Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1865


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1803-1900


bron: Handelingen der jaarlijksche algemeene vergadering van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, gehouden aldaar den 15den Juni 1865, in het gebouw der Maatschappij ‘tot Nut van 't Algemeen’. E.J. Brill, Leiden 1865  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 59]

V. Nederlanders, en personen, die later met nederland in betrekking stonden, studenten te Heidelberg en te Genève, sedert het begin der kerkhervorming,
door J. de Wal
.

Aan geen gedeelte der Letterkundige Geschiedenis is tot hiertoe minder zorg besteed, dan aan het onderzoek naar de Hoogescholen, waar de beroemdste en verdienstelijkste mannen zijn gevormd, en waarheen in een bepaald tijdvak uit sommige landen en gewesten de zonen der edelste geslachten zamenvloeiden.

Dit mag bevreemden. Wie handelingen en schriften van uitstekende personen wil beoordeelen, hij dient te letten op de rigting, die opleiding en ontwikkeling aan hunnen geest hebben gegeven. Het komt er niet enkel op aan te weten, waar en wanneer zij het Akademieleven aanvingen of voltooiden, het is tevens van belang na te gaan, wie de leermeesters waren, wier lessen zij bij voorkeur volgden, met welke jongelingen uit het ge-

[p. 60]

meenschappelijk Vaderland of uit ver van elkander verwijderde streken zij dagelijks verkeerden, welke betrekkingen zij hier of ginds aanknoopten, welke redenen hen bewogen om de eene werkplaats der wetenschap tegen de andere te verwisselen. Tallooze omstandigheden, schijnbaar van geene of geringe beteekenis, hebben niet zelden een heilzamen of verderfelijken invloed geoefend op het toekomstig lot en bedrijf van mannen, die tot beweging op staatkundig, godsdienstig of wetenschappelijk gebied krachtig medewerkten.

Nutteloos alzoo is de bekendmaking der Matriculae van vermaarde Instellingen van Hooger Onderwijs, hetzij geheel hetzij ten deele, niet te heeten. Van zeer weinige Hoogescholen zijn die naamlijsten tot hiertoe uitgegeven. Voor zoo ver mij bekend is, zijn alleen die van Groningen, Erlangen en Genève volledig openbaar gemaakt. Het Groninger Studenten-corps heeft een belangrijke dienst aan alle beoefenaars der Geschiedenis bewezen, door jaarlijks een gedeelte van het Album der Akademie in zijn Jaarboekje te doen afdrukken. De ‘Personalstand der Friedrich - Alexanders - Universität Erlangen in ihrem ersten Jahrhundert,’ in 1843 verschenen, kan niet in gelijke mate de algemeene aandacht wekken, omdat die Hoogeschool tot de stichtingen van later dagteekening behoort, en de naamlijst weinige feiten openbaart, die niet tevens van elders bekend zijn. Gewigtiger is in dit opzicht ‘Le livre des Recteurs,’ een op kostbare wijs uitgevoerd werk, dat te Genève in 1858 bij gelegenheid van het derde eeuwfeest der daar gevestigde Hoogeschool het licht zag.

Nog was dit werk niet uitgegeven, toen ons Nederlanders reeds duidelijk werd, hoeveel voor ons daaruit zou

[p. 61]

te leeren zijn, wat wij van elders niet of slechts onvolkomen wisten. Het opstel van Rogge over ‘Johannes Uytenbogaert te Genève (1580-1584)’ kon niet dan welkom zijn aan allen, die verlangen Calvijn en BEZA in hunne werkplaats te bespieden. Daarachter was gevoegd eene lijst der Nederlanders, die van 1579 tot 1584 te Genève gestudeerd hebben ‘met weglating van die namen, welke onleesbaar waren.’ Godg. Bijdr. dl. 32. bl. 904.

Genève en Heidelberg - deze twee Universiteiten trekken in de zestiende en gedeeltelijk ook in de zeventiende eeuw den stroom onzer landgenooten tot zich. Zoowel in de Regtswetenschap als in de Godgeleerdheid onderwezen daar mannen, door veelomvattende kennis en de kostelijke gave der mededeeling vermaard: mannen, waaronder er waren, die, na de vestiging der Hoogescholen in ons Vaderland, ook herwaarts zouden geroepen worden, om hier hun licht van nabij en voor velen te doen schijnen.

 

Intusschen is het Album der Hoogeschool te Heidelberg, in 1386 door een Nederlander gesticht en bestuurd, hier te lande nagenoeg geheel onbekend gebleven. Wel had reeds in 1786, bij gelegenheid van het vierde eeuwfeest dier Universiteit, de Hoogleeraar in de Natuurkunde Johannes Schwab zijn werk ‘Quatuor seculorum Syllabus Rectorum,’ in twee quarto - boekdeelen openbaar gemaakt, doch nergens heb ik eenig blijk gevonden, dat het in Nederland is bekend geworden. In dat werk liet de schrijver bij elk jaar op de aanwijzing van den tijdelijken Rector niet alleen eene korte levensschets van dezen volgen, maar ook eene lijst der ‘nobiles et praecipui’ der in dat jaar ingeschreven studenten.

[p. 62]

Doch wie moesten als ‘praecipui’ worden aangemerkt? Uit een zoo uitvoerig register als de Matricula der Heidelbergsche School, over een tijdvak van vier eeuwen, eene goede keuze te doen, waarlijk, dit was geen gemakkelijke taak. Voor die taak was blijkbaar de geleerde Schwab niet berekend; zijne bekendheid met de geschiedenis der Letteren en Wetenschappen bij onderscheidene Volken schoot hier te kort. Maar wat hij geleverd had was toereikend, om mijne aandacht op dit onderwerp te vestigen.

Een langdurig verblijf te Heidelberg in het najaar van 1862 stelde mij in de gelegenheid de Matricula naauwkeurig te onderzoeken. Eer en dank zij den grijzen literator Baehr toegebracht, die, op onbekrompen wijs, mij het doorzoeken van dat register gemakkelijk maakte!

Eenige opmerkingen van algemeenen aard zij het mij vergund hierbij te voegen.

I. Ware ik destijds niet verstoken geweest van het gebruik mijner eigene Adversaria, zeker zou het maken van een uittreksel uit de originele lijst veel gemakkelijker geweest zijn, dan thans het geval was. De namen toch der aanstaande studenten werden zoo te Heidelberg als te Genève opgeteekend door den Rector, die deze niet zelden verkeerd verstond, en ook in het geheel niet bekend was met de plaatsen, van waar de cives Academici novitii afkomstig waren. Vandaar talrijke misstellingen; ik vlei mij in de aanteekeningen op eenige voorbeelden van dien aard te hebben gewezen; de geletterde lezer zal daarbij welligt nog menig ander kunnen voegen.

II. De namen van vele mannen, van wier verblijf te Heidelberg of in hunne eigene schriften, of door hunne

[p. 63]

biografen melding gemaakt is, heb ik te vergeefs gezocht. Het zij genoeg hier te wijzen op Janus Barlaeus, Paulus Cnipius, Rudolphus Snellius, Johannes Alopecius of Vossius, Jeremias Bastingius, Johannes Kuchlinus, Henricus Corputius, Everhardus Vorstius, Regnerus Hachtingius, Balthasar Lydius, Nicolaus Langius, Johannes Uechtmannus, Bernardus Sutholt, Martinus Schickardus. Het is mogelijk, dat sommige dezer namen werkelijk in de Matricula worden gevonden; het slechte, onduidelijke en niet zelden schier onleesbare schrift van enkele Rectores maakt het overzigt moeilijk, en het eentoonige van den arbeid heeft ligt ten gevolge, dat het oog, na langdurige inspanning, trouwe dienst weigert. Daarom heb ik, na mijne terugkomst in het Vaderland, de welwillende hulp van den dienstvaardigen Onder-Bibliothecaris, Dr. Bender, ingeroepen, die met uitnemende zorg zich van de taak der herziening heeft gekweten, doch niet dan een paar namen van door mij overgeslagen en nader opgegeven personen in het oorspronkelijk Register heeft kunnen ontdekken.

III. Mijn oogmerk was de nasporing der Nederlanders, die sedert den aanvang der Kerkhervorming gedurende korteren of langeren tijd te Heidelberg hebben vertoefd. Meer dan één naam gaf aanleiding tot twijfel, of hij werkelijk in mijn uittreksel een plaats verdiende. Vooreerst moet in den regel de bijgevoegde geboorteplaats beslissen. Maar juist die geboorteplaats was menigmaal op eene dubbelzinnige wijze aangeduid. Ten anderen mogt in den regel ook aan de Zuid-Nederlanders geene plaats in mijn register worden ontzegd. Voorts was het meermalen twijfelachtig of eenige naam, waarachter het gewone ‘Frisius’ gevoegd was, in Oostfriesland of in ons

[p. 64]

Vaderland thuis behoorde. Eindelijk mogt menigeen niet worden overgeslagen, die, schoon elders geboren, een belangrijk deel van zijne werkzaamheid en zijn leven aan Neêrlands Staat en Kerk gewijd had. Zoo dikwerf het mij onmogelijk was, alle onzekerheid uit den weg te ruimen, scheen het verkieslijk, allen te vermelden, ten wier aanzien welligt latere nasporingen meer licht kunnen verspreiden.

IV. Uitvoerige biographische toelichtingen zal men hier vruchteloos zoeken. Ten aanzien van beroemde mannen heb ik mij in de korte aanteekeningen bepaald tot enkele opmerkingen, die uitsluitend op hun Akademie-leven betrekking hebben. Nopens andere minder algemeen bekende personen scheen eenige breedere opheldering niet overtollig. Velen zijn er, wier lotgevallen mij geheel onbekend zijn gebleven: de lezer zal daaronder menigen naam vinden, die hem belangstelling inboezemt; juist de kennis van het tijdstip der Akademische studie kan hem in dat geval een verder onderzoek misschien gemakkelijk maken.

V. Niet weinige mannen, die als beoefenaren der wetenschappen in lateren tijd hebben uitgemunt, gebruikten den tijd hunner voorbereiding tot het doen eener studie-reize en bezochten onderscheidene Universiteiten. Aan die reize werden dikwijls vele jaren te koste gelegd. Wij behoeven ons daarom van hunne ‘onleschbare dorst naar kennis’ nog geen overdreven denkbeelden te maken. Schijn bedriegt en wat van verre komt, schijnt velen schoon: zoo was het ten allen tijde. Een regtsgeleerde bul, te Orleans of Bourges verworven, was niet altijd een onwraakbaar getuige van verkregen geleerdheid; ook Basel was een tijd lang bij uitstek mild met de toeken-

[p. 65]

ning van wetenschappelijke graden aan vreemdelingen. In Duitschland nam men het doorgaands wat ernstiger op; te Heidelberg werden weinigen tot den graad van J.U.D. bevorderd, en juist die zeldzame onderscheiding, aan erkende bekwaamheid of talenten te beurt gevallen, bleef een eereloon, waarnaar het de moeite waard scheen te streven. Velen onder onze landgenooten hebben eerst Heidelberg, later Genève, (of omgekeerd) bezocht; het alphabetisch register op beide lijsten diene, om hier het onderzoek gemakkelijk te maken.

Uittreksel uit het album der Heidelbergsche hoogeschool.

 1544.
1.21 Mart. Petrus Alopetius alias Vos, Zirizeus Traiectensis dioecesis.
 1545.
2.16 Oct. Antonius Schorus Hochstratanus.
3.16 Oct. Georgius Cassander Brugensis, dioec. Tornacensis.
4.16 Oct. Hieronymus Cobbelgiers Antverpiensis, dioec. Cameracensis.
 1551.
5.18 Dec. Aggaeus Titus phrisius dioeces. Traiectensis.
6.18 Dec. Regnerus Alberda } phrisii Groningenses dioeces. Traiectensis.
7.18 Dec. Bartho Haythes } phrisii Groningenses dioeces. Traiectensis.
8.18 Dec. Conradus Conradus } phrisii Groningenses dioeces. Traiectensis.

[p. 66]

 1552.
9.31 Dec. Joannes Cral, de Harlem civitate Holandiae oriundus, dioeces. Ultraiect.
10.10 Mart. Pinardus Alberda, Phrysius Groningensis, Traiect. dioeces.
 1558.
11.31 Oct. Henricus Smetius Alostensis, Medic. Bacc.
 1559.
12.6 Febr. Stephanus Sylvius pastor Leouardiae Frisiae Occidentalis.
13.19 Febr. Gerardus Gardirius Geldrus.
14.20 Febr. Eberhardus ab Olst Geldrus.
15.11 Junii. Bernardus Rudolphus Frisius.
 1560.
16.9 Nov. Arnoldus ab Honselaer Buranus.
 1561.
17.11 Aug. Joannes generosus Baro dominus a Schagen et Buchorn, Holandus.
18.11 Aug. Reinholdus a Freibergen, Harlemensis, illius praeceptor.
19.11 Aug. Hermannus ab Heidt, Montensis, illius famulus.
20.20 Nov. Eckius Jelsemus phrysius.
 1563.
21.23 April. Feyo Seckinge ex Frisia.
22.14 Maii. Sixtus a Bottinga Frisius.
23.14 Maii. Ludolphus Poterus Frisius.
24.14 Maii. Regnerus Trellemius Frisius.
25.21 Maii. Hubertus Honius Antverpiensis.
26.21 Maii. Joannes a Midachten Daventriensis.
27.12 Aug. Lambertus Pithopaeus Daventriensis Art. Mag. ex Paedag. Acad.

[p. 67]

 1564.
28.17 Maii. Joannes Stapenius Traiectensis, ob paupertatem gratis inscriptus.
29.31 Maii Christianus Bonte Lewardiensis.
30.29 Aug. Franciscus Unia Leovardiensis.
31.4 Sept. Nicolaus Colff Gorkumensis.
 1565.
32.28 Apr. Hubertus Sturmius Eifflius.
33.6 Jun. Taco Hemstra Frisius.
34.6 Jun. Sixtus Galama Frisius.
35.19 Aug. Laurentius Vomelius Stapert Phrysius.
36.22 Oct. Johannes Huisingius Frisius Groninganus.
37.25 Oct. Menso Alting Frisius Groninganus.
38.25 Oct. Oliverius Bockius Alostensis.
39.11 Nov. Martinus Lydius.
 1566.
40.18 Apr. Johannes Folkersheimer Frisius.
41.20 Apr. Gerhardus Hammonius Geldrus.
42.22 Maii Johannes de Bennynck Hagensis.
43.24 Maii Bartholdus Schuringa Frisius.
44.24 Maii Leonardus Papma Frisius.
45.29 Maii Hinricus Riconis Frisius.
46.12 Aug. Casparus Gent Geldrus.
47.24 Sept. Jacobus Commelinus Gandensis.
48.7 Oct. Johannes Nicasius Frisius.
49.18 Oct. Oricus Doyhemius Frisius.
50.29 Oct. Hermannus Vanitzer Groninganus.
51.30 Oct. Johannes Reugher Groninganus.
52.30 Oct. Ballo Stroma Groninganus.
53.30 Oct. Hayco de Nantzum Groninganus.

[p. 68]

54.30 Oct. Jibbo Aldrynga Groninganus.
55.30 Oct. Henricus Artopaeus Embdanus.
56.30 Oct. Wolbertus Teleconius Frisius.
57.30 Nov. Gisbertus Ens Frisius.
58.10 Dec. Menelaus Ompteda Groninganus.
59.10 Dec. Hermannus Boningius Groninganus.
60.10 Dec. Rembartus Aelzema Frisius.
61.10 Dec. Luderus Huinga Frisius.
62.10 Dec. Rodolphus Landius Frisius.
63.13 Dec. Mauricius Frese Frisius.
 1567.
64.19 April Habbo Aldringa Groninganus.
65.19 April Mello Froma Groninganus.
66.25 April Nicolaus Cater Groninganus.
67.26 April Petrus ab Alst Antverpiensis Iuris Licentiatus.
68.7 Maii Bartholomaeus Mercator Lovaniensis.
69.17 Maii Joannes Hildebrand Frisius.
70.28 Maii Joannes Winbergen Geldriensis.
71.28 Maii Wilhelmus Hoecklum Geldriensis.
72.30 Maii Jelgerius Feytzma Frisius nobilis.
73.30 Maii Valerius Hannya Frisius nobilis.
74.30 Maii Gerardus Teethlum Leovardiensis.
75.9 Junii Johannes Bramius Frisius.
76.9 Junii Edelhardus Priccard Frisius.
77.23 Junii Alardus Franekeranus Frisius.
78.23 Nov. Hildebrandus Petri Groninganus.
79.4 Dec. Petrus Wesembecius } fratres Antverpienses.
80.4 Dec. Joannes Wesembecius } fratres Antverpienses.
81.5 Dec. Joannes Winbergen Geldriensis, cognatus homonymi mense Maio inscripti.

[p. 69]

82.7 Dec. Gerlacius Capelle Zutphaniensis.
 1568.
83.12 Jan. Johannes Petreius Groninganus.
84.15 Jan. Hesselus ab Hannia Frisius.
85.16 Jan. Petrus Cornelius Frisius Groninganus.
86.18 Jan. Ferdinandus Alemanus Selandus.
87.8 Mart. Hieronymus Verrutius Frisius Groninganus.
88.8 Mart. Johannes Draber Groninganus Frisius.
89.15 Mart. Andreas Bacherus Flander.
90.14 April Everardus Oisteranus de Brunckhorst.
91.14 April Fridericus Ilstensis Frisius.
92.14 April Andreas Hagius Frisius.
93.15 April Petrus Faber Frisius.
94.15 April Petrus Teetlum Frisius.
95.15 April Hermannus Arnoldus Groninganus.
96.15 April Henricus Metellus Groninganus.
97.15 April Bernhardus Johannes Groninganus.
98.15 April Michael Andreas Vicemius Leovardiensis.
99.m. Maio Nicolaus Gerardus Leovardiensis.
100.6 Junii Johannes ab Oldenbarnefelt Amersfordiensis.
101.m. Junio Jacobus Kimmendonck Kempensis.
102.m. Junio Henricus Fabricius Venlonius.
103.m. Julio Johannes Hermannus Campensis.
104.m. Julio Cornelius Boelius Amstelodamensis.
105.m. Sept. Gerhardus Voit Geldrensis.
106.m. Octob. Titus Acronius ex agro Embdano.
107.m. Octob. Nicolaus Henrici Bredensis.
108.m. Nov. Godefridus Theodoricus Amstelodamensis.

[p. 70]

109.m. Nov. Conradus Wolff Harderwicensis.
110.m. Nov. Theodorus Vogelsanck Frisius Occidentalis.
111.m. Nov. Petrus de Harinxma Frisius Occidentalis.
 1569.
112.6 Mart. Rodolphus Steenwick Frisius.
113.9 Apr. Petrus Reidanus Daventriensis.
114.23 Apr. Ludovicus Perezius Antverpiensis iniuratus propter aetatem.
115.23 Apr. Martinus Perezius Antverpiensis iniuratus propter aetatem.
116.22 Apr. Eberhardus Reidanus Daventriensis.
117.25 Apr. M. Bonnius Volkerus Frisius.
118.27 Apr. Caspar a Swindern Groninganus iniuratus propter aetatem.
119.27 Apr. Philippus a Swindern Groninganus iniuratus propter aetatem.
120.7 Julii Johannes Michael Alcmarianus.
121.7 Julii Johannes Thomas Alcmarianus.
122.12 Aug. Tjalingius Syxma Frisius.
123.17 Aug. Sibrandus Occo Frisius.
124.20 Sept. Guilielmus Fockaeus Frisius.
125.20 Sept. Leo Juckema Frisius.
126.21 Sept. Sixtus Scheltema Frisius.
127.21 Sept. Sibrandus Camminga Frisius.
128.22 Sept. Gerhardus de Langhen Frisius.
129.23 Sept. Gelmerus Canter Groninganus.
130.23 Sept. Daniel Georgius Frisius.
131.23 Sept. Regnerus Gerardi Groninganus.
132.25 Sept. Rembartus Horaeus Frisius.
133.6 Oct. Johannes Dorrius Daventriensis.
134.7 Oct. Johannes Ernestus Amstelrodamius.

[p. 71]

135.10 Oct. Petrus Sylvius Duacensis.
136.15 Oct. Alardus Auletius Frisius.
137.20 Oct. Foxius Posthusius Frisius.
138.25 Oct. Gysbertus Snecanus Frisius.
139.9 Nov. Jodocus Randwyk Gennepensis.
140.23 Dec. Johannes Bartholdus a Roderwolt Phrysius.
 1570.
141.23 Mart. Arnoldus ab Haersolte Zwollensis.
142.2 Apr. Petrus de Hinoiosa Flander Insulanus.
143.7 Apr. Johannes Geisteranus Daventriensis.
144.13 Apr. Jacobus Rebartus Frisius.
145.13 Apr. Melchior Amsweer Frisius.
146.27 Apr. Timannus Slotanus Phrysius.
147.29 Apr. Johannes a Spurlde Zwollensis.
148.3 Julii Cornelius Bombergus Antverpiensis.
149.8 Julii Volkerus Westerwolt Groninganus.
150.8 Julii Arnoldus Westerwolt Groninganus.
151.12 Aug. Hermannus Sidereus Phrysius, Phil. et Med. Doct.
152.15 Aug. Ludovicus Casembrotius Brugensis, J.U. Lic.
153.24 Aug. Johannes Bacherius Poperingius, J.U. Lic.
154.9 Nov. Egbertus Coiter Groninganus.
155.17 Nov. Hermannus Alst Geldrus.
156.18 Nov. Reinerus a Pallant Geldrus.
 1571.
157.9 Mart. Henricus Pricker Frisius.
158.13 Mart. Adrianus Bleicherius Gandavensis.
159.15 Apr. Samuel Taconis Frisius.
160.17 Apr. Eppo Hayonis Groninganus.
161.28 Apr. Daniel Beninus Antverpiensis.

[p. 72]

162.19 Maii Florus Gerardus Frisius.
163.3 Aug. Jacobus Barlaeus Antverpiensis.
164.21 Oct. Basilius Ludolphus Pithopaeus Daventriensis.
165.16 Dec. Jacobus Borwaeter Antverpiensis.
 1572.
166.17 Jan. Otto Calandt Frisius.
167.23 Maii Schelto Koene Frisius Groeningensis.
168.23 Maii Hermannus Beisensis Frisius ex agro Groningensi.
169.17 Oct. Carolus Agricola Antverpiensis.
170.18 Dec. Jacobus Bernuius Antverpiensis.
 1573.
171.1 Apr. Johannes Meranus Antverpiensis.
172.1 Apr. Bernardus Tenbrocke Steinwickensis.
173.27 Jun. Henricus Corputius Bredanus.
174.28 Jun. Doctor Henricus Smetius, seu Fabricius Alostensis, iam medicus Aulicus, a. 58 inscriptus, renovari nomen suum data fide petivit.
175.10 Jul. Joannes Bramsche Frisius.
176.10 Jul. Enno Diebholt Frisius.
 1574.
177.24 Jan. Franciscus Baudius Insulensis.
178.29 Mart. Johannes Servilius Antverpianus Belga, Doctor Med. et Phil.
179.6 April Hermannus Petri Zwollensis, pauper.
180.7 April Ieppius ab Heringa Frisius Occidentalis.
181.2 Maii Carolus Utenhovius.
182.2 Maii Nicolaus Utenhove.
183.6 Maii Egbertus Clant Frisius.
184.6 Maii Dego Tadema Frisius.

[p. 73]

185.26 Aug. Arnoldus Tullichius Arnhemiensis, iniuratus propter aetatem.
186.11 Dec. Everhardus Alting Groningensis.
 1575.
187.9 Jul. Johannes Heyngus Zutphaniensis.
 1576.
188.m. Jan. Illustris ac Generosus Dmns Mauritius Princeps Uraniae, Comes Nassoviae Cattorum, Vianden et Dietz, Dnus in Beylstein.
189.2 Febr. Ludovicus Guilielmus } fratres Comites Nassoviae Cattorum, Vianden et Dietz, domini in Beylstein.
190.2 Febr. Johannus } fratres Comites Nassoviae Cattorum, Vianden et Dietz, domini in Beylstein.
191.2 Febr. Georgius } fratres Comites Nassoviae Cattorum, Vianden et Dietz, domini in Beylstein.
192.2 Febr. Philippus } fratres Comites Nassoviae Cattorum, Vianden et Dietz, domini in Beylstein.
193.2 Febr. Joachimus nobilis Baro a Buren.
194.2 Febr. Otto nobilis a Grunrade, dictorum dominorum Praefectus.
195.28 Apr. Reinerus Scharpf Daventriensis.
196.26 Sept. Pomponius Leontinus Frisius.
197.3 Oct. Ludolphus Pithopoeus Daventriensis.
198.27 Oct. Joannes Albius Herdenites ex Geldria.
199.27 Nov. Thomas Dinslacken Zwollensis, Art. Mag.
 1577.
200.24 Maii Henricus Brandt Delphensis.
 1578.
201.18 Apr. Joachimus Alting Groningensis Frisius.
202.18 Apr. Buningus Buninga Groningensis Frisius.
203.25 Sept. Johannes Idzaerda Leovardiensis Frisius.
 1579.
204.5 Jan. Anselmus Cymbaeus Brugensis.
205.9 Maii Carolus Uranca Belga.
206.6 Oct. Franciscus Santfort Antverpiensis.

[p. 74]

 1580.
207.28 Jun. Henricus Brave Groningensis Frisius.
208.6 Oct. Guido Moor Antverpiensis.
 1581.
209.11 Jan. Sibo a Dornum, cognomento Gersma, Frisius.
 1582.
210.26 Jul. Johannes a Prato Antverpiensis.
211.20 Aug. Petrus Castritius Darmstattinus, Mag. Art.
212.12 Nov. Petrus Ficinus Noviomagus.
213.12 Nov. Adolphus Ripperda nobilis Geldrus.
 1584.
214.12 Maii Florentius a Schaderwurst Arlemensis.
215.12 Maii Adrianus Diungius Dordressensis.
216.3 Oct. Ludovicus Helmius Pithopaeus Heidelbergensis, ante octennium inscriptus.
217.3 Oct. Rollandus Wertius Antverpiensis.
218.5 Oct. Ludovicus Pithopaeus M. pater repetiit suam inscriptionem gratis.
219.21 Oct. Joannes Roge Amsthedamensis.
220.26 Oct. Matthaeus a Myden Hollandus.
221.26 Oct. Hector ab Apeltere Noviomagus.
 1585.
222.14 Apr. Eberhardus Bornhorst.
223.3 Jun. Franciscus Gomarus.
224.3 Jun. Franciscus Blockius Belga.
225.3 Jun. Antonius Disius Antverpiensis.
226.17 Jun. Eilardus Alma Junior Groninganus Frisius.
227.29 Jul. Sethus Eymerus Wurdanus Phrysius.
228.23 Sept. Casparus Heydanus Frankendalius.

[p. 75]

229.29 Sept. Petrus Carpentarius Bruxellensis.
230.5 Oct. Michael Benninck Amstelodamensis.
231.5 Oct. Jacobus Thisius Antverpiensis.
232.15 Oct. Bolo Bolardus Phrysius.
233.15 Oct. Adamus Eysingha Phrysius.
234.15 Oct. Solinus Eysinga Phrysius.
235.15 Oct. Timannus zum Camp Phrysius.
236.19 Oct. Johannes Roorda Phrysius.
237.5 Nov. Nicolaus Clandt Groninga Phrysius.
238.5 Nov. Abraham Corputius Bredanus.
239.15 Nov. Jacobus Rulandus Delfensis.
240.16 Nov. Egbertus Alberda Frisius.
241.23 Nov. Rudolphus Hoier Campensis Transisalanus, Licentiatus Iuris.
242.24 Nov. Hermannus Phrygio Venlonius, gratis.
243.29 Nov. Joannes Craesboomius Antverpiensis.
244.3 Dec. Hermannus Craen Clivensis.
245.31 Dec. Daniel Colonius Metensis.
 1586.
246.18 Jan. Eberhardus Vorstius Ruremundanus.
247.3 Apr. Gerardus Rufelaert Frisius.
248.12 Apr. Johannes Guilielmus a Boetzeler.
249.18 Apr. Johannes Duysthius Batavus.
250.18 Apr. Guilielmus Diert Batavus.
251.18 Apr. David Fulder Batavus Cattus.
252.19 Apr. Egbertus Hemskerck Batavus.
253.19 Apr. Johannes Melanus Bredensis.
254.22 Apr. Johannes Graeff Amstelodamensis.
255.2 Maii Daniel Helmius Pithopaeus Heidelbergensis, gratis.
256.18 Jun. Johannes Polyander Metensis.
257.2 Jul. Eggericus Beningha Phrysius.

[p. 76]

258.26 Jul. Johannes Halsbergius Flander.
259.30 Jul. Elteo Amptzonius Frisius.
260.30 Jul. Jelmerus Amptzonius Frisius, illius frater.
261.26 Aug. Henricus Bettohincken Frisius.
262.28 Sept. Abrahamus Vandermylen Dordracenus Hollandus.
263.28 Sept. Meinardus ab Idzaerda Frisius.
264.28 Sept. Andreas ab Hiddema Frisius.
265.28 Sept. Johannes Crucius Insulanus.
266.2 Dec. Gerardus ab Assendelft Hollandus.
267.28 Dec. Hermannus Bisius Dordracensis Hollandus, I.U.D.
 1587.
268.11 Apr. Sixtus Rorda Frisius Occidentalis.
269.16 Apr. Theodoricus Clemens Hollandus.
270.22 Apr. Egbertus Halbes Groninga-Frisius.
271.27 Apr. Isaacus Corputius Bredanus.
272.20 Jul. Georgius Benedicti Harlemensis.
273.20 Jul. Johannes Regius Delphensis.
274.5 Sept. Hieronymus Atten Frisius.
275.18 Sept. Henricus Winandus Arnheimius Geldrus.
276.15 Nov. Eberhardus Pollio Ultraiectinus I.U.D.
 1588.
277.7 Febr. Gerardus Entens Groningensis Frisius.
278.2 Apr. Joannes Cammerlinus Hago-Comitanus Hollandus.
279.23 Apr. Abelus Conderus ab Helpen Junior Frisius.
280.24 Apr. Jacobus a Dyck Harlemensis.
281.25 Apr. Johannes Metelen Frisius.
282.13 Jun. Reinerus Gruterus Daventriensis.
283.11 Jul. Johannes Agricola Middelbourgensis.

[p. 77]

 1589.
284.15 Mart. Johannes a Spina Gandavensis Flander.
285.25 Apr. Joannes de Jonge Dordracenus Hollandus.
286.3 Jul. Joannes Schipperius Ultraiectinus.
287.21 Aug. Hubertus Salinicus, alias Soltman, Oudewateranus Hollandus.
288.8 Sept. Jacobus Endius Dordracensis Hollandus.
289.9 Sept. Jacobus Theilingius Alcmarianus Hollandus.
290.29 Sept. Doco a Bothnia Franekeranus Frisius.
291.14 Nov. Daniel Ottho Gandanus Flander.
292.18 Dec. Michael Verheidius Antverpiensis, nobis iniuratus pp. aet.
293.18 Dec. Jacobus Kimedoneius Gandavensis.
294.18 Dec. Abrahamus Kimedoncius Gandavensis. Uterque Doct. Jacobi Kimedoncii Theol. professoris huius scholae filii per aetatem bonam fidem loco iuramenti dederunt.
 1590.
295.24 Febr. Eberhardus ab Aschendorf Frisius.
296.24 Febr. Joachimus ab Aschendorf Frisius.
297.24 Febr. Hildebrandus Farnysum Frisius.
298.27 Apr. Petrus Scapius Hollandus.
299.27 Apr. Michael van Stegen Hollandus.
300.5 Maii Andreas Cornelii Hollandus.
301.18 Maii Franciscus Meynsma Frisius Occidentalis.
302.13 Aug. Theodorus Bassus Amstelodamensis.
303.21 Oct. Guilielmus Verheiden Graviensis Belga.
304.21 Oct. Jacobus Verheiden Graviensis Belga.
305.20 Dec. Vincentius Welsius Lewardiensis Frisius.
 1591.
306.17 Jan. Johannes Pannelius Nortwicensis Anglo-

[p. 78]

 flander.
307.23 Mart. Stephanus Quaet Gheldrius.
308.31 Mart. David Balthasarius Dordracenus.
309.5 Apr. Casparus Flamingius Amstelaedamo-Batavus.
310.5 Apr. Jacobus Gravius Amstelaedamo-Batavus.
311.5 Apr. Johannes Rogge Embdanus inscriptionem renovavit.
312.9 Maii Petrus Bertius Flander.
313.16 Julii Andreas ab Hedema Frisius inscriptionem renovavit.
314.28 Sept. Cornelius Pynacker Delphius Batavus.
315.9 Nov. Ambrosius Geldrus Harderwicensis.
316.4 Dec. Volcardus Overlander Amstelodamensis.
317.7 Dec. Aegidius Hoffman a Nispen Antverpianus.
318.7 Dec. Jacobus Kimedoncius, filius Rectoris, Gandaviensis.
319.7 Dec. Abrahamus Kimedoncius, filius Rectoris, Gandaviensis.
 1592.
320.15 Jan. Albertus Arisma Frisius Occidentalis.
321.5 Apr. Sabinus Baerdt Frisius Occidentalis.
322.19 Maii Johannes Gruterus Antverpiensis, I.U.D.
323.7 Junii Laurentius de Veno Frisius Leovardiensis.
324.12 Junii Matthias Damius Harlemensis Batavus.
325.12 Junii Hadrianus Jacobi Harlemensis Batavus.
326.30 Sept. Johannes Panhuisius Antverpiensis.
327.2 Oct. Arnoldus Cortzen Sylva-Ducensis Belga.
328.5 Oct. Boccatius Levardiensis Frisius Orientalis.

[p. 79]

 1593.
329.7 Apr. Johannes Dobbeling Daventriensis.
330.14 Apr. Wigboldus Homeri Groningensis.
331.18 Apr. Conradus Vorst Agrippinensis.
332.3 Maii Wilhelmus Burcardus Sixtinus Frisius.
333.12 Maii Gisbertus Dompseler Ultraiectinus.
334.26 Maii Petrus Herius Nieukerkius Belga.
335.8 Jun. Balduinus de Man Culenburgensis Belga.
336.2 Sept. Theodorus Xylander Amersfortius Belga.
 1594.
337.12 Febr. Joannes Kuperus Belga Montanus.
338.3 Apr. Petrus Gravius Hollandus.
339.3 Apr. Joannes Suffridi Saeckma Frisius.
340.3 Apr. Georgius Wiarda Frisius.
341.10 Apr. Guilielmus Samsonius Lugdunensis Belga.
342.7 Maii Joannes Grotenhuys Amsterdamensis.
343.7 Maii Enoch Potteius Londinensis Belga.
344.7 Aug. Joannes Comelinus Amsterdamensis.
 1595.
345.14 Apr. Joannes Regius Londinensis Anglo-Belga.
346.19 Aug. Johannes Bogermannus Junior Frisius Leovardiensis.
347.19 Aug. Wilhelmus Johannes Suthareus Frisius.
348.13 Sept. Thomas Goswinus Campensis.
349.13 Sept. Johannes Fabricius Campensis.
350.19 Sept. Johannes a Marck nobilis Frisius.
351.23 Sept. Gerardus Caesarius Ultrajectinus.
 1596.
352.27 Maii Samuel Comelinus Amstelodamensis.
353.4 Jun. Lambertus Adameius Frisius.
354.19 Jun. Marcus Liclema a Neuholt Phrysius.

[p. 80]

355.20 Julii Jacobus Calvardus Belga.
356.23 Dec. Joannes Dobbeling Daventriensis inscriptionem 7 Aprilis a. 1593 repetiit.
 1597.
357.26 Mart. Ludolfus Spikermannus Emdanus.
358.26 Mart. Henricus Copius Clivo-Vesaliensis.
 1598.
359.28 Apr. Lubertus Esthius, Med. Doct. et Prof.
360.Aug. Joannes Reichersbergius Selandus.
361.Sept. Georgius Fortius Mittelburgensis Selandus.
362.Sept. Balduinus a Mittelburg Hollandus.
363.Nov. Josias Fosbergius Selandus.
364.Nov. Hermannus Halling Batavus.
365.Nov. Gerardus Vogelsang Frisius.
 1599.
366.6 Apr. Orricus Dojem Frisius Occidentalis.
367.7 Apr. Antonius Wilhelmi Frisius Leovardiensis.
368.25 Apr. Lubbertus Riclevi Frisius.
369.16 Jul. Isaacus Bootsius Vesaliensis.
370.7 Sept. Isebrandus Econius Leowardia-Frisius.
371.20 Sept. Johannes Huldrichus Leowardiensis Frisius.
372.22 Sept. Abrahamus Econius Leowardiensis Frisius.
373.4 Oct. Hermannus Arnoldi Geldriensis.
374.8 Oct. Halcinus Gothofredus Traiectinus.
375.10 Nov. Jacobus Oberkampfius Tilensis Geldrus.
376.24 Dec. Balduinus baro a Luxemburgk Holandus.
377.24 Dec. Petrus Hespelius, ephorus praedicti Baronis, Belga.

[p. 81]

 1600.
378.24 Mart. Jacobus Doppenbergk Daventriensis.
379.11 Apr. Lambertus Adameius Frisius, inscriptionem a. 1596 renovari voluit.
380.20 Apr. Eberhardus Godofredus Ultraiectinus, ob aetatem non iuravit.
381.27 Dec. Joannes Eevert Daventriensis.
 1601.
382.27 Sept. Petrus Ceporinus Noviomagus.
383.11 Dec. Scotto Beninga nobilis Frisius.
 1603.
384.20 Febr. Johannes Coizius Geldrus Noviomagus.
385.6 Maii Abrahamus Mellinus Flissingensis.
386.27 Maii David Velthusius Geldriensis.
387.27 Maii Engelbertus Breberinus Geldriensis, iniuratus.
388.11 Jun. Hermannus Kockius Daventriensis.
389.29 Jun. Aegidius Cholidaeus Ultraiectinus.
 1604.
390.9 Apr. Johannes Lotichius Clivo-Vesaliensis.
391.24 Sept. Paulus Hespelius Leidensis.
392.24 Sept. Hobbius ab Aylva Frisius, iniuratus.
393.25 Sept. Hermannus Ravenspergerus Sigenensis, ob aetatem iniuratus.
394.1 Oct. Jacobus Schickardus Sigenensis Nassovius, ob aetatem nondum iuravit.
395.5 Nov. Helias Putschius Antverpiensis.
 1605.
396.27 Febr. Stephanus a Blitterswyk nobilis Batavus Lugdunensis.
397.27 Sept. Vincentius ab Iselstein nobilis Brabantinus.

[p. 82]

 1606.
398.29 Aug. Reinaldus ab Oldenbarnevelt, nobilis Belga.
399.29 Aug. Wilhelmus ab Oldenbarnevelt, nobilis Belga, illius frater.
400.29 Aug. Joannes Meursius Belga, nobilium illorum praeceptor.
401.27 Oct. Philippus Pinacker Delfensis Batavus.
402.27 Oct. Guilielmus Henricus Ultraiectinus.
403.2 Nov. Arnoldus von Augsthorn, nobilis Batavus Amstelodamensis.
 1607.
404.10 Apr. Wernerus Teschenmacher Elverfeldensis Montanus.
405.28 Maii Simon Henrici Ultraiectensis.
406.15 Oct. Johannes Theodorus Reidanus Clivo-Duisburgensis.
407.6 Nov. Johannes Rotheus Amsterdamensis.
 1608.
408.7 Apr. Petrus Santinus Amstelodamensis.
409.7 Apr. Jacobus Laurentius Amstelodamensis.
410.14 Oct. Bernardus Julsingh Frisius Groninganus.
411.15 Dec. Everdus Boner Frisius.
 1609.
412.9 Mart. Bernhardus Jacobaeus Transinsulanus (sic) Belga.
413.9 Mart. Reinerus Bogerman Frisius Belga.
414.9 Maii Jacobus Gruterus Selandus Belga.
415.24 Jun. Guinandus Rutgersius Dortracensis Holandus.
416.27 Jun. Sebaldus Brandt Delphis Holandus.
417.29 Sept. Stephanus Corcellius Genevensis.

[p. 83]

418.12 Oct. Guilielmus Berdesius Alemariensis.
419.12 Oct. Nicolaus Hasius Lugduno-Batavus.
420.23 Nov. Mathias Nahum Herbornensis.
 1610.
421.Oct. Georgius Klaphower Geldrus.
 1611.
422.24 Jan. Nicolaus Heinsius Brugensis Flander, I.U.D.
423.28 Febr. Jacobus Ripperda, nobilis ex Frisia Groningana, iniuratus ob aetatem.
424.28 Febr. Hero Mauritius Ripperda, nobilis ex Frisia Groningana, iniuratus ob aetatem, illius frater.
425.27 Mart. Cornelius Gothofredus Leovardiaensis Frisius.
426.30 Mart. Antonius Aemylius Aquisgranensis.
427.16 Maii Johannes Rosaeus Dordracenus Hollandus.
428.21 Maii Joannes Macovius Polonus.
429.24 Jun. Johannes Andreas Corputius Dordracenus Hollandus.
430.13 Aug. Livius Scheltinga Leovardia Frisius.
431.13 Aug. Johannes Scheltinga Leovardia Frisius.
432.13 Aug. Matthias a Viersen Leovardia Frisius.
433.8 Sept. Jacobus Fridericus Leovardia Frisius.
434.8 Sept. Heinricus Johannes Leovardia Frisius.
435.17 Sept. Lubbertus Julsing Groninganus Frisius.
436.9 Oct. Gerlacus Voet Arnhemensis Geldrus.
437.16 Oct. Osebrandus Rengers Frisius Groninganus.
438.11 Dec. Godofredus Cornelii Elbertides Arnhemensis Geldrus.
439.27 Dec. Caspar Curtenius Montanus Belga.

[p. 84]

 1612.
440.11 Apr. Kempo Donia nobilis Frisius Occidentalis.
441.11 Apr. Rutgerus Bolardus Frisius Orientalis, illius ephorus.
442.12 Apr. Nicolaus Giulsnigk Groninganus Frisius.
443.23 Jun. Elbertus Theodori Arnhemius Geldrus.
444.13 Dec. Joannes Gebhardus, Schwartzhovianus Palatinus, alumnus collegii Sapientiae.
445.31 Dec. Joannes a Brakel Zwollano-Transisalanus.
 1613.
446.5 Mart. David du Mortir Haga-Hollandus.
447.5 Mart. Joannes Palmerius Noviomago-Geldrus.
448.3 Jun. Joannes Kloppenburg Ambsterdamensis.
449.20 Sept. Joannes Bennellus Metensis.
450.21 Sept. Abrahamus Kymedonzius Gandavensis, inscriptionem a. 1591 factam renovavit.
451.18 Dec. Joannes Heinsius Amstelodamensis.
452.22 Dec. Matthias Meursius Amstelodamensis.
453.22 Dec. Timotheus Rolandus Delphensis.
 1614.
454.27 Apr. Balduinus Abrahami Frisius.
455.28 Apr. Jodocus Scheltinga Frisius.
456.6 Maii Wessenus Emmius Frisius.
457.6 Maii Rudolphus Surius Frisius.
458.7 Maii Joannes Dominicus Walrichomius Frisius.
459.26 Jul. Daniel Sinapius Belga.
460.21 Oct. Henricus Geldorpius Frisius.
461.21 Oct. Daniel Goykerus Campensis.
462.26 Oct. Livius Harenius Frisius.
463.26 Oct. Paulus Brussius Amsterdamensis.

[p. 85]

464.26 Oct. Hadrianus Velsen Frisius.
465.31 Oct. Nicolaus Wedelius Neumarck Palatinus.
 1615.
466.1 Apr. Justus Reiffenberg Heieranus Nassovius.
467.12 Maii Henricus ab Uterwick Campensis.
468.17 Maii Meinardus Gevikerus Campensis.
469.4 Oct. Johannes a Laxten Omlandus Frisius.
 1616.
470.13 Apr. Matthias Pasor Herbornensis Nassovius, iniuratus.
471.17 Apr. Joannes des Watines Harlemius.
472.20 Apr. Lubbertus a Westrenen Belga.
473.21 Apr. Adamus Petrus ab Eysingha Frisius.
474.21 Apr. Adamus Tjallingi ab Eysingha Frisius.
475.23 Apr. Johannes Fungerus Frisius.
476.10 Jul. Johannes Matthaeus Sigenensis Nassovius.
477.24 Jul. Johannes Lempereur de Oppyck Bremensis.
478.10 Aug. Stephanus Modetus Metensis.
479.14 Sept. Livius Hilarii Frisius.
480.26 Sept. Arnoldus Martini Mittelburgo-Zelandus.
 1617.
481.23 Apr. Georgius Ittersum Swollanus Belga.
482.24 Apr. Abdias Widmarius Bremensis.
483.20 Sept. Albertus Hooftman Groninganus Frisius.
484.20 Sept. Egbertus Schatter Groninganus Frisius.
485.20 Sept. Asuerus Krone Groninganus Frisius.
486.23 Sept. Joannes a Felsing Leovardiensis.
487.27 Sept. Gerhardus Bunning Phrysius.
 1618.
488.9 Mart. M. Abrahamus Scultetus, Ser. Princip.

[p. 86]

 Palat. Aulicus Concionator in Profess. V.T. electus.
489.30 Mart. Nicolaus Conradi Franequeranus Frisius.
490.6 Apr. Petrus de Wit Amstelo-Batavus.
491.12 Apr. Jacobus de Blocq Vlissingensis Seelandus.
492.13 Apr. Petrus Eising Groninganus Frisius.
493.29 Sept. Johannes Camp Lewartiensis Frisius.
494.29 Sept. Sabinus Fockens Lewartiensis Frisius.
495.29 Sept. Johannes Hachtingius Lewartiensis Frisius.
496.1 Oct. Adrianus Clant Frisius.
 1619.
497.24 Mart. Jacobus Buttinga Leowardiensis Frisius.
498.24 Mart. Jacobus Hilbrants Harlinga-Frisius.
499.24 Mart. Johannes Teschenmacher Elwerfeldanus Montanus.
500.7 Apr. Bernhardus Conders ab Helpen Groninganus.
501.7 Apr. Johannes de Brune Omblandus.
502.9 Apr. Suffridus Sixtinus Amsterdamensis.
503.13 Apr. Theodorus a Vreeswyck Ultraiectinus Hollandus.
504.23 Apr. Otto Schwaneburgius Ultraiectinus.
505.13 Sept. Arnoldus Schive Zutphanio-Belga.
506.22 Sept. Abrahamus Heydanus Francotalensis Palatinus.
507.22 Sept. Daniel de Marees Amsterdamensis.
508.22 Sept. Antonius ab Harinchouck Amsterdamensis.
 1620.
509.20 Maii Johannes Rothaeus Amstelodamensis, inscriptionem a. 1607 Rectore Quirino Reu-

[p. 87]

 tero factam renovari voluit, fidem datam repetens stipulata manu.
510.20 Maii David Rotheus Amstelodamensis, frater Johannis, iuratus.
511.5 Nov. Henricus a Diest Altenanus Westphalus.
 1621.
512.8 Jun. Abrahamus de Brauw Zelandus.
 1622.
513.28 Jun. Abrahamus Kimedoncius Crucenacensis Palatinus, iniuratus propter aetatem.
 1652.
514.23 Nov. Fridericus d'Orville } Haga-Batavi, fratres germani.
515.23 Nov. Johannes Joachimus d'Orville } Haga-Batavi, fratres germani.
516.23 Nov. Jacobus d'Orville } Haga-Batavi, fratres germani.
517.16 Dec. Johannes Rhala Frisius.
 1653.
518.23 Mart. Sebastianus Schelkens Francofurtensis ad Moenum.
519.10 Oct. Beuckel Ter Borch Zwolla-Transisalanus, I.U.D.
520.2 Nov. Joannes Hotton Amstelodamensis.
 1654.
521.26 Sept. Petrus Schuyll Batavus.
522.30 Sept. Henricus a Diest Clivensis.
 1656.
523.5 Febr. Johannes Fridericus Böckelman Steinfurto-Westphalus.
524.17 Sept. Georg Wolfgang } Liberi Barones a Schwarzenberg.
525.17 Sept. Antonius Gunter Georg } Liberi Barones a Schwarzenberg.
526.18 Sept. Johannes Edzardus a Douma, nobilis Frisius.

[p. 88]

527.18 Sept. Ulricus Huber Doccumensis Frisius.
528.18 Sept. Joannes a Sanden Groninganus.
529.18 Sept. Lambertus a Koehoorn Frisius.
 1657.
530.3 Jul. Gerardus Wicheringhe patritius Groninganus Frisius.
531.24 Nov. Silvester Jacobus Danckelman Linga-Westphalus.
532.23 Dec. Henrich von Basten Grolla Gelrus, Lit. Stud.
 1658.
533.7 Maii Gisbertus a Vierssen Leovardiensis Frisius.
534.13 Maii Johannes Bartholdus ab Ittersum Transisalanus.
535.23 Jul. Casparus a Riemsdyck Gelrus.
 1659.
536.28 Mart. Johannes Hombergius Hagiensis.
537.10 Maii Johannes Jeremias Seibelius Hagiensis.
538.10 Sept. Theodorus Winandi Amstelodamensis, Medic. Stud.
539.10 Sept. Johannes Wilhelmus Holderus Lugduno-Batavus.
540.18 Dec. Andreas Cellarius I.Q. fil. A. nep. Daventriensis Transisalanus.
 1660.
541.23 Maii Abrahamus de Zadeler Amstelodamensis.
542.4 Sept. Adolphus Blancken Tiela-Batavus.
543.4 Sept. Andreas Spanhemius Lugduno-Batavus.
544.4 Sept. Daniel Spanhemius Lugduno-Batavus.

[p. 89]

545.4 Sept. Fridericus Spanhemius Heidelbergensis, filius prorectoris.
 1661.
546.2 Oct. Gerardus Renssen Deutichemo-Gelrus.
547.2 Oct. Gualterus a Diemen Zutphania-Gelrus.
 1662.
548.9 Maii Bartholdus Renterchen Amstelodamensis.
549.9 Maii Johannes Petrus Raquet Amstelodamensis.
550.5 Nov. Lambertus Johannes Sloet Vollenhovensis.
551.5 Nov. Wilhelmus Bernardus Sloet Vollenhovensis.

Uittreksel uit het album der hoogeschool van Genève.

 1559.
1.Gerardus Weshemius Geldrus.
2.Joannes a Marnix Bruxellensis.
3.Philippus Marnixius Bruxellanus.
4.Arnoldus Westerwolt Frisius Groningensis.
5.Liffordus Beruigen Gennepensis in Cliviae ducatu.
 1563.
6.Nicolaus Elenneus aus Antpuarpen in Lotharingia.
7.Nicolaus Clericus Ultrajectinus.

[p. 90]

 1564.
8.Bartholomaeus Acquart de Lille en Flandre.
 1566.
9.Johannes Mogensonius Bruxellensis, Cal. Ap.
10.Jacobus Commelinus Gandensis, Cal. Ap.
11.Franciscus Blochuysius Batavus.
12.Federicus de Ghendt Geldrus.
13.Gerardus de Lienden.
14.Vinantius Capito Amsterdamensis.
15.Hieronimus Bertrandus Bruxellensis.
16.Wernerus Helmichius Ultrajectensis in Hollandia, 5 Dec.
 1567.
17.Philippus Mallardus ex Flandria, 4 Jan.
18.Joannes Plancius ex Flandria, 4 Jan.
19.Philippus de Stoppelaere Gandavensis.
20.Jacobus Haeck Zeelandus, 25 Junii.
21.Alexandre Le Blond Antwerpiensis.
 1568.
22.Georgius Mellinus Hertigeyensis, Mars.
23.Oricus Dorsiemus Frisius, 9 Junii.
24.Arnoldus Crusius Holandus, 10 Junii.
25.Gulielmus Hordum, 10 Junii.
26.Livinus Massis Nernius, 10 Junii.
27.Joannes Meteerus Antwerpiensis, 10 Junii.
28.Gisbertus Sus Phrisius, 10 Junii.
 1569.
29.Johannes Hochedeus, 25 Junii.
30.Jacobus Regius, 4 Cal. Aug.
31.Hermannus Bouingius Phrisius Groninganus, 12 Oct.

[p. 91]

 1570.
32.Cornelius Judoci Hagensis, 22 Oct.
33.Charolus Roerda Frisius, 25 Oct.
34.Bernardus Roerda Frisius, 25 Oct.
 1571.
35.Jacobus Monceau Flandrus, 10 Martii.
36.Henricus Fraxinus Geldoniensis in Brabanno, 18 Dec.
 1576.
37.Petrus Fochsius a Welsz Brabantinus in ducatu Juliacensi, 24 Jun.
38.Eppius Heringha Frisius.
39.Pomponius Leontinus Frisius Groningensis.
40.Onias Flansemus Frisius.
41.Carolus Catzeus Geldrus.
 1579.
42.Assuerus à Regemmortel Antverpiensis theo. stud.
43.Walramus Mostart natione Lymburgensis theol. stud., 20 Maii.
44.Ernestus Isheim Groningensis Welderavus theol. stud.
45.Joannes Aant Frisius iurisprud. stud., 21 Maii.
46.Matthaeus Michelius Cliuensis theol. stud., anno redemptionis humani generis 21 Maii 1579.
47.Jodocus ab Ewssum Frisius iurisp. stu., 21 Maii.
48.Eberhardus Alting Frisius LL. stud., 21 Maii.
49.Albertus van Loo Hollandus iur. stud., 21 Maii.
50.Cornelius Wensen Hollandus iur. stud., 21 Maii.
51.Joannes Petrus Hollandus iur. stud., 21 Maii.
52.Adrianus a Blyenborck Batavus iur. stud., 21 Maii.
53.Joannes Becius Flander the. stud., 22 Maii.

[p. 92]

54.Joannes Mermannus Antverpiensis graec. liter. stud., die 27 Julii.
 1580.
55.Eustachius Schouwenburgensis alumnus reipublicae Vlissingianae stud. ling. et theol., 22 April.
56.Hermannus Drews Gronningensis ling. et theol. stud.
57.Johannes Copius Frisius art. bonarum et theol. stud., 22 April.
58.Bartholdus à Zallant Geldrus bon. art. et iuris stud., 2 Maii.
59.Michael Broickhuisen Geldrus ingenuarum art. stud.
60.Franciscus de Rycke Gandensis bon. litt. stud., 8 Maii.
61.Henricus a Bra Frisius Med. Doc., mense Julii.
62.Joachimus Alting Frisius Groningensis iur. stud., 24 Julii.
63.Petrus Cornelius Brederodus Battavus Hagocomitanus iur. stud., 25 Julii.
64.Leonardus Joannis Voochdius Zelandus Dirxlandus iur. stud., 25 Julii.
65.Henricus Gerardi Stormius Delphensis Batavus iurisp. stud., 25 Julii.
66.Henricus van der Haghen Batavus stud. iur., 25 Julii.
67.Henricus Cornelius Fyth Delphensis Batavus, 28 Julii.
68.Joannes Theodorici de Haen Delphensis Batavus.
69.Theodoricus Bokeldius Santenus Delphensis Batavus.
70.Casparus Florus Kempensis s. theo. stud., 7 Idus Aug.
71.Lollius Epocus Adema Phr., 12 die Aug.

[p. 93]

72.Titus ab Adelen Friso art. bona. stud., 13 Aug.
73.Conradus Ruberus Moersensis Belga san. the. stu., 10 Dec.
74.Joannes a Pallandt Belga san. the. stu., 10 Dec.
75.Fridericus a Pallandt Belga san. the. stu., 10 Dec.
76.Alardus Aulaetius Leovardiensis Frisius medic. stud., 27 Dec.
 1581.
77.Franciscus Santfort Bratinus, 15 Jan.
78.Gasparus Usillius Insulensis Flander, prid. Non. Martias.
79.Dominicus Baudius Insulensis Flander studiosus theol., 3 Nonas Junias.
80.Philippus de la Motte Tornacensis theol. stud., 16 Junii.
81.Henricus ab Apelteren Geldrensis, 26 Julii.
82.Joannes Then poll Lochemensis iuris stud., prid. Kal. August.
83.Egbertus Haco de Rutenberch e ditione Zallandica iuris stud., pridie Kal. Aug.
84.Hermannus Ripperda Voranus iuris stud., prid. Cal. Aug.
 1582.
85.Jacobus Arminius Veteraguinas theol. stud., ipsis Cal. Januarii.
86.Joannes Halsbergius Cortracensis, Andowerpensis ecclesiae alumnus, 10 Nov.
87.Daniel Doolegius Bruxellensis S. Theol. alumnus.
88.Petrus Carpenterius Bruxellensis, Antverpiensis ecclesiae Antverpianae alumnus, 10 Nov.
89.Cornelius Goppier Hagensis stud. iurisp., 17 Nov.
90.Carolus Martiny Antverpiensis stud. iurisp., 17 Nov.

[p. 94]

91.Christophilus Prebandus Regiomontanus Prussus, stud. theol. et Arnhemiensis ecclesiae alumnus, 18 Nov.
92.Joannes Wtenbogaert Ultrajectinus, hic eiusdem ecclesiae alumnus, 18 Nov.
93.Petrus de Visscher Embdanus Frisius theol. stud., 17 Dec.
94.Hermannus Bysius Dordracensis iur. stud., 20 Dec.
 1583.
95.Jacobus Rolandus Oryssopolitanus theol. stud., 12 Januar.
96.Antonius Thisius Antverpiensis theol. stud., 28 Martis.
97.Franciscus Nutius Antwerpiensis theol. stud., 28 Martis.
98.Guilielmus a Palant Iuliacensis iuris. stud., 15 Maii.
99.Henricus Beueren Frisius iuris. stud., 17 Maii.
100.Julius a Meckama Frisius theol. stud., 17 Maii.
101.Joannes Cots Braedanus sanct. theol. stud., 18 Jun.
102.Cornelius Martini Royenburgius Ultraiectinus, ecclesiae Ultraiectinae alumnus theol. stud., 23 Jun.
103.Nicolaus Cromhout Amsteliodamus, 30 Dec.
 1584.
104.Joannes Crucius Insulanus theol. stud., 14 Maii.
105.Abrahamus Muusholius Antwerpius th. stu., 18 Maii.
106.Johannes Gerritzonius Trechius Neomagus.
107.Volckhardus ab Haddien.
108.Bernhartt von Munster.
109.Vopiscus von Scheltuma.
110.Bolo Bolardus.
111.Bernardus Theodorici.

[p. 95]

112.Joannes Taffinus Tornacensis theol. stud.
113.Fridericus Billetius Belga Insulanus stud. theol.
114.Adrianus Lymphaius Aldimardensis Belga stud. iurisp.
115.Daniel Colonius Metensis theol. stud.
116.Solinus ab Eysingha Phrysius occidentalis stud. iurisp.
117.Paullus Gulielmus Mismetius Hollandus Dordrac. st. iur.
118.Adrianus Tyongius Hollandus Dordrac. iur. stud.
119.Hermannus Phrygio Venlonius theol. stud., 10 Oct.
(De twaalf volgenden zijn blijkbaar niet op hunne plaats gesteld, want velen onder de reeds genoemden komen op de volgende lijst ten tweeden male voor. Nergens is hier een jaartal bijgevoegd.)
120.Gerardus Assendelphius Hollandus.
121.Melchior von Steinberg.
122.Egbertus Alberda Frisius.
123.Hilbrandus Fernysium Frisius.
124.Pabaeus Alberda Frysius.
125.Gasparus Heydanus Franckenttaliensis.
126.Daniel Eudensis Antwerpianus theol. stud.
127.Henricus Heincke Phrys.
128.Hermannus Stechman Frisius.
129.Adamus ab Eysingha Frisius.
130.Antonius Keuchenius Ettendorpius Juliacensis.
131.Johannes Gulielmus a Boetzeler.
 1589.
132.Obbo Assueri Frisius iurisp. stud.
133.Joannes Matthisius Antwerpianus theol. stud.

[p. 96]

134.Martinus Hyppoliti Frisius iurisp. stud.
135.Johannes Polyander Metensis sanc. theol. stud.
136.Daniel de Nielles Duysbourgensis S. theol. stud.
 1592.
137.Petrus Joannes Frisius Occid. iurisp. stud.
138.Gossuinus Geldorpius Frisius Occident. theol. stud.
139.Cornelius Boner Frisius Occident. iurispr. stud.
 1593.
140.Martinus Gregorii Venlonensis Belga, 20 Junii.
141.Rudolphus Artopaeus Embdenus Frisius, 13 Aug.
142.Abrahamus Noerius Gewast Brabantinus, 13 Aug.
143.Petrus Herius Nieukerkius Flander, 14 Aug.
 1594.
144.Franciscus à Kammingha Frisius.
145.Ambrosius Geldrus Harderevicensis sanc. theol. stud., 26 Oct.
146.Johannes Sickingen.
147.Egbertus Halbes Gronningensis Phrysius, 29 Oct.
148.Matias Damius Harlemensis Batavus, 30 Oct.
149.Hadrianus Nazius Harlemoeus Batavus, 30 Oct.
150.Theodorus Xylander Amsterdamensis Batavus, 30 Oct.
151.Jacobus de Graeff Batavus, 30 Oct.
152.Polcardus Oeverlander Batavus, 8 Nov.
153.Petrus de Graeff Batavus, 8 Nov.
 1595.
154.Joannes Saeckma Frisius iurisp. stud.
155.Conradus Vorst Agrippinensis.
156.Johannes Malapertius Antwerpianus.
157.Ludovicus Malapertius Antwerpianus.

[p. 97]

 1597.
158.Cornelius Vander Myle Hagiensis, 2 Maii.
159.Dominicus à Botnija Frisius Occid., 9 Maii.
160.Johannes Bogermannus Frisius.
161.Isaacus Boots Vesaliensis, 20 Maii.
162.Georgius Wiarda Frisius Occidentalis.
163.Gellius Fongeffall S. Fauriensis Friso, 21 Maii.
164.Esaias Sadeel leg. stud.
165.Gerardus Caesarius Ultraiectinus.
166.Johannes Petrus Aschpan ab Haag st., 19 Dec.
 1598.
167.Hadrianus Cornelius Drogius Delphensis Batavus the. stud., 20 Maii.
168.Theophilus Ryckwerd Belga.
169.Franciscus Leo Bommelianus Belga, 20 Maii.
170.Jacobus Montanus Antwerpianus Brabantus the. stud.
171.Henricus Leo Bommelianus Belga, 20 Maii.
172.Paulus Joannes Senecanus Frisius, 14 Oct.
 1599.
173.Arnoldus Rusius Daventriensis.
174.Jacobus Hundius Flissingensis.
175.Isaacus Diamantius Antwerpiensis, 28 Maii.
176.Nicolaus Grewinchof Roterodamus, 28 Maii.
177.Antonius Walaeus Gandavensis theol. stud., 20 Aug.
178.Dominicus ab Aylva Holwerd. Phrysius, 22 Oct.
179.Adrianus Manmaker Medioburgus, 22 Oct.
180.Rudolphus Heblaeus Frisius, 22 Oct.
 1600.
181.Balduynus a Middelburch Zwollanus, 10 Febr.
182.Johannes Huldrichius Leovardiensis Frisius, 1 Maii.
183.Jarichus a Cammingha Franeq. Frisius, 1 Maii.

[p. 98]

184.Johannes a Lodenstein Delphico-Batavus theol. stud.
185.Guilielmus a Zevender Batavus, pridie Cal. sextiles.
186.Cornelius Theodori Van der Meer Batavus, prid. Cal. Junii.
187.Doco Von Jongasma Frisius.
 1601.
188.Everhardus Feyth Geldrus, 7 Aprilis.
189.Petrus Poppo Batavus, 20 Aprilis.
190.Johannes Poppo Batavus, 22 Aprilis.
191.Cornelius Burchvliet Brielanus, 15 Sept.
192.Christophorus Sticke Daventriensis Transisulanus.
193.Theodorus Scherff Daventriensis Transisulanus.
194.Piero Colff Amstedamensis.
195.Jacobus Bacherus Amsterodamensis.
196.Albertus Potterus Alcmarianus.
197.Daniel Wittius Gandano-Batavus.
 1602.
198.Stephanus Corcellius.
199.Henricus Hovinius Amsterodamensis, 25 Maii.
200.Andreas Burier Insulanus, 25 Maii.
 1603.
201.Nathanael Clasenius Zelandius, 7 Januarii.
 1604.
202.Daniel Plancius Bruxellensis, 6 Aprilis.
203.Joannes Arnoldus Lugduno-Batavus, 6 Aprilis.
204.Egbertus Verhoetius Harlemo-Batavus, 23 Aprilis.
205.Johannes Woeth Hardavico Geldrus, 4 Junii.
206.Henricus ab Essen Geldrus, 4 Junii.
207.Jeremias Plancius Bruxellensis Belga, 15 Sept.

[p. 99]

208.Jeremias de Pours Neogortanus S.S. the. st., 29 Oct.
209.Joannes Sartorius Leoverdiensis Frisius Belga S.S. the. stud., 29 Oct.
210.Guilielmus Henrici Ultraiectinus Belga sanctae theol. stud., 25 Dec.
211.Laurentius Boenart Zirigoeo-Zelandus the. st., 25 Dec.
 1605.
212.Abrahamus Mellinus Flissingano-Zelandus theol. stud., 9 Februarii.
213.Arnoldus Haarsius Leovardiensis Frisius Belga iuris studiosus, 2 Maii.
214.Henricus Bootius Batavus sacrosanctae theol. stud., 2 Maii.
215.Hesselus Horatius a Vernou Frisius.
216.Johannes Essenius Verianus Zelandus theol. stud.
 1606.
217.Philippus Pynacker Delphico-Batavus, 1 Julii.
218.Cornelius Bartholdus Meyledamius Fryso, 11 Nov.
 1607.
219.Jodocus de Bils Gandavensis Flander, 28 Aprilis.
220.Lodovicus de Bils Gandavensis, 21 Maio.
 1608.
221.Andreas Epeus Frisius stud. iuris.
222.Petrus Goekelius Sicamber theol. stud.
223.Henricus a Galen Bommelano Geldrus.
224.Nathan Vaius Zelandus stud. theol.
225.Petrus Plancius Bruxellensis.
226.Regnerus Bogerman Frisius.
227.Bernhardus Fulsingh Groning. Frisius.
228.Jacobus Laurentius Amsteldamensis.

[p. 100]

229.Gerardus Foeyt Ultraiectinus.
230.Gerardus Quirini de Blauw Frisius B.
231.Jacobus de Bourges Flander.
 1610.
232.Daniel de Slachmulder Middelburgo-Zelandus.
233.Theodorus Petreius Amsterodamensis.
234.Guinandus Rutgersius Durdrechto-Batavus, 24 Dec.
 1611.
235.Johannes Fabricius Aquisgranensis, 8 Oct.
236.Beniamin Vannemakerus Antwerpianus.
 1612.
237.Johannes Gossuyn Bossman Durdrechto-Batavus, 15 Apr.
238.Johannes Rosaeus Durdrechto-Batavus, 2 Junii.
239.Bartholomacus Prevostius Amstelsdamo-Batavus, 8 Sept.
240.Jacobus Guilielmi Hooft Amsteldamo-Batavus, 3 Oct.
 1613.
241.Samuel Ampsinck Harlemo-Batavus, 10 Dec.
 1614.
242.Daniel A. Clys Lugd.-Belga, 8 Febr.
243.Johannes Broers Amsteldamensis, 5 Martii.
244.Isaacus Sixtus Amstelodamo-Batavus, 4 Maii.
245.Nicolaus Lutma ex urbe Gronningensi Belga, 22 Julii.
246.Esaias Wykentoorn Hollando-Batavus.
247.Johannes Cloppenburch Amstelredamensis, 9 Sept.
248.Antonius Plancius Amstelredamensis, 9 Sept.
249.Esaias Davidis Meurant Amstelo-Batavus, 9 Sept.
 1616.
250.Matthias Meursius Amsteldamensis, 29 Martii.

[p. 101]

 1617.
251.C. Leguerus Flama Friso Omblandus sanc. theol. et phil. stud. et investigator amore veritatis.
252.Johannes des Watines Haerlemius Belga, 4 Nov.
 1618.
253.Wesselus Ubbonis Emmi Frisius, 25 Febr.
254.Guilielmus Tilenus Zeelando-Middelburgensis, 6 Maii.
255.David Placeus Insulensis.
256.Andreas Colvius Dordracenus.
257.Arnoldus Martinus Metelliburgo-Zelandus.
258.Timotheus Rolandus Delphensis Hollandus, 9 Nov.
259.Nicolaus Jansonius Arnh.-Geldrus, 21 Nov.
 1620.
260.Abrahamus Heydanus Franckenthalliensis.
261.Antonius ab Harinchouckh Amstelo-Batavus.
262.Daniel de Maraes Amstelo-Batavus.
263.Otteo Swanenburgius Ultraiectinus.
264.Jacobus Lubart Hollandus.
265.David Lipsius Lillobrabantus.
 1621.
266.Casparus Adriani Medioburgo-Zelandus.
267.Franciscus Josius Medioburgo-Zelandus.
268.Aegidius Godfridi Vera-Zelandus, Junii.
 1622.
269.Henricus Colvius Dordrechtanus, Octobr.
 1623.
270.Carolus Hubetarius Belga, April.
271.Isaacus Biscopius Anglo-Belga, Octobr.
 1624.
272.Johannes Arcerius Frisius, Maii.

[p. 102]

273.Henricus Wilhelmi Berckelius Lugduno-Batavus, Oct.
 1626.
274.Ruysch de Wouro Hagae-comitanus.
275.Johannes Mercator Marco Sicamber, 14 Cal. Jan.
276.Bernhardus Wilbrenninck Arenaco Geldrus Belga.
277.Conradus Coenen Arnhemo Sycamber Belga.
 1627.
278.Cornelius Tenys Medeoburgo Zelandus, 10 Aug.
279.Andreas Rotarius Risvico-Batavus, 30 Oct.
 1629.
280.Christianus Suellen Bredanus.
 1631.
281.Arnoldus a Goor Moersensis.
 1635.
282.Bartholdus Goltsmit Zutphano-Geldrus, 11 Julii.
 1636.
283.Philippus Deodatus Genevensis, mense Maii.
284.Arnoldus Bornius Ultraiectensis, 30 Maii.
285.Joannes Strick Traiecto-Bat., 30 Maii.
286.Lambertus Velthuysius Ultraiectensis, 30 Maii.
 1638.
287.Antonius Huls Hildamontanus, 16 Maii.
 1646.
 Alexandro Moro rectore nobiles exteri meliorum literarum amantes, et eruditione ac virtute praestantes hospitalis tesserae instar nomen adscripsere:
288.Joannes Meerlingh Rheno-Traiectinus.
289.Johannes De La Cour Lugduno-Batavus.
 1653.
290.Nicolaus Vedelius Daventriensis.

[p. 103]

 1654.
291.Nicolaus Voet S. th. st. Ultraiectinus, 13 Dec.
 1656.
292.Johan. Albertus O.F. Zaunschlifer Amisfortis Ultraiectinus S.S. cand., d. 29 Sept.
293.Everhardus Sigers Groninganus L. Hum. stud., d. 29 Sept.
294.Cornelius Moerincx alias Meurier theol. stud. Dordraco oriundus, die 17 Octobris.
295.Abrahamus Moerincx, alias Meurier, phil. stud. illius frater Dordraco oriundus, die 17 Octobris.
 1658.
296.Robertus Keuchenius Petri filius Groninganus S.M.C., d. 22 Martii.
 1659.
297.Elias Saurinus Pratalgidensis, filius Petri Saurini Pastoris, sacrosanctae theologiae studiosus nomen dedi, 14 Oct.
298.Johannes Du Bois Traiectinus, filius Johannis Jacobi Du Bois pastoris in Ecclesia gallobelgica Traiectini, stud. theol., 15 Oct.
299.Samuel Basnage Anthonii filius Normanus Baiocensis S.S. theol. stud. nomen dedi, die 27 Junii.
 1663.
300.Godefridus a Kempen S.S. theol. cand. Amstelod., 21 Aug.
 1664.
301.Andreas Rivetus Hagiensis, 3 Sept.
 1665.
302.Philippus De La Fontaine Amstelodamensis, 30 Aug.

[p. 104]

303.Phinées Pielat Arausionensis, decimo Cal. Octob.
 1666.
304.Joannes Saucholle Amstelodamensis, 1 Junii.
 1668.
305.Joh. Ludovicus Bocherus Hagiensis S. theol. doctor.
 1670.
306.Jacobus Basnage Rothomagoeus, Junii.
307.Petrus Bayle Carlanensis, die 19 mens. Sept.
308.Casparus Sibelius a Goor Daventriensis Belga.
 1672.
309.Johannes Clericus Genevensis.
 1677.
310.Daniel de Superville Salmuriensis th. stud. huic albo nomen suum lubens apposuit, 26 Junii.
 1680.
311.Johannes Jacobus Van Schlecht Hagiensis philos. stud., 1 die Junii.
 1692.
312.Jacobus Saurinus Nemausiensis.
 1693.
313.Johannes Barbeyracus Biterrensis th. stud., 1 Junii.
 1698.
314.Godofridus Wessemius Sintaman Hagiensis phil. stud., 23 Maii.
 1714.
315.Carolus Chais Genevensis.
 1715.
316.Johannes Steenlack Rotterodamensis iurispr. stud., 8 Juin.
317.Isaacus Samuel Chatelain Amstelodamensis, 17 Dec.

[p. 105]

 1716.
318.Petrus van Eys Amstelodamensis theol. stud. L.A.M. Ph. doctor.
 1718.
319.Hendricus Albertus Amauricus Paen Hagensis Cometum.
 1719.
320.Gaspardus Antonius Hardy Hagensis Cometum stud. philolog., die 17 Julii.
 1724.
321.Johannes Philippus Van Eys Amstelodamis iuris cand., die 1 Novembris.
 1729.
322.Johannes Franciscus Goudet Hagensis.
 1735.
323.Harmandus Caesar Tronchin Amstelodami hum. litter. stud., 7 Maii.
 1740.
324.Jacobus Bennelle Amstelodamensis phil. stud. theol., 7 Kal. Maias.
 1748.
325.Antonius Josua Trouwers Diodati Indo-Batavus civisque Genevensis theol. stud., 24 Augusti.
 1749.
326.Guillelmus Dedel Amstelodamensis.
327.Jan Tenhouten de Deventer philos. stud., 25 Aug.
 1753.
328.C. Jonathan Pasquier Lugd. Bat. theol. st., 19 Aug.
 1768.
329.Joannes Lemker Daventriensis theol. stud.

[p. 106]

 1776.
330.Jacobus Imbertus Malan de Bois-le-Duc (theol.).
331.Ludovicus Dumas Ultraiectensis theol. stud., 7 Aug.

Aanteekeningen op de Nederlanders studenten te Heidelberg.

1. Petrus Alopetius alias Vos.

Zou deze behoord hebben tot hetzelfde geslacht der Vossii alias Alopecii, dat in dc zestiende eeuw te Roermond was gevestigd? Joannes Vossius sive Alopecius (de eerste, van wien De Crane in zijne Oratio de Vossiorum Juniorumque familia gewag maakt) werd geboren, toen de hier vermelde reeds zijne studiën had voltooid. Van dezen (den vader van den beroemden Gerardus Johannes) vermeldt hij uitdrukkelijk: ‘ab anno aetatis tertio et vicesimo animum ad Theologiae studium applicans, primum in Academia Heidelbergensi summos audiverat sacrae disciplinae doctores, deinde ecclesiae in illa dioecesi curam in se susceperat.’ Toch heb ik zijn naam in de Matricula vruchteloos gezocht. Vgl. Meursii Athen. Batav. 268. Schotel, Kerkelijk Dordrecht, I. 91. 199 vlg.

[p. 107]

2. Antonius Schorus.

De Jaarboeken der Heidelbergsche Hoogeschool leeren ons vele bijzonderheden kennen betreffende dezen man, ‘qui primus incorruptam pandere viam ad Latinitatem veram adgressus est,’ gelijk Morhofius in zijn Polyhistor getuigt. Hij was een der eerste leeraars aan het paedagogium te Heidelberg en reeds in 1546 door den Keurvorst tot Professor Rhetorices benoemd. Groot waren de diensten, die hij aan het onderwijs bewees. Doch in 1550 beging hij de onvoorzichtigheid van een tooneelspel ‘Eusebeia sive Religio’ geheeten door zijne leerlingen binnen 's kamers te doen vertoonen, waarin Karel V en zijne Grooten waren aan de kaak gesteld. Een streng onderzoek werd ingesteld. Schorus nam de vlugt eerst naar Pforzheim, vervolgens naar Straatsburg, eindelijk naar Lausanne, waar hij reeds in 1552 overleed. Hij die het leven en het bedrijf van dezen merkwaardigen man wil leeren kennen, vergenoege zich niet met de berigten bij Valerius Andreae en Bayle, maar raadplege tevens Wundt, Progr. Memorabilium Ordinis Philosophici Heidelbergensis partem secundam exhibens (Heidelb. 1783) p. 18. Hautz, Lycei Heidelbergensis Origines et Progressus (Heidelb. 1846) p. 41-49. Hautz, Geschichte der Neckarschule in Heidelberg (Ald. 1849) p. 32.

3. Georgius Cassander.

Bij zijne talrijke biografen komt geen spoor van zijn verblijf te Heidelberg voor. Thans is het waarschijnlijk geworden, dat hij zich van Straatsburg, waar hij in 1544 vertoefde, naar Heidelberg heeft begeven. Vgl. Calkoen, de G. Cassandro. T.a.R. 1858. De monografie van A.C. Th. Friedrichs, Georgii Cassandri vita

[p. 108]

et Theologia (Gott. 1855. 4.), een bekroond geschrift, was niet ter mijner beschikking.

5. Aggaeus Titus.

Een der eerste predikers der Hervorming hier te lande. Den 10 Januarij 1567 werd Cornelia Spaensz uit Utrecht gebannen, omdat zij Aggaeus en nog een ander predikant gehuisvest had. Marcus, Sentent. en Ind. 28. Waarschijnlijk is hij dezelfde, die als Aggaeus van Hempers voorkomt bij Lorgion, Geschiedenis van de Kerkhervorming in Friesland, 73.

6. Regnerus Alberda.

Reynt Alberda was een der eerste Hervormden in Groningen en moest in 1567 uit die stad de wijk nemen. Twee jaren later werd hij door den bloedraad ingedaagd, gebannen en met beslag op zijne goederen gestraft. Zijne lotgevallen en bedrijf zijn algemeen bekend. Ook de roem zijner geleerdheid is door velen verbreid, inzonderheid door zijne stadgenooten en eerste hoogleeraren der Groninger Akademie, Emmius en Huningha.

11. Henricus Smetius.

Bijgenaamd a Leda, geboren te Aalst in Vlaanderen, 29 Junij 1536 (niet 1537, zoo als Joecher in v. schrijft). Hij studeerde te Leuven, Rostock en Heidelberg, verwierf zich in 1561 te Bologna de waardigheid van Doctor in de Geneeskunde en werd in 1573 lijfarts van Frederik III, Keurvorst van de Palts. Na het overlijden van dezen vestigde hij zich in Frankrijk, doch keerde onder Johan Casimir naar de Palts terug. Met roem nam hij de betrekking van Hoogleeraar in de Medicijnen eerst te Neustadt aan de Haardt, later te Heidelberg waar; ter laatstgenoemder plaatse is hij 15 Maart

[p. 109]

1614 overleden. Vgl. Melch. Adami Vitae Medicor. 421, en J.H. Andreae, de quibusd. Eruditor. luminibus, et Palatinalum et Belgium docendo illustrantibus. (Heidelb. 1774. 4.) I, 26. Laatstgenoemde heeft ook zijn grafschrift medegedeeld in Monumenta Heidelb. continuata, 16. Talrijk zijn de door hem uitgegevene zoo medische als philologische werken. Vgl. hierna, No. 174.

12. Stephanus Sylvius.

Eene merkwaardige bijdrage tot het leven van den bekenden Stephanus Sybrandi Sylvius, omstreeks het jaar 1507 te Wijnjeterp in Opsterland geboren. Suffridus Petri, die zijn leven vrij uitvoerig beschrijft, meldt niets van zijn verblijf te Heidelberg, maar zegt: ‘Floruit maxime circa annum Christi 1556.’ Wel was het uit Brucherus bekend dat Sylvius te Heidelberg de doctorale waardigheid had erlangd, maar thans blijkt, dat hij na Februarij 1559 van Leeuwarden naar Groningen, als predikant aan de St. Maartens-Kerk, is vertrokken. Ter laatstgenoemden stede overleed hij in 1567. Nu wordt het duidelijk dat Sylvius, om de vervolgingen van Lindanus te ontgaan, Leeuwarden heeft verlaten en zich naar Heidelberg begeven, dat tijdens zijn verblijf aldaar eerst Regnerus Praedinius te Groningen is overleden (10 April 1559), daarna het onderzoek van Lindanus naar de leer van Stephanus heeft plaats gehad, en deze vervolgens zich te Groningen in de bovengenoemde betrekking heeft gevestigd vóór Junij 1559. Vgl. Charterb. v. Vriesl. III. 468. Suffr. Petri, de Script. Fris. 156-158. Gabbema, Verh. van Leeuwarden, 400 vlg. Oudheden en Gestichten van Vriesland, I. 355. Brucherus, Gesch. der Herv. in Gron. 133. P. Hofstede de Groot, Gesch. der Broederenkerk te

[p. 110]

Gron. 115. E.J. Diest Lorgion, Geschiedenis der Kerkhervorming in Friesland, 30-34.

Zijn verblijf te Heidelberg gaf aanleiding tot eene der meest opmerkelijke voorvallen, die wij in de jaarboeken der Universiteit lezen. Als hij naar den doctoralen graad dong, bestond de Godgeleerde Faculteit uit de Hoogleeraren Tilemannus Heshusius en Petrus Boquinus. Beiden namen aan het gevorderde examen deel en verklaarden hem waardig om tot de promotie te worden toegelaten. De stellingen, die hij zou hebben te verdedigen, werden door eerstgemelden godgeleerde ontworpen, doch zij waren zoo ingerigt, dat en de Roomsch-Katholijken en de Zwinglianen zich daardoor beleedigd mogten achten. Sylvius weigerde. Heshusius, verwoed over deze ongehoorde stoutmoedigheid, verlangde de toelating tot de promotie weêr te zien ingetrokken. Doch Boquinus was overtuigd, dat dit met gezonde regtsbeginselen onbestaanbaar was. Zoo was de faculteit niet bij magte een besluit te nemen, en moest de zaak aan de beslissing van den Rector Magnificus worden onderworpen. De edele geneesheer Thomas Erastus bekleedde destijds die betrekking. Hij besliste ten voordeele van Sylvius en zijne uitspraak werd door den Akademischen Senaat volkomen bekrachtigd. Boquinus werd nu als promotor aangewezen en de doctorale graad werd aan Sylvius plechtig toegekend. Vruchteloos waren de pogingen door Heshusius bij de Hooge Regering aangewend, om het genomen besluit te doen vernietigen; op mannelijke wijs verdedigde Erastus bij den Keurvorst de genomene beslissing. Doch de wrok bleef voortleven in de ziel van den wraakgierigen aanklager, en in 1570 trof Erastus de kerkelijke ban. Hij

[p. 111]

was beschuldigd van zamenspanning met Sylvanus en anderen die van Arianisme verdacht waren. De promotie van Sylvius was het voorspel van de kerkelijke beweging, die den 13 December 1572 met het onthoofden van den ongelukkigen Sylvanus op het marktplein te Heidelberg eindigde.

15. Bernardus Rudolphus.

Later predikant te Jemgum, in 1581 door het drijven van Ligarius weggezonden en te Bingum beroepen. Meiners, II. 157.

Onder de tijdgenooten van Sylvius en Rudolphus, die in dit zelfde jaar werden ingeschreven door den Rector Johannes Geyselbachius, verdienen opmerking:

Vitus Bolantus, J.U.D. Illustr. Princ. Dni Ottonis Henrici a consiliis.

Tilemannus Heshusius Vesaliensis Theol. Doct.

Caspar Olevianus Trevirensis Jur. Doct.

Matthaeus Rychinger Flander Art. Mag.

17. Johannes a Schagen et Buchorn.

Cf. van Leeuwen, Batavia Illustrata, 1077. Voor Buchorn leze men: Boekhorst.

20. Eckius Jelsemus.

Als vermaarden tijdgenoot vermeld ik hier: Zacharias Ursinus Vratislaviensis. Tweemalen vind ik vermeld Otto ab Hoevel, nobilis Westphalus, illustriss. Friderici Elector, a consiliis.

21. Feyo Seckinge.

Zoon van Johan Seckinghe, later gehuwd met Oedt Gayckinga, dochter van Albert Gayckinga te Zuidhorn. Stamboek van den Frieschen Adel, I. 172. II. 110.

[p. 112]

22. Sixtus a Bottinga.

Of Syds van Botnia, zoon van Jarich van Botnia en N. Stenstera, gehuwd in 1571 met Teth Douwesd. Douma van Oenema, Grietman van Wijmbritseradeel, stierf 20 Maart 1615. Vgl. Te Water, Verbond der Edelen, II. 270. Stamboek, I. 45. II. 40.

27. Lambertus Pithopaeus.

Eigenlijk Lambertus Ludolphus Helmius Pithopaeus, geboren te Deventer in 1535, in 1563 docent aan het Paedagogium te Heidelberg, in 1565 Professor Latinae Linguae. Gelijktijdig met Smetius hield hij den roem der school te Neustadt staande, en met dezen keerde hij naar Heidelberg terug. Hij overleed in 1596. Vele bouwstoffen voor zijn leven vindt men in Melch. Adami Vit. Philosoph. 190. Wund, Facult. Philos. Heidelb. Memorabilia, II. 36 vlg. Andreae, de quibusd. erudit. luminib. I. 14 vlg. Schwab, Syllab. Rector. Magnif. Univ. Heidelb. I. 145 vlg. Flad, Tentamina prima de statu literario et eruditis, qui in Palatinatu floruerunt. (Heidelb. 1761) 21. Saxii Onomastic. III. 651. Hautz, Lycei Heidelbergensis origines et progressus (Heidelb. 1846) 91-97, 108-110. 119. Dezelfde, Geschichte der Neckarschule in Heidelberg. (Ald. 1849.) Dezelfde, Die erste Gelehrtenschule reformirter Glaubenbekenntnissen in Deutschland. (Ald. 1855) 5-12. 19. 27-33. 39. 42. 46.

30. Franciscus Unia.

Waarschijnlijk de zoon van Ritscke van Unia, die later Drost van Genemuiden was en Margaretha van der Marck. Dat hij ongehuwd gestorven is, leert ons het Stamboek van den Frieschen Adel, I. 385. Vgl. II. 267. Hoe komt de zoon van den ijverigen katholijk en koningsgezinde te Heidelberg?

[p. 113]

32. Hubertus Sturmius.

Belangrijk mag deze aanwijzing genoemd worden, omdat betrekkelijk weinig van den Leidschen Hoogleeraar Hubertus Sturmius bekend is. Dat hij te Heidelberg onder Zanchius, Ursinus, Boquinus en Tremellius studeerde, wisten wij uit Meursius, Athen. Bat. 257. Maar wanneer? Paquot (Mémoires, VII. 255) teekent bij het jaar 1578 aan: ‘Il ne put étudier à Heidelberg au delà de cette année, les professeurs Calvinistes en ayant été chassés pour faire place aux Luthériens.’

33. Taco Hemstra.

Heerschip van Kimswert, gehuwd met Jelst van Bonga, stierf in 1617. Het Latijnsche grafschrift op hen beiden is nog in de kerk te Kimswert aanwezig, en luidt aldus:

 
Heic Taco, quem noris, Hemstra est situs, heic cubat uxor
 
Gellia Bonga, fide carus uterque Deo.
 
Moribus hic placidis fuit, haec quoque moribus iisdem
 
Atque bono clarus stemmate uterque fuit.
 
Vixit uterque Deo dum vixit, at inde senecta
 
Aret uterque gravis, mox nece uterque cadit.
 
Sic sit vita tibi, ut, cum mors venit aspera, mortem
 
Non timeas, constans sed moriare fide.

Frisia Nobilis, 141.

In een gedicht van Gellius Snecanus, ald. 154, wordengen oemd

 
‘- Taco et Feyo: quo stemmate ab Heemstra
 
Jure sodalitii commemorare decet.’

34. Sixtus Galama.

Moet wel Sicke van Galama zijn, de zoon van

[p. 114]

Tonis van Galama en Cnier Douwerd. van Jousma, Stamb. I. 118. Dat hij in den krijg is omgekomen, lezen wij ald. II. 76.

35. Laurentius Vomelius Stapert.

Waarschijnlijk de zoon van den beroemden Frieschen regtsgeleerden Cyprianus Vomelius a Stapert, die destijds lid van het Rijkskamergerigt te Spiers was. Van hem zegt Suffr. Petri, de Script. Frisiae, p. 373: ‘Uxorem habuit Sibricam filiam Marci Sicconis, celeberrimi per Frisiam Capitanei. Ex qua filium procreavit Laurentium Vomelium a Stapert, J.U. Doctorem et Judicii Imperialis Camerae advocatum et procuratorem, cujus insigni diligentia, industria ac fide, multi Principes, multae provinciae ac civitates longe lateque toto imperio nituntur.’

37. Menso Alting.

Den 9 November 1541 te Eelde geboren en te Keulen onderwezen, ging hij tot de partij der Hervorming over, studeerde te Heidelberg en werd aldaar als predikant toegelaten in 1566. Vgl. behalve zijn leven door Ubbo Emmius beschreven, de werken aangehaald bij Roijaards, Geschiedenis der Hervorming in Utrecht, 229. Geen wonder, dat hij bij Tjaden, Das gelehrte Ostfriesland, II. 338, ‘in der That einer der Stifter der hierländischen Unruhen’ heet. Hij was de zoon van den Groninger gezworene Rudolf Alting en had zeven zonen, die allen in de geschiedenis van Oostfriesland en de Palts bekend zijn. Den 7 October 1612 is hij overleden en in de Groote Kerk te Emden begraven.

38. Oliverius Bockius.

Reeds den 9 October 1562 was hij, onder den Decanus Boquinus, onder de studenten der Godgeleerdheid

[p. 115]

opgenomen. Hij was de eerste Rector van het Heidelberger Paedagogium. De Fasti der Hoogeschool leveren merkwaardige bouwstoffen voor eene geschiedenis zijner werkzaamheden; in vele opzigten stond hij boven zijne tijdgenooten, en daarom had hij met de leden der philosophische Faculteit een zwaren strijd te verduren. Intusschen kan men over hem vgl. Alting, en Miegii Monument. pietatis (Frf. 1701. 4.) 194. Quir. Reuteri Jubilaeus primus Collegii Sapientiae Heidelb. (1606. 4.) 162. J.H. Andreae, Conatus historico-literarius de illustri Gymnasio Heidelbergensi, (Ald. 1764. 4.) 10 vlg. Dezelfde, de quibusdam Eruditor. luminib. 1. 15 vlg. Hautz, Lycei Heidelb. origines, 97, 116, 118, 120, 122. Dezelfde, die erste Gelehrtenschule, 3-18, 23, 50-57, achter welk werkje ook het geheele bezwaarschrift der Artisten-Faculteit is afgedrukt. Eene merkwaardige bijdrage tot het leven van Olivier Bock levert de Historie ende geschiedenissen van de verraderlijcke ghevanghenisse der vromer ende godtsaligher mannen, Christophori Fabritii, Dienaer des Godtlijcken woordts binnen Antwerpen, ende Oliverii Bockij, Professeur der Latijnscher sprake in de hooge ende vermaerde schole van Heydelbergh. Hantw. 1582. 12. Vgl. Serrure, Vaderl. Mus. IV. 291.

39. Martinus Lydius.

Het was bekend, dat hij achtereenvolgens te Ilfeld in het Stolbergsche, te Tubingen en te Heidelberg onderrigt genoot. Onjuist is evenwel het berigt in het Alg. Biogr. Woordenb., dat hij, na te Ilfeld onderwezen te zijn, zijne letteroefeningen te Tubingen onder het opzigt van Michael Neander voortzettede; want Neander was Rector te Ilfeld en heeft zich nooit te Tubingen gevestigd: daar was Martinus Crusius de leidsman van

[p. 116]

Lydius. Te Heidelberg is hij korten tijd na zijne aankomst onder de leeraren van het Collegium Sapientiae opgenomen; toch zal hij nog wel eenigen tijd de voorlezingen van Zacharias Ursinus en andere beroemde mannen hebben bijgewoond.

40. Johannes Folkersheimer.

Bij Schwab, 128: Dolkersheimer. Ook David Pareus werd in dit jaar ingeschreven.

46. Casparus Gent.

Caspar van Gent werd in 1574 predikant te Ridderkerk, vanwaar hij in het volgende jaar naar Leiden vertrok. De betrekking van eersten hoogleeraar in de Hebreeuwsche taal, waartoe hij benoemd was, schijnt hij slechts korten tijd te hebben waargenomen, daar zij reeds in Julij van laatstgenoemd jaar aan Hermanus Renecherus werd opgedragen. Siegenbeek, Gesch. d. Leijdsche Hoogesch. II. Toev. en Bijl. 55. De gissing, in het Alg. Biogr. Woordenb. d. Nederl. in v. voorgedragen, dat hij van Gent in Vlaanderen afkomstig was, wordt door ons Album, dat hem een Geldersman noemt, weêrsproken; waarschijnlijk alzoo wordt Gent in Over-Betuwe door dezen naam aangewezen. In het Leidsche passieboekje wordt hij vermeld als predikant te Brugge in 1579. Vgl. Janssen, Kerkhervorming te Brugge, II. 287, 328.

47. Jacobus Commelinus.

Hij was een broeder van den Heidelbergschen boekdrukker Hieronymus Commelinus. Uit den bundel gedichten, dien hij in 1568 in het licht zond, was reeds bekend, dat hij te Gent was geboren.

48. Johannes Nicasius.

Later predikant te Appingadam; bij Brucherus vind

[p. 117]

ik hem echter als zoodanig niet vermeld. Hij was voorzitter van de eerste Kerkvergadering in Drenthe, die 11 September 1600 gehouden werd. Vgl. Magnin, Kerkelijke Geschiedenis van Drenthe, 197.

49. Oricus Doyhemius.

Bij Schwab, 128: Doyheimer. Zie hier het bewijs, dat de Raadsheer in den Hove van Friesland, in de Naamlijst als Diderik vermeld, Orick of Orck heette. De gissing, in het Stamboek, II. 6 voorgesteld, is nu volkomen bevestigd. Is hij 5 September 1549 met Lysbeth Nicolai gehuwd, zoo moet de onze wel hun oudste kind geweest zijn. Hij zelf trouwde Doedt Hesfeld van Aysma, en was de vader van Orck van Doyem, die later voorkomt, N. 366.

53. Hayco de Nantzum.

Een Wijlcko de Nantzum vind ik bij Westendorp, t.a. pl. 63.

54. Jibbo Aldrynga.

Bij Schwab, 128: Ibbo. Een Jonkheer Jebbo Aldringa, schepper van het Aduarder Zylvest, komt voor bij Feith, Archief (1634) IV. 22. 28. De onze is welligt degeen, die, Heer tot Feerwerd en Ezinghe, Franscke van Canninghe, wed. Rengers huwde. Stamb. I. 76.

55. Henricus Artopaeus.

Waarschijnlijk een broeder van den bekenden Rudolphus Artopaeus, die eveneens te Emden geboren was. Zie N. 141 der lijst van Genève.

56. Wolbertus Teleconius.

Bij Schwab, 128, wordt gelezen Telecomius.

57. Gisbertus Ens.

Zijn zoon Joh. Gisberti komt voor als predikant te

[p. 118]

Foudgum c.a. bij Columba, 98. Ontwijfelbaar wordt door deze aanteekening de emendatie bij N. 28 der lijst van Genève voorgedragen.

58. Menelaus Ompteda.

Zijn grootvader, Menold Ompteda, gehuwd met Rencke Aulsema, komt voor bij Feith, Archief, II. 137.

59. Hermannus Boningius.

Bij Schwab, 128, heet hij Bonnigius.

60. Rembartus Aelzema.

Bij Schwab, 128, leest men Aeckema.

63. Mauricius Frese.

Bij Schwab, 128, wordt hij Fresse genoemd. Ongetwijfeld uit Oostfriesland. Uit hetzelfde geslacht was afkomstig de bekende Regtsgeleerde Nicolaus Gerlach von Freese, die lid van het Rijkskamergerigt te Spiers werd, alsmede Johann Conrad Freese, Kön. Preuss. Kriegs-Commissär in 1796.

64. Habbo Aldringa.

Een Habbo Aldringa komt in het midden der 16e eeuw voor bij Tjaden, Gelehrtes Ostfriesl. I. 223. Ook de hier vermelde zal wel behoord hebben tot het geslacht von Nesse.

Rector was in dit jaar 1567, Sigismundus Melanchton Brettensis, Philos. et Medic. Doct. et Prof.

65. Mello Froma.

Tedde Froma, Jacob Froma, Ballo Froma, worden vermeld op de naamlijsten van slagtoffers der beroerten bij Westendorp, t.a. pl. 48, 54, 63. Ook in Feith's Archief komen verschillende personen van dat geslacht voor.

66. Nicolaus Cater.

Bij Schwab, 129, heet hij Crater.

[p. 119]

67. Petrus ab Alst.

Reeds in het volgende jaar is hij tot Hoogleeraar in de regten te Heidelberg benoemd, welke betrekking hij tot 1577 bekleed heeft. Hem was het onderwijs der Instituten opgedragen, terwijl Bertholdus Redlich den Codex, Nicolaus Dobbinus de Pandecten verklaarde. In 1573 trad Hugo Donellus te Heidelberg als opvolger van den overleden' Redlich op. Vgl. Acta Seculorum Sacror. Acad. Heidelb. (Heidelb. 1787. 4.) 237. In 1568 was hij ook tot J.U.D. bevorderd, blijkens de Annal. MSS. IX. 61. Uit diezelfde Annales (XI. 39 v.) lezen wij aangaande zijn vertrek in 1577 het volgende. ‘D. Rector monebat Senatum sibi D. Petrum Alostanum significasse, quod cogitet, rebus suis ita ferentibus, hinc discedere et posthac inservire Illustr. Principis Electoris sanctae memoriae viduae.’ Zie Wundt, de origine et progressu Facultatis Juridicae in Academia Heidelbergensi, IV. (Heidelb. 1781) 15.

68. Bartholomaeus Mercator.

Hij was de zoon van den beroemden aardrijkskundige Gerard Mercator, en, toen hij te Heidelberg kwam, 27 jaren oud. Reeds vroeger had hij zich bekend gemaakt door zijne Notae in Sphaeram, te Keulen in 1563 uitgegeven. Hij overleed reeds in 1568.

72. Jelgerius Feytzma.

Bij Schwab, 129, Jielgerius Feytzma geheeten, was de zoon van Hessel van Feitsma, van wien Te Water spreekt, II. 395. III. 529, en van Habel van Offenhuizen. Beide ouders overleefden hem. Zie voorts over hem Frisia Nobilis, 101. Scheltema, Staatk. Nederl. I. 349. Stamboek van den Frieschen Adel, I. 114. II. 74. Sminia, Naaml. der Grietm. 115.

[p. 120]

73. Valerius Hannya.

Door Schwab, 129, Fallerius Hannya genoemd; Valerius schijnt eene vertolking van Gale te zijn. Vgl. Stamb. van den Fr. Adel, I. 143. Te Water, II. 447.

74. Gerardus Teethlum.

Wij vinden hem vermeld als echtgenoot van Ansk van Auckema, Stamb. v.d. Fr. Adel, I. 28.

75. Johannes Bramius.

Welligt dezelfde Dr. Joannes Bramius, die voorkomt bij Feith, Archief, III. 167. Zie hieronder op N. 175. Joannes Bramsche. Misschien een zoon van Thomas Bramius, die in de eerste helft der zestiende eeuw predikant te Emden was. Meiners, I. 218.

77. Alardus Franekeranus.

Bij Schwab, 129, Allardus Franckan geheeten, was welligt een zoon van Henricus Alardus of Allardus, die onder de onderteekenaars van het Verbond der Edelen voorkomt. Deze woonde te Leeuwarden. Te Water, II. 147.

79. Petrus Wesembecius.

Deze beroemde regtsgeleerde was 5 Mei 1546 te Antwerpen geboren en is den 27 Augustus 1603 te Coburg overleden. Hij heeft te Jena (1579), Wittenberg (1587) en Altorf (1591) het Hoogleeraarsambt bekleed. Nergens is tot hiertoe over zijn leven, invloed en geschriften op voldoende wijs gehandeld. Intusschen vergelijke men Britz, Hist. de Droit Belgique, I. 106. Op de Bibliotheek te Wiesbaden heb ik zijne zeldzame Oratio de Waldensibus et Albigensibus Christianis (Genae 1585. 4.) aangetroffen. Over zijn gezag zie men Haalschner, Preussisches Strafrecht, I. 168.

[p. 121]

82. Gerlacius Capelle.

Uit Nyhoff's mededeelingen in de Geld. Volks-Alm. van 1852 was het reeds bekend dat Gerlach van der Capellen, in 1543 te Zutphen geboren, achtervolgens te Bourges, Genève, Basel en Heidelberg studeerde, terwijl hij later nog eenige Italiaansche Hoogescholen bezocht. Toch heb ik te vergeefs zijn naam in het Livre des Recteurs gezocht.

Bij Schwab, 130, vind ik nog vermeld den door mij niet opgemerkten: Cornelius Taymon Gandaviensis.

83. Johannes Petreius Groninganus.

Waarschijnlijk een Oostfries, gelijktijdig ingeschreven met Johannes Sibesz Oldershemius, bij Schwab, 130, Sibertz.

84. Hesselus ab Hannia.

Zoon van Watze van Hania te Jorwerd en Ydt Gratinga. Hij huwde Wick Wybrensd. van Hermana en overleed in 1584. Zie Stamboek, I. 142.

87. Hieronymus Verrutius.

Bij Schwab, 131, Verutius geheeten. Later Syndicus der Ommelanden (1575), Feith, Archief, II. 372. Hij was J.U.D. Ald. II. 383, 384. Den 26 September 1600 komt hij daar voor de laatste maal voor. Het Register levert zeer gewigtige bouwstoffen voor zijne biographie. Hij overleed in Oldehove te Leeuwarden 3 December 1601. Over zijne beide echtgenooten en kinderen vgl. Stamb. I. 31. Bij Suffr. Petri, die zijn leven tot het jaar 1592 beschreef, komt het een en ander voor omtrent zijne studiën te Douay, Bourges, Basel, Rostock en Kopenhagen, maar wordt Heidelberg niet genoemd. Uit ons Album blijkt, dat hij van den in 1562 onderno-

[p. 122]

men wetenschappelijke reis in 1568 nog niet was teruggekeerd.

88. Johannes Draber.

Bij Schwab, 131, wordt hij Traber genoemd.

89. Andreas Bacherus.

Zeker dezelfde, die in de Pieterskerk te Leyden begraven ligt, waar hij in den ouderdom van 70 jaren, in December 1616 overleed. Hij was te Poperinghe geboren, achttien jaren lang lijfarts der Hertogen van Brunswijk, en werd onder de uitstekendste geneesheeren van zijn' tijd gerangschikt.

90. Everardus Oisteranus de Brunckhorst.

Schwab, 131, noemt hem Brunskhorst. Zijn vader hield destijds nog te Deventer verblijf en is eerst in het volgende jaar naar Keulen vertrokken. Revius maakt van zijne studie te Heidelberg in het geheel geen gewag. Maar wat beteekent hier het Oisteranus? En wie was Eberhardus Bornhorst, op het jaar 1585 onder N. 222 vermeld?

94. Petrus Teetlum.

Bij Schwab, 131, staat Teetlun. Over het geslacht vgl. Stamb. II. Nalez. 4-6. - Hij was een zoon van Pieter van Teetlum, en huwde Jodoca van Aytta. Hunne dochter Cnier trouwde Viglius van Aytta, neef van den beroemden regtsgeleerde.

97. Bernhardus Johannes.

In de Acta Facultat. Philos. a. 1567, vond ik aangeteekend: ‘d. 6 m. Decembr. promotus Bernardus Johannes Groningensis Frisius.’

100. Johannes ab Oldenbarnefelt.

Opmerkelijk is het dat Schwab, die onder de ‘nobiles et praecipui’ bijna alle Friezen heeft gerang-

[p. 123]

schikt, van Johan van Oldenbarnevelt volstrekt geen gewag maakt. De schrijver der Historie van het leven en sterven van Heer Johan van Oldenbarnevelt (s.l. 1648. 4) maakt van zijn verblijf te Heidelberg uitvoerig melding. ‘In den jare 66. en 67. (zegt hij, bl. 5.) heeft hy sijne studien eerst tot Leuven, ende daer na tot Bourges in Vranckrijck vervolgt. Ende door het opstaen van de tweede Civile oorlog in Vranckrijck in 't eynde van den voorsz. jare 67. is hy gedwongen met veel andere Studenten uyt Vranckrijck te trecken, door het hartochdom ende Graefschap van Borgondien ende Besanson, het Graefschap van Montpelgart, ende een partije van Switserlandt, tot op Basel; van daer zijnde den Rijn afgevaren na Colen, heeft hy aldaar eenen tijdt lanck sijne studien vervolgt. Ende van nieus ordre ende provisie ontfangen hebbende, is gereyst na Heydelberch, om aldaar sijn studium Juris te continueren, ende oock de rechte fundamenten van de ware Christelijcke Religie, gereformeert van de Tyrannije, Afgoderije ende Ketterije des Pausdoms, nader te verstaen. In den jare 68. tot Heydelberch ten eynde voorsz wesende, ende uyt verscheyden disputen onder den Theologanten aldaer, ende die schriften van vele oude en levende Doctoren, verstaende het gevoelen van Godes eeuwige Praedestinatie niet eenparich te wesen, ende dat so wel voor d' eene als d' andere opinie, verscheyden passagien van de Heylige Schrifture, ende het gevoelen van de Godtvruchtigste, vermaerde, ende geleerde oude ende nieuwe Theologanten ende Scribenten, met hare redenen ende consideratien geallegeert werden, ende hem daer inne een tijdt lanck niet weynich bekommert bevonden hebbende, begonde te overdencken dat hy in

[p. 124]

sijn oude Groot-vaders Claes van Olden-Barnevelts sterfhuys aen het binnenste van de voorhuys-deur, van zijn Groot-moeder, weduwe van Reynier van Olden-Barnevelt, gevonden hadde een bordeken, daer inne met seer groote letteren geschreven stond: ‘Nil scire tutissima fides,’ ende terwijlen 't selve was geschreven ten tijde als Luther de reformatie by de hand genomen hadde, viel hem in dat het verstant van 't voorseyde schrift moeste wesen, van dese hooge ende misterieuse materie van Godes eeuwige Praedestinatie, daer op hy in den voorsz. jare resolveerde hem met het ondersoeck van de selve materie niet meer te willen quellen, maer simpelijck te gelooven, dat alle geloovige Christenen ende hare kinderen, van God den Heeren uyt genaden verkoren, ende geschapen worden ter saligheyd, deur de verdiensten ende voldoeninge voor onse zonden, van onsen Heyland ende Saligmaker Jesum Christum. Voor reden stellende, dat na dien God de Heer almachtig, de genade aen de oprechte Christenen doet, dat sy gelooven datter geen saligheyd en is dan deur sijne genade, de voorsz. verdieninge ende voldoeninge, ende dat men vastelijck vertrout, dat God de Heer zulcken genade ten uytersten sal continueren; Ende of sulk een Christen-mensch door ongeloof ende andere grove sonden hem ontginck, dat God de Heere hem in 't selve ofte andere grove sonden niet en sal laten versmoren, maer genadelijcken bekeeren tot leetwesen ende volhardinge in den voorsz. geloove brengen. In 't welck geloof ende gevoelen hy alsdoen resolveerde te leven ende te sterven: ende vondt hem by de Doctoren ende Professoren Theologiae, Zanchium, ende Boequinum, mitsgaders den vermaersten Predicant Olevianum, haerluyden te kennen gevende

[p. 125]

sijne voorsz. voorgaende bekommeringe, ende eyndelijke resolutie: vragende: of hy daer mede niet en behoorde hem te genoegen ende gerust te stellen? Sij hebben hem geantwoort, dat hy hem met dat gevoele wel mochte gerust houden. In 't selve gevoelen heeft hy omtrent vijftich jaren gestaen, ende is daer inne van tijdt tot tijdt bevesticht, sonderlinge uyt dien hij 't sedert dickwijls verstaen hadde, dat het scherp ondersoeck van dit hoog ende mysterieus werck Godes, uyt de Reprobatie, ofte damnante Praedestinatie, ende saecke tot sulcke vertwijffelinge ende desperatie gebracht wert, dat sommige ouders, uyt het naturel ofte actien van hare kinderen, hebben onderstaen te oordeelen, het een ter saligheyt, ende 't ander ter verdoemenisse gepraedestineert te wesen, dat andere hen selven despreratelijck gehouden hebben ter verdoemenisse gepraedestineert ende gedamneert te wesen, ende zonder andere onderrichtinge te willen plaetse geven, desperatelijck in sulcke opinie gestorven sijn, daer van bedroeffelijcke exempelen haer, van tijdt tot tijdt, openbaren.’

101. Jacobus Kimmendonck Kempensis.

Schwab, Syllabus Rectorum in Univers. Heidelbergensi, I. 133, maakt van deze inschrijving melding, doch schrijft ten onregte: Kampensis. Dezelfde fout komt voor bij Andreae, de luminibus quibusd. erudit. I. 16. Op het grafschrift van den voortreffelijken man, dat medegedeeld wordt door Adami, Apograph. Monument. Heidelb. heet hij zeer juist: ‘Jac. Kimedoncius Kempius.’

106. Titus Acronius.

Waarschijnlijk een zoon van Bernardus Acronius, predikant te Jarsum nabij Embden. Ruurd en Joannes Acronius waren zijne broeders.

[p. 126]

110. Theodorus Vogelsanck.

Zoon van Gerrit Dirks Foegelsangh van Oosterwierum. Hij werd J.U.D., en in of vóór 1577 Lid der Staten van Friesland voor Westergoo. Over zijn leven en bedrijf, waarvan Winsemius dikwijls gewaagt, vgl. Stamb. v.d. Fr. Adel, II. 241. Hij huwde Rinck Broersma, en leefde nog 20 Junij 1590, toen hij zich te Hasselt als gedeputeerde ophield. Waarschijnlijk is hij dus niet oud geworden. Zie Stamb. I. 352.

111. Petrus van Harinxma.

Zoon van Homme van Harinxma, vertrok van hier naar Genève, waar hij in den ouderdom van 19 jaren overleed. Stamb. v.d. Fr. Adel, I. 151. II. 94.

114. Ludovicus Perezius.

Den 10 Junij 1610 werd als student te Leyden ingeschreven Ludovicus Perezius, oud 54 jaren. Dit verklaart ook de bijvoeging: ‘iniuratus propter aetatem’ in het Heidelbergsche Album: hij had dus in 1569 slechts den ouderdom van 13 jaren bereikt.

115. Martinus Perezius.

Beiden, zoo wel Ludovicus als Martinus schijnen zonen geweest te zijn van Marcus Perezius en Ursula Lopes. Op de aanwijzing van beide kinderen was reeds 21 Aug. 1567 groot geld gesteld. Vgl. Schultz Jacobi, Ned. Archief voor Kerkel. Gesch. IV. 150.

118 en 119. Caspar et Philippus a Swindern.

Deze aanteekening is daarom vooral belangrijk, omdat zij bewijst, dat werkelijk de familie van Swinderen reeds in het midden der zestiende eeuw te Groningen was gevestigd, dat nog betwijfeld werd door den Hoogleeraar Th. van Swinderen, Geslachtlijst van de familie van Swinderen. (Gron. 1850). 63.

[p. 127]

122. Tjalling Syxma.

Zoon van Douwe van Andla genaamd van Sixma en Banck van Popma. In 1580 werd hij Grietman van Barradeel, ook hopman onder Douwe van Grovestins. Hij overleed in 1599. Bij Ydschke van Hottinga liet hij drie kinderen na. Stamb. I. 360. II. 251. v. Sminia, Naamlijst, 213.

125. Leo Juckema.

Zoon van Werp van Juckema en Anna van Mockema. In 1585 werd hij Raadsheer in den Hove van Friesland. Hij huwde Tiet van Burmania. Stamb. I. 236. II. 160.

126. Sixtus Scheltema.

Deze Sybeth van Scheltema was de zoon van Schelte van Scheltema en Ursel Herckema. Hij huwde Bauck van Douma van Anjum. Vgl. Te Water, Verbond der Edelen, III. 289. Stamb. I. 318. II. 214.

127. Sibrandus Camminga.

Zoon van Frans van Cammingha en Teth van Stenstera. In 1578 werd hij Grietman van Leeuwarderadeel. Hij huwde Catharina van Donia en overleed in 1597, te Leeuwarden. Vgl. Stamb. I. 75. Sminia, Naamlijst, 26. Van der Aa, Woordenb. III. 48.

129. Gelmerus Canter.

Blijkbaar een kleinzoon van den beroemden Staatsman Jelmer Canter, die ten tijde van Keizer Maximiliaan grooten invloed op de gebeurtenissen te Groningen oefende.

132. Rembartus Horaeus.

Vgl. over zijne betrekking tot den beroemden Nicolaus Vigelius, Suffr. Petri, de Scriptorib. Frisiae, p. 453. G. de Wal, de Clar. Fris. JCtis, Adnot. 120.

[p. 128]

133. Johannes Dorrius.

Belangrijke aanwijzing betreffende dezen talentvollen staatsman, wien zoo talrijke zendingen werden opgedragen en die bij elke gelegenheid de belangen van Overijssel in het hachelijkste tijdsgewricht met uitstekende zorg behartigde. Gewigtige bronnen voor de geschiedenis van zijn leven in het Archief van Kampen aanwezig zijn thans vermeld in het voortreffelijke Register, N. 2569, 2573, 2591, 2622, 2658, 2677, 2681, 2724, 2731. Zie voorts Overijss. Alm. van Oudh. en Lett. 1847. 102 vlg. Over zijne letterkundige verdiensten vgl. Hoeufft, Parn. Lat. Belg. 71.

136. Alardus Auletius.

Zie N. 76 in de lijst van Genève en de aanteekening aldaar.

141. Arnoldus ab Haersolte.

De plaats, waar deze scherpzinnige regtsgeleerde gestudeerd heeft, was tot heden onbekend. Zijn vader was Johan van Haersolte van Haerst, zijne moeder eene bloedverwante van dezen, Christina van Haersolte. Onjuist is alzoo het berigt in het Biogr. Woordenb. der Nederl. II. 62, dat hij met zijne broeders den moederlijken geslachtnaam aannam. Zie voorts Vriemoet, Athen. Fris. LXXXV vlg.

145. Melchior Amsweer.

Zoon van Aylko van Amsweer en broeder van Doede. Met Melchior Clant verkondigde hij het Evangelie te Antwerpen, waar hij de Luthersche gemeente bediende, zeer aangenaam bij Aldegonde en anderen, die den geleerden edelman onderhoud en bescherming verleende. Naderhand begaf hij zich naar Friesland bij graaf Willem en van daar naar Dordrecht, waar hij,

[p. 129]

naauwelijks dertig jaren oud, tijdens hij een bezoek bij Joh. van der Myle aflegde, overleed. Hij hield veel van Melanchthon. Westendorp, t.a. pl. 62, 66.

148. Cornelius Bombergus.

Onder de chiefz des Consistoires komt hij voor bij Schultz Jacobi, in het Ned. Archief van Kerk. Gesch. IV. 150. Met zijne vrouw Clementia Schotti was hij reeds vóór zijn verblijf te Heidelberg (21 Febr. 1568) ingedaagd. Ook op de naamlijst der Calvinisten te Antwerpen (Ald. 158) vinden wij: ‘Cornelius van Bomberge, fils Daniel.’ Later vinden wij hem nog als student te Leiden vermeld.

149. Volkerus Westerwolt.

Hij werd Regent van het Collegie op de Cellebroedersgracht te Leyden in 1579, doch in 1588 eervol ontslagen. Daarop is tot het bouwen van het Staten-Collegie besloten. Siegenbeek, II. 150, 151.

150. Arnoldus Westerwolt.

Vgl. de aanteekening op N. 4 van de lijst van Genève.

151. Hermannus Sidereus.

De eerste uit dit geslacht, die mij ergens is voorgekomen. Waar hij den graad van Doctor erlangde, is mij niet bekend; waarschijnlijk te Padua, daar toch was de gelijktijdige promotie in Wijsbegeerte en Geneeskunde gebruikelijk.

152. Ludovicus Casembrotius.

Onder de zonen van den beroemden Leonardus de Casembroot van Brugge vind ik dezen niet vermeld.

153. Johannes Bacherius.

Welligt bloedverwant van den beroemden Gentschen kerkredenaar en dichter Petrus Bacherius, heftigen tegenstander der Hervorming. Zie Hoeufft, Parn. Lat.

[p. 130]

Belg. 31. Ook Andreas Bacherus was uit Poperinghe. Zie boven N. 89 der Heidelb. lijst.

154. Egbert Coiter.

Vele leden uit het geslacht der Koyters, die in de 16e eeuw leefden, vindt men vermeld bij Feith, Register, VI. 289. Welligt was deze een jongere broeder van den beroemden geneesheer.

160. Eppo Hayonis.

Een Ebe Hayens (1560) komt voor bij Feith, Archief, II. 176.

163. Jacobus Barlaeus.

Hij was de zoon van Lambertus Barlaeus, den ouden, broeder van Caspar Barlaeus den ouden en Melchior Barlaeus den latijnschen dichter. Ook laatstgenoemde was te Antwerpen geboren. Onze Jacobus werd eerst praeceptor der tweede klasse aan de Latijnsche School te Leiden, later Rector van het Gymnasium te Brielle. Zie Hoeufft, Parn. Lat. Belg. 48.

164. Basilius Ludolphus Pithopaeus.

Zoon van den beroemden Lambertus Daventriensis.

166. Otto Calandt.

Men leze: Otto Clant.

169. Carolus Agricola.

Hij was predikant te Rijnsburg 1592-1624. Soerman, 59.

170. Jacobus Bernuius.

Tot hetzelfde geslacht behoorde Ferdinand de Bernuy, eerste Drossaard van Breda, door Prins Maurits na de overrompeling aangesteld, wiens zoon Hieronymus het wapenfeit in een latijnsch heldendicht bezong. Zie Hoeufft, Parn. Lat. Belg. 121.

[p. 131]

171. Johannes Meranus.

In de naamlijst der Calvinisten te Antwerpen, Kist en Roijaards, Ned. Arch. voor Kerk. Gesch. IV. 159, vinden wij vermeld: ‘Henrick van der Mere, fils de celluy qui a donné 200 L. de groz pour faire la maison des orphelins du Consistoire.’

172. Bernardus Ten Brocke.

Eene niet onbelangrijke bijzonderheid voor het leven van dezen beroemden natuurvorscher leeren ons de Acta der Philosophische Faculteit kennen: ‘A. 1572 d. 6 m. Decembri promotus Bernardus ten Brock Steinwykensis Frisius.’ Dus heeft hij nog zeven jaren zich op verschillende Universiteiten geoefend, alvorens naar den graad van Medicinae Doctor te Padua te dingen. Vgl. Brandt, Beschrijving en Lof der Stad Enkhuizen, achter zijne Historie van Enkhuizen, 25-29. Ten Brocke was Stads-Doctor aldaar, liet zich niet overhalen om te Leyden het Professoraat in de Kruidkunde te aanvaarden en verzamelde een kabinet van merkwaardigheden, dat door Hugo de Groot ‘Thesaurus, orbis totius compendium, Arca Universi’ genoemd wordt (Poemat. 221). ‘Dat hij te Padua, Doctor der Philosophie en Medicijnen, met den titel van Protonotarius vereerd werd, is minder vreemd’, schrijft Collot d'Escury, Hollands Roem, VII. 304, ‘maar dat hij van den Keizer den titel van Comes Palatinus ontving, is mogelijk meer buitengewoon te achten.’ Doch het woord Protonotarius of Prototabellio duidt niet op een eeretitel, maar op een ambt bij de Universiteit of hare kanselarij.

Niet zelden wordt hij Paludanus genoemd, b.v. in een brief van Car. Clusius aan Jo. Vivianus, mede-

[p. 132]

gedeeld door Serrure, in zijn Vaderlandsch Museum, IV. (Gent 1861) 250.

173. Henricus Corputius.

Zoon van Mr. Johan van den Corput en Anthonia Montens, geboren 26 Mei 1536, zwager van den volgenden Henricus Smetius. Vgl. over zijn leven Schotel, Kerkelijk Dordrecht, I. 151 vlg.

174. Henricus Smetius.

Gehuwd met Johanna van den Corput. Zijne schoonmoeder vergezelde hem naar Heidelberg, waar zij 31 Julij 1578 overleed. Schotel, Kerkelijk Dordrecht, I. 153.

175. Joannes Bramsche.

Waarschijnlijk een Groninger, uit het geslacht van Johan Braemsche, vermeld bij Feith, Archief, I. 321. 323. Kan hij ook dezelfde zijn als Dr. Joh. Braems, wiens weduwe de huiszittenarmen te Groningen in 1594 zoo mild begiftigde?

177. Franciscus Baudius.

Zeker een oudere broeder van Dominicus Baudius, die wel te Genève maar niet te Heidelberg studeerde. Zie N. 79 van de lijst van Genève. De vader heette ook Dominicus, de moeder Maria Heems.

178. Johannes Servilius.

Het schijnt wel, dat Dr. Knaap zich op eene reis door Duitschland te Heidelberg in het Album liet inschrijven. Vandaar dat hij ook Antverpianus heet naar zijne toenmalige woonplaats, hoewel hij in het gebied van Looz (volgens anderen te Gelder) was geboren.

180. Ieppius ab Heringa.

Epe van Heringa. Zie Stamb. I. 81. Hij was de zoon van Sascker van Heringa, die in 1532 trouwde Hil

[p. 133]

Binnertsd. van Aebinga en in 1560 Burgemeester van Groningen was; hij stierf in 1607.

181. Carolus Utenhovius.

Utenhove was reeds geen jongeling meer, toen hij Heidelberg bezocht. Van zijn verblijf aldaar vinden wij bij Adamus, Foppens en Hoeufft geen gewag gemaakt. Hij is te Keulen den 31 Augustus 1600, in den ouderdom van vier en zestig jaren, overleden. Zoowel het epitaphium, dat hij voor zich zelven bestemd had, als het grafschrift, dat Guil. Fabricius te Keulen op de zerk liet beitelen, deelt Serrure mede, Vaderl. Mus. IV. 274. Deze zegt wel, dat hij zijne studiën te Gent aanving en te Parijs voltooide, doch maakt van zijn verblijf te Heidelberg geen melding.

186. Everhardus Alting.

Vgl. N. 48 van de lijst van Genève. Waarschijnlijk is hij meer dan drie jaren te Heidelberg gebleven, om zich op de regtswetenschap toe te leggen, juist gedurende het tijdvak, dat Hugo Donellus daar onderwees.

188. Mauritius Princeps Uraniae.

De geheele bladzijde der Matricula, waarop de naam van Prins Maurits te lezen staat, is afgedrukt bij Peerlkamp, Oratio de perpetua, quae Academiae Leidensi cum gente Arausiaca intercessit, necessitudine, spectata praecipue in studiis Principum, p. 41 der kwarto-uitg. Daaruit blijkt, dat gelijktijdig met de Nassausche Vorsten werden ingeschreven de vier Graven van den Berg, Herman, Frederik, Oswald en Jodocus. Aan het Prinselijk gezelschap waren toegevoegd, behalve Otto van Grünrade, twee praeceptores, M. Johannes Mullerus en M. Paulus Crocius, en vier ministri, Johannes Nobisius, Wilhelmus Haitzfeld, Johannes Wilhelmus Braunsfels en Thomas Hein-

[p. 134]

ricus ab Hees. Peerlkamp teekent daarbij aan: ‘Quod Rector Academiae Heidelbergensis Mauritium appellavit Principem Uraniae, in eo minus recte fecit. Nam et pater Guilielmus vivebat, neque, eo mortuo, Mauritius hunc titulum sumere poterat, nisi postquam frater natu maior Philippus diem supremum obierat a. 1618, non relicta prole.’ Men vergete echter niet, dat de Rector geheel de opgaven volgde, die hem gedaan werden. Wat ons verder ten aanzien van het verblijf der Prinsen te Heidelberg bekend is, heeft Peerlkamp opgeteekend. Vooral merkwaardig is eene plaats in een brief van Willem I, aan zijn' broeder Graaf Jan, van 27 April 1577, bij Groen van Prinsterer, Archives de la Maison d'Orange-Nassau, VI. 81, waar hij gewaagt van het voornemen van dezen, om zijne zonen naar Genève te zenden, en aanteekent, dat zij ‘zu Heydelberg in doctor Eheims behausung’ woonden. Deze doctor Eheim is Christophorus Ehemius, in 1528 te Augsburg geboren en in 1592 overleden, de beroemde stichter van het Casimirianum te Neustadt aan de Haardt, en raadsman van onderscheidene Keurvorsten van de Palts. Zijn leven heeft Melchior Adamus in de Vitae JCtorum beschreven en is later zeer uitvoerig behandeld door zijnen stadgenoot Paul von Stetten, in de Lebensbeschreibungen, die in 1782 te Augsburg het licht zagen. - Wijders moet men de woorden van PeerlkampMauritius Heidelbergae non diu vixit’, niet al te naauw opvatten: zelden toch gebeurde het destijds, dat vreemdelingen aan dezelfde Hoogeschool meer dan anderhalf jaar vertoefden.

190. Johannes Comes Nassoviac.

Ook Textor zegt in zijne Nassauische Chronick, 121:

[p. 135]

‘Im Jahr 1576 ist Graf Johann, beneben seiner Excell. Printz Moritzen etc., und dann seinen dreyen Gebrüdern, Graf Wilhelm Ludwigen, Graf Georgen, und Graf Philipsen von Nassau, wie auch vier Vettern, denen Grafen von dem Berg, Gebrüdern, gen Heidelberg auf die Universität, ihre angefangene Studien daselbsten zu continuiren, verschicket worden.’ Deze Graaf Jan (de middelste) den 7 Junij 1561 te Dillenburg geboren, heeft na zijn vertrek uit Heidelberg nog eenige Italiaansche Hoogescholen bezocht.

191. Georgius Comes Nassoviae.

Graaf Georg van Nassau was 1 September 1562 te Dillenburg geboren; ook over hem heeft zijn tijdgenoot Textor († 30 Oct. 1626) breedvoerig gehandeld. Meer zeldzaam dan merkwaardig is de lijkrede, op hem door den Herbornschen Hoogleeraar Johann Jakob Hermann in 1624 gehouden en op de Lands-boekerij te Wiesbaden aanwezig.

192. Philippus Comes Nassoviae.

Naauwelijks negen jaren oud, werd hij naar de Hoogeschool te Heidelberg gezonden; hij was 1 December 1566 te Dillenburg geboren. Later heeft hij met Prins Maurits nog eenigen tijd aan de Leidsche Hoogeschool zijne letteroefeningen voortgezet.

203. Johannes Idsaerda.

Hij komt niet voor in de geslachtlijst in het Stamboek van den Frieschen Adel, I. 226.

206. Franciscus Santfort.

In de merkwaardige bronnen, die D. Schultz Jacobi mededeelde in zijn opstel ‘De toestand van Antwerpen na de invoering der hervorming’ (Ned. Arch. voor Kerk. Gesch. IV. 159) vinden wij vermeld: ‘Guillaume

[p. 136]

et Jan van Santfoort, qui se tiennent touyours du Consistoire.’

209. Sibo a Dornum.

Dat deze een Oostfries geweest is, schijnt niet twijfelachtig. Een der Heeren van Dornum begaf zich na 1600 met Ernst Friedrick von Wicht in vreemde krijgsdienst, nadat laatstgenoemde vroeger gestudeerd en den graad van Doctor in de beide regten verworven had.

211. Petrus Castritius.

Waarschijnlijk een zoon van den bekenden Matthias Castritius en vermaagschapt aan het geslacht der Geldorps.

215. Adrianus Diungius.

Hier wordt bedoeld Adriaan de Jonge of Hadrianus Junius, dezelfde die met Arminius Italie bezocht, later Raadsheer in den Hove van Holland werd en in 1618 onder de vierentwintig regters zich door gematigdheid onderscheidde.

219. Joannes Roge.

Vriemoet zegt van Jo. Rogge, die in 1614 afgezet werd als predikant te Hoorn: ‘Fuerat hic Joh. Roggius quondam Professor Linguae Hebraeae in Academia Heidelbergensi.’ Athen. Fris. 85. Waarschijnlijk bedoelde hij denzelfden, dien wij hier als in 1584 ingeschreven aantreffen.

223. Franciscus Gomarus.

Hij was eerst door Joh. Sturm te Straatsburg onderwezen, en woonde later de lessen der uit Heidelberg verdreven Professoren te Neustadt aan de Haardt bij. In 1582 had hij zich naar Engeland begeven, waar hij te Oxford Joh. Reinaldus, te Cambridge William

[p. 137]

Whitaker, hoorde. Na de herstelling der Hervorming te Heidelberg keerde hij derwaarts terug en vertoefde er nog twee jaren; in 1587 deed hij zijne intrede als leeraar der Gemeente te Frankfort.

225. Antonius Disius.

Men leze Antonius Thysius. Het was op raad van Joh. Bollius en Jeremias Basting, dat Thysius zich naar Neustadt begaf. Eerst later besloot hij, na een kortstondig verblijf te Frankenthal, zijne studiën te Genève te vervolgen, waar hij 5 October 1582 aankwam.

226. Eilard Alma.

Overal heet hij Frisius. Suffridus Petrus, de eerste die iets over hem mededeelt, verklaart niets ten zijnen aanzien gevonden te hebben, dan dat hij een werk schreef Bellum Giganteum geheeten, De Script. Fris. Dec. XIV. Thans weten wij, dat hij te Groningen werd geboren, en nu wordt het ook waarschijnlijk, dat hij de zoon was van Eylerdt Alma, op wien betrekking heeft eene briefwisseling tusschen de Regeringen van Groningen en Emden (April 1572) bij Feith, II. 343. Het weinige, dat Hoogstraten, Kok, Chalmot en van der Aa nopens hem mededeelen is aan Sweertius ontleend; bij van der Aa wordt hij herhaaldelijk ten onregte Eclardus genoemd. Belangrijker zijn de hem betreffende artikelen bij Hoeufft, Parn. Lat. Belg. 91, en Peerlkamp, De Poet. Lat. Neerl. 144. Valerius Andreas schrijft, dat hij reeds als knaap Latijnsche gedichten vervaardigde; eene proeve komt voor achter Joh. Posthii Parerga poetica, 308. Te Heidelberg schreef hij zijne Belli Gigantei libr. IV; doch vòòr de uitgave overleed de dichter, in zijn 21e of 22e levensjaar. Paquot, II. 401. Zijn afsterven werd diep betreurd; Abraham

[p. 138]

van der Myle schreef eene Consolatio super morte Eilardi ab Alma (Heidelb. 1587) en Lambertus Ludolphus Pithopaeus (want deze is het op wien van der Aa doelt, als hij van Ludolf van Deventer spreekt) gaf een lijkzang Memoriae et honori praestantissimi poetae Eilardi ab Alma in het licht. Het gedicht van Alma werd in 1587 typis Sanctandreanis uitgegeven en in de Deliciae Poetarum Belgicorum herdrukt.

228. Casparus Heidanus.

Hij was de zoon van zijnen beroemden naamgenoot en werd in 1566 te Frankenthal geboren. Hij zelf werd eerst predikant te Wolmersheim bij Landau in de Beijersche Palts, vertrok vandaar in 1594 naar Frankenthal en in 1608 naar Amsterdam, waar hij 14 Januarij 1626 overleed. Uit zijn huwelijk met Clara van den Borre zijn, tijdens zijn verblijf te Frankenthal, de vermaarde broeders Caspar en Johannes Heidanus geboren.

229. Petrus Carpentarius.

Indien deze dezelfde Petrus Carpentier is, die later Rector, eerst te Noordwijk, vervolgens te Stade, eindelijk te Rotterdam, geworden is, dwaalt Foppens, II. 962, als hij hem Antverpiensem noemt. Hij was de geliefde leermeester van Elias Putschius.

233. Adamus Eysingha.

Dezelfde die Aede heet in het Stamb. I. 99. Hij was de zoon van Frans van Eysinga en Lisek van Jousma, werd J.U.D., Raad ter Admiraliteit en Lid van den Hove van Friesland. Vgl. Stamb. II. 66. Hij trouwde Foeck van Eelsma en stierf in 1619.

234. Solinus Eysingha.

Eigenlijk Juw, volle broeder van Aede, gestorven te Wirdum 4 Mei 1631, in den ouderdom van 67 jaren.

[p. 139]

Hij was Luit. Kol. in 't Friesch Nassauws Regement, en huwde Rintje Gratinga.

236. Johannes Roorda.

Zoon van Ruurt van Roorda en Doutze van Sassinga. Hij werd J.U.D. en Assessor van het Kamergerigt te Spiers. Teregt alzoo twijfelde Te Water, Verb. d. Ed. III. 277, aan zijne denkwijze, en hij was geenszins balling, gelijk het Stamboek II. 210 leert.

238. Abraham Corputius.

Alzoo niet te Kleef, gelijk men waarschijnlijk achtte, Schotel, Kerk. Dordr. I. 157, maar te Breda geboren. Balen prijst zijne geleerdheid. Hij werd predikant in de Palts, doch overleed reeds, 28 Febr. 1597, te Dordrecht, nog slechts 29 jaren oud.

239. Jacobus Rulandus.

Eene Elegia Jacobi Rolandi in Μικροκοσμον doctissimi viri D. Joannis Moermanni Belgae, poetae laureati, is geplaatst voor het werkje van laatstgenoemden: De Cleyn wereld, rhetoryckelijk wtghestelt. (Antw. 1584. 4.) Vgl. Serrure, Vaderl. Museum, IV. 205.

240. Egbertus Alberda.

Vgl. N. 122. van de lijst van Genève.

245. Daniel Colonius.

Dat Daniel van Keule te Genève zijne studiën voltooide, was bekend; welligt minder dat hij ook te Heidelberg vertoefde. Hij was te Metz, 27 September 1566, geboren. Vgl. Te Water, Hist. der Herv. Kerk te Gent, 174-177.

246. Eberhardus Vorstius.

Geboren te Roermond, 26 September 1565. Eerst vertoefde hij te Leiden, waar hij, 28 April 1580, door Lipsius in het Album werd ingeschreven. Dat hij vier ja-

[p. 140]

ren te Heidelberg en Keulen bleef, later Padua, Bologna en Ferrara bezocht, is van elders bekend. Vgl. G.C.B. Suringar, De Medische Faculteit te Leiden, in het begin der zeventiende eeuw, 3, 17.

247. Gerardus Rufelaert.

Een adelijk geslacht van Gent, waaruit afstammelingen voorkomen in Stamb. II. 167.

252. Egbertus Hemskerck.

De geletterde opleiding wijst op het geslacht der geleerde Heemskerken, de voornaam op dat der vermaarde schilders.

255. Daniel Helmius Pithopaeus.

Zoon van den beroemden Lambertus Helmius Pithopaeus.

256. Johannes Polyander.

De beroemde Polyander a Kerckhove is te Metz in 1568 geboren. Zoowel te Genève als te Heidelberg gaven zijne vrienden gedichten van zijne hand in het licht. Vgl. Schotel, Theod. Rycquii al. Epistolae ineditae (H.C. 1843.) 119, dez. Illustre School te Dordrecht, 41 vlg.

257. Eggericus Beningha.

Kleinzoon van den vermaarden Oostfrieschen Geschiedschrijver, die 19 October 1562 was overleden.

258. Johannes Halsbergius.

Ik weet niet, of het tot hiertoe wel bekend was, dat hij een Vlaming was. In 1589 werd hij proponent en in het volgende jaar predikant in de gasthuiskerk te Amsterdam. Dat hij Theologiae Doctor was, is mij alleen gebleken uit een brief, dien de Akademische Senaat der Leydsche Hoogeschool 10 Februarij 1593 tot hem rigtte.

[p. 141]

262. Abrahamus Van der Mylen.

Breedvoerig handelt over hem Vrolikhert, Vlissingsche Kerkhemel, 44 vlg. Vgl. ook Te Water Verh. over de Reformatie in Zeeland, 165, 322, 468. Thans weten wij, dat hij werkelijk de zoon geweest is van Johannes Mylius, die predikant was te Appingadam, Breda en Delft, en tevens tot de Dortsche familie van dien naam behoorde. Een brief door Menso Alting, den 16 Augustus 1587, gezonden ‘Pietate ac literis polito juveni, Abraham van der Milen, sacris literis operam navanti zu Heidelberg’ is uitgegeven door Crenius in zijne Animadv. philol. et historic. XI. 126. Den 6 December 1587 was hij reeds weêr naar Delft teruggekeerd, gelijk blijkt uit een' brief van Sibr. Lubbertus, ald. 125.

263. Meinardus ab Idzaerda.

Zoon van den regtsgeleerde Baerte van Idzaerda en Magdalena Rommaerts (Gab. de Wal, de cl. Frisiae JCtis, Annot. 19). Hij werd in 1600 Grietman van Weststellingwerf, lid der Synode te Dordrecht, waar hij door eene ziekte werd overvallen, die hem den 22 December 1618 ten grave sleepte. Zijn grafschrift te Ter Idserd vindt men in het Stamb. II. 152. Bij zijne vrouw Lis van Harinxma thoe Sloeten had hij zes kinderen. De beroemde regtsgeleerde Johannes van der Sande was met zijne zuster gehuwd.

266. Gerardus ab Assendelft.

Deze is van Genève, zie N. 120 aldaar, ter voortzetting zijner studiën naar Heidelberg vertrokken.

268. Sixtus Rorda.

Moet Syds Roorda van Gemem zijn, jongste zoon van Wybren van Roorda. Hij schijnt op de Staatsche zijde gediend te hebben, huwde Luts van

[p. 142]

Scheltema, en overleed 18 Februarij 1617 in den ouderdom van 49 jaren.

271. Isaacus Corputius.

Zoon van Hendrik van den Corput en Adriana van Bregt, geboren te Breda 30 Januarij 1569. Hij was achtereenvolgens predikant te Westmaas, Papendrecht, Breda en Dordrecht. Ook als conrector was hij ter laatstgenoemde stede werkzaam. Vgl. Schotel, Illustre School te Dordrecht, 31 vlg. Hij overleed 6 October 1599. Dat hij te Heidelberg studeerde was bekend. Schotel, Kerkelijk Dordrecht, I. 157.

272. Georgius Benedicti.

Dus niet Georgius Benedictus, gelijk velen schrijven. Hij overleed reeds den 1 Maart 1588 te Heidelberg. De naam van Werteloo is hier bij de inschrijving achterwege gelaten. Reeds vóór zijne komst te Heidelberg had hij zich als gelukkig latijnsch dichter bekend gemaakt. Vgl. Burmanni Epistol. Syll. I. 488. Paquot, II. 406. Hoeufft, 92. Bij Peerlkamp komt hij niet voor. Een Epigramma van Joh. Posthius in Georgii Benedicti mortem vindt men in zijne Parerga poetica, II. 47. De Regering van Delft schijnt in de studiekosten van Benedicti voorzien te hebben, althans hij zelf zingt:

 
Anceps saepe meam versat sententia mentem,
 
Obstrictus Delpho sim magis an patriae.
 
Haec, vitam mihi tu debes, ait, ille Camoenas,
 
Nunc quoque quod vivo vindicat omne sibi.

Den Hoogleeraar Peerlkamp zal wel de navolging van Claudianus in deze regelen hebben gehinderd. Vgl. hiermede zijn gedicht ad Arnoldum Cornelium. Petrus Scriverius zong van hem:

[p. 143]

Livor abi: non huic poteris maledicere vati, In gremio matris qui Benedictus erat.

273. Johannes Regius.

Vgl. Te Water, Historie der Reformatie te Gent, 50-54.

278. Joannes Cammerlinus.

Waarschijnlijk een zoon van den bekenden Nicolaas Camerlijn, vriend van Willem I en later Raadsheer in den Hove van Holland.

279. Abelus Conderus ab Helpen.

Dat deze te Heidelberg studeerde, was reeds uit Alting's Lijkrede bekend. Zij werd uitgegeven te Groningen in 1629, onder den titel van Narratio historica de ortu, vitae curriculo et morte Abeli Coenders ab Helpen, en is herdrukt in Gerdes, Scrinium Antiq. s. Miscell. Groningana, VIII. 649.

282. Reinerus Gruterus.

Zoon van Thomas Gruterus, die alzoo in 1566 of daaromtrent zich niet meer te Duisburg maar te Deventer moet hebben opgehouden. In 1590 werd hij, gelijktijdig met Regnerus Hachtingius tot Phil. Mag. bevorderd, gelijk mij uit de Acta Fac. Philos. MSS. is gebleken. Den 17 Maart 1591 werd hij tot tweeden Regent van het Collegium Casimirianum benoemd, en den 29 Augustus van hetzelfde jaar legde hij den eed af als lid van den Senatus Philosophicus.

290. Doco a Bothnia.

Docke, zoon van Juw Bothnia, Olderman te Franeker en Foockel van Walta. Zie over hen Stamb. I. 45. II. 40.

293. Jacobus Kimedoncius.

Het kortstondig leven van den zoon beschrijft het

[p. 144]

grafschrift van den gelijknamigen vader, hierboven onder N. 101. vermeld. Dat grafschrift luidt als volgt:

Memoriae
Jac. Kimedoncii Kempii rarae
doctrinae, rarioris vitae,
rarissimi exempli theologi,
professoris consiliarii
libb. superst. moer.
poss.
obiit heidelb. xxvi Novemb. mdxcvi
intra annum aeta. xlii
orbatus paulo ante contra votum
sui nominis filio annor. quasi xvii
sed haec supra aetatem
supra fidem supra saeculum
pio, modesto, erudito.
plane quasi uterq. firmaret
dictum illud vetus
quem deus diligit
moritur iuvenis.

294. Abrahamus Kimedoncius.

Zie hier eenige bijdragen tot zijn leven uit de Act. Philos. Facult. MSS. geput.

20 Dec. 1603. ‘Tunc etiam in numerum Senatorum receptus est M. Abrahamus Kimedoncius.’

3 Jun. 1605. ‘M. Abrahamus Kimedoncius, cum a Senatu Ecclesiastico Rector Scholae Simmerensis constitutus esset, professionem Hebreae Linguae in Senatu Philosophico resignavit.’

1613. De Faculteit beveelt Kimedoncius aan den

[p. 145]

Senaat aan tot Professor Logices, en schrijft ‘primo loco nominandum esse M. Abrahamum Kimedoncium Rectorem Crucenacensem: cum sit Professoris filius, et, ante aliquot annos, non sine laude, Hebraicam professionem sustinuerit; praeterea etiam singularis eius eruditio, pietas, modestia probe nobis est perspecta, ita ut magnopere collegam eum esse nostrum cupiamus.’ Later volgt: ‘Calendis Septembris M. Abrahamus Kimedoncius a Senatu Academico electus confirmatusque fuit.’

303. Guilielmus Verheiden.

De ‘Vita Guilielmi Verheiden Belgae, scripta per Jacobum fratrem,’ te 's Gravenhage in 1598 uitgegeven, is zeker meer algemeen bekend geworden, sedert Wenckebach daarvan eene vrije navolging ('s Grav. 1842) in het licht gaf. Het oude boekje is een der schoonste gedenkteekenen uit den tijd van den vrijheidsoorlog. Nopens het eerste verblijf van het edele broederenpaar te Heidelberg lezen wij daarin het navolgende: ‘Inde (namelijk van Frankfurt) Heidelbergam progressi, dies circiter quatuordecim acquievimus. Hic consensu Senatus Academici orationem dixit, cuius argumentum erat: De eo quod maxime est ex hominis dignitate. Intellexit hoc esse, defendere Patriae libertatem: pro cuius libertatis defensione antiquum illud Germanorum Principumque Palatinorum studium exposuit: testatusque est, numquam magis esse vigilandum pro libertate, quam hoc tempore, quo libertati tam multae insidiae struuntur ab eo cuius ambitio et avaritia insatiabilis esse videtur. Hoc argumentum postera die duabus lectionibus exposuit, adducens verba Caesaris, quae exstant Commentariorum libro VII.’ Na het uitspreken dezer rede verliet Willem Verheiden Heidelberg en begaf zich naar Bazel,

[p. 146]

Zurich, Chur, Padua en Venetie. Op de terugreis besloten ze Heidelberg tot rustplaats te kiezen. ‘Heidelbergam (zegt Jacobus) demum venimus. Quo in loco apud socios, qui nobis bene cupiebant, per totam fere hiemem subsedimus. Quo tempore haec duo potissimum studuit, videlicet ut Theologiae tum linguae Italicae certam haberet cognitionem. Ad hoc primum exigebat dispositionem quandam Locorum Communium, sive Partitiones Theologicas. Mox Shonii, tum et Amandi Polani Partitiones administratae fuere. Huius ita ipsi placuere, et quidem iure, ut, bidui spatio, easdem fideliter sine libro reddiderit. Biblia, tum Calvini Institutiones, vere divinum et aeternum opus, amplexus est, diligentissimeque legit. In Novo Testamento Italice verso se exercebat; sic et in Aulico Baltazaris Castilionei, quem virum propter eruditionem et decorum quod passim in libro perspexit, non semel commendabat. Remeandum iam erat in Patriam Belgium. Priusquam tamen hoc iter susciperet, hanc quaestionem, iurene an iniuria C. Caesar interfectus, tractare statuerat; verum loci circunstantiam perpendens diligentius, ab incepto destitit. Heidelbergâ tandem nostrorum operâ in Hollandiam, elapso iam anni spatio, ex praefinita animis nostris sententia, salvi revenimus.’ Uit het aangevoerde blijkt, dat de twee broeders eerst bij hun tweede bezoek in het Album der Hoogeschool zijn ingeschreven. Van hun verblijf te Heidelberg waren ons reeds bijzonderheden bekend uit het schoone gedenkteeken, dat Guilielmus voor zijn ontslapen broeder oprigtte.

306. Johannes Pannelius.

Waarschijnlijk bloedverwant van Michael Panneel. Hij was in 1595 predikant te Grijpskerke, later te Baar-

[p. 147]

land, eindelijk te Axel, waar hij 22 November 1617 werd bevestigd. Vgl. Te Water, Reform. van Zeeland, 203. Gaillard, de l'influence exercée par la Belgique sur les Provinces-Unies, 128.

312. Petrus Bertius.

Van zijn verblijf te Heidelberg maken zijne levensbeschrijvers breedvoerig gewag. Vermits hij aldaar de lucht niet kon verdragen, verliet hij ongaarne de stad en vertrok naar Straatsburg.

314. Cornelius Pynacker.

Hij studeerde te Heidelberg in de Godgeleerdheid, waarop hij zich ook vroeger te Leyden had toegelegd. Eerst later begon hij de studie der regtsgeleerdheid, waarin hij te Leyden, Groningen en Franeker met veel toejuiching onderwijs gaf. Vgl. Vitae et Effig. Prof. Acad. Gron. 63 vlg. Vriemoet, Athen. Fris. 288 vlg. Kist, Bijdragen, 60.

320. Albertus Arisma.

Ontbreekt in de geslachtslijst der Aernsma's in het Stamb. van den Fr. Adel, I. 25.

321. Sabinus Baerdt.

Welligt een zoon van Hobbe van Baerdt, die in 1585 Griffier van het Hof van Friesland was. Zie Naamregister der Rentmeesters van de Domeinen enz. in Friesl. (Amst. 1748) 11.

322. Johannes Gruterus.

Is de beroemde Janus Gruterus. Den graad van Doctor in de beide regten had hij onder Donellus te Leyden verworven. Frederik IV benoemde hem nog in dat zelfde jaar 1592 tot buitengewoon hoogleeraar in de geschiedenis.

[p. 148]

323. Laurentius de Veno.

Den 13 Februarij 1587 was hij als student in de Regten in het Album der Friesche Hoogeschool ingeschreven. Dat hij zijn laatste studiejaar te Heidelberg doorbragt, blijkt uit dit berigt, in verband met den naamrol der Advokaten bij den Hove van Friesland, waarin hij 19 Mei 1593 werd opgeteekend.

324. Matthias Damius.

Hier leeren wij, dat hij niet in de Palts geboren werd maar werkelijk te Haarlem het levenslicht zag. Zie voorts over dezen ijverigen contraremonstrant en geneesheer v.d. Aa, Biogr. Woordenb. in v.

330. Wigboldus Homeri.

In 1598 werd hij de eerste predikant na de Reductie te Meeden, van waar hij in 1601 naar Midwolde vertrok. Vgl. Brucherus, Gedenkb. van Stad en Lande, 219 en 222, waar hij ten onregte Wigbold Homerus genoemd wordt.

331. Conradus Vorst.

Hij had eerst te Herborn onder Piscator gestudeerd. Te Heidelberg was hij leidsman van eenige aanzienlijke jongelieden en verwierf in 1594 de doctorale waardigheid in de Godgeleerdheid. Van hier vertrok hij naar Bazel. In 1596 werd hij Hoogleeraar te Steinfurt. Zijn verdere levensloop is overbekend.

339. Johannes Suffridi Saeckma.

In 1572 te Kollum geboren, zoon van Suffridus (Sjoerd) Saeckma en Tetje Ringia. Hij studeerde eerst te Franeker, waar hij 9 Mei 1588 werd ingeschreven, later te Heidelberg en te Bazel. Zijn leven en verdiensten zijn uitvoerig beschreven in het Werk mijns Vaders De Claris Frisiae JCtis, Annot. 122 vlg. Den

[p. 149]

5 November 1595 werd hij als Advokaat bij het Hof van Friesland toegelaten, waaruit blijkt, dat hij niet lang te Heidelberg vertoefd heeft.

340. Georgius Wiarda.

Komt niet voor in de geslachtslijsten, die het Stamboek van den Frieschen Adel vermeldt. Dat later Tilemann Buchs Wiarda (geb. te Leeuwarden 1664) te Heidelberg studeerde, leert ons het Stamb. II. 282.

344. Joannes Comelinus.

Was deze de vader van Isaac Commelin, bekend boekdrukker te Amsterdam? Ik acht dit niet onwaarschijnlijk. Alsdan is hij een zoon geweest van Jasper Commelyn, die 9 April 1568 met een zijner zonen te Brussel onthoofd werd.

345. Johannes Regius.

Een' naamgenoot hebben wij reeds boven op het jaar 1587 aangetroffen, N. 273.

346. Johannes Bogermannus Junior.

De beroemde Hoogleeraar en Voorzitter der Dortsche Synode. Hij was geboren te Opleeuwert in Oostfriesland, waar zijn vader van 1576 tot 1580 predikant was. Zijn verblijf te Heidelberg en Genève was ook van elders bekend. Vriemoet p. 265 vlg. Te Heidelberg verdedigde hij 20 Februarij 1596, onder Daniel Tossanus, Theses de Bacchanalibus, et de Jejunio quadragesimali, contra Bellarminum. Vgl. over zijn later verblijf te Genève de aanteekening op N. 160.

348. Thomas Goswinus.

In 1597 werd hij predikant te Kampen en in 1619 om zijne Arminiaansche denkwijze ontslagen. Zie Moonen, Naamketen, 37.

[p. 150]

349. Johannes Fabricius.

Hij was in 1600 predikant te Zwolle. Moonen, Naamketen, 54.

351. Gerardus Caesarius.

Zoon van den bekenden Johannes Caesarius. Hierbij echter moet ik opmerken, dat de bijvoeging Ultraiectinus op de woonplaats zijns vaders ziet, niet op zijn geboorteplaats; althans is eerstgenoemde eerst in 1589 naar Utrecht vertrokken.

352. Samuel Comelinus.

Broeder van Johannes Comelinus, dien wij op het jaar 1594 vermeld vonden, N. 344.

353. Lambertus Adameius.

Vgl. N. 379.

354. Marcus Liclema.

In Mei 1593 werd hij te Franeker als Juris Studiosus ingeschreven. Thans blijkt dat hij van daar naar Heidelberg vertrok. Als Advokaat bij den Hove van Friesland legde hij 9 Mei 1597 den eed af. In 1604 werd hij Hoogleeraar in de Regten te Franeker, in 1610 Grietman van Ooststellingwerf, in 1623 van Weststellingwerf, voorts Curator der Friesche Hoogeschool, Lid der Staten-Generaal, Ridder van St. Marcus. Hij overleed 9 Augustus 1625 en werd in de Kerk te Nycholtpade begraven. Zie Stamb. I. 250, II. 170.

358. Henricus Copius.

Waarschijnlijk een zoon van Balthasar Copius, die in 1585 te Neustadt aan de Haardt vierenvijftig Predikatiën over den Christelijken Catechismus in het licht gaf.

359. Lubertus Esthius.

De naam van dezen beroemden geneeskundige komt

[p. 151]

hier voor, omdat hij uit een Geldersch geslacht is gesproten.

360. Joannes Reichersbergius.

Kleinzoon van zijnen bekenden naamgenoot, die in 1575 door Willem I tot Burgemeester van Veere werd aangesteld.

364. Hermannus Halling.

Later Burgemeester van Dordrecht en Lid der Generaliteits-rekenkamer. Hij huwde Anna de Jonge, bij wien hij den bekenden tegenstander van Willem III, Johan Halling verwekte. Vgl. Balen, Dordrecht, 1079-1083.

365. Gerardus Vogelsang.

Komt niet voor in de genealogiën van het Stamb., I. 352.

366. Orricus Dojem.

Zoon van Orck van Doyem en Doedt van Aysma. Onze Orck van Doyem werd pridie idus 1596 te Franeker als student ingeschreven. Den 29 Februarij 1616 werd hij Raadsheer in den Hove van Friesland. Winsemius, Chronyck van Vriesl. 906. Naamrol der Raden, 34. Henricus Neuhusius maakte eene lijkklagt op zijn afsterven, opgenomen in de Frisia Nobilis, 90-92. Hij overleed 31 October 1641 als Presiderend Raad. Bekend is zijne talentvolle dochter Franscke.

370. Isebrandus Econius.

Als Advokaat bij den Hove van Friesland ingeschreven 4 Mei 1601. Later werd hij Lands-Advokaat, en noemde hij zich Excius of Eccius, gelijk blijkt niet alleen uit de onuitgegeven naamrollen maar ook uit een opschrift door hem geplaatst vóór het exemplaar van Jac. Bouricii Liber singularis ad Pandectas (Leov. 1613), op de openbare Boekerij te Leeuwarden aanwezig.

[p. 152]

373. Hermannus Arnoldi.

Mogelijk, maar niet waarschijnlijk de predikant van dien naam, die in 1655 te Elten overleed. De Jongh, 378.

379. Lambertus Adameius.

In de MS. Lijst der Advokaten voor het Hof van Friesland vind ik als ingeschreven op 23 October 1600: Lambertus Adius.

382. Petrus Ceporinus.

Predikant te Goch, in 1621 te Sydervelt. Soermans, Kerk. Reg. 152.

Hier had ik nog kunnen vermelden Hermannus Wesselius, die, schoon te Emden geboren, later Rector der Latijnsche Scholen te Leiden geweest is. Ook twee Gentenaren, Jodocus Biltsius en Henricus Bilderbeck, werden in den loop dezes jaars (1601) in de Matricula opgeteekend.

384. Johannes Coizius.

Lees: Coetsius. Beroepen als predikant te Nymegen 15 September 1605, afgezet in 1618, hersteld in 1623. In 1625 vertrok hij naar Culemborg, waar hij in het volgende jaar overleed. Nymegen verloor gelijktijdig hare drie leeraren, die de Remonstrantsche zijde hielden. Vgl. Kist, Archief v. Kerk. Gesch. IV. 135, Nederl. Arch. v. Kerk. Gesch. IV. 8.

385. Abraham Mellinus.

Er is zoo weinig van het leven dezes mans bekend, dat deze kleine aanwijzingen uit twee Albums, zie de lijst van Genève N. 212, belangrijk heeten mogen. Men weet, dat hij Predikant te St. Antoniepolder geweest is, toen hij zijn Groot regtsgevoelend Kristen Martelaarsboek uitgaf (Dordr. 1619 f.d.I). Zie voorts Boxhorn, Chron. v. Zeeland, I. 465. Voet, Polit. Eccles. II. 139. De la

[p. 153]

Rue, Geletterd Zeeland, 226. De Wind, Bibl. der Nederl. Geschiedschr. I. 502, 595 vlg. Eenige bijzonderheden uit zijn leven geeft Vrolikhert, Vlissingsche Kerkhemel, Voorr. XVII. Hij overleed in November 1622. Reeds in de volgende maand werd door de Classis van Zuidholland aan Lydius de voortzetting van dit werk opgedragen.

387. Engelbertus Breberinus.

Een Engelbertus Breberinus van Dyk overleed als predikant te Maastricht in 1680; diens vader Johannes Breberinus van Dyk is in 1674 als predikant te Gulpen gestorven. De onze (bij Kist, Archief voor Kerk. Geschiedenis, IV. 126, Breberenus geheeten) werd predikant te Aken en Praeses der Guliksche Synode. Een getuigschrift door hem afgegeven komt voor in het Archief, t.a. pl. 216.

388. Hermannus Kockius.

Uit de Act. Facult. Philos. MSS. is mij gebleken, dat bij het examen van 14 Junij 1604 onderscheidene jongelingen tot den graad van Bacularius werden bevorderd, waaronder N. 8: Hermannus Kockius Belga Daventriensis.

392. Hobbius ab Aylva.

Kan niet de bekende Curator der Friesche Hoogeschool zijn, want deze had in 1604 reeds den ouderdom van 22 jaren bereikt en zou alzoo beëedigd zijn geworden. Waarschijnlijk is de hier ingeschrevene de jongste zoon van Epe van Aylva, die in 1594 overleed.

393. Hermannus Ravensperger.

De bijvoeging ‘ob aetatcm iniuratus’ is zeker een vergissing; immers hij was 30 September 1586 te Siegen geboren. Vgl. Effigies et Vitae Profess. Acad. Groning. et

[p. 154]

Oml. (Gron. 1654) 61. Het komt mij waarschijnlijk voor, dat hij te Heidelberg zich nog uitsluitend met de regtsstudie heeft bezig gehouden, en toen hij besloot, zich aan de Godgeleerdheid te wijden, tot de Herbornsche Akademie en de lessen van Joh. Piscator terugkeerde. Waarom toch is aan dezen beroemden geleerde eene plaats ontzegd in het Godgeleerd Nederland van Glasius?

395. Helias Putschius.

Putschius had reeds zijne studiën aan de Hoogescholen te Leiden, Jena en Leipzig voltooid, en den ouderdom van vijfentwintig jaren bereikt, toen hij zich naar Heidelberg begaf, om partij te trekken van de hulp van Marquardus Freherus en Janus Gruterus voor de bearbeiding van zijne Grammaticae Latinae auctores antiqui, die in 1605 te Hanau het licht zagen. Het is overbekend, dat hij reeds 9 Maart 1606 overleed. Vgl. Melch. Adami Vit. Philosoph. 457. Paquot, IV. 1. Hoeufft, Parn. Lat. Belg. 124, die van zijne studie te Leiden niet spreekt. Hij werd er ingeschreven 17 Febr. 1599: Elias Putzius, Antverpiensis, ann. XVIII. Stud. Lit.

396. Stephanus a Blitterswyk.

Kleinzoon van den gelijknamigen Leidschen edelman, die voorkomt bij d'Yvoy van Mydrecht, Verbond en Smeekschrift der Edelen, 2, 65.

398 en 399. Reinoud en Willem van Oldenbarnevelt.

Schwab schrijft de namen der beide zonen van den lands-advokaat Oldenbernevelz.

In September 1608 was de Heer van Stoutenburg,

[p. 155]

destijds heer van Cralingherpolder, in dienst getreden bij François d'Aerssen. Vreede in Nyhoff's Bijdr. v. Vaderl. Geschied. en Oudheidk. N.R. III.

400. Joannes Meursius.

Het is bekend, dat Meursius tien jaren lang de letteroefeningen van Reinier en Willem van Oldenbarnevelt geleid heeft en hen vergezelde op hunne buitenlandsche reizen. Vgl. J.V. Schramm, de Vita et scriptis Jo. Meursii patris. (Lips. 1715.) p. 9. Op zijn reis door Frankrijk verwierf hij zich in 1608 te Orleans den graad van J.U.D.

403. Arnoldus von Augsthorn.

De Rector heeft waarschijnlijk den naam des jongelings verkeerd verstaan: het zal moeten heeten: Arnoldus van Oudshoorn. In dit zelfde jaar 1606 was Pieter de Vlaming van Oudshoorn een der rekenmeesters in de Regering te Amsterdam.

404. Wernerus Teschenmacher.

Deze, de schrijver der Annales Cliviae, Gelriae et Zutphaniae, werd predikant te Sittard, waar hij ambtgenoot was van Joh. Smetius. Kist, Arch. v. Kerk. Gesch. IV. 126. Paquot (Mémoires, III. 15) maakt van zijn verblijf te Sittard geen melding, maar zegt, dat hij in 1610 te Grevenbroich stond, later te Kanten en eindelijk te Kleef, waar hij in 1618 het beroep naar Deventer ontving, dat hij van de hand wees. Vgl. Revii Daventr. illustr. 610. Ik kan hier uit de Acta Facult. Philos. MSS. bijvoegen, dat hij den 16 Februarij 1609 door Aemilius Portus tot Artium Magister werd bevorderd. Hij is te Wezel in 1638 overleden.

408. Petrus Santinus.

Bij Schwab, 214, heet hij Sandinus. Hij werd in-

[p. 156]

geschreven onder het Rectoraat van den beroemden Dionysius Gothofredus.

409. Jacobus Laurentius.

De bekende bestrijder van het Jesuïtisme, geboren te Amsterdam in 1584, predikant te Oude-Niedorp (1612), Diemen (1613), Hoogcarspel (1617), Naarden (1618), Amsterdam (1621). Ter laatstgenoemder plaatse is hij 19 Maart 1644 overleden. Vgl. de schrijvers aangehaald bij van der Aa, Alg. Biogr. Woordenb. in v. 209.

410. Bernardus Julsingh.

Hij studeerde eerst te Herborn, van waar hem een latijnsch getuigschrift van vlijt en goed gedrag den 5 April 1606 door Rector en Professoren werd medegegeven, dat nog in het Archief te Groningen berust. Zie Feith, Register, III. 247.

411. Everdus Boner.

Dr. Everardus Boner werd 19 September 1610 als Advokaat bij het Hof van Friesland beëedigd, daarna Pensionaris van Leeuwarden en 1623 Raadsheer in genoemd Collegie. Hij was de zoon van Albert Boner en Jaycke Dircks en is in 1639 overleden. Vgl. Stamboek van den Frieschen Adel, I. 369. II. 257. Frisia Nobilis, 94.

413. Reinerus Bogerman.

Zoon van Johannes Bogerman den ouden, predikant te Harlingen in 1614, overleden 12 Augustus 1636. Greydanus, Naamlijst, 44. Van elders is bekend, dat hij in 1582 was geboren en in 1602 als student te Franeker werd ingeschreven. Vriemoet, Athen. Fris. 269. Over zijn ouderen broeder Johannes zie boven, N. 346.

415. Guinandus Rutgersius.

Belangrijke bijzonderheden hem betreffende behelzen

[p. 157]

de MSS. Acta Facultatis Philosophicae. Wij hopen ze elders meê te deelen.

417. Stephanus Corcellius.

Zóó en niet Curcellaeus schijnt hij zich destijds geschreven te hebben. Te Heidelberg ontving hij het berigt van 't overlijden van Arminius, dat hem de reis naar Leiden deed opgeven.

418. Guilielmus Berdesius.

Ongetwijfeld Willem Bardes, de zoon van Willem Bardes, wien de Regering van Alkmaar in 1574 had aangeboden, zoo hij zich daar ter stede wilde vestigen, ‘exemptie van alle officiën en burgerlijke lasten.’ Den zoon werd in 1603 door de Staten van Holland eene rente van 200 illustratie

toegelegd, wegens eene schuldvordering die zijn grootvader ten laste der stad Amsterdam had. Vgl. v.d. Aa, Alg. Biogr. Woordenb. II. 118.

421. Georgius Klaphower.

In 1613 werd hij, proponent zijnde, tot predikant te Terborgh beroepen, vanwaar hij in 1626 naar Lochem vertrok. Hij overleed in 1637. Vgl. over hem en zijne afstammelingen De Jongh, Naamlijst, 99 en 343.

 

Uit de Acta Facult. Philos. van dit jaar (1610) blijkt nog het een en ander met betrekking tot een in deze lijst niet voorkomenden Nederlander, Gerard de Neufville. ‘A Paschate praeterito (zoo lezen wij daar), cum M. Georgius Pauli extraordinariam Mathematices professionem resignasset ac nobis consentientibus vacuam reliquisset, deliberare coepimus, qua ratione loco vacanti prospiceretur. Operam suam ad extraordinariam Mathematices professionem offerebat M. Gerardus de Neufville Belga; ordinariam autem professionem petebat M.

[p. 158]

Juarius Stubbaeus Danus, ex schola Hafniensi detrusus, et nobis a pluribus commendatus. Ille ob iuvenilem aetatem et quod studia mathematica numquam exercuisset, hic autem ob senium, in quo iamdudum Mathesi valedixisset, ad professionem idoneus minime videbatur. Quare facultas philosophica decrevit, in hoc laborandum esse, ut loco vacanti per ordinarium Professorem prospiceretur: nec amplius extraordinarii lectores admitterentur. Sed M. de Neufville denuo institit, ut sibi liceret mathemata docere. Facultas igitur nostra permisit, ut diebus canicularibus, quibus nullae aliae habentur lectiones, se exerceret.’

423 en 424. Jacobus en Hero Mauritius Ripperda.

Een placaat of mandement tot het herstellen van paalwerk bij Oterdum door deze beide broeders afgegeven (October 1616) vermeldt Feith, Register, III. 316. Van Jacob Ripperda, te Delfzijl, wordt een rekest, aan burg. en raad door de Staten-Generaal toegezonden (1637) vermeld, ald. IV. 41, vgl. IV. 83.

Hero Maurits van Farmsum huwde eene dochter van Edzard Rengers tot Hellum. Zie Feith, III. 346. In 1630 verkreeg hij de regten en heerlijkheden te Delfzijl, die Carel Victor en Willem Ripperda hadden bezeten en verkocht hij aan de gecommitteerden der Ommelanden al zijne heerlijkheden en regten te Delfzijl, Holwierda, Uitwierda, Solwerd enz. Feith, ald. III. 392, 396.

426. Antonius Aemylius.

Hier mag ik verwijzen naar het opstel van Dr. Schotel over Ant. Aemilius, in de Utrechtsche Volks-Almanak voor 1845, 97 vlg., waarbij men voege wat dezelfde

[p. 159]

heeft aangemerkt in zijne Illustre School te Dordrecht. Uit Burman's Traiectum Eruditum heeft vooral Dr. Ekker geput in zijn werk: De Hieronymusschool te Utrecht (Utr. 1863) I. 91 vlg. Voor Nalezingen geven niet alleen de Orationes maar ook de briefwisseling van Vossius stof in overvloed. Intusschen was het bekend, dat hij in 1611 zijnen togt naar eenige buitenlandsche Hoogescholen aanvaardde; alzoo heeft hij Heidelberg het eerst bezocht.

427. Johannes Rosaeus.

Hij werd in 1617 predikant te Lekkerkerk en vertrok later naar Pruissen, als prediker bij het leger. In 1637 herwaarts teruggekeerd werd hij predikant te Sydervelt, waar hij in 1658 overleed. Soermans, 72, 152.

428. Johannes Macovius.

Nadat hij te Dantzig en te Praag onderwezen was, woonde hij te Heidelberg, te Marburg en in andere Universiteitssteden de lessen bij. Bijna overal liet hij zich in het strijdperk zien, inzonderheid te Heidelberg: ‘ubi (zegt Vriemoet, Athen. Fris. 152) quum Barthol. Coppenium ad colloquium provocassent Jesuitae Spirenses, illius loco, quem dimittere ad eos recusabat Princeps, Spiram profectus est, veritatis defendendae causa.’

429. Johannes Andreas Corputius.

Zoon van Hendrik van den Corput en Heylwig Heymans. Hij was 18 Januarij 1592 te Dordrecht geboren. Schotel, Kerkelijk Dordrecht, I. 158.

430. Livius Scheltinga.

Den 22 October 1613 legde hij den eed af als Advokaat bij den Hove van Friesland. Later werd hij Secretaris van de Provinciale Rekenkamer, eindelijk Secretaris van dat Collegie. Hij overleed 18 December 1650.

[p. 160]

431. Johannes Scheltinga.

Zoon van Theodorus Livii van Scheltinga en Tryn van Tiara. Hij werd in 1628 Procureur-Generaal bij den Hove van Friesland, in 1637 Raadsheer in dat Collegie en overleed 15 Dec. 1654. Stamb. I. 320. II. 215.

432. Matthias a Viersen.

Uit de spelling met één s in het Album durf ik geene gevolgtrekking afleiden ten aanzien der herkomst van dit geslacht. Zie echter Stamb. v.d. Fr. Adel, I. 330. De hier bedoelde was de zoon van Willem van Viersen en Titia Gothofredi. Den 7 Nov. 1607 was hij in het Franeker Album ingeschreven. Dat hij niet lang te Heidelberg vertoefd heeft, blijkt daaruit, dat hij reeds 3 September 1614 als Advokaat bij het Hof van Friesland den eed aflegde. In 1625 werd hij Raad in den Hove, later lid der Staten-Generaal en Gezant bij het Hof van Denemarken. Hij stierf 19 Maart 1655.

434. Heinricus Johannes.

Hier is waarschijnlijk de achternaam in de pen gebleven. Ik durf eene gissing wagen, en het vermoeden uiten, dat die naam Rhala is. Vriemoet zegt, Athen. Fris. 194: ‘Venit noster Henricus Joan. Rhala ad Academiam patriam an. 1606, studiosus philosophiae. Qua cum reliquis ad veram eruditionem Juridicam propaedeuticis, sedulo tractata, in Juridicis, ut Lyclamae procul dubio, sic collegae eius Timaei Fabri institutione usus est. Forte quoque ab a. 1610 Paulli Busii, nisi tunc ad exteras quoque visendas Academias iam fuerit peregrinatus. In quibus placuit ipsi Basileensis, in qua honorem doctoralem Utr. Juris impetraret.’

[p. 161]

Is het alzoo onzeker, of Rhala in 1610 of 1611 naar Duitschland is vertrokken, staat het vast, dat hij in 1614 als advokaat te Leeuwarden zich heeft gevestigd, na te Bazel het Doctoraat erlangd te hebben, zoo wordt het meer dan mogelijk, zelfs waarschijnlijk, dat hij, gelijk vele zijner gewestgenoten, ook Heidelberg heeft bezocht. Zie over dezen Henricus Rhala, v. Sminia, Overzigt van twee Alba amicor., in de Vrije Fries, VIII. 62.

437. Osenbrandus Rengers.

Van Slochteren geboortig is hij in 1641 benoemd tot Ridder der Orde van St. Michiel. Feith, IV. 62. In 1657 Luitenant in de hoofdmannenkamer, IV. 127. Eene verklaring van den Prins Stadhouder en de Prinses (29 Febr. 1660) dat zij aan Rengers groote verpligting hadden en hem en zijne kinderen steeds zouden voorthelpen, met tegenbelofte van zijnen kant, wordt vermeld ald. IV. 149. In 1677 gevangen genomen. IV. 230, 232.

438. Godefridus Cornelii Elbertides.

In 1614 als proponent te Velp en Rozendaal beroepen, in plaats van Otto van Heteren. Hier bleef hij tot 1620 of 1621. Vgl. De Jongh, Naamlijst, 148, 295.

440. Kempo Donia.

Zoon van Kempo Donia en Doed van Holdinga, in 1593, vier weken na zijns vaders overlijden geboren. Stamb. II. 100. Hij was de kleinzoon van Syds van Donia, die het verbond der Edelen teekende. Te Water, II. 337. Vader en Grootvader hebben beide het laatste deel huns levens in Duitschland doorgebragt.

442. Nicolaus Guilsnigk.

Lees: Julsingh.

444. Joannes Gebhardus.

Over zijn verblijf te Heidelberg valt het een en ander

[p. 162]

mede te deelen, ook na al hetgeen voorkomt in de Vitae et Effigies, p. 102 vlg. Talrijke bijzonderheden zijn verzameld in het Programma van den geleerden doch van allen smaak ontblooten Heidelbergschen Rector J.H. Andreae, de Jano Gebhardo, (Heidelb. 1780,) dat thans reeds zeldzaam is geworden en waarvan ik alleen op de Heidelberger Bibliotheek een exemplaar heb aangetroffen. Alleen zij hier bijgevoegd een uittreksel uit de berigten die ik ten zijnen aanzien in de Acta Facultatis Philosophicae MSS. vond, waaruit blijkt, dat hij reeds in 1619 (alzoo vóór zijn vertrek naar Marburg) te Heidelberg voor een professoraat in aanmerking kwam; de eerste teleurstelling, waarop eene geheele reeks volgde. ‘1619. 30 Octobris deliberatio instituta fuit de professione Oratoria et Poetices, quae iusto tempore vacaverat. Nominavit Decanus collegis tres, M. Conradum Schoppium Rectorem Neuhusianum, M. Melchiorem Adamum conrectorem Paedagogii Heidelbergensis, et Janum Gebhardum, qui petierat. Quia vero de mente Adami non constabat, utrum vocatus conditionem accepturus esset, placuit, M. Schoppium et Gebhardum Senatui Academico nominandos esse, id quod factum. Et ab universo Senatu Schoppius electus fuit.’

446. David du Mortir.

Uit zijn geslacht is waarschijnlijk de bekende Leydsche boekhandelaar gesproten. Als leeraar aan de school te Nymegen vinden wij hem op het jaar 1616 vermeld in Heyster's Register der Classikale Acten van Nymegen, bij Kist, Nederl. Arch. IV. 9.

447. Johannes Palmerius.

In 1617 werd hij beroepen tot predikant te Eibergen;

[p. 163]

vandaar vertrok hij in 1620 als Engelsch garnizoens-prediker naar Zwolle, waar hij in 1629 overleed. Vgl. de Jongh, Naamlijst der Predikanten onder het Geldersche Synode. (Leyd. 1750). 384. Moonen, Naamlijst, 58.

448. Joannes Kloppenburg.

Reeds den 24 Julij 1613 verdedigde hij hier zijne Positiones de Filii Dei Divinitate, onder voorzitting van Barth. Coppenius. Vriemoet, 374. Vgl. N. 246. van de lijst van Genève.

451. Joannes Heinsius.

In 1634 pred. te Katwijk aan Zee, in 1637 aan de Gasthuis Kerk te Delft. In 1642 vertrok hij naar Vlaardingen; in 1646 naar Gouda, waar hij in 1653 overleed.

452. Matthias Meursius.

Broeder van den Hoogleeraar J. Meursius, werd later Notaris te Amsterdam.

453. Timotheus Rolandus.

Zoon van Jacobus Rolandus, die in 1594 als predikant van Frankenthal naar Delft ging. De onze wordt niet vermeld bij Schotel, Kerkelijk Dordrecht, I. 494.

455. Jodocus Scheltinga.

Jongere broeder van Johannes. Onder voorzitting van Reinh. Bachovius verdedigde hij eene Disp. de petitione hereditatis, die opgenomen is in de Notae et Animadversiones van dezen ad Disputationes Hieron. Treutleri JCti, Heidelb. 1617. 4. I. 552 vlg. Den 19 November 1618 werd hij als Dr. Justus Scheltinga in de Matrikel der Advokaten bij den Hove van Friesland ingeschreven. Een en ander dient tot aanvulling van het Stamboek, I. 320.

[p. 164]

456. Wessenus Emmius.

Lees: Wesselus Emmius, zoon van den beroemden Ubbo Emmius en Margaretha van Bergen, in 1654 overleden. Hij was te Leer geboren, en werd in 1620, nog proponent zijnde, predikant te Groningen. Vgl. Brucherus, Gedenkboek, 11.

459. Daniel Sinapius.

Bij Schwab, 222. Jacobus geheeten. Hij studeerde eerst te Leyden. Eene rede van hem komt voor onder de Orationes inaugurales habitae cum Facultas Theologica et Collegium Illustrium Ordinum a Curatoribus instaurarentur. L. 1610. 4. Hij werd eerst de opvolger van Barlaeus als onderregent van het Staten-Collegie en later buitengewoon Hoogleeraar in de Zedekunde te Leyden. Vgl. Siegenbeek, Gesch. d.L.H. I. 113. II. 120. 187. Soermans, Acad. Reg. 123. Meurs. Athen. Batav. 350. Hij overleed te Leyden, 29 October 1638.

460. Henricus Geldorpius.

Bij Schwab, 222. Goldorpius genoemd, was de zoon van Gosuinus Geldorp, predikant te Sneek (1596-1612) en te Amsterdam (1612 - † 11 Augustus 1627). Hij zelf was te Sneek 1 December 1600 geboren en werd predikant te Oostzanen (1625), Leeuwarden (1625) en Amsterdam (1628), waar hij in October 1652 overleed. Croese, Kerk. Reg. 53, die ook van zijne psalmberijming melding maakt.

461. Daniel Goykerus.

Waarschijnlijk een zoon van Jodocus Goikerus, die in 1584 predikant te Kampen werd. Een Georgius Goycherus Campensis komt in 1624 in het Groninger Album voor als theol. studiosus.

[p. 165]

462. Livius Harenius.

Komt niet voor op de geslachtlijst der van Haren's in het Stamboek van den Frieschen Adel.

464. Hadrianus Velsen.

Deze naam kan dienen tot aanvulling van de lijst der leden van dit geslacht in het Stamboek van den Frieschen Adel, I. 398.

465. Nicolaus Wedelius.

Uit de dagteekening blijkt, dat Vriemoet, Athen. Fris. 327, zich vergist, als hij schrijft: ‘Inde (mater) annos natum XIV misit Heidelbergam.’ Immers Vedelius was in 1596 geboren. Van zijn verblijf te Heidelberg gewaagt dezelfde, de berigten volgend door Matthias Pasor en zijn eigen Levensberigt gegeven en door Maccovius in de lijkrede op Vedelius medegedeeld. Uit het Livre du Recteur, 374, zien wij tevens, dat Vedelius niet in 1617 maar eerst in 1618 het Professoraat te Genève heeft aanvaard. Zie voorts Revii Daventria illustr. 686 sq.

466. Justus Reiffenberg.

Vriemoet wist alleen dat hij te Bremen studeerde in 1614. Thans weten wij dat hij vandaar naar Heidelberg vertrok. Hier is hij tot J.U.D. bevorderd, na openbare verdediging eener Disp. e substitutionum materia. Heidelb. 1614. 4. die op de Akademische Bibliotheek aldaar wordt aangetroffen.

468. Meinardus Gevikerus.

Welligt Goykerus of Goikerus, en een broeder van Daniel, op het jaar 1614 vermeld, N. 461.

470. Matthias Pasor.

Over de studiejaren van dezen Groningschen Hoogleeraar zijn ons vele bijzonderheden medegedeeld door

[p. 166]

den bescheiden geleerde in zijne Autobiografie. Zijne lotgevallen zijn zoo door Glasius in het Godgeleerd Nederland als door Boeles in Jonckbloet's Gedenkboek (21) beschreven.

Dat hij te Heidelberg gestudeerd heeft, na eerst te Herborn en Marburg onderwijs te hebben genoten, was uit de Effigies et Vitae bekend. Reeds in het volgende jaar 1617, werd hij met Vedelius hier tot Philosophiae Magister bevorderd. Vgl. de schrijvers aangehaald door Boeles, in Jonckbloet's Gedenkboek, 21. Dat hij niet in 1619, maar in 1620 te Heidelberg tot Hoogleeraar in de Wiskunde (niet in de Natuurkunde) werd aangesteld, en dat hij niet eerst extraordinarius is geweest, blijkt uit navolgend uittreksel uit de Acta Fac. Phil. MSS.: ‘1620. 29 Januarii. Ad professionem Mathematicam (in locum Cl. Viri M. Christophori Jungnitii, qui superioris anni mense Augusto ad Physicam et Historicam Professionem transierat) ex consilio Facultatis Philosophicae hac de re habito Senatui Academico nominati et commendati Cl. Vir M. Bartholomaeus Schröterus Coswigio - Anhaltinus, Professor Servestanus, a Mathematicis doctrinis celeberrimus, et doctiss. Juvenis M. Matthias Pasor Herbornensis Nassovius, cum in aliis Philosophiae partibus, tum etiam in hoc studiorum genere versatissimus et expeditissimus: quo quidem tempore in eam itum est sententiam animum M. Schröteri per literas Decani Fac. Phil. tentandum et explorandum, qui si ab hoc munere acceptando non futurus esset alienus, primas ipsi tribuendas aliisque praeferendum; in contrarium autem eventum, Professionem hanc M. Matthiae Pasori committendam. Tentato Schröterio animo cum gratias egisset causasque excusationis, literis suis,

[p. 167]

exposuisset, Senatus Academicus in priori sententia et decreto persistens, ad petitionem Senatus philosophici M. Matthiam Pasorem ad professionem Mathematicam ordinariam jam ante in eventum electum consentientibus suffragiis in eadem 22 d. Aprilis confirmavit; qui proinde in numerum etiam Consiliariorum Fac. Phil. consueto prius juramento praestito 3 d. Maii ascitus, octavo die eiusdem mensis ab inaugurali oratione Professionis sibi legitime demandatae fecit initium.’

472. Lubbertus a Westrenen.

Bij Schwab, 224: Lubertus a Westernen.

473. Adamus Petrus ab Eysingha.

Den 7 Mei 1614 werd hij te Franeker als student ingeschreven: hij heette Adamus Petri ab Eysinga. Hij was de zoon van Pieter van Eysingha Grietman van Rauwerderhem en Womck van Heringa. Hij werd in 1634 Grietman van Leeuwarderadeel en † 30 December 1636. Stamb. I. 100. II. 66.

474. Adamus Tjallingii ab Eysingha.

Zoon van Tjalling van Eysingha, een met lof bekend regtsgeleerde. Vgl. Frisia Nobilis, 98 vlg. Gab. de Wal, Orat. de clar. Frisiae JCtis. De onze was in 1596 geboren en overleed op jeugdigen leeftijd.

475. Johannes Fungerus.

Vermoedelijk een zoon van den Leeuwarder Rector Johannes Fungerus over wien men bijzonderheden vindt opgeteekend bij Gab. de Wal, de clar. Frisiae JCtis, 40 vlg. Welligt heeft hij zich Iangen tijd buiten's lands opgehouden; althans eerst 4 Januarij 1625 vind ik in het Album der Akademie te Franeker ingeschreven: ‘Johannes Fungerus Leovardiensis.’ Over den

[p. 168]

vader vgl. ook Boot, de historia Gymnasii Leovardiensis, 7 sqq.

476. Johannes Matthaeus.

Deze wordt hier vermeld, omdat hij de zoon was van den Groningschen Hoogleeraar Antonius Matthaeus en Elisabeth Schuler. Tevens blijkt hieruit de dwaling van Strieder, Hessische Gelehrten Geschichte, VIII. 273, dat hij te Herborn zou geboren zijn; in het laatst van 1596, toen hij ter wereld kwam, was de Herbornsche Akademie tijdelijk te Siegen gevestigd. Hij was de de oudere broeder van den beroemden Utrechtschen professor; zelf werd hij in 1623 tot Hoogleeraar in de regten te Herborn beroepen. Als zoodanig werd hij naar de Nederlanden gezonden, om eene collecte ten behoeve der zwaar geteisterde Akademie te doen. Hij overleed in den bloei der jaren te Cassel, in October 1635, waar hij in den laatsten tijd zijns levens als Hoogleeraar aan het Collegium Mauritianum werkzaam was.

477. Johannes Lempereur.

Broeder van Constantinus Lempereur van Oppyck, en even als deze te Bremen geboren. Hij werd predikant te Leyderdorp 1619, te Brielle 1621, te 's Gravenhage 1629, waar hij 22 Augustus 1637 overleed. Hij had Abigael Thysius, dochter van den Hoogleeraar Ant. Thysius gehuwd. Een gedenkteeken werd op zijn graf in de Kloosterkerk opgerigt. Zie Soermans, Kerk. Reg. 57, 110, 128. D. Knibbe, Davids vermaning aan zijnen zoon (Leid. 1693) in de Voorrede.

479. Levius Hilarii.

Zoon van Hilarius Sibrandus. Als theol. stud. was hij 3 Mei van dit jaar 1616 te Groningen ingeschre-

[p. 169]

ven. Er schuilt een fout bij Columba en Dreas, die zeggen, bl. 184. dat hij in 1612 predikant werd te Ternaard. In Oct. 1633 vertrok hij naar Bolsward, in Mei 1644 naar Leeuwarden, waar hij in 1656 overleed. Grevenstein, Naamlijst, 7. Laurman, Naamlijst, 10. Bij Columba heet hij gelijk in het Heidelb. Album; bij de overigen Hilarius.

480. Arnoldus Martini.

Dezelfde, die in het Livre du Recteur no. 257. voorkomt.

482. Abdias Widmarius.

Bekend was het dat Abdias Widmarius (eigenlijk Wedemeyer) te Marburg, Giessen, Herborn en Heidelberg zich op de klassieke letteren en godgeleerdheid heeft toegelegd, en dat hij inzonderheid ter laatstgenoemder plaatse, waar hij zijne studiën voltooide, een ijverig leerling van Hendrik Alting was. Hij was destijds niet zoo jong meer: want den 13 September 1591 was hij te Lemgo geboren. Lang kan hij echter niet te Heidelberg gebleven zijn, gelijk ons nu blijkt; immers reeds in 1618 werd hij predikant te Altdorf. Inmiddels had hij kennis gemaakt met Sara, de dochter van den Franschen predikant Bourgeois te Heidelberg; zij werd in 1619 zijne levensgezellin. Zie voorts Boeles, in Jonckbloet's Gedenkboek, 32 en de aldaar aangehaalde schrijvers.

483. Albertus Hooftman.

Hij had zich vroeger te Groningen op de regtsstudie toegelegd, waar hij 13 Maart 1615 (op den eersten dag der inschrijving) in het Album vermeld staat. Hij werd later Burgemeester van Groningen. In het Archief te Groningen berusten verschillende stukken betrekkelijk

[p. 170]

beleedigingen, hem door den predikant R. Oving aangedaan. Zie Feith, Register, IV. 65, 98, 102.

486. Joannes a Felsing.

Waarschijnlijk Johannes van Velsen. Zoon van Wilhelmus van Velsen en Eva van Tiara. In 1621 komt hij reeds als Advokaat te Leeuwarden voor, in 1626 als Secretaris van Leeuwarderadeel. Vgl. Stamb. I. 399. II. 277.

 

Gedurende den loop dezes jaars (1617) bereikte het aantal der nieuw ingeschrevene studenten een buitengewoon cijfer: 230 werden door den Rector Simon Opsopaeus in de Matricula opgeteekend, meerendeel vreemdelingen uit alle streken van Europa. Weldra moest een tijdvak van droevigen achteruitgang aanvangen en de oorlog deze beroemde Hoogeschool met den ondergang dreigen. In 1622 werden nog 23, in 1623 slechts 2, in 1624 4 studenten ingeschreven.

491. Jacobus de Blocq.

Afkomstig uit een tak der Gentsche familie de Blocq, waarvan, nadat Johan de Blocq door Karel V tot Burgemeester van Franeker was aangesteld, een andere tak in Friesland zich voortplantte. Vgl. Stamb. I. 39. II. 36.

492. Petrus Eising.

Later Burgemeester van Groningen. In het Archief aldaar bevindt zich een HS. bevattende stukken hem betreffende, no. 180. Zie Feith, Register, V. 169.

493. Johannes Camp en Lubinus Fockens.

‘Facto dein itinere, cum duobus adolescentibus Frisiis, Martini Fockens Praetoris Opsterlandici et G. Gerhardi Campii civis primarii et Aedilis Leovar-

[p. 171]

diensis, filiis, quorum moderanda studia ipsi (Joanni Hachtingio) commissa, per Germaniam; Herbornac Joannem Piscatorem, patris sui quondam praeceptorem, Heidelbergae Abrahamum Scultetum et Henricum Altingium, perque Helvetiam et Galliam, Basileae, Genevae et alibi, visis porro insignioribus Galliae urbibus, viros celebres audivit.’ Vriemoet, l.l. 223. Toch treft men de namen dezer drie mannen in het Rectorsboek te Genève niet aan.

495. Johannes Hachtingius.

Hachting, te Leeuwarden 16 Febr. 1594 geboren, was 4 Maart 1611 te Franeker als student ingeschreven. Vandaar had hij zich naar de kort te voren opgerigte Hoogeschool te Groningen begeven, waar hij 26 Maart 1616 in de Naamrol werd opgeteekend en Mulerius, Emmius, Ravensperger en Gomarus tot leermeesters had.

496. Adrianus Clant.

Van Stedum. Feith, Register, IV. 162. Hij was uit de Ommelanden afkomstig, gelijk blijkt uit zijne inschrijving als Phil. stud. in het Groninger Album, 10 April 1616.

497. Jacobus Buttinga.

Zoon van Cornelis Buttinga, Secretaris van Tietjerksteradeel. Den 9 November 1620 legde hij den eed af als Advokaat bij den Hove van Friesland.

501. Johannes de Brune.

Waarschijnlijk dezelfde, die 18 Maart 1615 te Groningen als student werd ingeschreven. Maar hoe komt het, dat hij daar Hollandus heet?

Een andere Johannes de Brune, wiens geboorteplaats en studievak onbekend is, komt aan de Groninger

[p. 172]

Hoogeschool, 26 Jan. 1618 voor, en deze is welligt de hier bedoelde.

504. Otto Schwaneburgius.

Zoon van Cornelis Swanenburgh. In 1623 werd hij te Eemnes tot predikant beroepen, doch reeds in het volgende jaar is hij overleden. Voet, Naamlijst, 67.

505. Arnoldus Schive.

Hij was theologant en had eerst te Groningen gestudeerd, waar hij onder de eerst ingeschrevenen (13 Maart 1615) behoorde.

506. Abrahamus Heydanus.

In 1597 te Frankenthal geboren en eerst op het Waalsche Collegie te Leiden onder Daniel Colonius gevormd. Dat hij na in 1618 proponent bij de Waalsche Synode te zijn geworden onderscheidene buitenlandsche Hoogescholen bezocht, is bekend: ook dat hij later (doch vruchteloos) tot Hoogleeraar in de Godgeleerdheid te Heidelberg werd beroepen. De lotgevallen en rampen van dezen beroemden Leidschen Hoogleeraar zijn dikwerf beschreven. Vgl. Bayle in v. Glasius, II. 49-54. Allg. Biogr. Wb. in v.

507. Daniel de Marees.

Ongetwijfeld dezelfde die in het Album van Genève (no. 262) als Daniel de Maraes voorkomt. Zijn Album is nog te Haarlem bij Dr. A. van der Willigen Pz. aanwezig.

508. Antonius ab Harinchouck.

In 1622 werd hij predikant in de Rijp, vanwaar hij in 1629 (volgens anderen 1628) naar Amersfoort vertrok. In 1633 aanvaardde hij zijn dienstwerk te Amsterdam, waar hij, naauwelijks zes en dertig jaren oud, den 25 Fe-

[p. 173]

bruarij 1636 overleed. Vgl. Voet, Naamlijst, 60. Croese, Kerk. Reg. 56.

511. Henricus a Diest.

Het is bekend, dat van Diest zich van Heidelberg naar Bazel heeft begeven, waar hij in 1621 tot Theol. Doct. werd bevorderd. Vgl. Revii Daventr. illustrata, 714. Bouman, Geschiedenis der Geldersche Hoogeschool, I. 65.

510. David Rotheus.

Volgens Croese, Kerk. Register, 69 is hij in 1596 geboren en zeer lang proponent gebleven; immers eerst in 1650 is hij, op aanbeveling van den Commissaris-Politiek, tot predikant in zijn geboortestad beroepen. Hij overleed 5 Augustus 1655.

513. Abrahamus Kimedoncius.

Geboren tusschen 28 April 1608 en 19 October 1613; want gedurende dien tijd was zijn vader Abraham Kimedoncius Rector te Creuznach. Vgl. Andreae, Crucenacum Palatinum. 503.

516. Fridericus d'Orville.

Hij was den 9 September 1615 als student te Groningen ingeschreven.

 

Een tijdperk van dertig jaren staat hier open. De verovering der stad door Tilly in 1622 had aan het bestaan der Godgeleerde Faculteit dadelijk een einde gemaakt: de Hoogleeraren der andere Faculteiten voor zoo verre zij zich niet naar elders hadden begeven, bleven in naam nog werkzaam en behielden voorloopig hunne jaarwedde. In 1629 trachtte Keurvorst Maximiliaan van Beijeren eene nieuwe uitsluitend katholieke Universiteit op de puinhopen der ingestorte Protestantsche Hoo-

[p. 174]

geschool te stichten; Baumann, Hann, Holland en andere Jesuïten namen de ledig staande leerstoelen in, terwijl Reinhard Bachovius en Christophorus Jungnitius tot het katholicisme overgingen. Wel werd de stad in 1633 door de Zweden heroverd, wel werden de nieuwe Professoren genoodzaakt te vertrekken, wel haastte zich Bachovius weêr de hervormde geloofsbelijdenis af te leggen, maar aan eene herstelling van den Muzentempel was vóór den Westphaalschen vrede niet te denken. De nieuwe Universiteit werd in tegenwoordigheid van den Keurvorst Karl Ludwig den 1 November 1652 plegtig ingewijd. Wel mogt de feestredenaar Ps. 118 vs. 24 en 25 tot tekst van zijne toespraak kiezen!

517. Johannes Rhala.

Geboren 9 Februarij 1630. Hij studeerde eerst van 1646-1651 te Franeker, vertrok van daar naar Leyden, bezocht vervolgens in 1652 de Hoogeschool te Straatsburg, daarna die te Heidelberg en eindelijk die te Basel, waar hij den 11 October 1653 door den bekenden Hoogleeraar Brandwyller, die een gedicht ter zijner eere maakte, tot J.U.D. werd bevorderd, na openlijke verdediging van een proefschrift de concursu actionum. Basil. 1653. 4. Den 8 Junij 1654 werd hij als Advokaat bij den Hove van Friesland, waarvan hij later een sieraad was, ingeschreven. Zie voorts Gab. de Wal, de clar. Frisiae JCtis, Adnot. 233. Sminia, Naaml. 71. Vriemoet, Athen. Fris. LXXVII en 196 vlg. Den 8 Januarij 1654 deed hij zijn eed als Advokaat bij den Hove, waarin hij later den raadsheerszetel innam. Zie over zijn Album amicorum van Sminia, Vrije Fries, N.R., II. 70 vlg.

[p. 175]

518. Sebastianus Schelkens.

Later Hoogleeraar te Franeker. Hij had vroeger onder Cyriacus Lentulus te Herborn gestudeerd en werd in 1656 na verdediging van eene disp. de Societate te Basel tot J.U.D. bevorderd. Vgl. Vriemoet, 577 vlg., die aanteekent, dat hij te Heidelberg de trouwe leerling van Chuno en Luneschloss was.

520. Johannes Hotton.

Zoon van Godfried Hotton, in 1632 predikant te Limburg in Gelderland, in 1634 Waalsch Pred. te Amsterdam.

522. Henricus a Diest.

Bij Schwab, vind ik in dit jaar nog vermeld: Paulus Jacobus Groock, Medioburgo - Zeelandus. Philippus Wilhelmus Weidnerus, Noviomagensis. Laatstgenoemde was een zoon van Johann Leonard Weidner, die na eerst praeceptor te Neuhaus bij Worms, Conrector te Dusseldorp, en Rector te Elberfeld, Montjoie en Duisburg geweest te zijn, in 1626 Conrector te Nymegen werd, van waar hij in 1648 als Rector naar Maastricht vertrok. In 1650 keerde hij naar Heidelberg als Rector van het Gymnasium terug; daar overleed hij 5 Februarij 1655. Van zijne zoonen zullen wij den oudsten later aantreffen; de jongste, Philipp Wilhelm, trad in 1659 als Latijnsch dichter te voorschijn, toen hij het huwelijksfeest van J.F. Wolf, Rector te Neustadt, bezong. Vele bijzonderheden over het leven en de schriften des vaders heeft J.H. Andreae vermeld in zijn Historiae Gymnasii Heidelbergensis Spicilig. IV-VI.

523. Johannes Fredericus Böckelman.

Talrijk zijn de biographiën van dezen beroemden regtsgeleerde. Behalve de Memoria Boeckelmanniana van A.A.

[p. 176]

Pagenstecher kan men raadplegen Jugler, en C.W. Grote's Hist. Geogr. Statist. Literar. Jahrb. für Westfalen und den Niederrhein, (Coesf. 1817), I. 268-275.

524. Georg Wolfgang a Schwartzenberg.

Tweede zoon van den Baron Georg Frederik thoe Schwartzenberg en Agatha Tjaerda van Starkenborgh. Hij was op den 1 Nov. des jaars 1638 geboren, werd Kolonel en sneuvelde 11 Augustus 1674 in den slag bij Senef. Bosscha, Heldendaden, II. 161. bijl. 4. Stamb. I. 341. II. 227. Zijn portret, naar de teekening van Pet. Schik, door Johannes Schweizer gegraveerd is te vinden in eene regtskundige Memorie, getiteld: ‘Wohl beglaubte Auszführung so wohl Gräff: als auch Freyherrlichen Schwarzenbergischen Stamm-Registers, in sich verfassend eine festgegründete Bewährung der Freyherren zu Schwarzenberg und Hohenlandsberg, der Zeit sich in West-Frieszland auffhaltende rechtmässigen Stammes Agnation mit denen in Francken. Wie dann auch Ihres dannenhero Reichskündigen und unhintertreiblich-entstandenen Rechtens, welches Wohlerwehnte Freyherren, als nechst-versipte, für Herrn Johann Adolphen, Graffen zu Schw. u. Hoh. bey eröffneter Stamm-Lehens-Folge, zu den Altväterlichen Schwartzenbergischen Stammgütern überkommen. u.s.w. (O.o.) im Jahr n. Chr. Geb. ciillustratie

iillustratie

c lix
.’ Folio.

525. Antonius Gunter Georg a Schwartzenberg.

Zoon van Willem Balthasar thoe Schwartzenberg en Hedwig Elisabeth Hauto van Hautenberg. Geboren 26 Mei 1639, als Kolonel overleden 24 Mei 1670.

526. Johannes Edzardus a Douma.

Zoon van Epo Douma, Grietman van Ferwerdera-

[p. 177]

deel en Sjouck Hiddema. Hij was eerst Kapitein, werd 29 Julij 1673 Grietman van Aengwirden en in 1674 Gedeputeerde ten landsdage. Hij overleed te Hallum 26 Julij 1676. Vgl. v. Sminia, Nieuwe Naamlijst der Grietmannen, 339, wiens opgave betreffende zijne voornamen door ons Album wordt bevestigd. Zie voorts Stamb. I. 94. II. 62.

527. Ulricus Huber.

Het is bekend, dat Ulrik Huber, na geruimen tijd te Franeker en te Utrecht zich op de letteren en regten te hebben toegelegd, met eenige zijner vrienden naar Marburg en Heidelberg vertrok, om daar zijne Akademische studiën voort te zetten. De dwaling van sommige schrijvers, die beweren, dat hij te Franeker tot J.U.D. zou zijn bevorderd is, gelijk die van anderen, volgens wier meening hij te Marburg den doctoralen graad zou hebben verworven, reeds voldoende wederlegd door mijn' vader in zijn werk De claris Frisiae JCtis, 256. Doch omtrent zijne Akademiereis zijn talrijke bijzonderheden bewaard gebleven in de brieven, die hij uit Marburg en Heidelberg aan zijn vader schreef, en waarvan gewag gemaakt is in het aangehaalde werk, 445. Te Heidelberg vond hij slechts twee Hoogleeraren in de Regtsgeleerde Faculteit werkzaam, den ouden David Henrich Chuno, die aan podagra leed en thuis collegie gaf, en een jong mensch, die naauwelijks een jaar te voren uit Friesland derwaarts was vertrokken. Blijkbaar doelt hij op Philippus Burchard, een Heidelberger van geboorte, die, nog geen dertig jaren oud zijnde, in 1656 zoowel door de Gelderschen als door zijne stadgenooten, tot het Hoogleerambt was geroepen. Dit laatste deel ik opzettelijk uit Schwab mede, omdat

[p. 178]

in Bouman's Geschiedenis der Geldersche Hoogeschool daarvan geen gewag gemaakt wordt. Burchard nam de beroeping tot opvolger van Godfrid von Jena aan en werd weldra met Huber zoo zeer bevriend, dat deze een carmen nuptiale ter zijner eere opstelde. Het examen, waaraan laatstgenoemde zich moest onderwerpen, wilde hij naar den doctoralen graad dingen, was zeer streng; het duurde (27 Februarij 1657) van 7 uur 's morgens tot na tien uur, openhartig bekent hij dat hij twee jaren vroeger een zoo naauwgezet onderzoek niet had kunnen doorstaan. Zijn Akademisch Proefschrift de iure accrescendi was weldra gereed, doch de Praeses had drie maanden noodig om een stuk na te zien, dat hij in drie uren had kunnen doorloopen. Eindelijk brak de dag der promotie aan en den 14 Mei 1657 werd Huber met groote toejuiching tot de doctorale waardigheid verheven. Bij die gelegenheid werd een bundel Carmina votiva (Heidelb. 1657. 4) in het licht gezonden, waarin onder anderen een Hollandsch dichtstuk voorkomt van Johann Wilhelm Weidner, een Duisburger, zoon van den bekenden Johann Leonard Weidner, die een tijd lang aan de scholen te Nymegen en Maastricht onderwees. Dit laatste is mij gebleken uit de schriften van den Heidelbergschen Rector Andreae.

528. Johannes a Sanden.

Johan van Sanden, Advokaat te Leeuwarden, heeft zich bekend gemaakt door het gedicht: Jok en Ernst op de vier getijden des jaars, eene vertaling van het Carmen Jocoserium van Paulus van Ghemmenich. Vgl. D'Escury, Hollands Roem in Kunsten en Wetensch. IV. A. 173 (b).

[p. 179]

529. Lambertus a Koehoorn.

Halfbroeder van den beroemden Menno van Coehoorn. Hij was de zoon van Goswinus van Coehoorn en werd Dijkgraaf van Oostdongeradeel.

530. Gerardus Wicheringhe.

Reeds den 19 September 1651 had hij zijne studiën te Groningen aangevangen.

531. Silvester Jacobus Danckelman.

Hij had nog maar den ouderdom van 13 jaren bereikt, toen hij, 1 Febr. 1654, te Groningen werd ingeschreven. Vriemoet vermeldt wel zijne studiën te Groningen en Utrecht, maar was met zijn verblijf te Heidelberg onbekend. Ook zegt hij: quo anno in lucem editus, mihi non constat. Hij was in 1640 geboren. Terwijl Vriemoet alleen de Oratio van Wilhelmius raadpleegde, bezitten wij thans uitvoeriger hulpmiddelen, om dezen geleerden man, die den 5 Augustus 1695 overleed, in zijne werkzaamheid zoowel als Hoogleeraar te Steinfurt, Heidelberg en Franeker als in zijne latere ambtsbetrekking in het Rijkskamergerigt te Spiers te leeren kennen.

533. Gisbertus a Vierssen.

Geboren te Leeuwarden in Februarij of Maart 1638, zoon van Ahasuerus van Vierssen en Jisca van Geersma. Hij overleed 10 April 1697. Den 1 September 1663 was hij als Advokaat bij den Hove toegelaten, in 1667 werd hij Secretaris der Staten van Friesland, in 1671 Vroedsman te Leeuwarden, in 1677 Raadsheer in den Hove, eindelijk Assessor van 't gerigt van Opsterland.

546. Gerardus Renssen.

Dezelfde die in 1691 te Leyden een gedicht uitgaf,

[p. 180]

getiteld: Res gestae Guilhelmi Magni, nec non laus Divae Mariae, Magnae Brittanniae Regis et Reginae, Horatiano et Sapphico carmine. Scherp is over deze lettervrucht het oordeel van den zachtmoedigen Hoeufft, Parn. Lat. Belg. 200. Bij Peerlkamp komt hij niet voor.

Aanteekeningen op de Nederlanders studenten te Genève.

1. Gerardus Weshemius.

Misschien uit Gelder. Onder den algemeenen naam Germani staat hij hier vermeld tusschen anderen, die uit Kleef en Keulen afkomstig waren. De Klevenaren zijn Theodorus en Henricus Wierus.

2. Jan van Marnix.

Vgl. Gachard, Correspondance de Guillaume le Taciturne, II. Préf. CXII-CXXXVI.

3. Philippus Marnixius.

Merkwaardig zijn de woorden van Edgar Quinet betreffende het verblijf van Marnix te Genève. ‘Het zij zijne ouders (zegt hij) in 't geheim tot de hervormde kerk overhelden, of dat zij slechts het voorbeeld van een groot deel des adels volgden, de jonge Marnix

[p. 181]

werd met zijn ouder broeder Jan naar Genève gezonden, om daar zijne opvoeding te voltooijen, die aldus onder het oog van Calvyn en Beza voleind werd. Zoo putte hij aan de bron zelf die kracht van overtuiging, die tot den einde toe zijne onverwinlijkheid zou uitmaken. En op denzelfden tijd, dat hij zich aan het nieuwe kerkelijke leven aansloot; ondervond hij tevens den invloed der herboren letteren. Filips van Marnix bereidde zich voor den grooten strijd des geestes, door zich de kennis en het leven der oudheid eigen te maken, in de 15de eeuw hernieuwd. Hij zou eenmaal onder de Hellenisten gerekend worden en hij vertaalde het Oude Verbond uit het Hebreeuwsch. Calvyn wijdde hem nog nader in de geheimen dier Fransche taal in, die hij met zooveel klem op de staatszaken zou toepassen. Daarbij voegde zich nog de onuitwischbare indruk van een gemeenebest, onder den invloed der hervorming geboren, de levenwekkende adem van het vrije Genève.’ Over het verblijf der gebroeders Marnix te Pavia en Bologna vgl. Quinet, 139.

4. Arnoldus Westerwolt.

Merkwaardig is deze aanwijzing betreffende een lid der oude familie Addinga van Westerwolde. Arent of Arnout was de broeder van Folker Westerwold: zijne zuster was met den onwaardigen zoon van Regnerus Praedinius gehuwd geweest. Vgl. Westendorp, Bijzonderheden uit de Geschiedenis der Hervorming in de Provincie Groningen, tusschen de jaren 1545 en 1580, ontleend uit een HS. van dien tijd; Gron. 1832. Isinck (Kort Berigt, 80) maakt reeds bij het jaar 1523 gewag van het zenden der Groningsche jeugd naar Euangelische en Hervormde Hoogescholen, gelijk de Hoogleeraar Hof-

[p. 182]

stede de Groot heeft aangeteekend, Geschiedenis der Broederenkerk, 118, 30).

5. Liffordus Beruigen.

Stellig moet hier gelezen worden Beringen. Pieter Beringen, de bekende wapensmid, door Koning Hendrik IV in 1606 in den adelstand verheven was evenzeer uit het Kleefsche afkomstig.

7. Nicolaus Clericus.

In Burman's Trajectum Eruditum komt hij niet voor en zijn naam heb ik nergens elders aangetroffen. Meer bekend was ongetwijfeld zijn tijd - en naamgenoot die omstreeks het jaar 1566 eenige werken van S. Hippolytus in het Latijn vertaalde. Vgl. Jöcher, Allg. Gelehrten-Lexic. in v. Doch eene gissing meen ik aan het oordeel van den kundigen lezer te moeten onderwerpen. Kan hier ook bedoeld zijn de grootvader van den beroemden Jean le Clerc? Van dezen getuigt Wetstein in zijne Lijkrede (Arch. v. Kist en Roijaards, IV. 93): ‘Avum Joannes habuit Nicolaum Clericum, sub finem seculi decimi sexti e Gallia ob purioris religionis professionem exulantem, quae istorum temporum calamitas fuit; is, Genevae cum asylum reperisset, uxorem duxit Annam, Stephani Curcellaei Theologi celeberrimi sororem.’ Dat Etienne des Courcelles eerst in 1602 student werd (zie no. 193) bewijst alleen, dat hij veel jonger was dan zijne zuster; maar dit blijkt ook reeds uit de omstandigheid dat David, de oudste zoon van Nicolaus le Clerc en Anna des Courcelles, in 1591 is geboren. Evenwel blijft de bijvoeging Ultraiectinus een raadsel.

11. Franciscus Blochuysius.

Verkeerd is de lezing in het Livre des Recteurs: Bloch-

[p. 183]

nysius. Ongetwijfeld hebben wij hier voor ons de naamteekening van Mr. François van Blockhuysen, die in 1575 door Willem I tot landraad benoemd werd. Zie Wagenaar, Vaderl. Hist. VII. 23. In 1579 komt hij als Electeur te Schoonhoven voor, in 1589, 1591-1593, 1595, 1599-1600, 1602-1605, als Burgemeester te dier stede. Vgl. v. Berkum, Beschrijving der stadt Schoonhoven, 580 vlg.

12.

Fredericus de Ghendt.

13. Gerardus de Lienden.

Is waarschijnlijk Gerard van Lynden, zoon van Goswyn van Lynden en Cornelia van Bernsouw. Hij huwde Sandrina van Hackfort. De zoon uit dat huwelijk gesproten, Goswyn, was de laatste van dien tak: hij overleed in 1613 kinderloos.

16. Wernerus Helmichius.

Dat deze in 1555 te Utrecht geboren werd, was bekend, maar zijne handelingen en studiën tot zijn optreden in zijne geboortestad (1598) liggen in het duister. ‘Noch Veeris (zegt Prof. Royaards) noch Soermans noch Burman vermelden zijne vroegere lotgevallen.’ Het is alzoo niet onbelangrijk te vernemen, waar de man gevormd werd, dien Voet nu eens ‘pium pariter atque eruditum Theologum’, dan weer ‘eruditissimum et praestantissimum Theologum’ noemde en wiens geleerdheid tevens door Wtenbogaert en Trigland werd bewonderd. Uit het Liber Rectorum blijkt, dat hij reeds zeer vroeg de reis naar de vergelegene Akademiestad heeft ondernomen, niettegenstaande hij een zoo jeugdig uiterlijk had, dat Koningin Elisabeth hem nog in 1579, toen hij naar Engeland was gezonden, voor

[p. 184]

een naauwelijks volwassen jongeling aanzag. Vgl. Burmanni Traject. Erud. 130. Royaards, Geschiedenis der Hervorming in de stad Utrecht, 165 vlg. Glasius, Godgeleerd Nederland, II. 60-64. Règlements géneraux et particuliers, à l'usage des Églises Wallonnes des Pays-Bas (La Haye 1847), 308.

17. Philippus Mallardus.

Is hij welligt dezelfde die bij Janssen, Kerkherv te Brugge, II. 70, voorkomt als Maillart de Mel?

18. Joannes Plancius.

Verkeerd is de lezing in le Livre des Recteurs: Plaucius. Ongetwijfeld vermaagschapt met Petrus Plancius, die in Vlaanderen onder het kruis predikte, later naar Brussel, en eindelijk naar Amsterdam de wijk nam. Vgl. overhem en zijn geslacht, Croese, Kerkelijk Register, 14 vlg. Veeris, Kerkelijk Alphabeth, 114 vlg.

19. Philippus de Stoppelaere.

Verkeerd is de lezing in le Livre des Recteurs: Philippus de Stoppelacre.

20. Jacobus Haeck.

Waarschijnlijk een bloedverwant, misschien wel een zoon van Pieter Haeck, den bekenden Bailluw van Middelburg, dien Willem I aanstelde tot een' der plaatsbekleeders van zijnen zoon, den Graaf van Buren, eersten Edele van Zeeland. Weinige weken nadat Jakob naar Genève was vertrokken, werd Pieter Haeck door Burgemeesteren en Schepenen van Middelburg gewoest (6 Oct. 1567). Vgl. Te Water, Kort Verhaal der Reformatie van Zeeland in de XVIe eeuw, 104, 141, 142.

23. Oricus Dorsiemus.

Verkeerd gedrukt. Men leze: Oricus Doyemus. Dat deze Friesche Edelman, Orck van Doyem, die later

[p. 185]

Pierke Walta huwde en zich als een bevorderaar der wetenschappen, ook bij de oprigting der Friesche Hoogeschool, kenmerkte, te Genève gestudeerd heeft, was tot hiertoe onbekend. Zie boven, Heidelberg no. 366. Vgl. Scheltema, Geschied- en Letterk. Mengelw. III. 2. 108, 111.

26. Livinus Massis.

Reeds vóór 1579 bediende hij de Waalsche Gemeente te Mechelen: immers in 1578 was hij, als zoodanig, bij de Waalsche Synode te Antwerpen werkzaam. Van 1579 tot 1605 was hij predikant (edoch buiten vaste betrekking) te Middelburg. Vgl. Règlements des Églises Wallonnes, 308. J. ab Utrecht Dresselhuis, De Waalsche Gemeenten in Zeeland (Bergen op Zoom, 1848) 6, 16, 117. Janssen, Kerkhervorm. te Brugge, I. 260. II. 200.

28. Gisbertus Sus.

Hoogstwaarschijnlijk moet gelezen worden Gisbertu Ens.

29. Johannes Hochedeus.

Jean Hochedé werd reeds vóór 1577 prediker te Antwerpen, waar hij den bijnaam de la Vigne droeg naar den verbloemden naam der Antwerpsche kerk; later was hij predikant te Amsterdam, waar hij in 1622 overleed. Règlements, 307. Zijne fraai geschilderde afbeelding berust op de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool.

33. Carolus Roerda.

Zoo schreef hij zijn' naam, niet Roorda. Nergens heb ik het tijdstip der geboorte van dezen voortreffelijken Fries aangewezen gevonden. Door Alva in 1568 uit het Vaderland gebannen, zocht hij heul en troost in de beoefening der wetenschappen. Vriemoet (Athen. Fris. 146) dwaalt, hem voor den vader van den Hoogleeraar

[p. 186]

Andreas Roorda houdende, want hij was de oom van dezen: evenzeer Te Water, die (Verb. d. Edelen, III. 278) hem Grietman van Idaarderadeel noemt: integendeel heeft hij namelijk aan het hoofd der grieteny Hennaarderadeel gestaan. De gewigtige diensten, die hij aan de zaak van 's lands vrijheid bewees, verdienen een opzettelijk onderzoek. Als vrucht zijner studiën bezitten wij nog de Rudimenta Religionis Christianae, Hebraice, Graece et Latine, door Johannes Drusius in 1591 te Leyden bij Rapheleng uitgegeven. Vgl. den brief van zijnen neef Carel Roorda bij Aitzema, Saken van Staet en Oorlog, IV. 654. Van de Spiegel, Bundel van onuitgegeven Stukken, I. 321.

34. Bernardus Roerda.

Welligt Binnert Roerda, de broeder van Carel, door Vriemoet, t.a. pl. vermeld.

35. Jacobus Monceau.

In het Albnm staat bij dezen naam geschreven: ‘A esté depuis bruslé en Armoutier qui estoit le lieu de sa naissance et où il exercoit le ministère fidèlement, et a perséveré en la confession iusques à la fin.’

38. Eppius Heringa.

Zie boven, Heidelberg no. 180.

42. Ahasuerus a Regemmortel.

Bij Rogge: Regemortel. Het blijkt nu, dat de predikanten van dien naam afstamden van het adelijk geslacht der Regenmorters, waarvan Meursius gewag maakt. Deze prediker onder 't kruis te Londen werd in 1585 vruchteloos te Dordrecht beroepen. Schotel, Kerk. Dordr. I. 208. Echter zegt Dresselhuis (De Waalsche Gemeenten in Zeeland, 24), dat hij in 1583 te Lon-

[p. 187]

den overleed. Zie voorts Nederl. Archief voor Kerkel. Geschied. IX. 53.

43. Walramus Mostart.

Bij Rogge: Walranus. De geachte uitgever vraagt, of hier niet te lezen zij: Habramus? Waarschijnlijk was hij een bloedverwant van Christianus Sinapius uit Venlo, in 1573 tot predikant te Dordrecht, in 1578 naar Oudewater beroepen; als ook van Daniel Sinapius Belga, no. 459, die in 1614 te Heidelberg studeerde.

45. Johannes Aant.

Bij Rogge: Kant. Op dezen volgen bij denzelfden: Christophorus de Waldenfels, Variseus (men leze Variscus) en Erhardus Braun, Lichtenbergensis. Beider betrekking tot Nederland is mij onbekend. Waarschijnlijk zal men moeten lezen Johannes Clant, en wordt hier gewag gemaakt van den bekenden Groninger Burgemeester, die van 1600-1613 de teugels van het bewind voerde.

47. Jodocus ab Ewssum.

Bij Rogge: Jodoaeus. Zoon van Johan van Ewssum, die vóór 1580 overleed, en Anna Joostd. van Burmania van Grypskerk; zij stierf in 1597. Hij zelf huwde Anna Lollesd. van Ockinga. Zie Stamb. van den Frieschen Adel.

48. Eberhardus Alting.

Bij Rogge: Altimus. Veel zou tot opheldering van onze lijst kunnen bijdragen het Album Amicorum van dezen man. Ubbo Emmius beroept zich op vele studenten te Genève, ‘quibuscum coniuncte in studiis vixi.’ Tjaden teekent hierbij aan: ‘Das dieses Wahrheit sey, beweiset das noch vorhandene Stammbuch des Eberhard Alting, welcher zu eben der Zeit mit ihm zu Genève

[p. 188]

studiret hat. Diese Universität mus damals sehr geblühet haben. Es finden sich darin die Namen der Studenten aus allen (door Emmius) angeführten Reichen und Ländern.’ Das Gelehrte Ostfriesland, I. 18.

49. Albertus van Loo.

Hij was de zoon van Albert Gerrits van Loo, Licentiaat in de Regten, Rekenmeester en later Commies van finantiën in dienst des Konings van Spanje, die in 1573 overleed, en van Maria van der Myle.

52. Adrianus a Blyenborck.

Bij Rogge: Blyenberch. Hij had destijds den ouderdom van zeventien jaren bereikt, na op het Gymnasium te Dordrecht de voortreffelijkste opleiding te hebben genoten. Schotel, die zijn leven uitvoerig beschreven heeft, maakt wel gewag van zijn verblijf aan de Leidsche Hoogeschool, waar hij gelijktijdig met Baudius tot den doctoralen graad werd bevorderd, doch schijnt van het onderwijs, dat Blyenburg te Genève heeft genoten, nergens een spoor ontdekt te hebben. ‘Academia relicta (zegt hij) cultiores ab humanitate Europae nationes adiit, ut rerum sibi ampliorem intelligentiam compararet. In hoc itinere non modo doctrinam mirifice auxit atque expolivit, visendis et scrutandis bibliothecis, adeundisque viris quoque in loco eruditione claris, quorum sermonibus proficeret, itemque cum multis praeclaris hominibus, qui ingenium eius doctrinamque usu perspexerant, amicitias contraxit.’ Het was ongetwijfeld op deze reis, dat hij Genève bezocht; want het is zeker dat hij de lessen van Cornelis Nieustad heeft bijgewoond, en deze heeft reeds in 1580, toen hij tot Advokaat-Fiskaal van Holland was aangesteld, het Hoogleeraarambt neêrgelegd. Maar nu kan die reis ook niet, gelijk Schotel

[p. 189]

wil, na afloop van Blyenburg's Akademische studiën door hem zijn ondernomen; want eerst in 1581 kwam Baudius, toen student in de Godgeleerdheid, te Genève en in Junij 1585 werden beiden, Blyenburg en Baudius, te Leiden tot J.U.D. bevorderd. Uit een en ander schijnt mij te volgen, dat de studie te Genève voor Blyenburg een intermezzo geweest is tusschen de beide gedeelten van zijn Leydsch Akademieleven, ten ware men mogt willen aannemen, dat hij eerst in 1579 Genève bezocht en reeds ten volgenden jare te Leiden den laatsten Akademischen cursus van Nieustad heeft bijgewoond. Uit eene opgave in het Alg. Biogr. Woordenb. (II. 678) zou men ten onregte afleiden, dat hij reeds als student zijn beroemd boekje: Poemata varia getiteld, heeft in het licht gezonden: het verscheen niet in 1582, maar in 1588. Zie voorts over zijn kortstondig leven en zijne uitstekende gaven Peerlkamp, de Poetis Lat. Nederl. 185 vlg. Schotel, Theodori Ryckii, Joh. Georgii Graevii, Nicolai Heinsii ad Adrianum Blyenburgum et Adriani Blyenburgi ad diversos Epistolae ineditae (H.C. 1843), 75 vlg.

53. Johannes Becius.

Hier schrijft hij zich Flander, ofschoon hij, volgens Schotel (Kerkelijk Dordrecht, I. 223), te Frankfort geboren was. Hij had, toen hij de Akademie bezocht, reeds den vollen ouderdom van twintig jaren bereikt. Lang schijnt hij niet te Genève gebleven te zijn; want toen Antwerpen aan Parma werd overgegeven, was hij daar reeds eenigen tijd predikant geweest. Later bekleedde hij die bediening te Emden en Dordrecht, waar hij den 26 Januarij 1626 overleed. Over zijn leven en uitstekende geleerdheid is in 't aangehaalde werk van Dr.

[p. 190]

Schotel breedvoerig gehandeld, waar ook (bl. 229-231) zijne schriften, meerendeels door zijnen zoon Aegidius uitgegeven, naauwkeurig vermeld zijn.

54. Johannes Mermannus.

Bij Rogge: Hermannus.

55. Eustachius Schouwenburgensis.

Hieruit blijkt, dat reeds in 1580 de stad Vlissingen een' alumnus bekostigde, die voor de kerkdienst werd opgeleid. Van hem zijn mij geene bijzonderheden bekend; noch Vrolikherts Vlissingsche Kerkhemel, noch Te Waters Reformatie van Zeeland maken van hem gewag. Beiden vermelden als Walsche predikanten te Vlissingen Martin Ferret in 1584 en Jean Taffin de jonge in 1590.

59. Michael Broickhuisen.

Bij Rogge: Broichuisen.

61. Henricus a Bra.

Men zou zich vergissen, wanneer men de woorden Med. Doc., achter dezen naam geplaatst, wilde verklaren door Medicinae Doctor. Dezen graad had a Bra in Julij 1580, toen hij de Hoogeschool te Genève bezocht, nog niet verworven. Uit Suffridus Petri en Paquot is het bekend, dat hij, den 25 September 1555 te Dokkum geboren, aan de Universiteit te Bazel het onderwijs van Felix Plater en andere beroemde Geneeskundigen genoot; het is misschien niet geheel overtollig hierbij op te merken, dat de naam van een zijner leermeesters door den Belgischen Polyhistor ten onregte Nicolaus Stephanus is gespeld, waarvoor men Stupanus leze. Vandaar keerde hij naar Dokkum terug, om zich op de praktijk toe te leggen. Maar zijne liefde voor de wetenschap deed hem weldra het besluit opvatten, om ander-

[p. 191]

maal naar het zuiden van Europa zijne schreden te wenden. Volgens Suffridus Petri ondernam hij zijne tweede reis, ‘cum iam paulo maturior esset aetas:’ doch uit het Album van Hermannus Pricker is onlangs gebleken, dat hij reeds van April 1576 zich te Straatsburg bevond. Vandaar ging de togt naar Rome, waar hij een vol jaar aan de lippen van Petrus Crispus en Alexander Trajanus Petronius hing; ook Siena, Florence, Ferrara en Bologna bleven niet onbezocht; zijn voornemen om nog in andere Italiaansche steden het wetenschappelijk onderwijs bij te wonen en de beroemde instellingen tot bevordering der studiën in oogenschouw te nemen, werd door het uitbreken der vreesselijke pestziekte verijdeld. ‘Ex Italia (zegt Suffridus Petri), cum fere biennium absumptum esset, redux, Galliae Academias aliquot, Parisiensem praecipue, perlustravit. Montispesulanam, quam maxime videre cupiebat, quo minus adire potuerit, obstiterunt bellici tumultus, qui tunc per Galliam pullulabant, unde factum est, ut Genevae per menses aliquot substiterit, ut se nonnihil ex diuturna peregrinatione colligeret, priusquam Basileam pergeret ad sumendum illic doctoratus titulum. Quod et fecit anno 1580 mense Decembri aetatis suae 25.’ Dat de Friesche Geschiedschrijver zeer naauwkeurig is onderrigt geweest aangaande onzen Hendrik a Bra, wordt door het Album volkomen bevestigd, waarin het bijvoegsel achter zijnen naam Med. Doc. alzoo niet beteekent: Medicinae Doctor, maar Medicus Doccumensis. Over dezen merkwaardigen man kan men vergelijken, behalve het boekje de Scriptoribus Frisiae, Dec. xvi. no. 7, 470-474, de voorlezing van Mr. D. Fockema, in De Vrije Fries, VI. 127, waarbij eene vertaling van Bra's Doccu-

[p. 192]

manae stragis descriptio gevoegd is, en Mr. U.A. Evertsz, Over het Album van Pricker, ald. VII. 288.

62. Joachimus Alting.

Ik weet niet, of men van dezen beroemden man wel ergens het geboortejaar vindt opgeteekend, en althans de Hoogeschool, waar hij zijne opleiding in de regtswetenschap genoot, heb ik bij geen' zijner levensbeschrijvers vermeld gevonden. ‘De geleerde Ravensperger (zegt Scheltema, Staatk. Nederl. II. 533) getuigt van hem, dat eene zeldzame wijsheid in zaken te ondernemen en naar wensch ten einde te brengen, bij geleerdheid, deftigheid en moed, zoo wel in zijnen hoogen ouderdom als in mannelijken leeftijd zijn deel was.’ Vermits hij in 1580 student werd en in 1625 overleed, kunnen deze woorden niet streng worden opgevat, en zal hij den ouderdom van zeventig jaren wel niet bereikt hebben. Uit Wichers, Verklaring van het Tractaat van de Reductie, en Everhard van Reyd's Historie der Nederlandsche Oorlogen, leeren wij de scherpzinnigheid en de vastberadenheid die dezen edelen staatsman op het laatst der zestiende eeuw kenmerkten kennen. Bij de oprigting der Hoogeschool te Groningen was hij, die de elders bestaande inrigtingen in zijne jeugd had gezien, als Burgemeester ijverig werkzaam. Vgl. Tegenwoordige Staat van Stad en Lande, II. 15-27.

63. Petrus Cornelius Brederodius.

Alle nasporingen omtrent den tijd, waarin deze beroemde staatsman en geleerde het levenslicht aanschouwde, zijn tot heden vruchteloos gebleven; het Album van Genève geeft althans eenige aanleiding tot gissing. Met betrekking tot zijne studiën was ons weinig meer bekend dan ten aanzien zijner geboorte en opleiding. Nu

[p. 193]

weten wij althans, dat hij te Genève het regtsonderwijs heeft genoten, en wordt tevens de wijze duidelijk waarop hij in aanraking kwam met Dionysius Gothofredus, met wien hij volgens Cretser's Beschrijving van 's Gravenhage door aanhuwelijking vermaagschapt werd, en wiens boezemvriend hij heet in het Woordenb. van Hoogstraten. Reeds in 1585 moet de eerste uitgave zijner Sententiae et Regulae het licht gezien hebben; allerlei dwalingen zijn omtrent den oorsprong van en de bijvoegselen tot dat boek in omloop geraakt, en het schijnt, dat niemand zich de moeite getroost heeft het oorspronkelijke werk met de uitgave, die Franciscus Modius bezorgde, te vergelijken. Als Hoogstraten berigt dat hij was ‘een beroemt rechtsgeleerde in de jaren 1580 en 1590’ kan dat, voor zoo veel het eerstgemelde jaartal betreft, onmogelijk juist zijn. In 1591 bezorgde hij de nieuwe uitgave der Commentarii van Johan Schneidewin (Oenotomos) te Straatsburg, en nagenoeg gelijktijdig zien wij hem geraadpleegd over de vervulling van eenige leerstoelen aan de Hoogeschool te Altdorf, waarbij onder anderen Lipsius en Gothofredus in aanmerking kwamen. Vgl. Gudii et doct. viror. ad eum Epist. Ultr. 1697. 4.1.

64. Leonardus Joannis Voochdius.

Bij Rogge: Woochdius. Zijn geboortejaar is (vol-

[p. 194]

gens Scheltema, Staatkund. Nederl. II. 426) onbekend: thans weet men waar hij het levenslicht aanschouwde en den naam zijns vaders. Hij werd later achtereenvolgens Pensionaris van Delft en (1594) Lid van den Hoogen Raad. Reeds in 1588 werd hij door den Raad van State met eene zending naar den Koning van Schotland, Jakob VI, belast; later vinden wij hem in het belang der algemeene zaak te Brielle, in Friesland en eindelijk met Cromhout en Hogerbeets te Amsterdam werkzaam. Hij moet naauwelijks den mannelijken leeftijd bereikt hebben, vermits hij reeds in 1602 overleed. Zeker verdient hij onder de vermaarde Dirkslanders den voorrang boven Filips de Gruyter. Vgl. Bor, b. XXV. f. 375 vlg. Vreede, Inleiding tot eene Geschiedenis der Nederlandsche Diplomatie (Utr. 1858), II. 1. 237. Nog zij hier opgemerkt, dat hij waarschijnlijk reeds vôór of in 1582 de Hoogeschool te Genève verlaten heeft; anders toch zou Wtenbogaert van dat voormalige kameraadschap wel gewag gemaakt hebben, toen in 1602, na 't afsterven van Lucas Trelcatius, de keuze van een' opvolger ter sprake kwam. ‘Allen (zegt hij) vielen op Arminium, bijsonder Voocht ende Hoogerbeets, die seyden hem binnen Leyden vóór veel jaren familiaerlyck gekent te hebben.’ Leven, Kerkel. Bedieninge en Verantwoordinge, 50.

65. Henricus Gerardi Stormius.

Bij Rogge: Evard.

66. Henricus van der Haghen.

Bij Rogge: Van der Haghe.

68. Joannes Theodorici de Haen.

Geboren in 1560, overleden te Tonningen 5 November 1624, bekend door zijn aandeel in de gebeurtenissen van

[p. 195]

1618 en 1619. Vgl. behalve de geschiedschrijvers van vroegeren tijd, het Archief van Kist en Moll, II, 277 vlg. De Groot had hem eerst leeren kennen in de vergadering der Staten van Holland en eindigt zijne verdediging van de Haen, Verantw. bl. 284, met deze woorden: ‘Ick twijfel niet of S.F.G. van Holstein, die hem nu gebruyckt in eerlyck employ, sal bij hem bevinden deselve oprechtigheyt ende getrouwigheyt, die hy altydt aen syn vaderlandt ende aen de stadt van Haerlem heeft getoont.’

71. Lollius Epoeus Adema.

Vriemoet zegt in het Elogium Lollii Adamae: ‘Frisium fuisse, ipsum nomen haud obscure indicat.’ Ons Album sluit allen twijfel dienaangaande buiten. Wie zijn vader was, wist niemand: uit ons Album is het waarschijnlijk, dat hij Ype Adema heette, en ook de kleinzoon droeg weêr den naam van Epeus Lollii. ‘Qua Academia porro (voegt Vriemoet er bij), quibusve Professoribus usus fuerit in studiis non constat.’ Thans weten wij, dat hij Alexander Brissonius en Isaäcus Casaubonus, misschien ook wel Antonius de la Faye hoorde. Vóór 1585 was hij, volgens zijn eigen getuigenis (Orat. funeb. in II. Schotanum, 6), Scholae Dordracenae Rector, doch in het werk van Dr. G.D.J. Schotel, De Illustre School te Dordrecht (Utr. 1857), heb ik van zijn verblijf te Dordrecht geen spoor aangetroffen: wel wordt er onder de leerlingen van Cornelius Rekenarius en Joachim Orydrius zekere Augustus Lollius Adama genoemd, die wel dezelfde zijn zal als de ongelukkige Augustinus Lollius Adama, wien de slechte waarneming van het Rectoraat der Aka-

[p. 196]

demie te Franeker zijn ambt kostte. Er heerscht in alles wat onzen Lollius Adama (hier Adema genoemd) betreft nog veel duisters: ook de mededeeling bij Chalmot, dat hij, zijne studiën te Groningen voleindigd hebbende, tot Rector der Latijnsche scholen te Dordrecht werd aangesteld, berust blijkbaar op eene dwaling. Welligt heeft hij, zonder ooit eene Hoogeschool bezocht te hebben, zich eerst gedurende verscheiden jaren aan het lager en middelbaar onderwijs gewijd, besloot hij vervolgens, toen hij reeds den ouderdom van zesendertig jaren bereikt had, de destijds zoo beroemde Akademie te Genève te bezoeken, en werd hij, vandaar teruggekeerd, aan het hoofd der Dortsche school geplaatst, welke plaats hij weldra weêr verliet, om het Hoogleeraarambt te Franeker aan de pas gestichte Universiteit te aanvaarden. Tot deze gissing leidt mij het voorbeeld van zijnen tijd- en landgenoot Alardus Auletius, omtrent wien wij naauwkeuriger zijn ingelicht, en op wien Lollius Adama in 1606 eene lijkrede hield. Zij werd uitgegeven; maar reeds Vriemoet klaagt, dat hij haar vruchteloos gezocht heeft. Daarin toch zal wel van beider verblijf te Genève uitvoerig gewag zijn gemaakt.

72. Titus ab Adelen.

Op dezen volgt: Nicolaus Branneyser Rottivilanus. Rogge gist dat hier Rotterodamus moet gelezen worden; mijns inziens staat hier iemand vermeld, die uit Rottweil in Wurtemberg afkomstig was.

76. Alardus Auletius.

‘Aut Leovardia, aut, ut alii volunt, Doccomio Frisius,’ zegt Vriemoet in de levensbeschrijving van dezen geleerden man, Athenae Fris. 70 vlg. Allen twijfel

[p. 197]

neemt thans dit register der Hoogeschool te Genève weg. Uit arme ouders omstreeks het jaar 1545 geboren, was hij eerst claviger der schola trivialis te Leeuwarden, later huisonderwijzer bij eenige jonge Friesche edellieden, die hij op hunne reizen vergezelde. ‘Quo factum (voegt Vriemoet er bij), ut apud exteros (nescio ubi) Medicinae doctoris ornaretur laurea.’ Het merkwaardigste van zijn' verderen levensloop en de geschiedenis van zijn Professoraat te Franeker zijn bekend; alleen is het opmerkelijk, dat, toen zijn leerling Naevius van Bolsward in 1606 een Epicedium dialogicum in obitum Auletii te Franeker in het licht gaf, men reeds geen licht meer verschaffen kon nopens de Universiteiten, waar zich de pas ontslapen leermeester had gevormd. Thans weten wij, dat hij reeds in 1569 student was te Heidelberg en eerst in 1580 Genève bezocht.

78. Gasparus Usillius.

Bij Rogge: Psissius. In 1588 werd hij uit Vlaanderen tot Predikant te Dordrecht beroepen. Schotel, Kerkel. Dordr. I. 314. Règlements des Églises Wallonnes, 308.

79. Dominicus Baudius.

Men weet, dat deze, na eerst gedurende acht maanden de Leidsche Hoogeschool bezocht te hebben, door zijne moeder, die destijds te Gent woonde, naar Genève werd gezonden ‘ubi per sesquialterum annum Theologiae sacris operatus est, et saepius publice disputavit proposuitque sub praesidio Theodori Bezae, Antonii Faii et Lamberti Danaei.’ Vita Baudii, vóór zijne Epistolae L.B. 1636. 8o. Later keerde hij naar Leiden terug. Niet alleen aan de studiejaren, te Leiden doorgebragt, maar vooral ook aan beider verblijf te Genève heeft Baudius

[p. 198]

gedacht, toen hij aan Adriaan Blyenburg schreef: ‘Quoad longissime in memoriam redeo praeteriti temporis, nemo mihi te uno coniunctior unquam exstitit assiduitate contubernii, societate studiorum, mutuis vitae officiis, et (quod familiam ducit) iure arctissimae necessitudinis.’ Of echter beiden nog gelijktijdig te Genève vertoefd hebben, durf ik niet beslissen. Wij kennen nu de perioden van Baudius' Akademieleven: 22 April 1578 Leiden, Theol. stud.; 5 Junij 1581 Genève, Theol. stud.; 7 Sept. 1583 Leiden, stud. Juris. Vgl. N.C. Kist, Bijdr. tot de vroegste Geschiedenis en den toekomstigen bloei der Hoogeschool te Leiden (Leid. 1850), 78. Paquot, VIII. 392.

80. Philippus de la Motte.

Hij werd in 1583 predikant te Ostende, later te Delft. Règlements des Églises Wallonnes, 308.

83. Egbertus Haco de Rutenberch.

Bij Rogge: Ratenberch.

86. Johannes Halsbergius.

Bij Rogge: Haesbergius. In 1590 werd hij, als proponent, beroepen tot tweeden predikant in de Gasthuiskerk te Amsterdam. Hij overleed in den aanvang van het jaar 1607 (volgens Veeris, Kerkelijk Alphabeth, 58, in 1606). Het blijkt, dat de grondslag voor zijne vriendschap met Arminius reeds te Genève gelegd werd. Uit de Akten van den Senaat der Leidsche Hoogeschool is mij gebleken, dat hij tot Theol. Doct. was bevorderd; immers die titel wordt hem toegekend in een' brief, dien de Senaat betrekkelijk het gedrag van zeker student, 10 Februarij 1593, tot hem rigtte. De vertaling van Philippe de Mornay's boek De veritate religionis Christianae, die in 1602 onder den titel van Bijbel der Natuere te Amsterdam

[p. 199]

in 4o. het licht zag, is van zijne hand. Magnus Crusius evenwel onderscheidt ten onregte in zijne Singularia Plessiaca, 267, twee overzettingen, en schrijft de uitgaven van 1602 en 1611 aan Jacobus Viverius, die van 1646 aan Halsbergius toe. Behalve vele andere schrijvers zie men over zijne sympathie voor Arminius, Brandt, t.a. pl. 82.

87. Daniel Doolegius.

In 1590 werd hij predikant te Delft. Hij overleed in 1605. Soermans, Kerk. Reg. 36.

88. Petrus Carpentarius.

Waarschijnlijk de eerste kerkleeraar te Schiedam. In dat geval kan hij niet reeds in 1581 aldaar zijn dienstwerk hebben aanvaard, gelijk Soermans meldt, Kerk. Reg. 82.

90. Carolus Martinij.

Op dezen volgt in het Registre: Conradus Stoer Argent. Bij Rogge staat hier vermeld: Conradus Staer, Agensis. Zeker hebben we hier met een Straatsburger te doen.

92. Petrus de Visscher.

Bij Rogge: Vischer.

94. Hermannus Bysius.

Caspar Brandt vermeldt in zijn leven van Arminius onder de praecipuorum Batavae reipublicae Procerum filii nobilesque adolescentes, die gelijktijdig met dezen te Genève zich met hunne letteroefeningen bezig hielden, Abrahamus Bysius, Historia vitae Jacobi Arminii, 21. Waarschijnlijk schuilt hier eene vergissing in het handschrift van Arminius, waaraan hij deze bijzonderheden ontleende. Bij Schotel (Epistol. ad Adr. Blyenburgum, 80) heet hij Boesius.

[p. 200]

95. Jacobus Rolandus.

Zonderlinge, woordspeling, hetzij van den Rector Magnificus, hetzij van den student, om Delft te vertalen door Oryssopolis. Jacobus Rolandus was in 1562 te Delft geboren, en bediende achtereenvolgens de gemeenten Wisloch en Germersheim (1587), Delft (1594), Frankenthal (1598) en Amsterdam (1603). Hij overleed te Leiden onder het werk der bijbelvertaling in 1632. Vgl. Croese, Kerk. Register, 37. Archief v. Kerk. Gesch. III. 660. V. 135 vlg. Nederl. Archief v. Kerk. Gesch. IV. 289. VIII. 43. Kobus en de Rivecourt, II. 698. Wij weten nu, dat hij eerst geruimen tijd te Genève en vervolgens te Heidelberg (zie no. 239) studeerde.

96. Antonius Thysius.

Te Antwerpen den 9 Augustus 1565 uit een aanzienlijk geslacht geboren, studeerde hij te Leiden en te Genève, waar hij ook nog Theod. Beza hoorde. Van Genève vertrok hij naar Heidelberg, waar hij vier jaren zijne studiën voortzette en Franciscus Gomarus leerde kennen. Van Heidelberg begaf hij zich naar de Universiteiten van Cambridge en Oxford en keerde in 1590 in Nederland terug. Hier vervulde hij gedurende eenige maanden te Haarlem de predikdienst, doch verzocht weldra weder zijn ontslag, om zich naar Frankfort te begeven, waar zijn vader gestorven was. Nadat hij in 1594 en 1595 eenigen tijd de predikdienst te Amsterdam had waargenomen, werd hij aldaar als Predikant beroepen. Hij bedankte echter voor die beroeping, ‘wel’ - gelijk H. Bouman in Geschied. der Geld. Hoogeschool, I. 36. zich uitdrukt - ‘wel anderen, maar geenszins zich zelven kunnende voldoen.’ Nu bragt hij geruimen tijd met reizen door, hield zich het laatst te Leiden op en aan-

[p. 201]

vaardde eindelijk den 16 Augustus 1601 het Hoogleeraarambt in de Theologie te Harderwijk, hetwelk hem op dringende aanbeveling van zijn' Akademievriend Gomarus was aangeboden. Dat ambt vervulde hij gedurende achttien jaren. De jaren 1618 en 1619 onttrokken hem aan zijn werkkring. Ter Synode te Dordrecht muntte hij uit door bekwaamheid en gematigdheid. Van die gematigdheid gaf hij reeds vroeger blijk, toen hij in 1602 den toen reeds door velen verdachten Arminius zeer ernstig aanprees voor het Hoogleeraarambt te Leiden. Op de Synode werden hem gewigtige werkzaamheden, o.a. de herziening der overzetting van het O.T., opgedragen. Na den afloop dier kerkvergadering werd hij tot Hoogleeraar te Leiden benoemd en hij aanvaardde die betrekking, den 10 Decemb. 1619, met eene Paraenesis seu oratio de Theologia ejusque studio capessendo. In 1602 was hij gehuwd met Johanna de Raet; hij had een zoon, die zijn' naam droeg en dien men wel eens met den vader verward heeft. Men kan over hem nazien Meursius, Athen. Bat. 331-338, 348, alwaar bl. 338 's mans schriften vermeld worden. Voorts Orlers 186, 199. Utenb. 312 of III. p. 102. en vooral H. Bouman, Geschied. d. Geld. Hoogeschool, I. 35-39. Syllog. Epist. III. 323, 345, 512, 726, 756, 765, 796, De Thysiorum familia, I. 423, aangehaald bij Schotel, Kerk. Dordr. 397. Paquot III. 175. In Jöcher's Allgem. Gelehrten-Lex., waar hij tot ‘Pastoor in Amsterdam’ gemaakt is, moet de fout hersteld worden.

97. Franciscus Nutius.

In 1590 werd hij tot Predikant aan de Klundert beroepen; vandaar vertrok hij in 1595 naar Zwolle.

[p. 202]

100. Julius a Meckama.

Deze, de zoon van Feye Pybes van Meckama, is geweest Jonker en Hoveling op Tamminghaborg te Hornhuizen; zijne moeder was Ebel Juwsd. van Unia, later Frouwke Sjoerdts van Heemstra, weduwe van Hessel Hobbes van Hermana. Hij overleed 25 November 1638. Zie Stamboek I. 271.

101. Johannes Cots.

Dezen naam vind ik niet, wél Johannes Coets, die in 1605 Predikant werd te Nymegen en in 1618 werd afgezet. Hij teekende de acte van stilstand, week daarna echter van de Remonstranten af, onderschreef de Canons en werd weêr Predikant bij de Contraremonstranten in 1623. In 1625 vertrok hij naar Cuilenburg en stierf aldaar in 1626. Zie Brandt, Hist. der Ref. IV. 5, 9, 10, 1003, 1011.

102. Cornelis Martini Royenburgius.

In 1585 werd hij tot derden Predikant bij de Gemeente van St. Jakob te Utrecht beroepen. Royaards meent, dat hij zelf zijne dienst bij de Jakobskerk heeft aangeboden, vermits in eene Raadsresolutie (15 April 1585) gelezen wordt: ‘Alzoo Cornelius Martini gaerne mede geemployeert waere ten dienste Godes, ende oversulex aengenomen tot een Predikant van St. Jacobs-kerke, so hebben Mijn heeren Schout ende Burgemeesteren gecommitteert Willem van Byler en Johan Spruyt, om present te wesen int examineren van denselven Cornelius.’ Doch uit de aanteekening uit het Rectorsboek te Genève blijkt, dat zijne aanvrage het natuurlijk gevolg was der zending, die hij volbragt had. Bekend is het, dat onder de twaalf punten, in 1579, als eischen

[p. 203]

der burgerij, aan den Raad der stad Utrecht overgeleverd, ook het verlangen werd aangewezen, dat drie of vier studenten naar eene Gereformeerde Akademie zouden worden gezonden, om hen te vormen tot leeraars dier Gemeente (Royaards, t.a. pl. 207). In het volgende jaar werd hieraan gevolg gegeven en werden eenige studenten (Royaards, 276) naar Genève gezonden, ten einde aldaar op stadskosten voor de dienst der Utrechtsche kerk gevormd te worden. Dat Utenbogaert zich onder dezen bevond, is bekend: thans zien wij, dat ook Royenburg daartoe behoorde. Wie waren de overigen? Alleen stads-burgerkinderen waren, volgens de Resolutie van 25 Maart 1584, daarvoor in aanmerking gekomen, en juist de beide genoemden zijn de eenige Utrechtenaren, die gedurende dit tijdperk in de rol der studenten te Genève zijn ingeschreven. Hieruit meen ik te mogen opmaken, dat het bij deze twee gebleven is. Zij werden krachtens Raadsbesluiten van 9 en 16 Maart 1584 teruggeroepen, en ook daarin wordt slechts van het onderhoud van twee studenten te Genève tot Paschen van dat jaar gewag gemaakt. Royenburg werd 7 Junij 1585 Predikant van St. Jakob, ging in 1586 tot de vereenigde gemeente over en vertrok in 1589 naar Breda. Vgl. Royaards, t.a. pl. 330.

103. Nicolaus Cromhout.

Dat hij, als voorzittend Raad van den Hove van Holland geroepen om in de zaak van Oldenbarneveld te oordeelen, zich trachtte te verschoonen, ‘alleguerende particulierlijk de grote familiariteyt, die hij gehad heeft met den Heere Advokaat in vele dyckagien ende gemeenschappen, ende met Hoogerbeets ende Grotius, daarvan hij kinderen ten dope hield,’ is reeds uit het

[p. 204]

Register Hiniosa MS. door van Wyn (Bijv. en Aanmerk. op Wagenaar, X. 100) aangeteekend: maar de redenen van verschooning werden niet toereikende geacht. Ook is het bekend, dat hij van 1626 tot 1636 zitting had in het Collegie van Curatoren der Leydsche Hoogeschool. Siegenbeek, II. Toev. 858. Reeds in December 1608 was hij (blijkens de Resolutien van Holland) met Leonard de Voogd en Hoogerbeets zelven naar Amsterdam afgevaardigd, om de toetreding dier stad tot het twaalfjarig bestand te bewerken. Wagenaar, Vad. Hist. IX. 429. Doch omtrent de vroegere lotgevallen van den Heer van Vryhoeven vóór zijne benoeming tot Raadsheer in den Hove, die 6 December 1591 plaats had, van welk Collegie hij in Januarij 1620 het voorzitterschap aanvaardde, zijn mij tot hiertoe geene berigten voorgekomen, en alleen door Brandt in het Leven van Arminius wordt hij genoemd onder de landgenooten, met wie deze te Genève vriendschapsbetrekkingen aanknoopte. Ook in later' tijd kwam hij natuurlijk nog met zijnen voormaligen commilito Wtenbogaert in veelvuldige aanraking, toen beiden te 's Gravenhage woonden. Vgl. Verantwoordinge, 98. Een gedicht door Janus Dousa tot hem gerigt, toen Arminius het Hoogleeraarambt te Leyden mogt aanvaarden, is afgedrukt bij Brandt, Vita Arminii, 200. En inderdaad, reeds in 1603 mogt hij genoemd worden de ‘Augustae Curiae Senator primarius, cuius apud Senatum Amstelodamensem plurimum valebat auctoritas.’ Brandt, ibid. 168. Hij overleed 22 (23?) Maart 1641. Vgl. Navorscher, VII. 231.

104. Joannes Crucius.

Ook deze wordt onder de Nederlandsche Akademievrienden te Genève vermeld door Casp Brandt, Hist.

[p. 205]

vitae Jac. Arminii, 21. Hij was in 1560 te Rijssel geboren. Vgl. Heidelberg no. 265. Na te Stade, Aken en Rijssel het Evangelie te hebben verkondigd werd hij predikant bij de Waalsche gemeente te Haarlem, waar hij 7 Februarij 1625 overleed. Ook woonde hij de Synode te Dordrecht bij. Zie over Jean de la Croix en zijne schriften (meest vertalingen) Glasius, Godg. Nederl. I. 318. Règlemens des Églis. Wallonnes, 309.

105. Abrahamus Muusholius.

Bij Rogge: Munsholius. Van 1602-1628 was hij in de betrekking van predikant te Breda werkzaam. Soermans, Kerk. Reg. 154. Vgl. Arch. v. Kerk. Gesch. V. 117.

109. Vopiscus von Scheltuma.

Vopiscus van Scheltuma thoe Morra was de zoon van Sippe van Scheltema, over wien Te Water heeft gehandeld, Verb. d. Ed. III. 289. Hij huwde Frouck Sibrensd. van Roorda van Genum en overleed in 1598. Zijn eenige zoon heeft zich bekend gemaakt als Lid van de Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden.

110. Bolo Bolardus.

Hij is hier opgenomen, omdat hij een Fries van geboorte was, gelijk blijkt uit de Heidelbergsche Matricula, no. 232. Overigens is het mij niet gelukt iets omtrent dezen mij geheel onbekenden man op te sporen; het komt mij niet onwaarschijnlijk voor, dat hij als Mentor onderscheidene Friesche jongelieden van aanzienlijke geboorte op hunne wetenschappelijke reizen heeft vergezeld.

112. Joannes Taffinus.

In 1590 werd hij predikant bij de Waalsche gemeente

[p. 206]

te Vlissingen, vanwaar hij in 1612 naar Middelburg vertrok. Hij was de zoon van den meer bekenden Jean Taffin, die van 1566 tot 1602 als predikant te Antwerpen, Metz, Haarlem en Amsterdam werkzaam was.

113. Fridericus Billetius.

Bij Rogge: Billotius.

Vóór dezen gaat nog: Petrus Carpenterius Belga alumnus ecclesiae Antwerp. Vgl. no. 88.

114. Adrianus Lymphaius.

Bij Rogge: Lymphanus.

115. Daniel Colonius.

Zie boven, Heidelberg no. 245. Dat hij als alumnus ecclesiae Antverpiensis naar Genève trok, wist men uit elders medegedeelde berigten. Vgl. Haag, La France Protestante, IV. 8 vlg. Zie voorts over zijn bedrijvig leven: Siegenbeek, Gesch. der Leydsche Hoogeschool, II. Toev. 291. Te Water, Hist. der Hervormde Kerk te Gent, 174 vlg. Van Harderwyk, Naamlijst der Predikanten te Rotterdam, 16 vlg. 122. Als tijdstip van zijn overlijden wordt door de meesten 1635 opgegeven: volgens de Lijst achter de ‘Orde, volgens welke de feesten lijdensteksten in de Nederd. Herv. Gemeente te Leiden gepredikt worden. (Leiden 1857)’ bl. 139 stierf hij in 1636.

116. Solinus ab Eysingha.

Vgl. Heidelberg no. 234. Indien men hier niet te denken heeft aan den aldaar in de aanteekening bedoelden, kan in aanmerking komen Tjalling van Eysingha, in 1562 geboren, zoon van Tjalling van Eysingha en Hylcke van Harinxma, door wien in 1595 te Franeker Breves Institutionum Commentarii wer-

[p. 207]

den uitgegeven. Vgl. Gab. de Wal, de cl. Frisiae JCtis, 80 vlg., door wien zijn aangevuld en verbeterd de berigten bij Te Water, Verbond der Edelen, II. 391 en Scheltema, Staatk. Nederl. I. 338 vlg. Hij overleed reeds 31 Augustus 1603. Baert van Sminia, Naamlijst, 180. Zie voorts Frisia Nobilis, 56, 98 en Foppens, Bibl. Belg. II. 1143.

118. Adrianus Tyongius.

Onder de medestudenten van Arminius te Genève wordt door Brandt (Vita Arminii, 21) in de laatste plaats vermeld ‘Adrianus Tjongius Dordrechtanus (postmodum Junius appellatus).’ Gedurende den Akademietijd ontstond tusschen beiden eene naauwe vriendschapsbetrekking, waarvan de reis van Arminius naar Italie (1586) het gevolg was. Deze toch ondernam hij ‘non tam proprio motu, quam quidem in gratiam spectatissimi iuvenis Adriani Junii, Juris Utriusque candidati, qui, postmodum in numerum Provincialis Curiae Senatorum relatus, Arminium singulari semper benevolentia prosecutus fuit. Hic quippe Italiae peragrandae cupidus, et conveniens sibi consortium quaerens, eundem multis verborum lenociniis precibusque tandem in partes suas traxit, ea lege, ut ambo eodem hospitio, eadem mensa, eodemque lectulo uterentur, si qua exeundum foret, hic ab illius latere numquam recederet. Hac pactione Genevae inita, bonis avibus iter suscipiunt, assumptis secum Psalterio Hebraico et Graeco Novi Foederis Instrumento ad mutua privatae pietatis exercitia.’ Brandt, t.a. pl. 29. Zijne latere lotgevallen en het deel, dat hij nam in de regtspleging van het driemanschap, zijn bekend. Maar hoogst onwaarschijnlijk komt mij het gevoelen voor van sommige geleerden, dat deze

[p. 208]

Junius dezelfde zijn zou, die reeds in 1572 met Johan van der Does, Aartsbergen en anderen naar het hof van Elisabeth werd gezonden, Scheltema, Staatk. Ned. I. 543.

120. Gerardus Assendelphius.

Hij is de zoon van Johan van Assendelft, Heer van Kralingen, Honingen, Besoyen en Heinenoord, en van Margaretha van Rossum. Van Leeuwen, Batav. Illustrata, 855. Eerst in 1586 is hij naar Heidelberg vertrokken, waar hij zijne studiën heeft voortgezet. Vgl. no. 266. der lijst van Heidelberg.

121. Melchior von Steinberg.

Na dezen volgen nog op deze lijst:

Solinus ab Eysingha Phrysius theol. stud. Vgl. no. 116.

Petrus Cornelius Bredenrodius Hagocomitanus. Vgl. no. 63.

Joannes Copius Frisius. Vgl. no. 57.

Jacobus Arminius Hollandus. Vgl. no. 85.

Joannes Crucius Insulanus. Vgl. no. 104.

Paulus Gulielmius Dordracenus.

Adrianus Tyongius Dordrac. Belga. Vgl. no. 118.

Harmannus Bysius Dordracensis. Vgl. no. 94.

Antonius Thysius Antwerpianus. Vgl. no. 96.

122 en 124. Pabaeus en Egbertus Alberda.

Deze, zonen van den geleerden Groningschen Burgemeester Reynt Alberda en Wilmke Coenders, zwierven als ballingen in Oostfriesland rond, nadat de vader in 1582 uit de gevangenis, waarin Rennenberg sommige Groningers geworpen had, was ontslagen. Na de Reductie werd Egbert Burgemeester van Groningen en kort

[p. 209]

daarop afgevaardigde tot de Algemeene Staten. Hij overleed 16 September 1604. Vgl. Scheltema, Staatk. Nederland, II. 528 vlg. Dat hij zoowel te Heidelberg als te Genève zich op de regtswetenschap toelegde, blijkt nu volkomen. Vgl. no. 240 van Heidelberg.

123. Hilbrandus Fernysium.

Vgl. Heidelberg no. 297.

125. Gasparus Heydanus.

Vóór dezen komt andermaal voor Daniel Doolegius Bruxellensis Belga, vgl. no. 87. Zie voorts over Heidanus, Heidelberg no. 228.

126. Daniel Eudensis.

Op dezen volgen hier: Franciscus Nutius Antwerpianus theol. stud. Vgl. no. 97.

Daniel Colonius Metensis theol. stud. Vgl. no. 115.

Joannes Gerarts Trechius Neomagus theol. stud. Vgl. no. 106.

127. Henricus Heincke.

Op dezen volgen: Vopiscus Scheltuma. Vgl. no. 109.

Bolo Bolardus. Vgl. no. 110.

129. Adamus ab Eysingha.

Zie boven, Heidelberg no. 233.

131. Joannes Gulielmus a Boetzeler.

Deze was de oudste zoon van Floris van den Boetzelaer, Heer van Langerak, en Odilia van Flodorp. Zijne ouders, die te Langerak de Kerkhervorming hadden begunstigd, volgde hij als knaap in den vreemde. Zijnen vader verloor hij nog zeer jong zijnde (1575); ook hij schijnt geen hoogen ouderdom bereikt te hebben, en is kinderloos overleden. Bij Hoogstraten en Kok (VII. 644), die het bovenstaande opteekenden, en het geslacht

[p. 210]

der Boetzelaren breedvoerig behandelden, vindt men ten zijnen aanzien geene verdere bijzonderheden vermeld. Dat hij zich van Genève naar Heidelberg begaf om zijne studiën voort te zetten, blijkt uit de Heidelbergsche lijst, no. 248.

135. Johannes Polyander.

De beroemde Leidsche Hoogleeraar, vroeger predikant te Dordrecht. Van zijn verblijf zoowel te Heidelberg als te Genève vinden wij uitvoerig gewag gemaakt door Frid. Spanhemius in de Oratio funebris in excessum Theologi Joh. Polyandri a Kerckhoven, te Leiden den 17 Februarij 1646 uitgesproken en ten zelfden jare in het licht gegeven. ‘Dum Genevae (zegt hij o.a.) vixit Polyander, in eximiorum Theologorum, Bezae, Sadeelis, Fayi aliorumque familiari conversatione non ingenii tantum pabulum reperit et praesidia eruditionis, verum etiam magna exempla, quibus animum per se ad pietatem et virtutem pronum in sancto hoc instituto confirmaret.’ En als hij door zijne ouders naar Nederland werd teruggeroepen, ‘antequam Genevâ discederet, eruditionis suae sacrae specimina publicis disputationibus amicis danda existimavit, et arduam de praedestinatione materiam sub Theodori Bezae praesidio, et sub Antonii Fayi auspiciis argumentum de Christo Mediatore, magno cum applausu in solenni panegyri defendit.’

136. Daniel de Nielles.

Hij werd eerst predikant te Wezel, later (1597) te Middelburg. Zie Dresselhuis, t.a. pl. 16. 117. In September 1606 werd hij door de Waalsche Synode te Dordrecht geschorst en vervolgens ontslagen, waarop hij

[p. 211]

zich naar Vlaanderen begaf. Vgl. Te Water, Historie der Hervormde Kerk te Gend, 107. Van zijne verdere lotgevallen is weinig bekend, alleen weten wij, dat hij in 1610 te Doornik wegens het verkondigen van Calvinistische leeringen werd gevangen gezet. Uit de Archives Tournaisiennes van Fred. Hennebert, I. 200, is dienaangaande door Dodt het een en ander medegedeeld in Utrecht voorheen en thans (1845) II. 2. 134.

137. Petrus Joannes.

Ongetwijfeld is de hier vermelde de Friesche Regtsgeleerde Pieter Jansen Runia. Lang heeft hij niet te Genève vertoefd, want reeds 3 Julij 1593 werd hij als Advokaat bij het Hof van Friesland ingeschreven. Na eenigen tijd als Secretaris van Leeuwarden te zijn werkzaam geweest, werd hij den 12 Junij 1602 tot Raadsheer in den Hove verkozen. Hij overleed in den aanvang van het jaar 1616 en werd door Gellius Jongestall opgevolgd.

138. Gossuinus Geldorpius.

De gissing, die ik in het Alg. Biogr. Woordenboek geopperd vind, dat deze een zoon van den bekenden Hendrik van Geldorp (Henricus Castritius) zou geweest zijn, vervalt mijns inziens door de bijvoeging in ons Album Frisius Occidentalis. De laatstgenoemde toch heeft Friesland verlaten, éér hij van Delft vertrok, en Delft, toen hij zich naar Duisburg begaf (1558). Is nu Goswinus in 1565 in Frisia Occidentali geboren, zoo is het wel niet waarschijnlijk, dat zijn vader de man was, die door Joh. Hild. Withof, in zijne te Duisburg uitgesprokene Jubelrede, ‘ob gravissimam persecutionem in Germania inferiore excitatam ex decumanis bellorum fluctibus in hune quodammodo portum delatus’ kon ge-

[p. 212]

noemd worden. Zie Acta Sacror. Saecul. Academiae Duisburgensis (Duisb. 1756) 88. Hoe dit zij, Gossuinus werd reeds in 1596 Predikant te Sneek en in 1611 in dezelfde hoedanigheid naar Amsterdam beroepen, waar hij 11 Augustus 1627 overleed. Te Genève woonde hij de lessen bij van Beza en de la Faye; de verhandeling van eerstgenoemden over het ketterdooden werd door hem en Bogerman uit het Latijn vertaald, en te Franeker in 1601 uitgegeven. Vgl. Navorscher, V, Bijbl. LXXXIV. Croese, Kerk. Register, 43. De vermaarde Boerhave stamde in een regte lijn van hem af.

139. Cornelius Boner.

Den 26 Augustus 1616 werd iemand van denzelfden naam, Leovardiensis, Juris studiosus, in het Album der Hoogeschool te Franeker ingeschreven. Geen van beiden is mij van elders bekend. Een Arend Boner was omstreeks dezen tijd substituut van den Procureur-Generaal in Friesland.

140. Martinus Gregorii.

Ook dit, geloof ik, was niet bekend, dat Maarten Goris, de bekende Kanselier van Gelderland en Voorzitter politiek der Synode te Dordrecht, zijne studiën onder de leiding van Dionysius Gothofredus voltooide. Hieruit blijkt tevens, dat hij nog zeer jong moet geweest zijn, toen hem in 1597 de raadsheerszetel in den Hove van Gelderland werd aangewezen. Eindelijk vinden wij hier het bewijs geleverd, dat hij niet te Roermond, maar te Venlo werd geboren.

141. Rudolphus Artopaeus.

De bekende Predikant van Bingum, die in 1594 naar Appingadam beroepen werd, kan hier onmogelijk aangeduid zijn; immers deze was in 1548 geboren en kwam,

[p. 213]

nadat hij Kapellaan te Jemgum geweest was, in 1581 te Bingum. Niet onaannemelijk komt mij de gissing voor van Rotermund, das Gelehrte Hannover, I. 63, dat de zoon van gemelden Rudolf denzelfden naam droeg als zijn vader. Deze schijnt eerst te Wittenberg gestudeerd te hebben, waar hij in 1593 eene Disputatio de spirituali Ecclesiae regimine verdedigde, en nog ten zelfden jare naar Heidelberg te zijn vertrokken. Misschien kan deze opmerking tot een naauwkeuriger onderzoek leiden en zal het blijken, dat vader en zoon door onze geschieden kronijk-schrijvers niet zelden verward zijn.

144. Franciscus a Kammingha.

Zoon van Sybrand van Cammingha en Catharina van Donia, indien het berigt juist is, dat in het Alg. Biogr. Woordenb. III. 48 voorkomt, in strijd met Baerdt van Sminia, Nieuwe Naamlijst van Grietmannen, 26, wiens woorden overigens bijna letterlijk in het eerstgenoemde werk zijn overgeschreven.

148. Mathias Damius.

Omtrent dezen ijverigen voorvechter der Contraremonstrantsche gevoelens komt een belangrijk artikel voor in het Alg. Biographisch Woordenboek, IV. 42. De schrijver beroept zich daarbij op Jöcher's Gelehrten-Lexicon, II. 16, maar deze vermeldt Damius in het geheel niet, zoodat de aanhaling daar ter plaatse waarschijnlijk bij het volgend artikel Adriaan Damman behoort. De mening, dat Damius in de Paltz werd geboren, wordt door het Album van Genève tegengesproken: daaruit toch blijkt, dat de man, die zich later als Geneesheer te Haarlem vestigde, wel degelijk in die zelfde stad het eerste levenslicht aanschouwde.

[p. 214]

150. Theodorus Xylander.

Elders schreef hij zich Theodorus Houtmannus. In Augustus 1596 werd hij Predikant te Buiksloot en Landsmeer. Uit die betrekking werd hij op zijn verzoek vier jaren later ontslagen. In 1611 trad hij andermaal in dienst te Nieuw Loosdrecht, waar hij in 1629 overleed.

151. Jacobus de Graeff.

De bekende Burgemeester van Amsterdam, wiens lotgevallen door G. van Enst Koning zijn beschreven in het Huis te Ilpendam (Amst. 1836). Vgl. ook Brandt, Historie der Reformatie, I. 221, 225, 338, 869.

152. Polcardus Oeverlander.

Lees: Folcardus. Geboren 10 Julij 1570 uit een aanzienlijk geslacht, uit Dithmarsen afkomstig. Hij werd Licentiaat in de Regten en (1603 en later) Schepen, eindelijk (1628) Burgemeester van Amsterdam. Hooft, met wiens nicht Maria hij gehuwd was, prijst (1612) zijne regtskennis en noemt hem ‘voorsien van oordeel, oeffeninghe en menichte van exempelen.’ Briev. I. 23. Het antwoord van Volkert Overlander aan Hooft heeft van Vloten doen afdrukken, II. 444 vlg. Ook treffen wij hem aan onder de Commissarissen voor Huwelijkszaken, in de Wisselbank en onder de Rekenmeesters van Amsterdam. In 1618 kocht hij van de steden Edam en Monnikkendam de heerlijkheid Ilpendam, in welke plaats hij zich reeds zes jaren vroeger een aanzienlijk grondbezit had verworven uit de nalatenschap van Egmond. In 1622 stichtte hij het huis Ilpenstein. Reeds in 1620 had Koning Jacobus I van Engeland hem, wegens bewezen diensten, in den adelstand verheven. Den 18 October 1630 is hij overleden. Zijne schrifturen betreffende

[p. 215]

's Lands zaken werden eertijds op het huis Ilpendam bewaard, doch zijn thans verdweenen. Reeds hierboven hebben wij hem vermeld gevonden, Heidelberg no. 316. Vgl. G. van Enst Koning, het Huis te Ilpendam en deszelfs voornaamste bezitters (Amst. 1836), 3, 37, 40, 57.

154. Joannes Saeckma.

Vgl. het vroeger aangeteekende, Heidelberg no. 339. Van Heidelberg vertrok hij naar Bazel, waar hij zich de doctorale waardigheid verwierf, en eerst daarna schijnt hij Genève bezocht te hebben. De briefwisseling van Casaubonus leert ons eenige merkwaardige bijzonderheden nopens het verblijf van Saeckma in straksgenoemde stad kennen. Met Beza onderhield hij zich menigwerf, en de lessen van Jacobus Lectius en Isaacus Casaubonus boezemden hem voor beide geleerden onbeperkte hoogachting in. Door laatstgemelden wordt hij ergens genoemd ‘vir amplissimus et integerrimus Johannes Saeckma, quocum vetus necessitudo mihi intercedit.’ Epist. 734. Aan hem was het dan ook voornamelijk toe te schrijven, dat men in 1597 er aan dacht, Casaubonus aan de Hoogeschool te Franeker te verbinden. Zie voorts Vriemoet, t.a. pl. XLVIII, en G. de Wal, de claris Frisiae JCtis, 122.

158. Cornelius Vander Myle.

De bekende schoonzoon van Oldenbarnevelt. Zijn geboortejaar heb ik nergens aangeteekend gevonden, maar hij moet nog zeer jong geweest zijn, toen zijn vader Arend van der Myle (over wien Van de Wall, Handv. v. Dordrecht, 1321, breedvoerig handelt) in 1580 overleed. Nog in 1603 werd hij door Baudius, die eene drukke briefwisseling met hem onderhield en zijne

[p. 216]

eerzucht soms niet weinig streelde, met een ‘juvenum optime’ toegesproken.

160. Johannes Bogermannus.

Frisius noemt hij zich hier: op zijn grafzerk wordt hij ‘Frisius in exilio natus’ geheeten. Eer hij naar Genève vertrok, had hij zich gedurende zes jaren aan de Hoogescholen te Franeker en Heidelberg (zie no. 346 van Heidelberg) op de letteren en Godgeleerdheid toegelegd. De kosten van zijne reizen naar de buitenlandsche Hoogescholen werden door de openbare schatkist gedragen, gelijk hij zelf in de opdragt van zijnen Spiegel der Jesuïten dankbaar erkende. Van zijn verblijf te Genève maakt hij in zijne Oratio de salutari usu iudiciorum Dei opzettelijk gewag, vooral van Beza, die destijds reeds meer dan tachtig jaren oud was, en wien de krachten allengskens begonnen te ontzinken. Nog geene twee maanden had hij er vertoefd, toen hij reeds eenige Theses Theologicae de Praedestinatione et mediis ei subordinatis onder voorzitting van Antoine de la Faye verdedigde. Lang kan hij niet te Genève gebleven zijn, want reeds in 1599 trad hij als predikant te Sneek op. Vgl. Vriemoet, t.a. pl. 270.

163. Gellius Fongeffall S. Fauriensis.

Men leze Jongestall, en voor S. Fauriensis, Stauriensis. Deze was de oom van den beroemden regtsgeleerde en staatsman Allard Pieter Jongestall, die door hem in 1635 plegtig tot kind werd aangenomen. Hij zelf heeft vele gewigtige ambten, zoo in Friesland als te 's Hage, bekleed, en werd in 1616 tot raadsheer in den Hove benoemd, welke betrekking hij tot 1637 heeft waargenomen. Vgl. Vriemoet, t.a. pl. LXIV, en

[p. 217]

het werk van mijnen vader de Claris Frisiae Jureconsultis, 126.

165. Gerardus Caesarius.

Zie hierboven, Heidelb. 351.

167. Hadrianus Cornelius Drogius.

Lees Cornelii. In 1601 werd hij Predikant in zijne geboorteplaats, Delft, waar hij reeds in het volgende jaar overleed. Soermans, 36.

168. Theophilus Ryckwerd.

Deze was de zoon van den bekenden Cornelis Ryckwaert, die te Utrecht in 1619 eene belangrijke rol speelde. Ook de zoon, in 1600 in den Briel tot Predikant beroepen, werd in eerstgenoemd jaar uit de dienst ontslagen; D.R. Camphuysen droeg aan hem zijne Stichtelijke Rijmen op. Waarschijnlijk was eerstgenoemde een zoon van Caerle Ryckwaert, bijgenaamd Theophilus, die in 1577 van Norfolk in Engeland naar Leiden werd beroepen, doch reeds in 't volgende jaar vertrok. Deze was geboren te Nieukerke in Belle-ambacht, werd crimineel vervolgd en gebannen in 1567. Vele bijzonderheden over hem treft men aan bij Janssen, de Kerkhervorming te Brugge, II. 287 vlg. Soermans 109.

169. Franciscus Leo.

In 1601 werd hij Predikant te Zwijndrecht of Schobbelands-Ambacht en Meerdervoort, waar hij in 1607 overleed. Soermans, Register, 33.

172. Paulus Joannes Senecanus.

Men leze: Snecanus. Hij werd Predikant te Winaldum. Greydanus, 116. Bij Johan van den Sande, ghewijsde saecken voor den Hove van Vrieslandt, tit. 1. dec. 1, komt in een door hem gevoerd proces eene beslissing

[p. 218]

voor, of de predikanten in eerster instantie voor den Hove moeten gedagvaard worden.

174. Jacobus Hundius.

Opmerkelijk is het, dat hij zich hier niet alleen Hundius (niet Hondius) maar ook Flissinganus schrijft, terwijl hij, volgens het trouwboek (bij Vrolikhert, Vlissingsche Kerkhemel, 58) te Wattenim (denkelijk Wachenheim) in de Paltz is geboren. Op het Vlissingsche lidmatenboek was werkelijk Genève aangewezen als de plaats, waar hij gestudeerd heeft, maar die naam is doorgeschrapt en Leiden daarvoor geplaatst, ‘vanwaar (zegt Vrolikhert) hij attestatie naar Leiden zal gebragt hebben, die daar zal vernieuwd zijn.’ In 1602 werd hij Predikant te Vlissingen, waar hij in Maart 1625 overleed. Breedvoerig is zijn leven ontvouwd door den aangehaalden schrijver, 56-63.

176. Nicolaus Grewinchof.

Zóó, niet Grevinchoven, teekende zich hier de beroemde kampvechter der Remonstranten. Uit dit Album wordt, door de bijvoeging Roterodamus, ook alle redelijke twijfel weggenomen aangaande de bevestigende beantwoording der vraag, of hij de zoon was van Caspar Grevinchof, deze toch was in 1559 Predikant te Rotterdam geworden. Vgl. voorts J. Tideman, de Remonstrantsche broederschap, 29 vlg., 320 vlg. Glasius, t.a. pl. I. 556 vlg.

177. Antonius Walaeus.

Reeds van elders was het bekend, dat hij, na te Leiden zijne studiën voltooid te hebben, de Hoogescholen te Genève, Lausanne, Bern, Bazel en Heidelberg bezocht: laatstgenoemde plaats evenwel niet dan ter loops,

[p. 219]

zoodat hij er zich dan ook niet deed inschrijven. Dat verblijf buitenslands leidde hem tot velerlei opmerkingen, die hij later in zijne inwijdingsrede als Hoogleeraar te Leiden, de recta institutione studii theologici, openbaar maakte. Vgl. Meursii Athen. Batav. 325. Foppens, Bibl. Belg. I. 93. Paquot, II. 196. Te Water, Historie der Hervormde Kerk te Gent, 168.

178. Dominicus ab Aylva.

Zonder twijfel is deze de bekende Douwe van Aylva, die op Haniastate te Holwerd in 1579 geboren werd. Zijne ouders waren Ernst van Aylva en Id van Herema. Hij was sedert 1611 lid der Friesche Staten en na 31 Maart 1618 Grietman en Dijkgraaf van Westdongeradeel. Over zijn leven en bedrijf zie men Vriemoet, t.a. pl. XCIX. Scheltema, Staatkundig Nederl. I. 40. Baerdt van Sminia, Nieuwe Naaml. der Grietmannen, 60 vlg. Hij overleed 8 Augustus 1638.

179. Adrianus Manmaker.

De belangrijke rol, die hij later in het politieke leven gespeeld heeft, is uit de geschiedboeken bekend. Reeds in 1601 stond hij (volgens Scheltema, Staatkund. Nederl. II. 33) bij geleerden in achting; hij kan alzoo niet dan gedurende een zeer kort tijdsbestek zich te Genève met letteroefeningen hebben bezig gehouden. Ook had hij reeds vroeger aan de Leidsche Hoogeschool zich op de regtswetenschap toegelegd, immers op de Akademische Bibliotheek vind ik een proefschrift de furibus, dat hij in 1599 onder voorzitting van den Hoogleeraar Cornelis van Swanenburch verdedigde. Zie voorts over zijne veelzijdige werkzaamheden Brandt, Historie der Regtspleging van Oldenbarnevelt, 5, 15, 17, 67, 226, 254.

[p. 220]

De la Rue, Staatkund. Zeeland, 71, 271. Wagenaar, Vaderl. Hist. VI. 463. VIII. 462. X. 223, 288, 341, 425. XI. 5, 6. Vreede, Inleid. tot de geschied. der Nederl. Diplomatie, II. 2, 52, 109.

184. Johannes a Lodenstein.

In 1604 werd hij Predikant te Soeterwoude, waar hij in 1629 overleed.

185. Gulielmus a Zevender.

Mr. Willem van Zeventer, Raad in den Hove van Holland, Zeeland en Westfriesland, in 1604. Vgl. van Alphen, Papegay, II. Voorr. Zie Brandt, Hist. d. Ref. II. 647. Wagenaar, Vad. Hist. X. 152.

186. Cornelius Theodori van der Meer.

Deze was de vader van Theodorus van der Meer, den Amsterdamschen Conrector.

187. Doco von Jongasma.

Lees: Duco Jongema. Zoon van Laas Jongema (over wien breedvoerig is gehandeld door Te Water, t.a. pl. II. 487-489) en van Luts van Aylva. Hij werd in 1620 Grietman van Franekeradeel en bekleedde later dezelfde betrekking in Hennaarderadeel. Voor beide Grietenijen werd hij volmagt ten landsdage. Hij overleed te Wommels, den 25 December 1638. Vgl. Frisia Nobilis, 377. Baerdt van Sminia, t.a. pl. 195.

188. Everhardus Feyth.

Hij wordt hier eenvoudig Geldrus genoemd en was te Elburg geboren. Saxe (Onomast IV. 125) heeft hem ten onregte op het jaar 1600 geplaatst, daar hij (blijkens ons Album) eerst in 1601 de Hoogeschool te Genève bezocht. Wat in het Alg. Biogr. Woordenboek, VI. 57, gezegd wordt, dat hij vervolgens te Bearn in Frankrijk studeerde, be-

[p. 221]

rust op eene dwaling van Kok, die blijkbaar of de Hoogeschool van Pau of de hervormde kweekschool te Orthez bedoelde. De brief, dien de Zwolsche Rector Hendrik Bruman voor zijne uitgave van Feyth's Antiquitates Homericae plaatste, maakt van zijn bezoek der Akademie te Genève geen gewag. Zie voorts Paquot, IV. 388 vlg.

191. Cornelius Burchvliet.

Aldus moet zeker gelezen worden voor Buschvliet. Cornelius Petri Burgvliet werd in 1604 Predikant te Nieuwkoop, vertrok in 1613 naar den Briel en werd in 1617 afgezet. Soermans, 138, 109.

192. Christophorus Sticke.

Was deze ook een zoon van den met roem bekenden Burgemeester van Deventer Dirk Sticke, en broeder van den Brandenburgschen resident Hendrik Sticke, die in 1620, als schuldig aan valsche munt, te Amsterdam openlijk onthalsd werd?

197. Daniel Wittius Gandano-Batavus.

Men leze: Goudano-Batavus. De bekende Remonstrantsche Predikant te Schoonhoven, die in 1613 en 1614, schoon door den Magistraat der stad ondersteund, veel tegenkanting van zijne stadgenooten verduren moest. In 1619, na zijne afzetting, dreigde hem, bij een bezoek te Gelkenesse, levensgevaar, waarna hij zich eerst naar Ysselsteijn, daarna naar Rotterdam begaf. Vgl. van Berkum, Beschrijving der stad Schoonhoven, 530, 548-550.

198. Stephanus Corcellius.

Zie boven, H. 417. Over het leven en de schriften van dezen Amsterdamschen Hoogleeraar aan de Remon-

[p. 222]

strantsche kweekschool, die te Genève niet alleen opgeleid, maar ook geboren was, kan men breedvoeriger berigten vinden bij Poelenburg, in zijn leven, vóór de Opera Theologica geplaatst. Vgl. voorts van der Hoeven, Gedenkschrift, 100 vlg. J. Tideman, de Remonstrantsche broederschap, 17 vlg. A. des Amorie van der Hoeven Jr. de Jo. Clerico, 20, 33.

201. Nathanael Clasenius.

Hij was de broeder van Petrus Clasenius, die in 1632 van Domburg naar Amsterdam vertrok.

203. Johannes Arnoldus.

Dat deze niemand anders is dan de door talrijke schriften bekende Johannes Arnoldus (of Arnoldi) Corvinus (eigenlijk Ravens) a Belderen, blijkt uit Brandt's Hist. der Reformatie, II. 135 vergel. met II. 95. In 1606 werd hij te Leiden tot zesden predikant beroepen en sedert heeft hij door woord en pen de Arminiaansche gevoelens ijverig verdedigd. In 1619 afgezet, vertrok hij naar Frankrijk, waar hij in 1622 in de regten promoveerde; teruggekeerd ‘heeft hij hem in de stad Norden in Oostvrieslant gestadich in de practique geëxerceert.’ Onwaarschijnlijk komt mij daarom de meening voor, uitgedrukt in het Alg. Biogr. Woordenb. III. 753, dat hij eerst na September 1632 de doctorale waardigheid in de regten verkreeg. In het laatst van zijn bedrijvig leven was hij niet Hoogleeraar maar Advokaat en Privaatdocent te Amsterdam, waar hij in Januarij 1650 overleed. De talrijke schrijvers, die van hem gewag maken, vindt men vermeld bij v.d. Aa, Biogr. Woordenb. t.a. pl. Zijne schriften en die zijns zoons Arnoldus Corvinus worden dikwerf, vooral door de regtsgeleerde

[p. 223]

auteurs der vorige eeuw, verward; de nasporing der stukken, die aan zijne pen verschuldigd zijn, eischt een naauwkeurig onderzoek.

204. Egbertus Verhoetius.

Lees: Verhoevius. In 1607 werd hij Predikant te Hillegom, in 1612 te Haarlem. Ter laatstgenoemder plaatse is hij in Februarij 1618 overleden.

206. Henricus ab Essen.

Slechts zeer korten tijd heeft deze beroemde staatsman (later een der regters van Oldenbarnevelt en lid der eerste Geldersche Synode na de Dordtsche) de lessen aan de Hoogeschool te Genève bijgewoond: immers nog in ditzelfde jaar 1604 werd hij in de Ridderschap van de Veluwe opgenomen, en drie jaren daarna tot Raadsheer in den Hove van Gelderland benoemd. Van der Capellen maakt in zijne Gedenkschriften dikwerf van hem melding en bedekt ook geenszins de gebreken, die hem ontsierden. In 1624 was hij het eerstbenoemde lid der Ambassade naar Frankrijk, eene benoeming, die den naijver in Holland niet weinig opwekte. Vreede, Inleiding tot eene Gesch. der Nederl. Diplomatie, II. 2. 50.

208. Jeremias de Pours.

Hij werd 17 Junij 1606 Predikant te Middelburg, waar hij meer dan veertig jaren werkzaam was. Over zijne schriften vgl. Dresselhuis, t.a. pl. 16 (5). Voor Neogortanus leze men: Neoportanus.

209. Joannes Sartorius.

In 1613 werd deze tot Predikant te Beetsterzwaag beroepen, in welke betrekking hij vervolgens naar Buitenpost is overgeplaatst. De berigten omtrent hem bij Jac.

[p. 224]

Engelsma, Volglijst van Predikanten onder de Classis van Zevenwouden (Leeuw. 1763) 195, en van Columba, Naamlijst der Predikanten onder 't ressort van de Classis van Dokkum (Leeuw. 1766) 35, zijn bezwaarlijk met elkaâr overeen te brengen. Hij overleed in 1621 en heeft zich bekend gemaakt door een Latijnsch gedicht op den Orientalist Johannes Drusius, afgedrukt in Curiandri Vitae Operumque Joh. Drusii delineatio (Franeq. 1616. 4).

211. Laurentius Boenart Zirigoeo-Zelandus.

Men leze: Zirizaeo-Zelandus.

214. Henricus Bootius.

In de Volglijst enz. van J. Engelsma bl. 196 leest men: ‘In 1626 is hier (te Beetsterzwaag) beroepen Henricus Bothe of Bothenius Junior; dus schrijft hij zich, misschien ter onderscheiding van Henricus Bothenius van Oudeberkoop. Hij is vanhier in 1629 verroepen naar Witmaarsum.’ Hiermede komt overeen Naamlijst van H. Grevenstein, bl. 69, alwaar gelezen wordt ‘Henricus Bothe, beroepen van Beetsterzwaag in 1629. Onzeker wanneer overleden, tenzij hij dezelfde geweest is met Henricus Petri overleden 2 April 1639. Want op een grafsteen staat: 1639 den 2 April is overleden de Hoog Geleerde Henricus Petry, bedienaar des goddelijken woords te Witmarsum.’ Dat hij (Henricus Bothe) werkelijk zóó lang aldaar (te Witmarsum) gestaan heeft, blijkt uit de aanmerkingen over de Naamlijst van 't Classis van Bolswert, die Greydanus door J. Heringa aan zijne naamlijst heeft toegevoegd. Dáár toch leest men: (bl. 180, alwaar van de Predikanten van Witmarsum sprake is): ‘Henricus Bothe was 1636 Deputatus Synodi, en 1638 Correspondens naar

[p. 225]

Zuid Holland.’ Hiermede strookt weder het Synodaal register bij M. Soermans, alwaar Henricus Rothe Predikant te Ootmarsum als Correspondent van Vriesland in 1638 wordt opgegeven.

Is deze dezelfde, die in 1605 te Genève studeerde, dan moet hij òf eene vroegere standplaats gehad hebben, eer hij te Beetsterzwaag werd beroepen in 1626 - òf hij moet een 20tal jaren zonder beroep geweest zijn. Het komt mij waarschijnlijker voor, dat wij bij dien student te Genève te denken hebben aan een' anderen Henricus Bothe, die in het bovenstaande reeds genoemd werd, en van wien de Volglijst van J. Engelsma, bl. 238, aldus gewaagt: ‘Henricus Bothenius bediende Oudeberkoop met vier geannexeerde dorpen, en daar was toen een tweede leeraar in deze Grietenije te Oosterwolde mede met vier dorpen gecombineerd. Het is denkelijk, dat deze Bothenius al kort na het begin van de 17e eeuw hier gekomen is, dewijl hij 1634 reeds een' zoon had, voor wien hij op den 7 September van dat jaar bij deze classis het Examen verzocht. In het vorige is gezien, hoe slordig het hier ging met de Pastoriegoederen, en het schijnt dat dit misbruik nog niet geheel was weggenomen; want Bothenius vertoonde den 24 September 1633 aan de classis, dat er zeker misverstand was tusschen hem en partikuliere huislieden, nopens sommige Pastorielanden of derzelver gebruik ad fines destinatos, dewelke door looze actien hem zochten te capteren, waarop hem belast werd, de zaak op het bekwaamste, zoo niet met vriendschap, dan door middel van Justitie te bevorderen. Hij was 1638 lid der Synode te Harlingen en is in datzelfde jaar, gestorven, want op den 15 December hebben de De-

[p. 226]

putati classis orde gesteld, om de vakante plaats te bedienen.’

215. Hesselus Horatius a Vernou.

Men leze: a Veruou.

217. Philippus Pynacker.

Ook te Heidelberg hebben wij hem ontmoet. Vgl. Heidelberg no. 401. In 1610 werd hij te Alkmaar beroepen, doch reeds in 1619 is hij van zijn dienst ontslagen.

218. Cornelius Bartholdus Meyledamius.

Men leze: Bartholdi. Hij werd Predikant te Goingaryp, in welke hoedanigheid hij den 11 Oct. 1619 de formulieren onderteekende. Nog in 1635 woonde hij de Synode te Sneek bij, doch kort daarna is hij overleden, want reeds den 27 April 1636 wordt in de classikale akten van zijne weduwe gewag gemaakt. Vgl. Engelsma, Volglijst der Pred. onder de classis van Zevenwouden, 93.

219. Jodocus de Bils.

Waarschijnlijk de grootvader van den beroemden Lodewyk de Bils, die van Vlaamsche afkomst was, en een tijd lang het Professoraat in de Anatomie aan de Hoogeschool te Leuven heeft bekleed. Velingius, Illustre School te 's Hertogenbosch, 46, 51. Vgl. de aanteekening bij Heidelberg no. 384.

224. Nathan Vaius.

Geboren 16 Maart 1581, overleden 15 December 1651. Dat hij eerst te Leyden en later te Genève gestudeerd heeft, was bekend. Achtereenvolgens werd hij Predikant te Calais, Axel en Bergen op Zoom. Een naauwkeurig berigt aangaande zijn leven en schriften, door Willem Vay Predikant te Zierikzee, vindt men bij de la Rue, Gelett. Zeel. 131 vlg. Zie voorts Scharp, Ge-

[p. 227]

schiedenis en Costumen van Axel (Middelb. 1787) II. 220. Het werkje door hem met twee andere Predikanten opgesteld over de belegering van Bergen op Zoom in 1622 vindt men naauwkeurig beschreven, doch zonder vermelding van de namen der auteurs, bij Hermans, Gesehiedkundig Mengelwerk der Provincie Noord-Braband, II. 4, 5. De Fransche vertaling, waarvan een exemplaar op de Koninklijke Bibliotheek te 's Hage wordt aangetroffen, zal wel geheel van de hand van Vay zijn. Zie voorts Dresselhuis, Waalsche Predikanten in Zeeland, 18, 25. Kobus en de Rivecourt, Biogr. Woordenb. in v.

225. Petrus Plancius.

Een zoon van zijnen beroemden naamgenoot, geboren vóór 1584, toen zijn vader Brussel verliet. Hij was Predikant te Kampen, toen men in September 1620 hem naar Amsterdam beriep, maar kerk en classis weigerden hem te ontslaan. Zie Croese, Kerk. Reg. 45.

226. Regnerus Bogerman.

Zie boven, Heidelberg no. 413.

227. Bernhardus Fulsingh.

Ook hier is een misslag ingeslopen. Men leze: Julsingh. Bij het hiervoren op de Heidelbergsche lijst, no. 410, opgeteekende, zij hier nog het een en ander gevoegd. Hij zag het levenslicht in 1583 en was de zoon van den ook als Orientalist bekenden Johannes Julsingh, Secretaris der stad Groningen, en van Geertruid van Coeverden. Volgens Scheltema (Staatk. Nederl. I. 542) genoot hij eerst te Groningen het onderwijs van Ubbo Emmius en Adrianus Metius en bezocht hij daarna eenige buitenlandsche Hoogescholen:

[p. 228]

ons Album levert daarvan een bewijs op. Inzonderheid was hij in 1614 werkzaam bij de oprigting der Universiteit van Stad en Lande, want, ofschoon hij destijds naauwelijks dertig jaren oud was, had zijne bekendheid met vele geleerden in Europa hem als het ware aangewezen, om onderhandelingen met beroemde mannen aan te knoopen. Vruchteloos echter trachtte hij te Marburg Johannes Hartmannus, Med. Prof., en Antonius Matthaeus, Jur. Prof., voor de nieuwe leerschool te winnen: eerst in 1625 is laatstgemelde derwaarts vertrokken. Van lieverlede steeg hij tot de hoogste eerambten op; beurtelings zien wij hem te Groningen en 's Gravenhage werkzaam. Hij stierf 1 Januarij 1647.

228. Jacobus Laurentius.

Zie boven, Heidelberg no. 409.

229. Gerardus Foeyt.

Reeds in het midden der vijftiende eeuw treffen wij in de stedelijke Regering van Utrecht een regent van dien naam en voornaam aan: in de zeventiende daarentegen wijzen ons wel de lijsten op vele leden van dat geslacht, doch geen hunner droeg den naam van Gerrit.

230. Gerardus Quirini de Blauw.

Jongste zoon van Quiryn de Blauw (ook wel Blau of Blaeu geschreven), die als kapitein zich bij het beleg van Steenwijk en in den slag bij Nieuwpoort onderscheidde, en van Anna Hardenberg. Hij trad in 1615 in het huwelijk met Aukje Polman, uit welken echt de bekende Hieronymus de Blau gesproten is, over wiens leven en werken het een en ander voorkomt bij Scheltema, Staatk. Nederl. II. 536, en Chalmot, Biogr.

[p. 229]

Woordenb. III. 132 vlg. Van onzen Gerardus vinden wij in het werk mijns vaders de claris Frisiae Jureconsultis, 313, opgeteekend, dat hij in 1606 als student in de wijsbegeerte aan de Hoogeschool te Franeker werd ingeschreven en sedert 1614 als Advokaat voor het Hof van Friesland praktiseerde. Van de voortzetting zijner Akademische studiën te Genève was tot hiertoe niets bekend.

233. Theodorus Petreius.

Deze Theodorus Pieterse (elders Petri genoemd) werd in 1612 te Winterswijk beroepen, doch reeds in het volgende jaar ontslagen; daarna deed hij bij voorraad dienst te Etten, Netterden en Zilvolde tot aan zijn overlijden (1625).

234. Guinandus Rutgersius.

Zie boven, Heidelberg no. 415.

235. Johannes Fabricius.

Van zijn verblijf te Genève getuigt de Rector Theodorus Tronchinus: ‘Joannes Fabricius Aquisgranensis id officii postulavit a nobis (namelijk ut publico testimonio cohonestaretur), quod merito lubentes expendimus. Vixit enim ille inter nos sex circiter menses honestè et probè, cum pietatis et modestiae laude. In studiis Theologicis diligenter versatus est lectiones audiendo et exercitationes eiusdem disciplinae.’ Arch. v. Kerkel. Gesch. IV. 216. Dat hij ook te Heidelberg gestudeerd heeft, blijkt uit het testimonium, dat Engelbertus Breberinus (no. 387) in 1613 aan Smetius ter hand stelde, die hem noemt ‘in privatis et publicis non tantum disputationum et lectionum Academicarum sed et sacrarum concionum ασκητηριοις exercitatum, cuius certam et indubitatam Dnus M. Abrahamus Scultetus

[p. 230]

in illustri nuper apud nos consessu, praesentibus aliquot ministris, cum eiusdem documentum rei ab ipso peteretur, fidem fecit.’ Waarschijnlijk heeft de in het Album tallooze malen voorkomende naam Fabricius en de omstandigheid, dat hij geen geboren Nederlander was, mij zijne inschrijving doen over het hoofd zien.

237. Johannes Gossuin Bossman.

Joh. Gosuini Bosman werd in 1617 Predikant te Zwyndrecht, en overleed reeds in het volgende jaar. Soermans, 33.

238. Johannes Rosaeus.

Vgl. no. 427 der Matricula van Heidelberg.

239. Bartholomaeus Prevostius.

Hij was Predikant te Vreeswijk aan de Vaart, toen ook hem in 1619 de verwijdering uit de dienst trof. In den aanvang van dat jaar vervulde hij eenige predikbeurten van den Waalschen Predikant Carolus Niellius te Utrecht, op verzoek der gemeente en met toestemming van de vroedschap. Weldra echter werd hem dit door de Overheid verboden en van wege Gedeputeerde Staten gelast, ‘zijn dienstwerk te supersederen.’ Dit had ten gevolge dat hij met bijtende scherts de Remonstrantsche gevoelens verdedigde, tot dat hij 27 Augustus 1619 uit den lande werd gebannen. Vgl. Brandt, Hist. der Reformatie, III. 393, 940, 964-971.

241. Samuel Ampsinck.

Zijn vader Johannes Assuerus Ampsing was in 1583 Predikant te Haarlem geworden, doch verliet in 1591 de kerkelijke dienst, om in Oostfriesland de Geneeskunst uit te oefenen, in welk vak hij later het Hoogleeraarambt te Rostock heeft bekleed. Samuel, de zoon, is den 22 Junij 1590 te Haarlem geboren. Over zijn le-

[p. 231]

ven en zijne talrijke schriften hebben Kok, Chalmot en anderen vele bijzonderheden bijeengebragt: en vreemd schijnt het, dat Dr. Glasius hem eene plaats in het Godgeleerd Nederland heeft ontzegd. Hij is achtereenvolgens te Rijsoort (1616) en te Haarlem (1619) Predikant geweest en ter laatstgenoemder stede 29 Julij 1632 overleden. Zijn verblijf te Genève heeft hem bekwaam gemaakt, om zoo wel in de Fransche als in de Hollandsche taal zijne ambtsverrigtingen waar te nemen.

242. Daniel A. Clys.

Men leze: Daniel a Gijs. In 1615 werd hij Waalsch Predikant in de heimelijke kruisgemeente van den Wijngaard te Antwerpen. In de Règlements des Églises Wallonnes, 310, komt hij dan ook op het jaar 1616 als Predikant de la Vigne voor. Nadat hij in 1618 bij leening te Nymegen werkzaam geweest was, vertrok hij in 1629 naar Koudekerk aan den Rijn als Hollandsch Predikant. Reeds in 1626 was hij door den Kerkeraad te Leiden begeerd, doch destijds door de stedelijke overheid, met Ds. l'Empereur, van het vijftal geschrapt. Zijne losmaking vond bij de Vrouw van Poelgeest vrij wat tegenkanting. Hij overleed in 1640 of 1641. Vgl. de Leidsche Orde der Feest- en Lijdensteksten, 108. Nederl. Archief v. Kerk. Gesch. IV. 8.

246. Esaias Wykentoorn.

Waarschijnlijk uit Dordrecht afkomstig. In 1649 vinden wij eenen Esaias Wyckentoorn vermeld, die voor de toewijding zijner Theses eene belooning van stadswege ontving. Schotel, Kerkel. Dordr. I. 537. Kan de onze een zoon geweest zijn van Aegidius Wykentoorn, die eerst te Abbekerk, later te Goerêe Predikant was?

[p. 232]

247. Joannes Cloppenburch.

Het is bekend, dat deze, na te Leiden, Sedan, Herborn, Marburg, Heidelberg en Bazel, gedurende vele jaren gestudeerd te hebben, zich naar Genève begeven heeft, om de lessen van Turretinus bij te wonen. Volgens Vriemoet (Athen. Fris. 374) zou hij in 1614 te Bazel gekomen zijn en een rond jaar ten huize van Buxtorf verblijf gehouden hebben; ons Album weêrlegt die min naauwkeurige opgave. Vijf maanden vertoefde hij te Genève, waar hij, onder voorzitting van genoemden Hoogleeraar, zijne Positiones de Christo Servatore in het openbaar verdedigde; zij zijn opgenomen in zijne Opera Theologica, die Joannes a Marck te Amsterdam in 1684 in het licht zond, I. 296 vlg. Voor het overige zijn de lotgevallen, het karakter en de verdiensten van dezen geleerde door Vriemoet en Bouman, Geschiedenis der Geldersche Hoogeschool, I. 83, 125. II. 605, 610, duidelijk in het licht gesteld.

248. Antonius Plancius.

Zoon van den Amsterdamschen Predikant Petrus Plancius. In 1620 werd hij tot het leeraarambt te Oosterhout beroepen, vanwaar hij in 1622 naar Amsterdam vertrok. Volgens Croese (Register, 28) overleed hij, naauwelijks bevestigd zijnde, op den laatsten Februarij van genoemd jaar. Veeris daarentegen geeft 1624 als zijn sterfjaar op.

253. Wesselus Ubbonis Emmii.

Zie boven, Heidelberg no. 456.

256. Andreas Colvius.

Geboren te Dordrecht in 1594, overleden aldaar den 1 Julij 1671. Zij, die 's mans leven en lotgevallen be-

[p. 233]

schreven, maken wel van zijne Leidsche Akademiejaren, niet van zijn verblijf te Genève gewag. En toch heeft dat verblijf ongetwijfeld veel bijgedragen, om hem geschikt te maken voor de betrekking van prediker bij het Venetiaansche gezantschap en leeraar der Waalsche gemeente te Dordrecht, die hij van 1620 tot 1666 achtereenvolgens bekleedde. Slechts één jaar heeft hij te Genève vertoefd, daar hij reeds in 1619 als Kandidaat door de classis van Zuidholland werd toegelaten. Tot hem rigtte Claudius Salmasius den bekenden brief de caesarie virorum et mulierum coma. L.B. ex off. Elzev. 1644. 12. Vgl. over zijne schriften en lotgevallen Kok, Vaderl. Woordenb. X. 461. Schotel, Kerkel. Dordrecht, I. 320-323. Of de biografie van Andreas Colvius, die in HS. voorkwam op den Catalogus der Bibliotheek van Jacobus Koning, 76, van zijn verblijf te Genève melding maakt, is mij onbekend.

257. Arnoldus Martinus.

Ongetwijfeld een bloedverwant van Arnoldus Martini, die in 1619 als predikant te Groningen overleed. Hij werd in 1624 predikant te Zundert, vertrok vandaar in 1624 naar Oosterhout, en overleed in 1641. Soermans, 158, 160.

258. Timotheus Rolandus.

Zie boven, Heidelberg no. 453.

260. Abraham Heydanus.

Het was bekend, dat hij, nadat hij reeds in onderscheidene Waalsche gemeenten had gepredikt, naar Genève vertrok, om zich op de studie der Godgeleerdheid en Wijsbegeerte op nieuw toe te leggen. Hij heeft er echter slechts korten tijd vertoefd, want weldra aanvaardde hij zijne bekende reis naar Frankrijk. Vgl. Levensb. van

[p. 234]

beroemde mannen en vrouwen, IV. 262. Zie verder de aanteekening op no. 506 van Heidelberg.

261. Antonius ab Harinchouckh.

Zie boven, Heidelberg no. 508.

263. Otteo (Otto?) Swanenburgius.

Zie boven, Heidelberg no. 504.

269. Henricus Colvius.

Broeder van den meer bekenden Andreas Colvius, onder no. 256 vermeld. In 1626 werd hij predikant te Ridderkerk, vanwaar hij in 1641 naar Zwijndrecht vertrok; aldaar is hij in 1652 overleden en opgevolgd door zijn zoon Theodorus. Soermans, 31, 34. Schotel, Kerkelijk Dordrecht, I. 339, II. 10.

272. Joannes Arcerius.

Kleinzoon van den vermaarden Hoogleeraar te Franeker en zoon van Joannes Arcerius, die achtereenvolgens te Oost- en Westerschelling, Pietersbierum, St. Anna-Parochie en Altona predikant was. Hij noemt zich in het Album Frisius, en is waarschijnlijk op het Bildt geboren. In 1621 werd hij student te Franeker, vanwaar hij in 1624 naar Genève vertrok. Vgl. Vriemoet, t.a. pl. 77. In Franeker werd hij ingeschreven als Johannes Ministri Hamburgensis (eigenlijk Altonaviensis) filius.

273. Henricus Berckelius.

In 1626 werd hij predikant te Krimpen, waar hij in 1640 overleed. Soermans, 71.

276. Bernhardus Wilbrenninck.

Hij is als proponent beroepen te Apeldoorn in 1632, en overleed in 1670.

277. Conradus Coenen.

In 1632 werd hij predikant te Bennekom, in 1648 te

[p. 235]

Heeswijk en Dinter, in 1651 te Vught. Hij overleed in 1683. De Jongh, 280.

280. Christianus Suellen.

Men leze: Snellen.

281. Arnoldus a Goor.

Dat deze te Utrecht gestudeerd heeft en er tot A.L.M. werd bevorderd, is bekend uit Burman's Traiectum Eruditum; of echter zijne promotie vóór zijn bezoek te Genève heeft plaats gehad, weten wij niet; het is evenwel niet waarschijnlijk, omdat in dat geval de wetenschappelijke titel wel achter zijn naam zou geplaatst zijn. In 1636 werd hij Lector, in 1638 buitengewoon Hoogleeraar van de Utrechtsche Hoogeschool. Welligt was hij in die betrekking niet gelukkig, vermits hij kort daarna eene burgerlijke waardigheid in zijne geboortestad in dienst van den Prins van Oranje aanvaardde. Over zijn leven en schriften zie men Voet, Hondertjarige jubelgedacht. der Acad. van Utrecht, 77. Burman, Traject. Erud. 106. Academische Uitspanningen, 213. Alg. Biogr. Woordenb. in v. 287 vlg. en vooral ook Hering, Neue Beiträge, I. 355. Het grootste deel zijner aanzienlijke boekverzameling vermaakte hij aan de Akademie van Duisburg, van waar die letterschat later naar Bonn is overgebragt. Withof. Acta Saecul. Acad. Duisburg. 94. Bij Feltman (Op. Jurid. I. 77) heet hij: ‘Arn. a Gohr, JCt. auriac. consil. et appellationum iudex.’

282. Bartholdus Goltsmit.

In 1637 is hij predikant geworden te Drempt en Olden-Keppel, in 1641 te Vorden, waar hij reeds in het volgende jaar overleed. De Jongh, 310.

283. Philippus Deodatus.

Dezen man vind ik niet vermeld, wel Philippus

[p. 236]

Diodati (mogelijk zijn zoon) die als proponent bij de Waalsche gemeente te Leiden beroepen werd in 1652 en alhier gestorven is in 1659. Of is laatstgenoemde de hier bedoelde? Vgl. Règlemens des Églises Wallonnes, 314.

284. Arnoldus Bornius.

Nog in September van dit zelfde jaar 1636 werd hij te Kamerik tot Predikant beroepen, in welke bediening hij vervolgens overging naar Schagen, Woerden, Delft en Alkmaar, waar hij in Augustus 1679 overleed. Welligt was hij een broeder van den Leidschen Hoogleeraar Henricus Bornius, die op datzelfde tijdstip te Utrecht studeerde.

285. Joannes Strick.

Deze was de zoon van Johan Strick, den Utrechtschen regent, dien Lodewyk XIII in den adelstand verhief en met de orde van St. Michiel begiftigde, en kleinzoon van Johan Strick den ouden, Secretaris der Staten van Utrecht, die later aan het hoofd der Culemborgsche regering geplaatst werd. Hij zelf zag zich den 12 April 1644, door afstand van Daniel Dablyn, tot Maarschalk van het Overkwartier des Lands van Utrecht verheven, welke betrekking hij 38 jaren heeft waargenomen. Ook was hij Rentmeester van het Duitsche Huis, welk ambt hij verliet, toen hij in Mei 1663 in de vroedschap der stad Utrecht werd gekozen. Tweemalen is hij als zoodanig ontslagen, eerst in 1674, andermaal in 1684.

286. Lambertus Velthuysius.

De belangrijke rol, die deze door veelzijdige kennis uitstekende man in de geschiedenis van Kerk en Staat te Utrecht gespeeld heeft, geeft aan dit berigt aangaande de plaats, waar hij zijne studiën aanving, dubbel gewigt. Indien het zeker is, wat Burman (Traiectum Eruditum,

[p. 237]

385) zegt, dat hij in 1622 werd geboren, zoo had hij naauwelijks den leeftijd van veertien jaren bereikt, toen hij de reis naar Genève ondernam, in gezelschap van zijne stadgenooten Arnold Born en Johan Strick. Hadden niet de bezwaren, waarmede hij, wijsgeer en geneesheer, godgeleerde en regent, gedurende heel zijn' mannelijken leeftijd had te kampen, zijne geheele ziel vervuld, toen hij die Voorrede voor zijne kleine schriften opstelde, welke door Petrus Burmannus eene Praefatio Socratica sapientia plena genoemd wordt, welligt zou hij daarin ook het onderwijs niet vergeten hebben, dat hem te Genève te beurt was gevallen. In de geschiedenis van den Cartesiaanschen strijd komt hem eene eigene plaats toe, waarom hij dan ook - hoewel met weinige woorden - vermeld is door Dr. A.C. Duker, Schoolgezag en eigen onderzoek (Leid. 1861), 210.

287. Antonius Huls.

Later (1644) Predikant te Breda en (1668) Hoogleeraar te Leiden. Vgl. Règlemens des Églises Wallonnes, 313. Siegenbeek, Gesch. der Leydsche Hoogeschool, II. Toev. 141.

290. Nicolaus Vedelius.

Zoon van den bekenden Hoogleeraar van dien naam, die eerst te Genève, later te Deventer, eindelijk te Franeker de wijsbegeerte, godgeleerdheid en Oostersche letterkunde onderwees. Zie de aanteekening op no. 465 der Heidelbergsche lijst. Zijne moeder was Maria de Bary uit Genève. Het was bekend, dat hij in 1663, als hij nog Candidaat voor de heilige dienst was, door de Gedeputeerden van Friesland met eene buitengewone jaarwedde was begiftigd en kort daarna met verlof van den Akademischen Senaat voorlezingen over de Fransche

[p. 238]

taal te Franeker hield. Uit ons Album blijkt, dat hij na 1630 en vóór 1639 geboren is: immers gedurende dat tijdvak woonden zijne ouders te Franeker. In 1668 werd hem vergund eene reis naar Frankrijk te ondernemen en in het laatst van 1671 werd hij aan Pierre Maurice Maréchal, Waalsch predikant te Heusden, als adjunct toegevoegd. Toen kort daarna eerstgenoemde was overleden, werdVedelius in plaats van dezen tot leeraar der gemeente beroepen. In 1709 werd ook hem ‘uit hoofde van zijnen hoogen ouderdom’ een helper in de dienst geschonken. Bayle (Dict. Hist. in v. Vedelius) zegt wel, dat hij in 1705 overleed, en ook bij den ongenoemde, die het werk van Oudenhoven aanvulde, wordt ditzelfde gelezen, maar hier schijnt een drukfout tot verwarring geleid te hebben. Vgl. Vriemoet, t.a. pl. 332. Beschrijvinghe van de stad Heusden, (Amst. 1743) 218.

291. Nicolaus Voet.

Hij werd beroepen te Meeuwen in 1658, vertrok van daar in 1666 naar Heusden, werd in 1677 predikant te Utrecht, in de plaats zijns vaders Gisbertus Voet sedert 1637 predikant aldaar. Hij stierf den 29 Januarij 1679 in den ouderdom van 43 jaren 9 maanden en 8 dagen.

292. Joh. Alb. Zaunschlifer.

Hij werd in 1657 predikant te Rheinberg, in 1672 te Oostzaan, waar hij in 1678 overleed. De Jongh, 461. Zijn Album amicorum bezit Jonkheer F.A. van Rappard, te Utrecht; zie N. Reeks van Werken van de Maatsch. der Nederl. Letterk. Dl. VII. 2e st. bl. 100 en 122. Hij was de zoon van Otto Zaunschlifer, die van 1630 tot 1655 het predikambt te Amersfoort, waar de

[p. 239]

onze geboren werd, bediende. Meer bekend is zijn zoon, die in 1739 te Amsterdam als predikant overleed, op wien Ds. L. Beels eene lijkpredikatie hield, die ook het licht zag.

296. Robertus Keuchenius.

Geboren te Arnhem in 1636 en aldaar den 19 September 1673 overleden. Nergens heb ik omtrent het verblijf van dezen Amsterdamschen Hoogleeraar te Genève eenige aanwijzing gevonden. Zijn leven en verdiensten zijn door Dav. Jac. van Lennep in de Memorabilia Illustr. Amst. Ath. 153 vlg. geschetst. Sommigen hebben hem onder de beruchte plagiarii gerangschikt (Vgl. Ebert, Bibliogr. Lex. in v. Sirenus), anderen vonden in zijne werken ‘multa negligentiae et parum accuratae doctrinae documenta.’ Zie Fabricius, Bibl. Latin. cur. Ernesti, III. 88. Hoeufft, Parnas. Lat. Belg. 188.

297. Elias Saurinus.

Dat Elie Saurin, geboren 28 Augustus 1639, niet alleen te Die en Nîmes, maar ook te Genève studeerde, is van elders bekend, inzonderheid uit zijn leven, dat voor zijn Traité de l'amour du prochain geplaatst is.

298. Johannes Du Bois.

Op de lijsten der Waalsche Predikanten in Nederland komt deze niet voor. De hier vermelde vader was tot 1664 Fransch Predikant te Utrecht. Règlemens des Églises Wallonnes, 312.

299. Samuel Basnage.

Geboren te Bayeux in 1638 en zoon van Antoine Basnage, predikant aldaar. In 1685 werd hij Waalsch predikant te Zutphen. Zijne schriften betrekkelijk de kritiek der kerkgeschiedenis maakten veel opgang, doch lokten tevens een' ernstigen pennestrijd uit. Vgl. Saxe,

[p. 240]

Onom. Liter. V. 71. Biogr. Univ. in v. Biblioth. Univ. XXIV. 301. Had hij geene plaats in het Godgeleerd Nederland verdiend?

300. Godofredus a Kempen.

In 1670 werd hij van Goes als Waalsch predikant naar Leiden beroepen, waar hij in 1695 overleed. Te Goes was hij eerst in eerstgenoemd jaar bevestigd, terwijl hij reeds ten volgenden jare aldaar door Pierre Pierrot werd opgevolgd. Zie Dresselhuis, 121. Règlemens des Eglises Wallonnes, 316.

301. Andreas Rivetus.

Kleinzoon van den beroemden Leidschen Hoogleeraar André Rivet.

302. Philippus De la Fontaine.

Hij werd in 1679 Waalsch predikant te Wesel, later te Gouda. In 1685 is hij overleden.

303. Phinées Pielat.

Hij werd in 1674 Waalsch predikant te Villeneuve de Bier en Vivarais, later te Rotterdam, waar hij tot 1700 in dienst was. Règlemens des Églises Wallonnes, 316.

304. Joannes Saucholle.

Lees: Sauchelle. In 1670 werd hij Waalsch predikant te Leiden.

306. Jacobus Basnage.

Hij had de Hoogeschool te Saumur verlaten, om Philippe Mestrezat (niet Mesterat, gelijk Glasius schrijft, Godg. Nederl. I. 76) en François Turrettini te hooren; later heeft hij zijne studiën te Sedan voltooid.

307. Petrus Bayle Carlanensis.

Men leze: Carlatensis. Dikwerf maakt Bayle van zijne studiejaren te Genève doorgebragt gewag. Hij hoorde er Mestrezat en Turrettini, maar vooral Tron-

[p. 241]

chin werd door hem bewonderd. ‘C'est le plus pénétrant (schrijft hij ergens) et le plus judicieux théologien de notre communion. Il est dégagé de toutes les opinions populaires, et de ces sentiments généraux qui n'ont point d'autre fondement que parce qu'ils ont été crus par ceux, qui nous ont précédés, sans être soutenus de l'auctorité de l'Écriture. - Ses leçons sont toutes des chefs-d'oeuvre et une critique fine et délicate du commun des théologiens.’ Vgl. Nouvelles Lettres, I. 12, 17, 27 vlg. en vooral André Sayous, Commencements de Bayle, in de Bibliothèque Universelle de Genève, 1848, 23-50.

308. Casparus Sibelius a Goor.

Hij was in November 1646 geboren, en verloor zijn vader, Jo. Lubberti van Goor, die predikant te Deventer was, reeds den 18 April 1647. Zie Prof. Tydeman, Caspar Sibelius, in leven predikant te Deventer, bl. 21, die ook de blijdschap van den ouden Sibelius over de geboorte van dezen zijnen kleinzoon en naamgenoot vermeldt. Vroeger had hij te Zurich gestudeerd, waar zijn vriend J.H. Heidegger hem in ditzelfde jaar 1670 zijne uitgave der ‘Opuscula aurea de ratione studiorum’ opdroeg.

309. Johannes Clericus.

Over het verblijf van dezen aan de Hoogeschool zijner geboortestad vinden wij vele merkwaardige bijzonderheden opgeteekend bij A. des Amorie van der Hoeven Jr., de Joanne Clerico Literarum humaniorum et philosophiae cultore (Amst. 1843), 21-26, waar ook het getuigschrift is afgedrukt, dat hem de Hoogleeraren te Genève den 29 October 1678 overhandigden.

[p. 242]

310. Daniel de Superville.

Deze werd later Predikant te Rotterdam, waar hij tot 1728 werkzaam was. Hij is de vader van den vermaarden stichter der Hoogeschool te Erlangen.

312. Jacobus Saurinus.

Destijds had hij nog slechts den ouderdom van vijftien jaren bereikt. Van zijnen vader zegt Chaufepié (IV. 176): ‘La révocation de l'Édit de Nantes l'ayant obligé de quitter la France, il se retira à Genève, où son fils commenca ses études avec beaucoup de succès, mais il les quitta pour prendre le parti des armes. En 1694 il fit une campagne (de zoon namelijk), en qualité de cadet, dans la compagnie de Mylord Galloway, et en 1695 il eut un drapeau dans le Régiment de ce seigneur, qui servait en Piémont. Le Duc de Savoye ayant fait sa paix avec la France, le jeune Saurin retourna à Genève, où il reprit ses études de philosophie et de théologie sous Messieurs Alphonse Turretin, Tronchin, Pictet, Leger, Minutoli et Chouët.’

313. Johannes Barbeyracus.

Dat Barbeyrac te Genève studeerde, en wel in het hier aangewezen jaar, was van elders bekend. ‘Er begab sich (zegt Rathlef), im Jahre 1693 nach Genf, blieb daselbst das gröste Theil des Jahres, und hörte insonderheit die Lehrer der geistlichen Wissenschaften, den Herrn Ludwig Tronchin, Benedikt Calandrin und Benedikt Pictet. Gegen das Ende dieses Jahrs begab er sich wieder nach Lausanne.’ Geschichte jetztlebender Gelehrten, I. 6. Deze had eene latijnsche Autobiographie van Barbeyrac in HS. voor zich. Eerst later heeft hij zich op de regtswetenschap toegelegd, en

[p. 243]

niet vóór 1717 zien wij hem te Bazel tot J.U.D. bevorderd.

315. Charles Chais.

Wel is hij vroegtijdig tot de Akademische lessen in zijne geboortestad toegelaten, want den 3 Januarij 1701 had hij te Genève het levenslicht aanschouwd. Hij is in onze lijst opgenomen, omdat hij in 1728 predikant werd bij de Waalsche gemeente te 's Gravenhage en gedurende een halve eeuw het predikambt daar ter plaatse heeft waargenomen. Volgens het Alg. Biographisch Woordenboek verdient over hem vooral vergeleken te worden de Dictionnaire Historique van Prosper Marchand: vruchteloos heb ik daarin iets gezocht, dat op zijn leven en schriften betrekking heeft. Antoine Maurice, zijn oom van moeders zijde, die van 1710 tot 1756 niet alleen de Godgeleerdheid maar ook de Oostersche talen en fraaije letteren te Genève onderwees, had op zijne vorming eenen beslissenden invloed.

316. Johannes Steenlack.

In April 1752 werd hij door de Prinses Gouvernante benoemd tot Schepen van Rotterdam (Nederl. Jaarb. 1752. I. 405), in 1758 andermaal tot Schepen Commissaris over des gemeenen Lands middelen aangesteld (Nederl. Jaarb. 1758. I. 475), en als zoodanig in 1759 gecontinueerd (Nederl. Jaarb. 1759. I. 725).

317. Isaacus Samuel Chatelain.

Van 1720-1770 bekleedde hij achtereenvolgens de betrekking van Waalsch predikant te Dordrecht, Leiden, Rotterdam en Amsterdam. Vgl. Réacute;glemens des Églises Wallonnes, 326.

318. Petrus van Eys.

Later (1719) werd hij predikant bij de Waalsche ge-

[p. 244]

meente te Zutphen. Hij was gehuwd met Helena Catharina van Essen, en de broeder van Nicolaas (niet Jan Nicolaas) van Eys, die raad in de vroedschap van Amsterdam geweest is, terwijl een derde broeder Philippus van Eys dezelfde betrekking te 's Hertogenbosch bekleedde. Hij overleed in 1747. Réglemens des Églises Wallonnes, 326.

321. Johannes Philippus van Eys.

In 1761 werd hij door de Staten-Generaal, als oefenende de voogdij over den Prins Erfstadhouder in de Generaliteits landen, tot Schepen van 's Hertogenbosch aangesteld. Nederl. Jaarb. 1761. XV. 1250.

324. Jacobus Bennelle.

Waarschijnlijk een afstammeling van den Franschen vlugteling Paulus Bennelle, die omtrent 1709 te Amsterdam overleed, en wiens bezittingen, die eene waarde van drie millioen franken hadden, in Frankrijk verbeurd verklaard worden. Dit noopte de Staten-Generaal tot het nemen van maatregelen van retorsie. Cf. Haag, La France Protest. II. 173. Groot Placaatb. V. 74.

325. Antonius Josua Trouwers Diodati.

Hij werd in 1753 hofkapellaan van den Prins van Oranje te 's Gravenhage, doch nam in 1761 als zoodanig zijn ontslag. Vgl. Réglemens des Églises Wallonnes, 334.

328. Jonathan Pasquier.

Hij werd in 1764 predikant bij de Waalsche gemeente te Maastricht. Na reeds in 1784 emeritus verklaard te zijn stierf hij in 1819.

329. Joannes Lemker.

Hij werd in 1777 predikant bij de Waalsche gemeente te Vianen en stierf in 1814.

[p. 245]

331. Ludovicus Dumas.

Hij schrijft zich hier alleen Ludovicus, doch heette voluit Jean Louis Alexandre Dumas, geboren te Utrecht 13 Februarij 1755, zoon van Charles Guillaume Frédéric Dumas, den bekenden redacteur der Bibliothèque des sciences et des arts. Hij werd in 1796 predikant bij de Waalsche gemeente te Dresden, waar hij 11 September 1823 overleed. Veelal wordt hij verward met zijnen naamgenoot Jean Dumas, die eerst te La Rochelle, later te Amsterdam en Veere, eindelijk te Leipzig de kerk bediende. Haag heeft in La France Prot. IV. 398 de ontwarring beproefd. Vgl. echter Leipzig. Tagebuch, 1799, bl. 59 sqq.