Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1873


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1803-1900


bron: Handelingen der algemeene vergadering van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, gehouden aldaar den 19den Juni 1873, in het gebouw der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. E.J. Brill, Leiden 1873  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 51]

Levensbericht van K. Sybrandi.

De taak der piëteit, tot wier volbrenging ik mij gaarne verbond, toen ik mij bereid verklaarde eene schets te geven van het leven des mans, die hoewel in jaren en in vele andere opzigten boven mij staande, mij met eene hartelijke vriendschap vereerde, is een zeer gemakkelijke.

Zoo iemands maatschappelijke en letterkundige levensloop vergeleken mag worden met de kabbeling van een helderen vliet, de zijne vooral gelde als toelichting van dit vaak gebezigde beeld. Kalm sleet hij zijne dagen op de studeerkamer en bij het werk in het openbaar, aan dien letterkundigen arbeid liefst de hand slaande, die hem behaagde en dat doende zoo lang het hem behaagde; niet ligt iets ondernemende, tenzij hij daarvoor zijne krachten berekend vond; volbrengende wat hij ondernam zonder eenige overspanning; zich zelven meester als hij het woord voerde in vergaderingen, 't zij om een meening te bestrijden, 't zij om de zijne aan te prijzen; niet ligt zich versprekende in woorden of zich vergetende in werken. Op het gebied der letteren bleef hij zich bewegen, zooals hij daarop den eersten voet gezet had. Wat hij lief gekregen had bleef

[p. 52]

hij vereeren. Rustig in voorkomen, houding en gesprek had hij diepen afkeer van polemiek en woordenstrijd; niet zonder tact wist hij in den omgang met andersdenkenden de scherpe punten te mijden en onderhield hij vriendschappelijke betrekking zelfs met dezulken, wier harde vormen en bittere woorden velen afstootten en van alle verkeer met hen afkeerig maakten.

Naar aanleg en lust ging hij alzoo zijn eigen weg; wie hem kenden, waardeerden hem hoog. De toejuiching van het algemeen is zijn deel niet geweest, doch hij had genoeg aan de welwillende waardeering van den kring, die hem omgaf. Trouwens hij was geen man om te schitteren in talrijke vergaderingen, hij hield er niet van zijne stem te laten hooren op congressen en vereenigingen. Ligt het daaraan misschien dat het goede en deugdelijke van hetgeen hij op letterkundig gebied verrigt heeft, buiten den kring zijner vrienden weinig bekend is, en welligt meer dan een van de lezers dezer levensschets niet weet, dat Sybrandi met eere verdient genoemd te worden onder de beoefenaars der letterkunde?

Oudste zoon van den Doopsgezinden predikant Sijbren Klaasz. Sybrandi, te Haarlem den 18den November 1807 geboren, genoot hij alle voorrechten, die voor onderwijs en vorming de lagere en latijnsche scholen daar opleveren. Met de meest gunstige verwachtingen werd hij op zeventienjarigen leeftijd als student bij de Kweekschool der algemeene Doopsgezinde Societeit te Amsterdam aangenomen. Hij heeft ze niet beschaamd; spoedig behoorde hij onder de meest aandachtige leerlingen van professor David Jacob Van Lennep, die hem eene liefde voor de klassieke letteren heeft weten in te boezemen, welke bij hem nooit is verkoeld. Hoe veel hij aan dezen zijnen leermeester zich verschuldigd rekende, heeft hij uitgesproken in de hartelijke woorden, welke hij aan de nagedachtenis van Van Lennep wijdde, Konst- en Letterbode 1853, II. bl. 370

[p. 53]

volgg. Zulke ingenomenheid met den onderwijzer wekte liefde voor diens studievak. Niet alleen beroep ik mij op zijne eervolle bevordering bij de Leidsche Hoogeschool tot Doctor in de letteren, 17 Juni 1829, na verdediging eener Dissertatie de Gorgia Platonis, evenzeer wijs ik op eene der jongste vruchten van zijne liefde voor de oude letteren, eene metrische vertaling van het meesterstuk der oudheid, de Antigone, door hem niet in den handel gegeven, maar onder zijne vrienden met milde hand uitgedeeld. Ja, ik mag beweeren, dat de godgeleerdheid, aan wier beoefening hij van 1827 tot 1830 zijne studiejaren wijdde, en tot welke hij onder de meest gunstige omstandigheden overging, daar juist op dien tijd het onderwijs in de theologie bij de Kweekschool opgedragen werd aan de beide mannen, wier namen in Kerk en School door allen, die grondigheid weten te waardeeren, met eerbied genoemd worden - Samuel Muller en Wopko Cnoop Koopmans - ik mag beweeren, dat zij bij hem niet eene zoo groote ingenomenheid heeft gewekt, als de studie der klassieke oudheid. Ik houd mij overtuigd, dat hij zelfs, vooral in de laatste jaren zijns levens, eerder de hand uitstak naar een klassieken auteur, dan naar een theologisch geschrift. Hij had geen vrede met den toon, dien vele woordvoerders aansloegen; door zijn gezond oordeel en gekuischten smaak geleid, sprak hij vaak een afkeurend woord over theologische geschriften, wier inhoud als absolute waarheid bevattende aangekondigd, ras weer herroepen werd; hem schenen zij het merk van onrijpheid te dragen en het bewijs te leveren, dat het den auteurs niet aan vernuft, wel aan klassieke vorming ontbrak. De afnemende prijsstelling op de schriften der Ouden achtte hij een kwaad teeken des tijds. Hem zijn ze gebleven de lievelingslectuur in zijne vrije uren.

Versterkt werd deze rigting van zijnen geest door den invloed der geleerden, aan welke hij bij voorkeur zich aansloot, toen hij te Groningen als predikant bij de Doops-

[p. 54]

gezinde Gemeente in dienst trad, 17 Augustus 1834. Daar gewis heeft hij de gelukkigste jaren zijns levens gesleten. Hij werd er weldra de gezochte prediker zelfs bij velen die niet tot zijne gemeente behoorden, en de omvang zijner ambtspligten was niet zoo wijd of hem bleef tijd, om de intellectuele genoegens eener akademiestad te smaken. Door de Evangeliebediening te Nijmegen van 1830 tot 1834 was hij praktisch gevormd, zoodat hij, wel toegerust, te Groningen optrad, nu aan eene tweede roeping derwaarts gehoor gevende, na te Nijmegen in 1832 voor de op hem te Middelburg uitgebragte keuze bedankt te hebben.

Buiten den kleinen kring der Nijmegensche gemeente was hij bij het lezend publiek bekend geworden door eene verhandeling over Vrouwe Bilderdijk, als kinder-dichteres (Vaderl. Letteroef. 1834), en vroeger reeds door zijne in 1832 in druk gegeven Biddagspreek. Beide opstellen doen ons den aard van zijn talent kennen: schitterende oratorische gaven zocht men bij hem te vergeefs, maar een welluidende uitspraak, een gekuischte stijl, eene juiste dispositie, lokten velen uit, om zich onder zijne hoorders te plaatsen waar hij het woord voerde. Warsch van dogmatiseeren was zijne prediking eenvoudig, schriftmatig, stichtelijk, boeijend. Het gelukte hem te Nijmegen, vooral te Groningen onder zijn gehoor te trekken ook enkelen van hen, die jaren lang de kerk en hare gemeenschap gemeden hadden.

Niet onder de godgeleerden, maar onder de litteratoren der Groninger akademiestad vond hij zijne meest vertrouwde vrienden. Het waren de hoogleeraar Van Limburg Brouwer en de rector Schneither. Met groote belangstelling nam Sybrandi van de letterkundige werkzaamheden des hoogleeraars kennis; hij deelde daarin, voor zoover zij meerendeels onderwerpen betroffen, waarmede hij gemeenzaam was. Diens vroegtijdige dood bragt hem eene pijnlijke wonde toe: ‘mij, die het mij tot eene eere rekende, door een man als Van Limburg Brouwer, onder zijne vrien-

[p. 55]

den geteld te worden, die voor mijne vorming en ontwikkeling veel aan zijn omgang heb te danken, die ook de sprekendste bewijzen van zijne opregte en hartelijke belangstelling in den arbeid mijner bediening mogt ondervinden, mij trof de tijding van zijn overlijden in naauwelijks vijftigjarigen leeftijd, diep.’ Zoo eindigde de hulde, welke hij aan zijnen ontslapen vriend bragt, eene hulde luide sprekende van den dank voor hetgeen hij aan dezen vriend verschuldigd was. (Konst- en Letterbode, 1847, II, bl. 162 volgg.)

Heeft hij over Schneither, zoo ver mij bekend is, niet in eenig gedrukt geschrift zich uitgelaten, hoe hoog hij dezen vereerde, weten allen, die de vaderlijke genegenheid kennen, welke Sybrandi de weezen zijns vriends toedroeg, voor wie zijn huis eene vriendelijke, vrolijke, ouderlijke woning werd.

Van Limburg Brouwer bewoog zich met lust en vrucht op het gebied der nieuwere letterkunde, en las met Sybrandi op vastgestelde uren Italiaansch, Spaansch en Engelsch. Het publiek ontving weldra het bewijs, dat Van Limburg Brouwer's vruchtbare werkzaamheid ook Sybrandi tot het leveren van letterkundigen arbeid had opgewekt.

In het Magazijn, uitgegeven door De Vries en Van Kampen, plaatste Sybrandi eene vertaling van Moore's de Peri en het Paradijs, en schonk daarin aan zijne landgenooten de eerste uitvoerige proef van Moore's dichttrant, op onzen bodem overgebragt. ‘Hem had de poëzij van Moore van het eerste oogenblik waarin hij haar had leeren kennen, boven die van velen anderen behaagd.’ Wel erkende hij, dat ‘zij die verbazende stoutheid mist, die wij in Byron bewonderen, maar zij bezat eigenschappen, waardoor zij dit gemis meer dan vergoedde. Oostersche verbeelding, rijkdom van innig gevoel, tederheid en gloed van uitdrukking’ - zietdaar wat hem in Moore bijzonder aantrok.

Weldra, in 1835, gaf hij de vertaling van Moore's the

[p. 56]

loves of the angels en voegde daarbij een herdruk van de Peri en het Paradijs, te Groningen bij W. van Boekeren, met den titel: De val der Engelen, kort nadat ook Jacob Van Lennep begonnen was, andere stukken van Moore in onze taal over te brengen. Later heeft meer dan één onzer beste dichters Moore's zangen met gelukkig gevolg vertolkt. Aan Sybrandi verblijve de lof, de eerste geweest te zijn, die door zijne overzetting op Moore de aandacht van velen gevestigd heeft.

Dergelijke arbeid was - gelijk hij zelf uitdrukkelijk verklaarde - ‘de vrucht van eenige uren van uitspanning.’ Want hij was hoogst afkeerig van het kwaad, om de pligten van zijn ambt niet in de allervoornaamste plaats te behartigen. De ingenomenheid daarmede bewoog hem gewis tot het volbrengen omstreeks dezen tijd van een nuttigen arbeid: de vertaling en bewerking van de door F. Busch in het Hoogduitsch geschreven Handleiding tot het geven van huisselijk onderrigt in de godsdienst (1838). Dewijl hij vurig wenschte, dat de huisgezinnen godsdienstige leerscholen mogten worden, gaf hij zijnen landgenooten een boek, waarin voor de bereiking van dit doel veel goeds geleerd werd en bewees hij door de uitgaaf, dat de ijver voor godsdienstig onderwijs - in vroegere eeuwen bij zijn kerkgenootschap veel meer de taak der ouders dan der predikanten - zich niet bevredigd mag achten door de weinige uren, welke de leeraar daaraan in de catechisatiekamer wijdt. Overigens stond dit deel van zijn ambt bij Sybrandi hoog aangeschreven; trouwens hij was predikant naar aanleg en lust en met zijn gansche ziel aan het Kerkgenootschap gehecht, waartoe hij behoorde.

Toen in dat Kerkgenootschap op den eersten Zondag van December 1835 plegtig het honderdjarig bestaan van de Kweekschool ter opleiding van Evangeliedienaren herdacht werd, juist omstreeks den tijd, waarop het drie eeuwen geleden was, dat Menno Simons het pausdom ontweek, gaf Sybrandi een blijk van de dankbaarheid, waarmede hij dat

[p. 57]

feest vierde, in de toen gehouden leerrede, welke de Vaderlandsche Letteroefeningen van 1836 in breeden kring verbreidden. Zonder vrees voor tegenspraak mag ik beweeren, dat hij aan de daarin beleden overtuiging levenslang is getrouw gebleven en nooit opgehouden heeft te ijveren tegen hen, die de vereeniging van alle Protestanten tot elken prijs zochten door te drijven, als streed het bestaan van afzonderlijke kerkgenootschappen met een hoogere eenheid, evenzeer als hij steeds waardeerde den historischen en dogmatischen grondslag van het genootschap, waartoe hij behoorde en dat hij, zoolang het aan dien grondslag hechtte, volkomen waardig achtte de plaats te behouden, die het verkregen had, naast de andere kerkgenootschappen.

Niet vele jaren bleef hij te Groningen werkzaam. Reeds 21 October 1838 hield hij daar zijne afscheidsrede, die hij ter perse gaf, en vertrok naar Haarlem, om, misschien meer naar den wensch zijns vaders dan naar zijn eigen begeerte, diens ambtgenoot te worden. Het is hem volkomen gelukt, dank zijner persoonlijkheid, de genegenheid te winnen van hen, die eerst in zijne overkomst zich niet verblijdden; doch toen zij hem leerden kennen, meer van nabij, zoowel ten aanzien van hetgeen waarin hij op zijnen vader geleek, als in hetgeen waarin hij van dezen verschilde, rees de achting voor hem en was er weldra niemand meer, die niet zijne komst een zegen voor de gemeente achtte.

Lange jaren mogt hij zich in een talrijk gehoor verblijden bij zijne prediking, van welke hij nu en dan ook aan het lezend publiek proeven gaf in tijdschriften als het Christelijk Album en de Evangeliespiegel. Van zijn onderwijs in de catechisatiekamer werd gaarne en trouw gebruik gemaakt. Die in nood verkeerden klopten niet ligt te vergeefs bij hem aan.

Ook bij eene trouwe waarneming van zijn ambt bleef hem tijd tot studie en letterkundige werkzaamheid over, dien hij niet ongebruikt liet voorbij gaan. Zijne verhandeling over Vondel en Shakspeare als treurspeldichters, door Tey-

[p. 58]

ler's tweede genootschap met goud bekroond en in 1841 uitgegeven, is en blijft eene proeve niet slechts van zijne belezenheid in beider dichtwerken, maar van zijn onafhankelijk en welgegrond oordeel. Hij durfde in dit stuk ten opzigte van Vondel vooral den tot die dagen door velen betreden weg verlaten en afwijkende van de loftuitingen, waarmede toen geëerde kunstregters als Jeronimo De Vries, Van Kampen1 en anderen, Vondel als overladen hadden, fouten en gebreken in diens werken aantoonen. Teregt heeft daarom onlangs prof. H.E. Moltzer2 zich op Sybrandi's verhandeling beroepen en de klagt geuit, dat zij te weinig algemeen bekend is geworden. Vooral verdient zij wegens hare billijkheid in het waardeeren van Vondel's en Shakspeare's treurspelen geprezen te worden; gaarne wordt erkend, dat de Engelsche dichter in oorspronkelijkheid verre boven den Nederlandschen stond, daar de eerste alles wat de opvatting en de behandeling der gekozen stof betrof moest putten uit zijn eigen genie, de laatste meestal een gelukkig navolger van anderen is. Wat Vondel in zijne treurspelen geeft is de vrucht der poging, om kopijen te leveren naar groote meesters, maar waarin de navolging ook overal zigtbaar is. Sybrandi waardeerde bij Shakspeare de onmiskenbare oorspronkelijkheid, doch miste daarbij den invloed van voortreffelijke voorbeelden, waaraan het dien dichter ontbroken had; bij Vondel daarentegen de getrouwheid in het navolgen van uitstekende voorbeelden, echter niet verhelderd door het frissche der oorspronkelijkheid.

Ik acht het voldoende op het bestaan van dit onderzoek gewezen te hebben, zonder verder hier ter plaatse te treden in breeder uiteenzetting van den inhoud. Het stuk heeft in den loop des tijds niets van zijne waarde verloren;

[p. 59]

integendeel wie Vondels treurspelen leest, gelijk ze door Van Lennep zijn uitgegeven, doet wel wanneer hij bij Van Lennep's overzigten, Sybrandi's verhandeling raadpleegt, en zal daarnaar vaak zijn oordeel wijzigen. De verhandeling bewees tevens hoe hoog hij op het gebied der wetenschap het oordeel van Van Limburg Brouwer schatte, hoe gaarne hij diens voorgang volgde. Het bij de verhandeling gekozen motto was ontleend aan de schriften van den Groningschen Hoogleeraar, evenzeer diens bepaling van den aard van het treurspel overgenomen, als een ernstig dramatisch ‘dichtstuk 't welk in eene belangrijke gebeurtenis het menschelijk lijden voorstelt, met oogmerk om ons medelijden met anderen en het bewustzijn van onze eigene afhankelijkheid van diergelijke of andere ongelukken doelmatig te wijzigen’: doch ook tegenover een zoo hoog gewaardeerd kunstregter handhaafde Sybrandi eigen inzigten, waar hij in enkele bijzonderheden in de toepassing dier definitie meende zijn eigen weg te moeten gaan.

Men had mogen verwachten, dat den auteur van zulk een onderzoek, die van zooveel belezenheid en oordeel afdoende proeven gegeven had, sedert de uitgaaf van zijn arbeid onder de beoefenaars der letterkunde in ons Vaderland eene eereplaats zon zijn toegekend. 't Is niet gebeurd! Alleen onze Maatschappij toonde de verdiensten des schrijvers te huldigen, toen zij hem, in hare algemeene vergadering van 17 Juni 1841, onder hare leden opnam. Doch Sybrandi was meer de man die gezocht moest worden, dan die anderen zocht, en dientengevolge ligt achteruit gedrongen op de vaak woelige en van luid gedruisch weergalmende markt des letterkundigen levens, in wier gewoel hij zich niet gaarne bewoog.

In hetzelfde jaar, waarin de bekroonde verhandeling verscheen, had Sybrandi eene taak aanvaard, naar welke allermeest zijne goedhartigheid hem de hand deed uitsteken. Den 4den April 1841 was de geachte Haarlemsche boekhandelaar Vincent Loosjes, uitgever en redacteur van

[p. 60]

den ‘Algemeenen Konst- en Letterbode’ door een plotselingen dood aan zijn nuttigen werkkring ontrukt. De voortzetting van de handelszaak en ook van het genoemde tijdschrift was met het oog op het elftal weezen, dat de ontslapene achterliet, hoogst gewenscht; doch waar een letterkundige te vinden, die bereid zou zijn, om terstond, geheel naar de wijze van zijn voorgangers, de redactie van dit weekblad op zich te nemen? Sybrandi bood zijne hulp aan, in dien zin, dat hij aanvankelijk tot dien arbeid zich leenen wilde. Zoo weinig lag het toen in zijn plan, voor lang zich daartoe te verbinden, dat zijn naam bij de annonce, waarin het publiek bekend gemaakt werd met het voornemen om het tijdschrift te vervolgen, niet genoemd werd (Konst- en Letterbode, 1841, I, bl. 262). Allengskens echter kreeg hij zijnen, door het publiek zeer gewaardeerden, arbeid lief, zette dien voort tot het einde van 1853, toen hij bij het 52e nummer de redactie nederlegde, dankbaar voor veler ondervondene hulp en belangstelling, zonder welke het onmogelijk ware geweest aan de opgenomen verpligting te voldoen.

't Is bekend dat Sybrandi van zijne eigene hand veel zonder naam heeft geplaatst; ik meen echter mij aan onbescheidenheid schuldig te maken, indien ik de soms vrij doorzichtige anonymiteit tracht op te heffen. De registers der jaargangen duiden aan, wat er met zijn naam in voorkomt. Op twee bijdragen vestig ik de aandacht, omdat zij den schrijver volkomen karakteriseeren: in jaargang 1843, II, bl. 391 volg. eene beoordeeling van het geshrift van Dr. H.J. Nassau, de wet van 1806 van hare gebrekkige zijde beschowd met betrekking tot de scholen, enz. en in jaargang 1852, II, bl. 51 volg. een enkel woord over het doofstommen-onderwijs, enz., dat hij te Groningen had leeren kennen, vooral door het godsdienstig onderwijs, hetwelk hij op het Instituut gaf, waardoor zijne belangstelling in dit soort van menschelijk leed levendig was opgewekt, gelijk hij daarvan reeds in 1844 een bewijs had gegeven

[p. 61]

in zijn mededeeling over Laura Bridgman, eene doofstomme-blinde, geplaatst in de Vaderl. Letteroef. II, bl. 18 volg. Deze opstellen doen ons Sybrandi kennen in den lust en de gemakkelijkheid waarmede hij van hetgeen er om hem gebeurde, kennis nam, evenzeer als in zijne hartelijke belangstelling in alles wat goed en edel en welluidend heeten mogt.

Het voeren der redactie van het weekblad, hoe tijdroovend dit wezen mogt, scheen zijn vlijt te verdubbelen. Althans gedurende de jaren, waarin hij met dien arbeid belast was, leende hij zijne pen voor het opstellen van onderscheidene beoordeelingen in de Vaderlandsche Letteroefeningen en hield hij zich bezig met het vertalen van menig werk, dat - men kon er van verzekerd zijn wanneer hij het ter hand nam - die eere waardig was. Met de taal, waarin het oorspronkelijk geschreven was, ten volle vertrouwd, werkte hij geer vlug.

Bovenaan in deze rij plaatsen wij het boek, dat het publiek met ongewonen graagte ontving, dat van Ellis, pligt en roeping der vrouw. De vertaler smaakte het genoegen, zelfs een vijfden druk van dezen arbeid te mogen bezorgen, eene onderscheiding naauwelijks hier te lande gekend, en wel een bewijs, dat het publiek, hetwelk degelijke godsdienstige lectuur zoekt, het goede weet te waardeeren. De vertaling is geschied naar een exemplaar van den 20sten druk in het oorspronkelijk Engelsch.

Met hoeveel gemak hij ook Engelsch las en sprak, en hoezeer hij aan de letterkunde van dit volk de voorkeur gaf, gaarne hield hij zich evenzeer bezig met wat er goeds op Duitschen bodem groeide. Ik wijs op zijne vertaling van W. von Humboldt's brieven aan eene vriendin en Käthi of de weg door allen nood, het naïve verhaal van Jeremias Gotthelf.

Ook wat meer inspanning vroeg, dan het overbrengen van dergelijke lectuur, vond hem bereid; toen Dr. Herman Pol in 1845 overleed, was er van de door dezen geleerde

[p. 62]

begonnen vertaling van het klassiek boek van Ranke, de pausen in de zestiende en zeventiende eeuw, slechts een klein gedeelte gereed. Sybrandi aanvaardde deze taak, hem door den uitgever opgedragen en mogt in 1848, bij de aflevering van het 4de en laatste deel, met voldoening op dezen arbeid terug zien. Den inhoud en vorm van Ranke's werk schatte hij hoog; trouwens hij was een vriend van historie; ik zal niet zeggen van nasporingen, die vaak met schijnbare kleinigheden zich moeten inlaten; hem bekoorde zij voor zoover zij hetgeen gebeurd was, helder en levendig wist te schilderen. Daarom had alles zijne sympathie wat er toe bijdragen kon, om hare stem tot het groote publiek te laten spreken. Zoo leende hij zijne hulp bij de door de Maatschappij Tot nut van 't algemeen uitgegeven levensschetsen van personen, die uitgemunt hebben, in twee stukken, en bezorgde, na den dood van Prof. Van Kampen, de voortzetting der uitgaaf van het prachtwerk, platen met tekst, dat den titel draagt van de vallijen der Waldenzen.

Bijna zonder uitzondering leggen deze vertaalde werken de getuigenis af, dat hun bewerker een man van smaak was, aan wien de door hem verrigte letterkundige arbeid in de eerste plaats zelf eenig genot moest verschaffen. Tegen zijn zin iets te doen, alleen om des voordeels wille, het zou bij mijn vriend nooit opgekomen weze.

Wantrouwend ten opzigte van den smaak van anderen, ging hij ook hierin zijn eigen weg, en aan dit zelfstandig kiezen en proeven danken wij de ons liefgeworden kennismaking met een Engelsch dichter, die hier te lande, zonder Sybrandi, weinig bekend ware geworden. Ik bedoel George Crabbe. Gelijk Moore, zoo werd Crabbe Sybrandi's vriend en van dien oogenblik af de dichter, met wiens eenvoud hij dweepte, indien het geoorloofd is te zijnen aanzien dit woord te gebruiken. Eer hij iets van diens verzen in onze taal overbragt, bewees hij van diens geest in zich opgenomen te hebben. Hij schonk aan het publiek eene

[p. 63]

proeve over en in den trant van den Engelschen dichter Crabbe (Vaderl Letteroefeningen 1840). Die proeve heette de predikantsdochter, en hoezeer Sybrandi zelf de eerste zou geweest zijn, om te erkennen, dat zij in vele opzigten bij de dichterlijke voortbrengselen van den Engelschen zanger achterstond, ze deed duidelijk genoeg diens trant kennen om eene belangstelling in het leven te roepen, die tot dien tijd in ons vaderland niet aan Crabbe was tendeel gevallen. Het was dus niet meer het werk van een onbekende, dat Sybrandi ons schonk, toen hij in 1858 zijne vertaling uitgaf van Crabbe's Kerkregisters. Ik durf niet beweeren, dat ze ten onzent bij velen met eene genegenheid, ontvangen zijn, als waarmede de vertaler ze bewerkt heeft; ook al erkende hij de juistheid van Potgieter's opmerking (De Gids 1859, II bl. 874,) dat Crabbe geen genie maar talent bezat, hij stemde met dien beoordeelaar geenszins in ten aanzien van het min gewenschte, om voor Crabbe's poëzij hier te lande het oor te openen, en hij had grond om er over te klagen, dat die beoordeelaar aan de vertaling zoo weinig regt had laten wedervaren. Bij Sybrandi verkoelde de genegenheid niet, dewijl hij haar nooit aan een voorwerp schonk, dat hij eerst niet grondig had leeren kennen.

Twaalf jaar later plaatste hij in de Vaderlandsche Letteroefeningen (Jaargang 1870, stuk V en VI) fragmenten eener vertolking van Crabbe's Tales of Hall, zonder daarna, gelijk zijn voornemen schijnt geweest te zijn, het geheel voor de pers gereed te maken.

Ik vlei mij dat meer dan één mijner lezers met mij gaarne hulde brengt aan zooveel goeds, als Sybrandi op letterkundig gebied verrigt heeft. Nogthans worde deze schets van zijn leven niet ontsierd door breede lofspraken, van welke te schenken en te ontvangen hij zeer afkeerig zich betoonde. De door hem zelven geleverde biographiën - ik sprak reeds over de bladzijden door hem aan de nagedachtenis van van Limburg Brouwer en D.J. van Lennep

[p. 64]

gewijd - van Nicolaas Swart, den Amsterdamschen Remonstrantschen predikant, zijnen schoonvader, (Vad. Letteroef. 1846); vooral die van H.A. Meijer (Hand. onzer Maats. 1854, bl. 136 volgg.) den dichter van den Boekanier, onder medewerking van Sybrandi in het licht gezonden, bewijzen, dat hij in dezen eene betamende soberheid in acht nam.

Mij valt het ligt, dit voorbeeld ten zijnen aanzien te volgen. Wat hij gedaan heeft, zegt ons wie hij geweest is naar aanleg en ontwikkeling. Waar hij tot werkzaamheid geroepen werd, deed hij het zijne, om iets goeds tot stand te brengen.

Kort na zijne komst te Haarlem werd hij tot lid van Teyler's Godgeleerd genootschap benoemd, later geroepen om in den kring der Directeuren van Teyler's Stichting de plaats zijns vaders in te nemen.

Overtuigd van den zegen, die van zulk eene stichting kan uitgaan, - wier Directeuren aan geene vergadering van leden verantwoordelijk, over ruime inkomsten vrije beschikking hebben - vol van den wensch, dat de invloed der stichting over breeder veld zich mogt verbreiden, dan alleen of bij voorkeur over dat der natuurwetenschappen, steunde hij gaarne menig verzoek tot hulpbetoon voor de uitgaaf van letterkundigen arbeid, en als wilde hij een bewijs achterlaten van zijne begeerte, dat de lezers der Archives du Musée Teyler weten zouden, dat Teyler's stichting ook voor letterkundige onderzoekingen hart heeft, plaatste hij in het eerste deel pag. 145 s.s. zijne notices sur quelques letters, écrites au Comte de Leycester par le Prince Guillaume de Nassau, en pag. 256 s.s. van datzelfde deel lettres au Comte de Leycester, pendant son séjour Pays-Bas; een en ander door hem onder de lang verscholen papieren van Teyler's fundatie gevonden. Uit dezelfde bron gaf hij in 1871 lettres au Comte de Leycester suivies de quelques lettres de Henry de Navarre, alles voor de beoefenaars der geschiedenis een welkome gave.

[p. 65]

Zoo heeft hij een letterkundig leven geleid, voor hem zelven rijk aan genoegen, dewijl hetgeen hij verrigtte met zijn krachten en smaak strookte. Dat genoegen werd verhoogd, naardien hij al dergelijken arbeid beschouwde en beschouwen mogt als vruchten zijner uren van uitspanning; want boven alles gingen hem de pligten zijner ambtsbediening binnen het genootschap, waartoe hij van geheeler harte behoorde.

Een paar belangrijke opstellen betrekkelijk de geschiedenis der Doopsgezinden, geplaatst in de jaarlijks verschijnende Doopsgezinde bijdragen, in 1863 een onuitgegeven brief van 1740 over de Doopsgezinde gemeente te Haarlem; in 1865, mededeelingen over de Doopsgezinden in Zuid-Rusland; waarop hij volgen liet een toevoegsel tot den onuitgegeven brief van 1740, spreken op aangename wijze van de liefde, welke hij de broederschap toedroeg. De werkzaamheid, die hij ten behoeve van den in de Haarlemsche gemeente ten jare 1851 ingevoerden nieuwen bundel Christelijke Kerkgezangen ten beste heeft gehad, de liederen door hem zelven gedicht en daarin opgenomen,1 de zorg, die hij wijdde aan het muzikalische deel dier gezangen, waarbij zijne kennis van de techniek der kunst, die hij reeds vroeg verkregen had in de privaat zangoefeningen van den Muziekdirecteur Lübeck; ze zullen voor die gemeente het gedenkteeken blijven van zijn trouw dienstbetoon, van den ernst waarmede hij haar het Evangelie verkondigd heeft, en den geest waarin hij haar voorganger is geweest.

In het najaar van 1871 vond hij geraden zijn emeritaat aan te vragen. Hij meende dat zijn gestel langer dienstdoen hem verbood. Deze stap heeft hem veel gekost; naar overtuiging en met klimmende liefde de Evangelische rig-

[p. 66]

ting toegedaan, koesterde hij de vrees, dat het vaceeren zijner plaats ruimte zou maken voor de moderne prediking, wier gebrek aan vermogen om gemeentelijk leven te bevorderen, en de eischen te vervullen van het schuldgevoelend hart hij kende, en niet vergoed achtte door die eigenschappen, waarin zij bij velen hare aanbeveling vindt.

Slechts weinige maanden levens waren hem voor rusttijd gegund. In den zomer bragt hij, sedert jaren een vriend van reizen, een bezoek aan Zwitserland en een klein deel van Italie; de reis was wel vermoeijend doch om den wille van het gezelschap, dat hij derwaarts begeleiden zou, hield hij ditmaal geen rekening met de maat zijner krachten; hoogst waarschijnlijk zijn de vermoeijenissen hem te zwaar geweest. Den 27sten Augustus zagen wij hem schijnbaar gezond als voorzitter eene vergadering van het bestuur der algemeene Doopsgezinde Societeit, waarvan hij sedert 1844 lid, ja ik mag zeggen het sieraad was, op zijne, dat is, voortreffelijke wijze leiden; twee dagen later werd hij krank; eene kortstondige ziekte sloopte zijne krachten, en bereidde hem een zachten overgang in den nacht van 4 September. Doorgaans bewusteloos bragt hij die laatste dagen door, maar zoo hij het vermogen tot spreken bezeten had, hij zou zeker niet dan woorden van dank jegens den Bestuurder van zijn lot hebben gestameld.

Hij mogt zijn leven een gelukkig leven heeten; een aangename werkkring en een gezegend te huis zijn op aarde zijn door hem hoog gewaardeerd deel geweest. Wie kreeg daarvan niet den diepsten indruk die in de vriendelijke woning van Sybrandi verkeerde? Daar heerschte de toon van gulheid en opgeruimdheid; onder genot van gesprek en van kunstbeschouwing, of luisterend naar de voordragt van vaderlandsche en vreemde poëzij, vergat men daar de snelle vlugt der avonduren; wie gevoelde zich daar niet te huis? De gastvrouw was den gastheer waardig. Zij, de geestige dochter van den eerwaardigen Nicolaas Swart, was vroeg met Sybrandi gehuwd; zij is hem de vreugde zijns

[p. 67]

levens geweest veertig jaren lang. Aandoenlijk was het, de zorg gade te slaan met welke hij haar omringde, toen eerst blindheid hare oogen trof, later hooggaand lijden hare dagen moeijelijk maakte, maar hoeveel het hem kostte, hij hield in zijne zorgen vol, tot haar leed voorbij was.

Wat hij en zij geweest zijn voor haar, die in zijn kinderloos huis de plaats van dochters hebben ingenomen, daarvan mag ik niet spreken voor vreemden en heb ik niet te spreken voor haar zelve, die op deze regelen wis een traan laten vallen, tolk van innigen dank en liefelijk herdenken.

 

Zietdaar eene schets van het leven mijns vriends. Mogt zij allen lezers het bewijs leveren, dat Sybrandi te regt hoog gewaardeerd werd door hen, die zijn werk en zijn persoon leerden kennen.

 

Leiden.

C. Sepp.