Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1852


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1803-1900


bron: Handelingen der jaarlijksche algemeene vergadering van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, gehouden op den 17 Junij 1852, in het gebouw der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen te Leiden. J.G. la Lau, Leiden z.j.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 94]

Levensberigt van Adrianus Leonardus van der Boon Mesch.

Adrianus Leonardus van der Boon Mesch werd den 29 Sept. 1793 te Delft geboren. Reeds vroeg openbaarden zich in hem buitengewone gaven. Bij groote vlugheid van bevatting en een sterk geheugen paarde hij eene bijzondere zucht voor letteroefeningen. Toen hij in zijne geboorteplaats de Latijnsche school bezocht, gingen zijn vlijt en ijver zoo ver, dat hij strenge studiën stelde boven de vermaken, welke op dien leeftijd zooveel aantrekkelijks hebben. Zijne keuze bepaalde zich weldra tot de Godgeleerdheid, en niets kon hem van hare studie en die der oude letteren aftrekken. Reeds als jongeling zocht hij elke gelegenheid op om een' goeden kanselredenaar te hooren en ondernam er wel eens verre togten voor. Aan de Hoogeschool te Leiden was hij evenzeer om zijne vlugheid als om zijn streng en onafgebroken studeren bekend. Borger was zijn boezemvriend en Wijttenbach nam hem op onder het zeer kleine aantal studenten, die hij op zijne kamer ontving, om er Grieksche en Latijnsche schrijvers mede te behandelen. Onder zijne overige leermeesters voelde hij zich bovenal aan van Voorst, Clarisse en van der Palm verbonden, van wie hij wederkeerig èn toen èn later tot aan hunnen dood de ondubbelzinnigste blijken van achting en vriendschap genoot.

[p. 95]

De eerste gouden medaille, welke door de Godgeleerde Faculteit te Leiden toegekend en uitgereikt is geworden, mogt hij ontvangen. Zij werd hem toegewezen in het jaar 1817 voor zijn antwoord op de vraag naar eene interpretatio Hymni Zachariae, quem Lucas servavit, Euang I. vs. 67-79. Uit het voor hem zoo vereerende judicium van de Faculteit blijkt, dat hij twee zeer bekwame mededingers had overwonnen. Het genoegen van die bekrooning werd niet weinig verhoogd door dat zijn geliefde broeder H.C. van der Boon Mesch te gelijker tijd de eerste medaille bij de Wis- en Natuurkundige Faculteit verkreeg. Twee jaren later, den 25 Januarij 1819, werd hij, na de openbare verdediging van zijn Specimen hermeneuticum inaugurale in locum ad Hebr. IX: 14, tot Doctor in de Godgeleerdheid bevorderd, eene in die dagen schaars verleende waardigheid.

Dat het geene gewone promotie was, kan men nagaan uit den indruk, dien zij te weeg bragt en waarvan de Kunst- en Letterbode van den 5 Febr. 1819, bl. 81 het volgende berigtte: ‘Leyden d. 25 Januarij. De Heer A.L. van der Boon Mesch, een der voortreffelijkste kweekelingen dezer Hoogeschool en door zijne bekroonde verklaring van den Lofzang van Zacharias, welke in het IIde Deel van hare Jaarboeken gedrukt werd, in zijne studiën reeds op het gunstigste bekend, werd heden met den grootsten lof tot Doctor in de H. Godgeleerdheid bevorderd na het openlijk verdedigen van zijn Specimen hermeneuticum inaugurale in locum ad Hebr. IX: 14. Gelijk de verhandeling zelve, ter opheldering van eene der duisterste plaatsen uit den brief aan de Hebreeuwen ingerigt, een heerlijk proefstuk van geleerde en oordeelkundige Bijbelverklaring oplevert en ook wegens zuiverheid van taal den grootsten lof verdient, zoo beantwoordde hare verdediging volkomen aan de verwachtingen, door de bekende bekwaamheid van den schrijver opgewekt en waarvan de buitengewone talrijkheid en aanzienlijkheid der vergadering zelve bewijzen gaf. Met ongemeene vaardigheid toch, aan

[p. 96]

bondigheid gepaard, en in zuiver latijn, werden de gemaakte tegenwerpingen door den Heer van der Boon Mesch beantwoord, 't welk hem tot te grootere eer verstrekte, omdat die tegenwerpingen, deels ingebragt door mannen achtbaar om hunne jaren en beroemd door hunne kundigheden, allen wel doordacht waren en met zeer veel kracht werden aangedrongen.’ De toenmalige Rector Magnificus van der Palm, noemde dien dag een der luisterrijksten van de Hoogeschool. Het daaropvolgend Proponentsexamen bevestigde zijn reeds verworven naam door de mare die er van uitging.

Heino bij Zwolle was zijne eerste standplaats, Vlaardingen zijne tweede en Leeuwarden zijne derde en laatste. Er is naauwelijks iemand zóó om strijd begeerd geworden in de Kerk, als hij. Hij werd onder anderen beroepen te Velsen, te Kampen, te Schiedam, te Haarlem, te Utrecht, tweemaal te Amsterdam, tweemaal te 's Gravenhage, en driemaal te Leiden. Hij predikte geheel uit het hoofd en de verbazend groote schare van toehoorders, die hem steeds bleef volgen, getuigde van de bijzondere gaven hem verleend. Van der Palm, dien hij bestudeerd had, stond bij hem als kanselredenaar boven aan. Zulk een' gevierden spreker kende onze Maatschappij in het jaar 1828 te regt het lidmaatschap toe.

Dat hij zoo vele en zoo aanzienlijke beroepingen van de hand wees lag niet minder in het juist en diep besef van den omvang en het gewigt zijner taak, dan in de al te geringe gedachten, die hij van zichzelven koesterde. Vandaar ook, dat hij voor het Professoraat te Franeker bedankte en later de aanbieding om te Groningen de plaats van Professor Muntinghe te vervullen, niet opvolgde. Hij was een groot voorstander van de grammaticale interpretatie. Door zijne ongemeene vlugheid en zijn verbazend geheugen kon hij plaatsen en woorden van beroemde schrijvers met ongeloofelijke naauwkeurigheid weêrgeven. Zijne godsvrucht was opregt, kinderlijk geloovig en ademde eenen milden, vrijen Evangelischen geest. Onverdraagzaamheid kon hij evenmin dulden als ligtzinnigheid en waan-

[p. 97]

wijsheid. Door strenge studiën en de inspanning van het prediken was eindelijk zijne gezondheid ondermijnd, zoodat hij in 1835 zich verpligt zag zijn ambt neder te leggen. Hij vestigde zich met ter woon in zijn geliefd Leiden. Zeventien jaren lang mogt hij nog in ons midden verkeeren, maar onder toenemend lijden, hoe ook verzacht door de toewijding en opoffering zijner voortreffelijke echtgenoote, Vrouwe Metelerkamp, die hem al de kracht en den zegen der liefde deed ondervinden. Zijne ruste was echter verre van werkeloosheid. Gedurende zijn langdurig lijden bleef hij tot weinige dagen vóór zijnen dood studeren en van alles wat zijne aandacht verdiende aanteekening houden. Die arbeid gevoegd bij zijn levendig geloof in Christus, deed hem kalm, goedsmoeds, ja meestal, wanneer men hem ontmoette, opgeruimd zijn onder alle ontberingen en beproevingen, die Gods wijsheid en liefde hem oplegden. De dood kon hem niet verrassen, want hij was vertrouwd en gemeenzaam met de gedachte er aan. In den laatsten tijd verlangde hij zelfs, doch eerbiedig en onderworpen, om ontbonden te worden; en eer hij het welligt nog vermoedde, ontsliep hij zacht en zalig voor hooger en beter leven op den 10 April 1852.

Dat de man, die zulk een klein gevoelen van zichzelven had en anderen steeds uitnemender achtte dan zichzelven, niet te bewegen was om iets uit te geven, hoe dringend daartoe ook aangezocht, kan wel geene verwondering baren. Zelfs na zijnen dood mogt geen bevoegde hand iets uit zijne menigvuldige aanteekeningen en handschriften in het licht geven. Velen heeft hij evenwel in hunnen arbeid en in de uitgave hunner schriften bijgestaan. Met voorbeeldelooze zorg en naauwgezetheid was hij hierin werkzaam. Ook aan studenten ia de Godgeleerdheid is hij menigmaal van dienst geweest. Zij bezochten hem gaarne. Zijn omgang was altijd onderhoudend en leerrijk. Hij was een warm en trouw vriend; en naijverig op de eer zijner vrienden. Als zij ten onregte aangetast werden of men in 't algemeen iets te kort deed aan de beginsels van waarheid en regt, dan werd de ligchamelijk zwakke man

[p. 98]

vurig en krachtig als een held. Aan zijne nagedachtenis is regtmatige hulde gebragt in de gemeente van Heino, Vlaardingen en Leeuwarden, waar hij werkzaam geweest is, en zij zal in eere en zegening blijven bij allen, die hem van nabij gekend hebben.

 

Leiden, Augustus 1852.

Chr. Krabbe.