenen kleinen kring gekozen, waarvan eenige Staatsmannen uit 's Gravenhage en eenige Hoogleeraren uit Leiden leden waren: eene keuze, welke destijds bij- | | | | zondere beteekenis had. In onze Maatschappij is hij meermalen als openbaar spreker opgetreden. Hij handelde over onze moedertaal of over onze vroegere en latere Dichters, uit wier beste voortbrengselen hij zelfs in later leeftijd vele uitstekende regels zich te binnen wist te brengen. Dat ook anderen zijne verdiensten niet voorbijzagen, bleek uit de benoeming, waarmede de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen te Haarlem, het Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, de Eerste Klasse van het Koninklijk Nederlandsche Instituut en andere Vaderlandsche Genootschappen, hem vereerden.
Om het verblijf op zijn landgoed nabij Rijswijk en uit liefde voor die Gemeente, liet van Vredenburch in 1811 zich de benoeming van Schout - een titel later in dien van Burgemeester veranderd - welgevallen, welke betrekking hij tot in 1847 vervulde. Toen hij dat ambt aan zijnen oudsten zoon, door den Koning tot zijnen opvolger benoemd, overgaf, mogt hij de ongeveinsde erkentelijkheid ondervinden voor hetgeen hij, ook als Lid der Provinciale Staten, welke betrekking hem in 1815 opgedragen werd, in zoo vele opzigten voor die Gemeente gedaan had.
Onder de betrekkingen door van Vredenburch met de levendigste belangstelling waargenomen, behoorde die van Schoolopziener in het 9e District van de Provincie Zuid-Holland. Het lager onderwijs ging hem zeer ter harte, en zijne briefwisseling met van den Ende, van Swinderen en andere mannen daarmede van nabij bekend, strekte altijd om er verbeteringen in te brengen. De overtuiging, dat daarvoor in ons Vaderland te weinig gedaan werd, stond bij hem vast, en deed hem middelen beramen, om althans in zijne Gemeente aan de kinderen van minvermogenden kosteloos onderwijs te verschaffen. Het door hem ontworpene school-reglement en bijeengebragte schoolfonds hebben elders gelukkige navolging gevonden. Toen men later, ten gevolge van de vereeniging met België, veranderingen betreffende het lager onderwijs in
| | | |
den zin had, die hij door de ondervinding geleerd afkeurde, zond hij daarover twee Memoriën bij den Koning in, die door den druk openbaar gemaakt, van Vredenburch zoo geheel kenmerkten in zijnen blakenden ijver voor de zedelijke en verstandelijke opleiding ook van den armste, en voor toenemende kennis in alle kringen der maatschappij. De spreuk onder zijn wapen: agro evellite spinas, die hij op zijne welige akkers en velden in praktijk liet brengen, wilde hij in hoogeren zin op het jeugdige gemoed van armen en onaanzienlijken naar de wereld toegepast hebben. De antwoorden van wege den Koning Willem I toonden, dat deze Vorst de lessen der ondervinding, in de Memoriën zoo vrij en onbewimpeld blootgelegd, wist op prijs te stellen, en achting had voor den man, die hem enkel in het belang van anderen en tot welzijn van den Staat met betamelijke vrijmoedigheid naderde.
Op den 19den Junij 1820 trad van Vredenburch in den echt met Jonkvrouwe Maria Adriana van der Pot van Groeneveld. Die gelukkige echtverbindtenis schonk hem zeven kinderen. Bezat hij voor zijne edele en beschaafde gade hooge achting en vurige liefde, de opvoeding zijner geliefde kinderen en hun toekomstig lot was hem boven alles dierbaar; en toen hem op zijn ziekbed de dood van zijne aanvallige elfjarige dochter werd aangekondigd, was ik getuige, hoe hij diep geschokt en bewogen zijn geliefd kind met zijne gedachten in hoogere gewesten volgde, en zijne gade en overige kinderen aan God opdroeg, Wiens liefde hij ook in de eerste oogenblikken van het treffend leed niet voorbij zag.
De dankbare erkentenis voor de vele zegeningen, die hem mogten te beurt vallen, bleef hem in zijn langdurig lijden bij. In de kracht toch van den mannelijken leeftijd werd hij door eene zenuwziekte getroffen, die later op zijn ligchaam zulk een' nadeeligen invloed oefende, dat de gevolgen hem in zijne werkzaamheden niet zelden belemmerden; en pijnlijk was het soms om op te merken, hoe hij later door buitengewone inspanning van zijne geestvermogens trachtte te vergoeden, wat
| | | |
hem aan ligchaamskracht ontbrak, en, toen hij bijna geheel van het gezigt beroofd was, de herinnering aan het voorledene, dat hij gezien had, zocht vast te knoopen aan het tegenwoordige, dat hij niet zag.
Op den 14den December 1849 ontsliep van Vredenburch, ook met de dankbare erkentenis op de lippen voor de liefderijke zorgen zijner gade en kinderen, die gedurende vele maanden van zijn ziekbed niet geweken waren; en toen hij gestorven was, werden in onderscheidene kringen der maatschappij de proeven zijner vriendschap, weldadigheid en menschenliefde met billijke erkentenis herdacht.
Zijn graf werd in de 8 verloopene maanden viermalen geopend, om ook zijne kinderen te ontvangen. Op den dag, waarop bij deze Maatschappij aan zijne nagedachtenis de verschuldigde hulde toegebragt werd, was het ontsloten, om ook het overschot van zijnen oudsten zoon in zich op te nemen! De toen geuite bede, die weerklank vond in aller harten, dat de Almagtige de diep bedroefde gade en kinderen bij zulke, zoo dikwerf herhaalde en verpletterende slagen ondersteunen mogt, worde verhoord, en het woord: ‘zij leven Hem allen’, doe in dien nacht van droefenis en smart het licht der vertroosting opgaan.
Van Vredenburch behoorde tot die aanzienlijken, die eerbied voor wetenschappen en letteren, en hooge achting voor hare beoefenaars koesterden. Zijn huis stond voor hen open. De dagen, die Borger en van der Palm en zoo vele andere nog levende geleerden op zijn Overvoorde doorbragten, rekende hij onder de gelukkigste; en als hij over de groote belangen van zijn Vaderland sprak, dan noemde hij in de eerste plaats de behoefte aan wetenschappelijke kennis en de verpligting om haar te ondersteunen en te bevorderen.
Leiden,
den 22 Junij 1850.
A.H. van der Boon Mesch.
|
|
|