|
|
|
| | | | | |
| |
Levensbericht van
Johannes Hoek.
Onder de nagelaten papieren van mijnen vader bevindt zich eene zeer
uitvoerige ‘voor zijne kinderen en vertrouwde vrienden opgestelde’
autobiographie. Zij werd in de jaren 1886-89 geschreven en is de laatste
pennevrucht van beteekenis geweest van den schrijver, wiens letterkundige
loopbaan met het verschijnen van zijne ‘
Mina en Betsy’ (in 1848) een aanvang nam. Die
levensbeschrijving werd echter door mijnen vader niet voor openbaarmaking
bestemd en is daarvoor ook niet geschikt. Mijn vader was in de eerste plaats
predikant en eerst in de tweede letterkundige. Bevat zijne autobiographie veel,
dat op zijn huiselijk leven en op dat van de leden van zijn gezin betrekking
heeft, uit den aard der zaak is ook een zeer groot deel er van gewijd aan de
bespreking van de lusten en de lasten, die voor hem uit de vervulling van zijn
ambt voortgevloeid zijn. Lusten - in zooverre als het den vrijzinnigen en
rechtschapen man nooit aan aanhang en invloed, nooit aan vrienden en vereerders
ontbroken heeft; lasten - daar hij van den kant van andersdenkenden vaak
grievende tegenwerking | | | | moest ondervinden. Kan het nu verwonderen,
dat ook de bijzonderheden van die tegenwerking in die door mijnen vader
opgestelde levensbeschrijving zijn opgenomen? Wie echter den schrijver, die
‘Waarheid, geen verdichting’ boven zijne biographie plaatste, in al zijne
liefde voor eenvoud en oprechtheid gekend heeft, wie zijnen helderen blik op
menschen en zaken bewonderd heeft, hij zal het met mij moeten betreuren, dat
zulke in piëteit en, wellicht overdreven, kieschheid wortelende beweegredenen
zich tegen de openbaarmaking van die gedenkschriften verzetten. Als eene in
hooge mate opjectieve bijdrage ter beoordeeling van vraagpunten, personen en
toestanden, die nu nog ternauwernood tot de geschiedenis behooren, verdienden
zij eigenlijk een beter lot.......
In de laatste jaren van zijn leven is mijn vader ten gerieve van hem,
die wellicht geroepen zou worden een bericht omtrent zijn leven en werken samen
te stellen, begonnen een uittreksel uit zijne biographie te vervaardigen. Het
levensbericht, dat hier volgt, is voor een deel met behulp van dat uittreksel
opgesteld, enkele bijzonderheden werden echter aan de autobiographie, omtrent
de latere levensjaren mijns vaders andere aan mijn eigen geheugen ontleend.
Voor de allereerste levensjaren mijns vaders kan ik niet beter doen
dan hem zelven het woord te geven. Zijne autobiographie geeft tevens eenige
inlichtingen omtrent zijne afkomst die hier eveneens eene plaats mogen
vinden.
‘Te Katwijk, waar de zoute golven,
O Rijn, u wachten in haar schoot,
| | | |
te
Noordwijk,
Zandvoort of daaromtrent, in Holland aan de
kust der Noordzee,
Daar licht in 't schrale zand bedolven
de grafstede van den eersten visscher, die den naam van Hoek heeft
gedragen en die de stamvader werd van mijn geslacht. Drie vischhoeken
(zilveren) op een blauw veld vormen het familiewapen, dat sprekend getuigt van
het beroep door mijne voorvaderen uitgeoefend.’
‘Van mijnen betovergrootvader, zoo gaat mijn vader voort, weet ik
niets, maar mijn overgrootvader (Stoffel Hoek) diende als zeekapitein de
Oost-Indische Compagnie en zijn zoon, mijn grootvader Arie Hoek volgde hem na.
Laatstgenoemde ging echter over in landsdienst, werd Equipagemeester der Marine
te
Rotterdam en Napoleon benoemde hem tot en trok
hem den rok aan van Kapitein ter Zee.’
‘Als eene merkwaardigheid of, wilt gij, eigenaardigheid van mijnen
grootvader, vertelde mij mijn vader, dat Koning Lodewijk den getrouwen dienaar
van den lande tot Ridder benoemde van de Orde der Unie, maar dat de
‘Oranjeklant’, die aan de Bataafsche Republiek wel den eed van trouw had willen
doen, doch geweigerd had het Huis van Oranje af te zweren, diploma en kruis aan
Z.M. terugzond.’
‘Mijn vader Nicolaas Stoffel Hoek, gehuwd met Margaretha van
Scherpenzeel, stond als Predikant te
Engelen aan de Dieze in Noord-Brabant, toen ik
den 7den April 1813 geboren werd. In de allereerste jaren
mijns levens geschiedde het reeds, dat ik aan de knevels trok, of paardje reed
op de knieën van Fransche en Pruisische officieren, die in de pastorie te
Engelen in kwartier lagen. ‘Dat gebed zal stellig wel verhoord worden!’ zeide
eens een hunner, toen hij mijne moeder zag bidden | | | | met mij aan de
borst. Zeker was dit een Franschman, die aan zijnen ‘lieveheer’ gevoel voor
moederlijke lieftalligheid en vrouwelijk schoon toekende. Waarschijnlijk was
hij dezelfde, die aan mijnen vader toevoegde, nadat hij hem het eerste
tafelgebed had hooren doen: ‘Est-ce possible? Vous croyez au bon Dieu?’ Zijn
pastoor had hem geleerd, dat een Protestant geen geloof had of geen Christen
was!’
Tot zooverre mijns vaders autobiographie. Hij treedt daarin niet in
bijzonderheden over zijnen eigen vader, daar hij reeds bij eene andere
gelegenheid
1
diens leven geschetst heeft. Ik bepaal mij - om niet te uitvoerig te worden -
tot de vermelding van datgene uit het leven van mijnen grootvader, wat ook voor
mijnen vader gewichtig is. In 1815, toen mijn vader twee jaar oud was, vertrok
mijn grootvader met zijn gezin naar
Kampen, waar hij beroepen was. Het was in die
stad van Overijsel, die in mijns vaders jeugd 7000 inwoners telde, dat mijn
vader zijne geheele opvoeding ontving. Zijne eerste schreden op den weg van 't
onderwijs zette hij niet in een bewaarschool, maar in een kinderschooltje met
eene matres aan het hoofd. Daarna bezocht hij de school voor lager onderwijs
van meester Kooiman. Dit schijnt een zeer braaf en zachtzinnig onderwijzer te
zijn geweest, die door de jongens meer geëerbiedigd dan gevreesd werd. Van hem
leerde mijn vader reken-, stelen meetkunde en wel de beginselen zoo goed, dat
hij er zijn leven lang het genot van gehad heeft en b.v. aan de Universiteit,
als student in te theolodie, zijn ma- | | | | thesis twee maanden na zijn
aankomst met een eersten graad heeft kunnen doen.
Vervolgens bezocht hij de z.g. Fransche school van Jan Glazer, doch
bij dezen ‘Monsieur’ leerde hij zoo weinig, dat hij ter nauwernood licht
Fransch proza kon verstaan, toen hij naar de Latijnsche School overging. In
zijn twaalfde jaar zond zijn vader hem naar den conrector Laurentius, om de
eerste beginselen van het Latijn te leeren, doch eerst in zijn 14de ging hij naar de Latijnsche School. Hij kwam toen aanstonds
in de eerste afdeeling van de laagste klasse der zoogenaamde Conrectorschool;
het slechte onderwijs, dat hij op de Fransche school o.a. ook in zijn
moedertaal ontvangen had, maakte het hem in den aanvang moeielijk goed mede te
komen. ‘Man, man, hebt gij geen Hollandsch geleerd?’ vroeg de conrector hem een
der eerste malen, dat hij uit het Latijn in het Hollandsch vertalen moest. En
op zijn ontkennend antwoord voegde de nauwgezette man hem toe: ‘dan zal ik het
u leeren!’
Dat hij werkelijk, althans in dit opzicht, een dankbaar leerling aan
mijnen vader gehad heeft, heeft de toekomst bewezen: reeds toen hij als
achttienjarig Luitenant op een militair bureau geplaatst was, behoefde hij zich
voor zijne rapporten, brieven enz. niet te schamen. Van denzelfden conrector
kreeg hij onderwijs in het Duitsch en wel met zoo goed gevolg, dat hij Schiller
en Goethe met het grootste genoegen las: op bedoeld bureau lag een deel der
werken van eerstgenoemde steeds op zijn schrijftafel en werd menig snipperuur
aan die lectuur besteed.
Op de Rectorschool leerde hij grondig Latijn - maar met het Grieksch
en de andere vakken (geschiedenis, aardrijkskunde enz.) scheen men op die
stedelijke inrichting in die dagen minder gelukkig te zijn. Aan wis-
| | | | kunde b.v. werd bij den Rector hoegenaamd niets gedaan. Om aan te
houden, wat hij er reeds van geleerd had en om er zich nog wat verder in te
bekwamen, verkreeg hij verlof het onderwijs in dat vak in de hoogste klasse van
het instituut van den Heer J. van Wijk Rz. te volgen. Dat instituut was kort te
voren uit Elburg naar
Kampen overgebracht. Hij kwam op die wijze in
aanraking met jongens, die reeds veel verder gevorderd waren - doch dit
prikkelde zijn eerzucht en hij streefde hen weldra op zij. 's Avonds vergunde
genoemde Instituteur hem het onderwijs in het Engelsch in diezelfde klasse bij
te wonen en het verhaal, dat mijn vader daarvan deed, dat hij, die
ternauwernood iets van die taal geleerd had, dadelijk beginnen moest met de
kameraads mede dictés uit Pope en Shakespeare op te schrijven, heeft op mij
zoo'n levendigen indruk gemaakt, dat het mij altijd is bijgebleven. Klaagde
mijn vader er later over, dat hij nooit geleerd had het Engelsch behoorlijk uit
te spreken, in andere opzichten was hij ook met die taal zeer vertrouwd. Toen
hij na de campagne van '30-'31 zich gedurende vele maanden door ziekte
verhinderd zag aan ernstiger studie te denken, was het lezen van Walter Scott's
en Cooper's werken in zijn koortsvrije uren zijne voornaamste uitspanning.
Walter Scott heeft hij gelezen en weêrgelezen: toen ik hem in December '92 voor
het laatst en onverwacht bezocht, vond ik den 79-jarige verdiept in de lectuur
van Kenilworth!
Als toekomstig theologant moest mijn vader ook Hebreeuwsch leeren en
in den in die dagen te Kampen geplaatsten predikant van Vloten (den vader van
den later zoo wel bekenden
Jan van Vloten) had hij het geluk voor die
taal eenen uitstekenden leermeester te vinden. De toen reeds bejaarde predikant
gaf hem te zijnen | | | | huize privaatles; hij bezat de gave van
onderricht te geven in zoo hooge mate, dat mijn vader ook daarvan later, aan de
Academie, groot voordeel gehad heeft en dit zoowel op het college bij
Prof. Groenewoude, als bij gelegenheid van
zijn Candidaats- en Proponents-examens.
Latijn, Grieksch en Hebreeuwsch, Fransch, Duitsch en Engelsch, behalve
zijn moedertaal - ziedaar een aardig lijstje van taalstudie, waaraan mijn vader
zich gedurende zijnen Latijnschen schooltijd wijden moest. De ‘Ueberbürdung’,
waarover men tegenwoordig hoort klagen, alsof het een verschijnsel van den
allerlaatsten tijd was, schijnt al vroeger hare intrede bij de opleiding der
Hollandsche jeugd gehouden te hebben. Mijn vader was niet sterk en moest een
groot deel van zijnen tijd zittend doorbrengen. Muziek- en teekenles kwamen het
kwaad nog verergeren. Al was hij een levenslustige knaap, die gaarne met zijn
vrienden meedeed, als er gevischt of gezwommen werd, als er slootje gesprongen
of schuitje gevaren werd, hij schijnt daarmede voor zijne lichamelijke
ontwikkeling niet voldoende gezorgd te hebben. Na zijn vijftiende jaar begon
hij sterker te groeien en allengs scheef te loopen: de rechter schouder zakte
ietwat neêr. Op raad van anderen liet zijn vader hem daarom schermles geven (de
gymnastiek was nog niet in de mode) en in verband zeker met zijne militaire
loopbaan, eenigen tijd later, heeft die oefening met de floret hem voor scheef
of krom worden bewaard.
Met het uitspreken van de traditioneele Latijnsche oratie nam mijn
vader in Juni 1830 van de Latijnsche school afscheid: ‘ik had er van alles
geleerd, de omnibus aliquid en al wil ik niet zeggen:
de toto nihil - dat ‘aliquid’ was toch zeer oppervlakkig;
bijna alles wat ik wist, had ik aangeleerd door vlugheid van begrip en tamelijk
goed | | | | zaak-geheugen; naam- en cijfer-geheugen bezat ik echter in
zeer geringe mate en heb ik nooit verkregen’.
Zijn vader vond den 17-jarige nog te jong om naar de Academie te gaan
en begreep - wellicht beter dan hij zelf -, dat hij nog best eerst wat leeren
kon, vóór hij van het onderwijs aan de Universiteit profijt zou trekken. Mijn
grootvader zou gaarne gezien hebben, dat mijn vader Doctor werd - liefst in de
letteren en de godgeleerdheid beide. Het najaar en de winter van 1830-31 zouden
dus aan privaatlessen en eigen studie gewijd worden - de Belgen hebben in deze
echter anders beschikt en vijf maanden na het verlaten van de Latijnsche school
stond mijn vader als schildwacht op den wal van Bergen-op-Zoom.
Toen de groote vacantie van de Utrechtsche studenten begonnen was,
ging mijn vader (in Juli 1830) met een hunner - zijn neef M., een paar jaar
ouder dan hij en reeds Theol. Stud. - naar
Helvoirt in Noord-Brabant, waar de ouders van
M., mijns vaders oom en tante, eene kleine villa bewoonden. Hij bleef daar
verscheiden weken en genoot volop van het buitenleven; voor de afwisseling werd
een weinig literatuur gestudeerd - Byron, Goethe, Bellamy - doch de meeste tijd
met groote wandelingen door den Udenhout of over de Hamsche heide zoek gemaakt.
Half Augustus ging hij naar 's-Hertogenbosch, waar hij eenige weken de gast was
van den Heer P., eenen vriend van mijnen grootvader uit den tijd, toen hij te
Engelen stond. Daar vertoefde mijn vader dus, toen de Belgische onlusten
uitbraken: op 's Konings verjaardag woonde hij op den Papenbril een
schitterende parade bij van het garnizoen in
Den Bosch en een paar dagen later zag hij
diezelfde rijdende artillerie en infanterie naar
Brussel marcheeren. Als schooljongen
| | | | had hij dikwijls onder het lezen van de geschiedenis van den
jongsten tijd gedacht: ‘Zal mijn leven voorbijgaan, zonder zulke groote
gebeurtenissen, als in 't laatst der vorige en in 't begin van onze eeuw hebben
plaats gehad?’ Die jaren van 1815-30 schenen hem schrikkelijk saai toe. Toen
hij met zijnen vriend M. van de Juli-revolutie in Frankrijk hoorde, toen riepen
beiden vol geestdrift uit: ‘Quand l'honneur nous appelle à la guerre, nous
irons ran tan plan!’ Welken indruk moest op een aldus
gestemden 17-jarige het zien uittrekken van die bataillons infanterie en
rijdende artillerie, het geheele garnizoen van
's-Hertogenbosch, nu niet in parade-costuum,
maar in oorlogstenue met den noodigen tros, niet maken! Men was innig
verontwaardigd over die Belgische muiters - maar onder de vrienden en kennissen
van mijnen vader was men tegelijkertijd van zorg vervuld, dat ook onder de
bevolking van 's-Hertogenbosch het oproer zou uitbreken, om
Noord-Brabant met België te vereenigen. Toen
de ongehuwde zwager van den Heer P., waar mijn vader logeerde, zich naar het
stadhuis begaf om zich als rustbewaarder aan te geven, verzocht mijn vader hem
ook zijnen naam te willen noemen en ook voor hem wapens te vragen. Wel had dit
geen gevolg, maar het werkte toch mede om mijnen vader te doen nadenken over
dienst nemen, voor het geval, dat de opstand niet spoedig onderdrukt zou
worden. Zoo dicht bij de grenzen kreeg men te 's-Hertogenbosch de berichten uit
de oproerige streken uit de eerste hand - en natuurlijk niet altijd vrij van
overdrijving!
Toen het September geworden was, verkoos mijns vaders gastheer de
verantwoording voor zijn logé niet langer te dragen en werd hij over
Utrecht naar zijn ouders in
Kampen teruggezonden. Hij vond op zijn
doorreis in de | | | | academiestad nog maar weinig studenten en maar een
zeer enkele kennis, daar de vacantie nog niet geëindigd was. Wien hij
ontmoette, elk was opgewonden over den toestand in België! Hij hoorde er van
spreken, dat de studenten zouden uittrekken, dat zij een vrijcorps zouden
vormen en dergelijke opgewonden mededeelingen, die hij ternauwernood kon
gelooven, meer! Hij spoedde zich naar huis. Van studeeren kwam echter niets in,
de omstandigheden werden hoe langer hoe hachelijker! ‘De smaad, het wettig
gezag en niet minder het terugtrekkende Hollandsche leger door de oproermakers
aangedaan, bracht mijn bloed aan het koken en mijn besluit om dienst te nemen
tot rijpheid. Bij gelegenheid, dat het Handelsblad zeer verontrustende
berichten aangaande de citadel van
Antwerpen had medegedeeld (die later wel als
leugens gebrandmerkt, maar in den aanvang geloofd werden) steeg mijn geestdrift
ten top. Ik wilde jager worden in
Den Haag bij het keurkorps van den Koning en
alleen op aandrang van mijnen vader stapte ik hiervan af, om mij daags, nadat
de schutterij mobiel verklaard was, bij den Kommandant dier schutterij aan te
melden als eersten vrijwilliger van de compagnie, die te
Kampen voor den dienst aan de grenzen werd
georganiseerd’.
‘Den 4den November trokken wij uit, 200 en eenige
mannen sterk, waarvan ik als 17-jarige een der jongsten was; een of twee
vrijwilligers waren trouwens slechts 16 jaar. Te zamen bevonden zich onder ons
een 60 tal Kamper burgers, die den schutterleeftijd van 25 jaren nog niet
bereikt of het 35ste jaar reeds te boven waren’.
‘Nooit heb ik berouw gehad van dezen voor mij zoo gewichtigen stap en
mijn geheele verdere leven heb ik met groote zelfvoldoening het Metalen Kruis
der vrijwilligers | | | | gedragen. Bijna twee jaar heb ik de wapens
gehanteerd, van 't begin van November '30 tot het laatst van September '32; 4
maanden als schutter (de laatste zes weken er van als korporaal-titulair) bij
de stedelijke en den overigen tijd als 2de Luitenant bij de
plattelandsschutterij van Overijsel. Het lot heeft gewild, dat de 1ste Afdeeling der Mobielen dezer provincie, waarbij ik
behoorde, na vestingdienst in Bergen-op-Zoom en velddienst in Roozendaal
verricht te hebben, naar Staats-Vlaanderen werd gezonden, waar wij de grenzen
moesten bewaken en dat wij helaas! in Augustus '31 België niet mede mochten
intrekken. In de tien dagen van dien veldtocht hadden er bij ons aan de grenzen
achter Hulst dagelijks schermutselingen plaats, maar daar ik Adjudant was van
den Majoor-Kommandant der troepen in die vesting en in den omtrek, vocht ik
niet mede. Ik deed n.l. ook als Plaatsmajoor dienst en moest in den regel
binnen de voorposten blijven. Een enkelen keer hoorde ik de kogels, op een dier
posten gericht, mij om de ooren fluiten en een volgenden dag ontkwam ik, na met
twee manschappen eene sluip-patrouille gemaakt te hebben, ter nauwernood aan de
handen der Belgen. Zij hadden ons gezien, vervolgden ons en zonden ons een
hagelbui van kogels achterna, die ons gelukkig over het hoofd vlogen. Ik ken
dus het gevoel, dat ‘ce sifflement aux oreilles’ veroorzaakt, maar zou het
nooit kiezen tot ‘mijne muziek’, zooals Voltaire verzekert van Karel XII, al
gaat het onaangename van de gewaarwording in den beginne heel spoedig
voorbij.’
Wie mijnen vader gekend heeft, weet hoe waar, hoe oprecht gemeend
zijne verklaring is, dat het hem nooit berouwd heeft volkomen vrijwillig mede
te zijn uitgetrokken. Zijn geheele verdere leven heeft hij met vol- | | | | doening op de jaren van zijn diensttijd teruggezien. Toch is hem die
daad zijner jeugd, zijner vaderlandslievende geestdrift, duur genoeg te staan
gekomen. Hij zag zich genoodzaakt bijna twee volle jaren in dienst te blijven
en werkte dit op zich zelf reeds ongunstig op zijn studie - hoeveel erger waren
de gevolgen, toen het bleek, dat zijne gezondheid door zijn verblijf in Zeeland
gevoelig geschokt was. In 't laatst van Augustus '32 tastten de zoogenaamde
Zeeuwsche koortsen in den vorm van een hevige galkoorts hem aan. Hij had zich
toen reeds een jaar lang moeite gegeven om à la suite van
zijn corps geplaatst te worden en met groot verlof huiswaarts te mogen keeren.
Sedert Juni '31 was hij als student te
Utrecht ingeschreven en hij had zich dus op
het voorrecht, dat aan de studenten-corpsen verleend was, beroepen. Eervol is
het zeker, als men iemand niet uit de gelederen wil missen - maar mijn vader
was er het slachtoffer van! Toen eindelijk de beschikking van den
Prins-Veldmaarschalk te
Hulst aankwam, moest zij lange weken onder
mijns vaders oogen blijven liggen, vóór hij voldoende hersteld was om te
vertrekken. Uitgeteerd en doodzwak kwam hij bij zijne ouders aan en maanden
waren er noodig, vóór hij althans eenigszins weer op zijn verhaal kwam. De
arts, die hem in den winter van '32-33 in het huis zijner ouders behandelde,
placht te zeggen, dat de militaire geneesheer, die hem in Hulst behandeld had,
er zeker in geslaagd zou zijn hem ‘in den grond te purgeeren’, als mijn vader
langer onder zijne behandeling gebleven was.
In April '33 begon mijn vader in
Utrecht als Litt. Hum. Stud.
Theologiae causa zijne academische loopbaan. Wel was hij nog niet volkomen
genezen, maar de verandering van lucht zou tot stand brengen, wat de
| | | | medicus niet vermocht. Werkelijk is mijn vader in Utrecht van
zijne koorts genezen - heeft hij later ook nooit een zeer krachtig gestel
bezeten, zijne gezondheid heeft hem gedurende zijn verdere leven geen groote
zorgen behoeven te baren. Hij leidde een zeer regelmatig leven, betrachtte
groote matigheid in het gebruik van spijs en drank - maar was eigenlijk nooit
ongesteld en heeft het voorrecht gehad eenen zeer hoogen leeftijd te
bereiken.
Ik geloof niet, dat het verblijf aan de Universiteit mijnen vader in
alle opzichten geschonken heeft, wat hij er zich van had voorgesteld.
Mathesis-examen deed hij twee maanden na zijn aankomst en een jaar later zijn
propaedeutisch examen. Om dat laatste er goed af te brengen, moest hij hard
werken - het was drie jaar geleden, dat hij het gymnasium vaarwel gezegd had en
de oude letteren moesten geweldig ‘opgehaald’ worden. Het werd wel anders -
niet beter, toen hij de theologische collegies begon te volgen. ‘Ik moet
eerlijk bekennen, zoo schreef hij later zelf, dat ik voor de theologische
wetenschap als wetenschap nooit groote liefde gevoeld heb, hoezeer ook het
denkbeeld van het bevorderen van geestelijk zedelijk leven onder de leden van
eene gemeente, die men mij zou willen toevertrouwen, mij steeds bekoord heeft.’
Zeer ongaarne had mijn vader zich genoodzaakt gezien zijn literarische studiën
op te geven - maar ik geloof, dat het hem weinig leed berokkend heeft, dat hij
ook het denkbeeld, om Doctor in de Theologie te worden, heeft moeten laten
varen. Hij had in December '36 candidaats gedaan en zijn vader had hem vergund,
ook na onder de Professoren gepreekt te hebben, nog een jaar in Utrecht te
blijven - wilde hij niet in de theologie promoveeren, dan had hij daardoor
| | | | in ieder geval de gelegenheid zich beter voor zijn
proponents-examen voor te bereiden. Er begon in die dagen reeds meer beweging
te komen onder de beoefenaars der theologische wetenschap. Strauss had zijn
‘Leben Jesu’ uitgegeven en onder de tijdgenooten van mijnen vader waren er al
voorgekomen, die door dat boek aan het twijfelen geraakt, de godgeleerde
wetenschap tegen de literarische of juridische verwisseld hadden. De invloed
van mijnen grootvader had mijnen vader vrij gehouden van alle orthodoxie;
liberaal dus van kindsbeen af, had hij geen vrede met de opvattingen van zijn
eigen professoren en voelde hij zich veel meer tot die der Groningsche
Hoogeschool aangetrokken. De theologen van die Universiteit waren toen in ons
land de liberalen op godsdienstig gebied! ‘Had ik reeds met
Heringa, zoo schrijft mijn vader, gedisputeerd, met de opvattingen van Vinke,
na het emeritaat van eerstgenoemde nu de professor, bij wien ik examen moest
doen, kon ik mij in 't geheel niet vereenigen.’ Beide professoren raadden
mijnen vader dan ook af te promoveeren, niettegenstaande hij reeds een begin
gemaakt had met zijn doctoraal-examen en b.v. door
Prof. Bouman met goed gevolg getenteerd was.
Het plan een wetenschappelijken titel te veroveren werd dus opgegeven: in Mei
'39 heeft mijn vader daarop in
Arnhem zijn proponents-examen afgelegd.
Het was in die dagen nog zoo gemakkelijk niet een predikantsplaats
machtig te worden. Er waren candidaten tot den heiligen dienst in overvloed!
Een 270 à 280-tal dong naar 40 vacaturen 's jaars. Het kostte gewoonlijk reeds
veel moeite eene preekbeurt te krijgen en het duurde niet minder dan vier jaar
vóór eene gemeente mijnen vader uit een twaalftal mededingers koos. Was het hem
ook af en toe al gelukt eene preekbeurt | | | | machtig te worden, zoo
viel het hem daarom niet bijzonder gemakkelijk een beroep te krijgen, daar de
meeste dorpen in die dagen reeds de min of meer conservatieve richting waren
toegedaan. En steeds waren er proponenten genoeg, die noch te
Leiden noch te
Utrecht door liberalisme bedorven waren!
In 1843 werd hij te
Giethoorn in Overijsel beroepen: een dorp in
een uitgeveende streek, meer water dan land, met eene bevolking van ± 1800
zielen, voor de helft Hervormden, voor de andere helft Doopsgezinden;
laatstgenoemden hadden éénen predikant en twee liefdepredikers. Hier had zich
een kern van verlichte mannen gevormd; hadden zich enkele lidmaten van beide
gemeenten ook al ‘afgescheiden’, de meerderheid was eer vrijzinnig dan orthodox
gezind. Hier werkte en streefde mijn vader met jeugdigen ijver, bezield door
den ernst van zijne overtuiging; zijn streven om godsdienstzin (in zijn oog één
met liefde voor deugd en zedelijkheid) op te wekken, trof de meer ontwikkelden
en bezorgde hem eenen aanhang, waarvan hij tot heil van zijne gemeente gebruik
trachtte te maken.
Hij bracht in dat ‘watergat’ zeven van de gelukkigste jaren van zijn
leven door. In 1844 huwde hij met
Johanna Maria Gesina le Jolle, en toen
Giethoorn in 1851 verlaten werd, waren mijne ouders in het bezit van vijf
spruiten, waarbij zich op mijns vaders volgende standplaats (in 1854) nog een
zesde (een derde zoon) kwam voegen. Het was in Giethoorn, dat mijn vader begon
te schrijven. De grondgedachte van zijne novellen en romans is natuurlijk
geweest: den godsdienst in het leven aanschouwelijk te maken, aannemelijk voor
lezers, die van geen uitsluitend ernstige lectuur (vertoogen of preeken)
hielden. Van zijne papieren kinderen zagen de ‘
Mina en | | | | Betsy’ en ‘
De Familie Ploegers’ nog terwijl hij te Giethoorn stond
het licht, behalve verschillende novellen, die in tijdschriften werden
opgenomen. Aan de uitgave van zijn eersteling, de ‘Mina en Betsy’, knoopt zich
een incident vast, waarover mijn vader veel verdriet heeft gehad, dat hem
wellicht in den gang van zijne carrière benadeeld heeft en waar men toch eene
eigenaardige humoristische zijde niet aan ontzeggen kan: de ‘Mina en Betsy’,
die anoniem verschenen was, maakte opgang, maar men kon maar niet begrijpen,
dat de schrijver een man zou zijn. ‘Mijne vrouw, zoo schrijft mijn vader zelf
over dit geval, was niet alleen eene uitstekende huishoudster, maar bovendien
de beste opvoedster voor mijne kinderen, die ik mij denken kon; dichterlijk
talent, of de gave om iets oorspronkelijks op te stellen, bezat zij echter
volstrekt niet. Met wat ik schreef, liet zij zich dus niet in; zij luisterde
met belangstelling naar hetgeen ik haar voorlas en maakte alleen dan kleine
aanmerkingen, als ik een minder gepast woord, b.v. in den mond van dames,
gebezigd had, of ik, naar haar fijn kiesch gevoel, iets ‘minder geschikts in de
pen van een Dominé’ op papier gezet had. Grievend voor mijne eerlijkheid,
kwetsend voor mijne ijdelheid, was het daarom, dat ik ondervinden moest, dat
onhandige recensenten mij beschuldigden van te pronken met de veêren van een
ander en het auteurschap van de brieven van Mina en Betsy niet aan mij, maar
aan mijne echtgenoote toekenden. Ik herinner mij nog de groote verbazing van
mijne vrouw, zoowel als die van mijne ouders, toen ik haar, later ook hun, mijn
eersteling voorlas. Ik had van kindsbeen af met zusters en meisjes van allerlei
slag omgegaan en zoo viel het mij volstrekt niet moeielijk mijne beide
correspondentjes Mina en Betsy echt vrouwelijke brieven | | | | te laten
schrijven. Trouwens zelfs een De Keyser was er dupe van! Toen hij mijne
eersteling ter recensie in de Tijdspiegel ontving, schreef hij mij terstond en
begon zijnen brief met: ‘Ik weet niet of gij eene vrouw of een man zijt.’ Plus
de succès que de veine, zou men hier mogen zeggen: schijnbaar onbeduidende
zaken kunnen op iemands levensloop van invloed zijn. Die verkeerde opvatting
bleef bij andere beoordeelaars stand houden en toen mijn vader in '54 te
Groningen op het drietal stond en de aangewezen
persoon scheen te zijn, strooide ik weet niet wie het praatje rond, dat zijne
vrouw zijn preeken maakte en werd een ander beroepen! Mijne moeder heeft echter
nooit een letter van eigen vinding, voor openbaarmaking bestemd, op papier
gezet - zij heeft mijnen vader noch bij zijnen novellistischen arbeid, noch bij
het opstellen zijner preeken ooit iets gesuggereerd - hare eer, hare
verdiensten staan trouwens hooger dan die van welke schrijfster ook!
Mijn vader bleef niet altijd op zijne eerste standplaats. In 1851 ging
hij naar
Oudeschoot c.a. in Friesland en daar was hij
gedurende zes jaar de herder van een zeer uitgestrekte, vijf dorpen tellende
gemeente. Ook op deze zijne tweede standplaats was hij met groote
zelfvoldoening werkzaam. Zijn leven lang heeft hij in zijn optreden iets
militairs, iets kortaangebondens gehouden en hij schijnt daarmede ook zijn
gemeenteleden in Friesland geïmponeerd te hebben. Onvermoeid werkzaam, streng
maar goedhartig daarbij, breidde zijn invloed zich gestadig uit. Bij rijk en
arm ondervond hij met zijne echtgenoote slechts achting en toegenegenheid, en
dat zij niet nog meer genoten van den omgang met de vele vrienden, die zij
allengs maakten, was, omdat de eene het te druk had | | | | met haar
huishouden en hare kinderen en de ander met zijn werk in gemeente en
schrijfcel.
Voor letterkundigen arbeid restte hem evenwel op zijn standplaats in
Friesland maar weinig tijd: van die jaren dagteekenen alleen eenige novellen,
die in verschillende tijdschriften verschenen (in ‘
Aurora’, ‘
Flora’, ‘
Stads- en Dorpsbibliotheek’, ‘
Leeskabinet’, ‘Nederland’ enz.) en waarvan de meeste, in
1856, in twee bundels vereenigd opnieuw uitkwamen onder den algemeenen titel: ‘
De Godsdienst in het leven’. Ook werd te Oudeschoot de
eerste hand gelegd aan een roman in twee deelen, ‘
Bernard Robelius’; doch deze kwam eerst op zijn volgende
standplaats gereed.
Die volgende standplaats was de stad, waar hij ook zijne eerste
opvoeding ontvangen had en waar zijn vader eveneens predikant was geweest. In
1857 werd hij door den kerkeraad te
Kampen beroepen tot ‘Hulpprediker, aan de
gemeente toegevoegd ter behartiging van de godsdienstige belangen van de
Hervormden van het Instructie-Bataillon’. Die beroeping had veel voeten in de
aarde gehad, daar er eenige kerkeraadsleden waren, in wier oogen mijn vader
veel te liberaal was. Het oude spreekwoord zegt, dat profeten nergens minder
geëerd zijn dan in hun vaderstad: toen de vacature, door den dood van mijn'
grootvader (in 1852) veroorzaakt, moest vervuld worden, had men gemakkelijk een
twaalftal kunnen formeeren uitsluitend van predikanten, die in Kampen geboren
of opgevoed waren - men wilde ze echter geen van allen en zelfs de zoon van den
overledene mocht niet in aanmerking komen. In 1857 gelukte het echter het meer
liberale gedeelte van den kerkeraad mijnen vader, in spijt van de tegenwerking
van de andere partij, tot hulpprediker te doen beroepen. Die andere partij, die
toen in Kampen nog betrekkelijk weinig in- | | | | vloed had, nam de door
haar geleden nederlaag zeer hoog op en wist daarop in den kerkeraad het besluit
door te drijven, dat de nieuw benoemde hulpprediker uitsluitend voor het
Bataillon in eene afzonderlijke beurt, 's morgens om 8 uur, zou preeken. Mijn
vader wist dus, wat hem wachtte, als hij het beroep aannam; het was hem ook
niet ontgaan, dat het benoemen van eenen dienstdoenden predikant (tegen de
letter en den geest der reglementen in) tot hulpprediker een
abnormaliteit was en dat in dubbele mate, daar het geschiedde buiten de Kerk
(Classis, Provinciaal Bestuur en Synode) om, alleen door den kerkeraad (met
machtiging van den Minister van Eeredienst). Geen wonder dat hij lang aarzelde,
vóór hij het besluit nam zijn Friesch dorp met de nabij den IJselmond zoo
vriendelijk gelegen stad Kampen te verwisselen. Eene betere regeling van zijne
positie zou spoedig genoeg komen, zoo verzekerde men hem - als hij er maar
eerst was! Welnu het eind van zijne overweging is geweest, dat hij het beroep
aannam en dus in Juli 1857 naar Kampen verhuisde.
Tot in het begin van 't jaar 1890 heeft mijn vader den hem in 1857
toevertrouwden post bekleed - ik geloof te mogen zeggen op een wijze, die
zijnen vrienden en vereerders bewondering, zijnen tegenstanders eerbied heeft
afgedwongen. Zal ik nu hier uitweiden over de moeielijkheden, waarmede hij
gedurende de 33 jaar van zijn werkzaamheid in Kampen te worstelen heeft gehad?
Waartoe zou het dienstig zijn? Zoogenaamd ter wille van den godsdienst, maar
inderdaad ter wille van wat eene partij onder godsdienst meent te moeten
verstaan, wordt nog menig onrecht gepleegd! Mijn vader is daarvoor niet
gespaard gebleven - de bespreking daarvan kan echter gerust achterwege blijven
in zijn levensbericht: en | | | | dit te eer, daar men er niet in geslaagd
is mijnen vader te doen wankelen, zelfs niet hem te verbitteren; een opgewekte
levensmoed, waarvan het voorbeeld aanstekelijk werkte voor elk, die in meer dan
vluchtige aanraking met hem kwam, is hem tot het eind toe bijgebleven! Als
biograaf bepaal ik er mij dus toe mede te deelen, dat terwijl mijn vader er in
slaagde de achting en de vriendschap van velen der zelfdenkende of nadenkende
gemeenteleden te winnen, de orthodoxe partij in Kampen voortdurend machtiger
werd. In alle opzichten, waarin het onregelmatige zijner positie dit gedoogde
(mijn vader bleef hulpprediker tot hij in 1890 zijn ontslag nam), werd allengs
zijne vrijheid beperkt. In één opzicht wist hij zich echter volkomen in zijne
vrijheid te handhaven: ‘Wat men mij niet heeft kunnen beletten, is geweest, dat
ik bleef reageeren tegen alle leerstellige begrippen, van
welke kerk ook, en dat ik zoo duidelijk, als mij mogelijk was, verkondigde, dat
godsdienst geen leer, geloof geen verstandelijk voor waarheid-houden, de kerk
geen Koninkrijk Gods, de Christus van alle kerken niet is de Jezus der
geschiedenis.’
Zijn hooge leeftijd dwong hem in 1890 zijne betrekking neêr te leggen.
Den laatsten Vrijdag in Januari van dat jaar catechiseerde hij tot afscheid
voor een 120tal jongelieden tegelijk. Geestelijk gesproken had hij zijn werk
ook nog langer kunnen verrichten, maar lichamelijk stond hij bij het vervullen
van zijn ambt te veel bloot - vooral bij veranderlijke weêrsgesteldheid. Bijna
drie jaren genoot hij nog van zijn zoo welverdiende rust: lezende en werkende,
ook al stelde hij zelf niet veel meer; steeds belang stellende in alles wat
nieuw was, al was het ook vaak om te ondervinden, dat het oudere er niet door
overtroffen werd. Otium sine literis mors | | | | est! Tot aan zijn dood
bleef zijne liefde voor boeken, voor letterkundigen arbeid hem bij.
Langzamerhand verminderden echter zijne krachten, ook al bleven zijne
geestelijke vermogens nagenoeg onaangetast. In de tweede helft van December
1892 was ik - onverwacht - in de gelegenheid Kampen te bezoeken en een avond en
nacht in de ouderlijke woning door te brengen. Toen ik den volgenden morgen
afscheid van mijnen vader nam, voegde hij mij lachend toe: ‘Goed, dat ge nog
eens naar den ouden man zijt komen zien! Een volgende maal kondt ge wel eens te
laat komen!’ Op 4 Januari '93 schreef mij eene mijner zusters, die, ongehuwd
gebleven, na den dood mijner moeder (1889) mijnen vader gezelschap was blijven
houden, en er door hare vriendelijke en onvermoeide zorg voor gewaakt heeft,
dat een zonnetje bleef schijnen in de ouderlijke woning, dat mijn vader,
ofschoon niet ernstig, ongesteld was. Den 5den 's morgens
kreeg ik telegrafisch het bericht, dat die ongesteldheid eene zorglijke wending
had genomen. Ofschoon ik onmiddellijk op reis ging, kon ik eerst 's avonds aan
zijn ziekbed staan. Helaas! Ik kwam te laat. Het ziekbed was, toen ik kwam,
sedert weinige oogenblikken slechts, een sterfbed geworden. Na eene zeer
kortstondige ziekte was de bijna tachtigjarige, kalm en waardig zooals hij
geleefd had, gestorven!
In de letterkundige wereld is zijn verscheiden bijna onopgemerkt
gebleven. In 1875 was hij tot lid van de Maatschappij van Nederlandsche
Letterkunde gekozen, eene benoeming, die hem genoegen deed, doch hem oneindig
meer gestreeld en aangemoedigd zou hebben, als ze hem 25 jaren vroeger te beurt
gevallen ware. In 1882 was hij benoemd tot Ridder van den Nederlandschen Leeuw,
eene onderscheiding, die bij allen, die den | | | | verdienstelijken
Predikant-Oud-militair, den fieren en eerwaardigen man van nabij kenden, den
grootsten bijval gevonden heeft. Maar overigens behoorde hij niet tot de
lieden, die veel van zich laten spreken, wier overlijden aan courant-redacties
welsprekende artikelen in de pen geeft. Dat kan te minder verwonderen, als wij
bedenken, dat zijn voornaamste literarische arbeid van voor meer dan 20 jaar
dagteekent en vindt eveneens zijne verklaring in de omstandigheid, dat hij met
zijn novellen en romans eene zeer besliste en wel eenigszins buiten de
letterkunde staande bedoeling - eene tendenz - heeft gehad. Zijne geschriften
dankten echter den opgang, dien zij geruimen tijd maakten, niet uitsluitend,
misschien niet eens in de eerste plaats aan die tendenz, maar voor een goed
deel aan de gemakkelijkheid, waarmede zij opgesteld waren, aan de groote
natuurlijkheid van de voorstelling, aan de waarheid en den eenvoud van de
inkleeding. ‘In den beginne’ zoo schrijft mijn vader zelf, ‘oogstte ik veel
bijval in, meer dan ik ooit vermoed, laat staan verwacht had; van allerlei
tijdschriften kreeg ik aanzoek om novellen en de eerste, die van mijne hand
verscheen, was ‘
Coquetterie en dépit’ in ‘Nederland’. Dit uitsluitend
voor oorspronkelijke Nederlandsche letterkunde bestemde maandwerk was pas
opgericht door De Keyser en er bestonden nog maar ettelijke afleveringen van,
toen hij mij uitnoodigde er aan mede te werken. Het was in den tijd, dat ik te
Oudeschoot stond, en er voor letterkundigen arbeid slechts weinig vrije tijd
overschoot, te minder, omdat ik er alleen zoogenaamde snipperuren aan besteden
wilde en van den beginne af een afschuw had van broodschrijverij. Ik wilde mijn
schrijftalent, hoe groot of klein het dan ook was, niet exploiteeren en schreef
| | | | dus alleen, als de geest vaardig was en mij drong de pen op te
vatten. Ik ging altijd hoogst conscientieus met mijne papieren kinderen om en
stuurde er nooit een de wereld in, dan nadat ik het zoo goed mogelijk er toe
had voorbereid. Veel kwam dan ook niet uit mijne handen enz.’
De laatste roman, dien mijn vader geschreven heeft, verscheen in 1874
bij D.A. Thieme te 's-Gravenhage. Daarna heeft zijn letterkundige arbeid zich
bepaald tot het schrijven van eenige tooneelstukken, het vertalen van eenige
drama's en het opstellen van aankondigingen van romans enz. voor verschillende
tijdschriften, maar voornamelijk voor ‘
De Tijdspiegel’ en voor de ‘
Vaderlandsche Letteroefeningen’.
Het was ook in de Tijdspiegel, dat zijne tooneelspelen het eerst
werden gepubliceerd. Oorspronkelijk stelde hij zich voor drama's zonder
vrouwenrollen te schrijven, geschikt om door rederijkers of
liefhebberij-komediespelers opgevoerd te worden.
Met zijne eersteling, de aan Thackeray's ‘Pendennis’ ontleende ‘
Eerste liefde’ oogstten de personen, voor wie hij het
opstelde en die het ten tooneele voerden, zooveel bijval in, dat hij er door
werd opgewekt eene nieuwe proef te nemen. Tot het schrijven van ‘
De wedergevonden zoon’, dat in den winter van 1873 op '74
met veel succes werd opgevoerd, had een stukje van Bret Harte hem aanleiding
gegeven; de ‘
Oom uit Californië’ was echter geheel eigen vinding. Ook
dit laatste tooneelstuk had oorspronkelijk uitsluitend mannenrollen; daarbij
was de rol van den oom, die bijna voortdurend op de planken bleef, te zwaar en
te vermoeiend. Zoo ging mijn vader er toe over het stuk om te werken en te
trachten er een voor het vaderlandsche tooneel bruikbaar tooneelspel van te
maken. Hij had daarbij geen ander doel voor | | | | oogen, dan het zijne
bij te dragen tot verbetering van het gehalte der oorspronkelijke Nederlandsche
tooneelliteratuur. Het stuk, dat, zooals in de voorrede staat, minder voor
lectuur bestemd was dan voor opvoering, viel echter niet in den smaak van de
HH. van het Nederlandsch Tooneel. Wel hadden zij de hoffelijkheid te erkennen,
dat de reden, waarom zij het niet konden opvoeren, in den ‘overprikkelden smaak
van het publiek’, meer dan in de eigenschappen van het stuk gelegen was; wel
schreef de voorzitter van den Raad van Beheer van de Vereeniging ‘het
Nederlandsch Tooneel’, toen mijn vader hem een ander stuk ‘
Eer en Schande’ had toegezonden, dat het
levensvatbaarheid bezat enz. enz. - zijne oorspronkelijke stukken werden niet
opgevoerd. Met de stukken, die hij vertaalde, was hij aanvankelijk gelukkiger:
Kotzebue's ‘Menschenhaat en Berouw’ en ‘De Jagers’ van Ifflandt werden op het
repertoire geplaatst en bij herhaling ten tooneele gebracht. Hij vertaalde
daarna met hetzelfde doel Körner's ‘Zriny’ en Schiller's ‘Wilhelm Tell’ - zijn
voornemen nog andere vertalingen gereed te maken en in het licht te geven, liet
hij echter varen. Ofschoon hij zelf zeer gemakkelijk stelde en - naar ik meen -
zeer zuiver Hollandsch schreef, bewonderde hij in de geschriften der
grootmeesters op letterkundig gebied steeds veel meer de karakteriseering met
de inkleeding en de ontwikkeling van het geheel, dan de taal en den vorm, die
voor hem slechts de dragers waren der gedachten. Al lezende en genietende
ontging hem wellicht hier en daar eene finesse in uitdrukking of woordenkeus,
maar het is zeer de vraag, of de schoonheid van het geheel hem niet dieper trof
dan menigen veel grondigeren taalkenner. Toen echter zulk een grondig
taalkenner hem op minder aangename | | | | wijze vrijheden en kleine
onnauwkeurigheden in de vertaling van de ‘
Wilhelm Tell’ tot een verwijt maakte - alsof
mijn vader beoogd had eene critische bewerking der Duitsche meesterstukken in
het licht te geven -, meende hij beter te doen van verdere pogingen op dit
gebied af te zien. Een tweetal voor opvoering op het Nederlandsch tooneel
bewerkte Duitsche drama's werden niet meer uitgegeven en bevinden zich onder
zijne nagelaten papieren.
Had mijn vader een fijngevoelige natuur, een scherpe opmerkingsgave
was daarbij zijn deel. Ook verstond hij de kunst met enkele trekken aan te
duiden, wat hij op 't oog had en dit zoo kennelijk te doen, dat ook anderen
gemakkelijk zijne bedoeling begrepen. Gelukte hem dit in figuurlijken zin, niet
minder succes had hij hiermede op een geheel ander gebied: zoolang de oude dag
zijne vingers niet ‘onhandig’ gemaakt had, was hij meester in de kunst van
portretten te teekenen en vooral van te silhouetteeren. De photographie heeft
deze ouderwetsche kunst bijna geheel in het vergeetboek gebracht; zij bestond,
het is wèl bekend, daarin, dat men met eene fijne schaar den omtrek van iemands
profil uit zwart papier uitknipte en er op die wijze een gelijkend portret van
vervaardigde. Meermalen slaagde mijn vader er in, uit zijn geheugen portretten
te knippen van afwezige personen, zelfs van vrienden, die reeds voor lange
jaren gestorven waren. Die portretten waren gewoonlijk zoo treffend gelijkend,
dat ieder, die den persoon gekend had, het silhouet op het eerste gezicht
herkennen moest. Diezelfde gave stond hem bij het stellen van zijn critieken en
aankondigingen ter zijde: men herkende met de weinige lijnen der beschrijving
de personen en de toestanden, die in het boek, dat hij aankondigde, voorkwamen.
Die gave stelde hem echter ook in staat valsch | | | | vernuft van geest,
onmogelijke toestanden van natuurlijke, caricaturen of poppen van levende
menschen te onderscheiden. Toen hij zelf nog romans schreef, leefde hij in
gedachte mede met de personen, die hij ten tooneele voerde - als hij de
geschriften van anderen beoordeelde, stelde hij dezen vóór alles den eisch, dat
men zich de helden en de heldinnen, die er in voorkwamen, als levende wezens
moest kunnen denken. Een zeer groot aantal (bijna 250) boekaankondigingen
verscheen tusschen de jaren 1862 en 1886 van zijne hand: het was in de
Tijdspiegel, dat zijne eerste proeven op dit gebied
werden opgenomen en het was in hetzelfde tijdschrift, dat zijne laatste
aankondiging (1886) geplaatst werd.
Mijn vader stierf op nagenoeg 80-jarigen leeftijd: hij overleefde
bijna al zijne vrienden en tijdgenooten. In den laatsten tijd was het vaak, of
reeds lang verloopen perioden uit zijn leven in zijne herinnering weêr scherper
omtrekken aannamen en daarentegen de wederwaardigheden der latere jaren minder
duidelijke sporen in zijn geheugen hadden achtergelaten. Kon de herinnering aan
zooveel dat geweest was, zooveel dat hij verloren had, hem oogenblikken van
weemoed bezorgen, in zijnen opgewekten geest heeft in geene periode van zijn
leven somberheid of wankelmoedigheid wortel kunnen schieten. Een welbesteed en
gelukkig leven is zijn deel geweest, zijne nagedachtenis wordt - ik ben er
zeker van - in eere gehouden door allen die hem gekend hebben.
Helder, 5 Januari '94.
P.P.C. Hoek.
| | | |
| |
Romans, novellen, tooneelstukken enz. van J. Hoek.
| 1848. |
Mina en Betsy. J.B. van Loghem te
Haarlem. 1853. 2de druk. S.E. van Nooten te
Schoonhoven. 1867. 3de druk in ‘Guldens-Editie’. D.A.
Thieme, Arnhem. |
| 1849. |
Coquetterie en depit, in ‘Nederland’.
1849. 1852. 2de druk. W.H. van Heyningen,
Utrecht. 1866. 3de druk. in ‘Neêrlands Bibliotheek’.
II. |
| 1849. |
Bartje, in ‘Stads- en
Dorpsbibliotheek’. 1851. 2de druk, in ‘Uit het
Dagelijksch Leven’. 1865. 3de druk, in ‘Neêrlands
Bibliotheek’ I. |
| 1849. |
Herinneringen van eene oude vrijster, in
‘Flora’. 1849. 1851. 2de druk, in ‘Uit het Dagelijksch
Leven’. |
| 1849. |
Twee Zusters, in ‘Maria en Martha’.
1849. 1851. 2de druk, in ‘Uit het Dagelijksch
Leven’. 1865. 3de druk, in ‘Neêrlands Bibliotheek’.
II. |
| 1849. |
Finlandsch Wiegeliedje, in ‘Flora’.
1849. |
| 1849. |
Twee verjaardagen, in ‘Nederland’.
1849. 1852. 2de druk. W.H. van Heyningen,
Utrecht. 1867. 3de druk. ‘Neêrlands Bibliotheek’.
III. |
| 1850. |
Bekentenissen van een bekeerden dronkaard,
in ‘Stads- en Dorpsbibliotheek’. 1850. 1851. 2de druk,
in ‘Uit het Dagelijksch Leven’. 1851. 1866. 3de druk,
in ‘Neêrlands Bibliotheek’. 1866. I. |
| 1850. |
De Familie Ploegers. In twee deelen. J.B.
van Loghem te Haarlem. |
| 1850. |
De Weduw met haar Kind, (Gedicht) in ‘Maria
en Martha’. 1850. |
| 1851. |
Antoinette en Caroline, (Gedicht) in
‘Nederl. Volksalmanak’. 1851. |
| | | |
| 1851. |
Het slachtoffer zijner connectie, in
‘Nederland’. 1851. 1863. 2de druk, in
‘Guldens-Editie’. 1863. |
| 1851. |
Elise, in ‘Stads- en Dorpsbibliotheek’.
1851. 1856. 2de druk, in ‘De Godsdienst in het
Leven’. |
| 1851. |
(Uit het dagelijksch leven, 1 deel, S.E. van
Nooten te Schoonhoven). |
| 1851. |
Matilde, in ‘Aurora’. 1851. 1856. 2de druk, in ‘De Godsdienst in het Leven’. |
| 1851. |
Brieven van Pauline, in ‘Maria en Martha’.
1851-52. 1856. 2de druk, in ‘De Godsdienst in het
Leven’. |
| 1851. |
Sara, in ‘Flora’. 1851. 1856. 2de
druk, in ‘De Godsdienst in het Leven’. |
| 1852. |
Koenraad en Marianne, in ‘Stads- en
Dorpsbibliotheek’. 1856. 2de druk, in ‘De Godsdienst
in het Leven’. |
| 1852. |
(Twee novellen, 1 deeltje 12o, W.H. van Heyningen te Utrecht). |
| 1852. |
Herman, in ‘Het Leeskabinet’. 1852.
1863. 2de druk, in ‘Guldens-Editie’. 1863. |
| 1854. |
Marie, in ‘Nederland’. 1854. 1856. 2de druk, in ‘De Godsdienst in het Leven’. |
| 1854. |
Christendom en romantiek, in ‘Stads- en
Dorpsbibliotheek’. |
| 1854. |
Suse, in ‘Maria en Martha’. 1856. 2de druk, in ‘De Godsdienst in het Leven’. |
| 1855. |
Herinneringen eener gouvernante, in ‘De
Regenboog’. 1863. 2de druk, in ‘Guldens-Editie’.
1863. |
| 1855. |
Episode uit het leven van Doctor ***, in
‘Charis’. 1855. 1856. 2de druk, in ‘De Godsdienst in
het Leven’. |
| 1855. |
Het testament van mijn Oom, in ‘Gelderland’.
1855. 1856. 2de druk, in ‘De Godsdienst in het
Leven’. |
| 1856. |
(De Godsdienst in het Leven, voorgesteld in Novellen, 2 dln. S.E. van Nooten, Schoonhoven.
[Herdruk van novellen in tijdschriften, met uitzondering van:]) |
| 1856. |
Een ongelijk huwelijk, in ‘De Godsdienst in
het Leven’. |
| 1857. |
Bernard Robelius, in twee deelen. S.E. van
Nooten, Schoonhoven. |
| 1857. |
Christus onze wijsheid, in
‘Evangelie-Spiegel’. |
| 1861. |
Een Societeitspraatje, in ‘Het Vaandel’.
1861-62. |
| 1861. |
Brieven van Julius van Hees en Frits
Ploegers, in ‘De Tijdspiegel’. 1861-62. |
| 1862. |
Jan Beitel, een
Kinderhuisjongen. Een verhaal voor het volk. K. van
Hulst, Kampen. 1 deel. |
| | | |
| 1862. |
Uit het leven eener jonge vrouw (door haar zelve beschreven), in ‘Christelijk Album’. |
| 1863. |
(Drie Novellen. Een deel Guldens-Editie.
D.A. Thieme, Arnhem. [Herdruk van novellen uit tijdschriften]). |
| 1864. |
Louise van der Heide en Herinneringen eener
Moeder. Twee deelen Guldens-Editie. D.A. Thieme, Arnhem. |
| 1865. |
Twee vriendinnen, in ‘Het Christelijk
Album’. |
| 1868. |
Agathe. 3 deelen. D.A. Thieme,
Arnhem. |
| 1868. |
Anna, Volksvoorlezing, in ‘Vesta’. |
| 1869. |
Eene eerste liefde. Drama in drie bedrijven
voor Rederijkers, in ‘De Tijdspiegel’. 2de druk. K.
van Hulst, Kampen. 1870. |
| 1870. |
Een Oom uit Californië. Blijspel in drie
bedrijven voor Rederijkers. K. van Hulst, Kampen. |
| 1874. |
Wat er werd van de kinderen van Bellevue. 2
deelen. D.A. Thieme, 's-Gravenhage. |
| 1874. |
De wedergevonden zoon, Drama in drie
bedrijven voor Rederijkers, in ‘De Tijdspiegel’. 2de
druk. K. van Hulst, Kampen. 1874. |
| 1875. |
Een Oom uit Amerika. Tooneelspel in vijf
bedrijven. K. van Hulst, Kampen. |
| 1877. |
Zriny. Tooneelspel in vijf bedrijven door
Theodoor Körner. Metrisch overgezet. L. van Hulst, Kampen. |
| 1878. |
Willem Tell. Tooneelspel in vijf bedrijven
door Fr. von Schiller. Metrisch overgezet. L. van Hulst, Kampen. |
| 1879. |
Eer en Schande. Tooneelspel in vijf
bedrijven, in ‘De Tijdspiegel’. |
|
1In de voorrede van het in 1853 bij van Nooten
te Schoonhoven uitgekomen ‘
Twaalftal nagelaten preken van N.S. Hoek’.
|
|