|
|
|
| | | | | |
Levensbericht van Dr.
W. Francken, Azn.
Met weemoed mij neerzettend om een levensbericht te leveren van mijn
onvergetelijken vriend
Walraven Francken Ahasveruszoon, zou ik
gaarne beproeven, een levensbeeld van hem te schetsen. De
bepalingen onzer Maatschappij geven daartoe vrijheid. Immers, zij verlangt,
‘dat de feiten worden opgeteekend, die gekend moeten worden, om het oordeel van
den nakomeling omtrent de verdiensten van haar leden te bepalen’. Nu wordt mij
deze taak betrekkelijk gemakkelijk gemaakt door de talrijke artikelen,
onmiddellijk na Francken's verscheiden in verschillende dag- en weekbladen
opgenomen, waarin met zeldzame eenstemmigheid de voornaamste trekken van zijn
beeld zijn geteekend
1, later nog met een aantal waardeerende getuigenissen
in maandschriften e.d. vermeerderd. Maar behalve de niet geringe
moeielijkheden, altijd aan zulk een schilderen met de pen verbonden -
moeielijkheden, waartegen ik mij volstrekt niet opgewassen reken! - levert de
aard der Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, waarvoor
dit | | | | levensbericht is bestemd, eigenaardige bezwaren op.
Francken's beteekenis ligt niet in de eerste plaats in wat hij voor de
letterkunde van ons volk is geweest. Hij was een vruchtbaar schrijver, wiens
geschriften, ook uit het oogpunt van taal en stijl beschouwd, geenszins
verwerpelijk zijn, maar hij was in alles en boven alles predikant, die op het
gebied der godgeleerde wetenschap een hooge plaats innam en wiens leeftijd valt
in een allerbelangrijkst tijdvak van de geschiedenis der Nederl. Hervormde
kerk, waartoe hij behoorde, die hij liefhad, in wier strijd hij levendig deel
nam, wier belangen hem na aan het hart gingen. Aan den theoloog wordt elders
door bevoegde hand rechtmatige hulde gebracht
1, en een beschouwing
van zijn verdiensten in dat opzicht behoort hier minder te huis. Ook zijn
betrekking tot de Nederl. Hervormde kerk kan hier moeielijk ter sprake worden
gebracht. Een nog levend geslacht kan haar geschiedenis niet schrijven. Maar
zeer onvolledig moet wel een levensbeeld van
Walraven Francken blijven, waarin geen ruime
plaats kan worden ingenomen door godgeleerde, kerkelijke en godsdienstige
vraagstukken, waarin hij niet bovenal als de man van geloof en vrijheid in zijn
werk voor de gemeente, voor de kerk, voor de zending, voor de maatschappij, ook
voor de pers, kan worden geteekend.
Moet in een levensbericht voor onze Maatschappij aldus vrij wat
blijven ontbreken, wat er in gegeven kan worden zal toch weer moeten spreken
van Francken als predikant. 't Was met hem niet, zooals 't was met onzen
Frans Haverschmidt, wiens droevig afsterven
omtrent denzelfden tijd moest worden betreurd. Haver- | | | | schmidt was
ook predikant, met trouw en ijver zich wijdend aan zijn werk, maar ver buiten
den kring zijner gemeenten alom in den lande door zijn gedichten en schetsen
als letterkundige bekend en bemind. Uit Francken's pen is geen vertelling of
novelle of iets van dien aard gevloeid; de gave der dichtkunst - zoo sprak hij
ergens - was hem niet geschonken. Behoudens een paar vertaalde verzen, o.a. een
uitvoerig latijnsch gedicht van Ausonius, waarin de Moezel wordt bezongen
1, is mij geen proeve van zijn bekwaamheid,
om in gebonden stijl zijn gedachten uit te drukken, bekend. Wat hij schreef, is
nooit alleen of zelfs in de eerste plaats van letterkundigen aard. Niet enkel
in zijn opstellen van godgeleerden inhoud, niet alleen in zijn uitgegeven
leerredenen, ook in zijn redevoeringen, zijn geschiedkundige bijdragen, zijn
reisschetsen, is de vorm nooit meer dan het middel om zijn doel te bereiken, te
getuigen van het hoogste en beste, dat in zijn ziel leefde. In de voorrede van
zijn
Bijwerk, op 't gebied van Kunst en
Geschiedenis wijst hij op de beteekenis van die komma achter het
woord Bijwerk. De behandeling van die onderwerpen ‘op 't
gebied van kunst en geschiedenis’ kon voor hem slechts ‘bijwerk’ zijn, naast de
vele en velerlei werkzaamheden, die hij als Evangeliedienaar zijn hoofdwerk
achten moest. ‘Werd door mijn arbeid bij dezen en genen eene christelijke
opvatting en waardeering van de kunst en de geschiedenis bevorderd - zoo
eindigt hij - dit ware mij het beste bewijs, dat mijn bijwerk niet
ongelijksoortig is met hetgeen de Evangeliedienaar zijn hoofdwerk rekent’.
Maar hoeveel voortreffelijke leden onzer Maatschappij | | | |
hebben dit niet met
Francken gemeen, dat de letterkunde voor hen
slechts bijwerk kan of mag zijn! Hoe arm zou de lange reeks der nu vaak zoo
hoogst belangrijke Levensberichten der afgestorven leden
wezen, wanneer onze dooden alleen als letterkundigen in den strengen zin des
woords beschouwd mochten worden! Als 't ook het doel dier levensberichten is,
hen te doen kennen als mensch, dan heb ik ook vrijmoedigheid
een poging te wagen om het beeld te schetsen van een der eigenaardige
persoonlijkheden uit de laatste helft der 19de eeuw, van
een man, die meer nog door zijn persoonlijkheid dan door zijn schriften
beteekenis en invloed heeft gehad, en die het had door zijn werken, omdat
daaruit een persoonlijkheid sprak.
Geboren den 4den Sept.
1 1822, was
Francken ruim 71 jaar oud, toen hij den
16den Jan. 1894 na een korte, hevige ziekte heenging,
zooals hij geleefd had - sterk en blijmoedig door zijn geloof. Liet zich in de
weinige dagen zijner krankheid de droevige afloop verwachten, de zijnen en zijn
vele vrienden hoopten nog eenigszins, dat zijn sterk gestel er ook ditmaal
tegen bestand zou zijn. Reeds meer dan eens had in de laatste jaren een
gevaarlijke krankheid hem gebracht in het aangezicht des doods. Maar als de
ziekte was overwonnen, dan keerden de krachten spoedig terug en dan was hij
weêr de oude, d.i. jong van hart, helder van geest, met onverflauwden werklust,
met ongebroken werkkracht. Zoo was hij nog | | | | in het laatst van '93.
In den zomer van dat jaar had hij een groote reis gemaakt, zooals 't van een
goeden zeventiger nauwelijks meer verwacht zou worden
1. In het najaar, in den
winter zelfs had ik nog meer dan één vergadering te Rotterdam met hem
bijgewoond, waarbij hij wel te kennen gaf, dat op den duur al die tochten naar
Rotterdam hem wel wat bezwarend zouden worden, maar als er iets belangrijks te
doen was - en er waren destijds belangrijke dingen te behandelen met betrekking
tot het Nederlandsche Zendelinggenootschap en tot de Kostschool voor dochters
van hoofden en aanzienlijken in de Menehasa van Menado, waarin hij met heel
zijn hart deel nam - dan ontbrak hij nooit en dan was hij er met zijn wijsheid,
zijn ervaring, zijn machtigen invloed. Ook in de eerste dagen van '94 scheen
niets nog het zoo haast aanstaand einde te voorspellen. Hij was als altijd,
opgewekt, krachtig. Daar greep plotseling een hevige aanval der heerschende
influenza hem aan en wierp hem op het ziekbed, dat weldra zijn sterfbed zou
worden. In het midden zijner werkzaamheid werd hij weggenomen. Terwijl de
krankheid zijn krachten sloopte, corrigeerde hij nog de drukproeven zijner
verhandeling over Boëthius, na zijn verscheiden in het tijdschrift
Geloof en Vrijheid in 't licht
verschenen. Met stervende hand beproefde hij nog een afscheidswoord te
schrijven aan zijn geliefde Rotterdamsche gemeente en toen de hand haar dienst
weigerde, dicteerde hij nog enkele woorden, reeds eenigszins verward,
afgebroken | | | | in 't midden van een volzin
1, - 't bleef bij den aanhef, maar dat woord kenmerkt hem, gelijk
zijn afscheidswoord aan zijn vriend en leerling Roskes, - ‘houd je aan het
Evangelie. Ik ga sterven, maar ik heb het goed. Bij den Vader heb je het altijd
goed’, - zoo treffend en aandoenlijk bij zijn geopend graf herinnerd
2. In de oogenblikken, waarin zijn hoofd door de ziekte beneveld
was, waren 't catechisanten, die hem wachtten, treurenden, die hij troosten
moest, hulpbehoevenden, die hem noodig hadden, wier beelden hem geen rust
lieten op de legerstede. Hij moest er uit! Hij mocht daar niet liggen, terwijl
er wat voor hem te doen was! Ook dat teekent hem, niet minder dan de woorden
vol liefde en dank en trouwe zorg, soms met zijn eigenaardigen humor gemengd,
tot de zijnen en tot zijn dienstboden gesproken.
Francken was een trouw man
- trouw voor zijn gezin, trouw voor zijn vrienden, trouw in zijn werk, trouw
aan zijn beginselen, trouw in wat hem waar en recht was. Daaraan hebben allen
recht gedaan, die na zijn heengaan hem in 't openbaar een woord van herinnering
wijdden. Een hunner,
prof. Cannegieter, spreekt van hem
3 als van ‘een bizonder beminnelijke
persoonlijkheid’. Ik voor mij, die ruim 30 jaar het voorrecht had hem te kennen
en in allerlei omstandigheden hem mocht gadeslaan, ik zeg dat van ganscher
harte na. Toch begrijp ik, dat een ongenoemde
4 kan zeggen: ‘mocht men zich al niet door groote
beminnelijkheid tot zijn persoon aangetrokken gevoelen, men had toch
onbegrensden eerbied voor zijn onvermoeide werkzaam- | | | | heid, zijn
liefde voor waarheid, kunst en al wat schoon en goed is.’ Voor wie hem niet
goed kenden, had
Francken iets stroefs, iets weinig
toeschietelijks, iets kortafs, iets nonchalants in zijn vormen, dat wel eens
kwetsen kon, al was 't zoo niet bedoeld, iets hoogs, dat kon doen denken aan
zekeren trots, die hem toch niet eigen was. Wie hem hoorde spreken op een
vergadering, wanneer iets hem ergerde en ontstemde, die kon den indruk
ontvangen van strengheid, hardheid, scherpheid.
‘Ieder mensch heeft een zijde, die afstoot’, schreef Dr.
J. Th. de Visser
1. Misschien zagen vreemden die
zijde van Francken het eerst en het meest. Zijner was niet de voorkomendheid,
die ieder terstond op zijn gemak zet. Populair was hij niet, en om populariteit
te zoeken was hij de man niet. Aller getuigenis is hierin eenstemmig, dat
Francken een man was van zeer vaste overtuiging, die er ‘met leeuwenmoed’ voor
streed, wien alle lichtvaardigheid, alle oppervlakkigheid, nog meer alle
oneerlijkheid, alle verdachtmaking, alles wat in een strijd onedel was, een
gruwel was. Vaardig met het woord, vaardig met de pen, sprak en schreef hij
spoedig tegen hetgeen hem hinderde, ergerde, bedroefde om de wille der goede
zaak, die hem heilig was en lief boven alles en boven allen. Ja, dan viel er
wel eens een woord, dat wat kras was. Ook mag hij in zijn oordeel over menschen
en toestanden wel eens onbillijk zijn geworden. Maar een vergiftigd wapen heeft
hij nooit gebruikt. Kunstgrepen van politiek of dialectiek waren beneden hem.
Het breede, scherpe slagzwaard hanteerde hij, niet de fijngepunte dolk. In het
open veld kon men | | | | hem vinden, met onbedekte kleuren, met
ondubbelzinnige strijdleus; op sluipwegen heeft hij nooit den voet gezet, uit
hinderlagen nooit een tegenstander bestookt. Onbeminnelijk kon hij soms
schijnen, eerbiedwaardig bleek hij altijd.
‘In sommige dingen eenzijdig’, wordt hij genoemd in een waardeerend
woord, aan zijn nagedachtenis gewijd door een godgeleerde, die zich niet tot
zijn geestverwanten rekent
1. Nu, dat zal wel zoo zijn. Wie is
het niet!
Francken zelf zou 't allerminst hebben
ontkend. Mogelijk zouden zijn vrienden sommige van die ‘eenzijdigheden’
beginselvastheid hebben genoemd. Maar wie had, als Francken, een open oog voor
het goede, dat hij in een tegenstander vond, voor het ware en eerbiedwaardige
in iedere oprechte overtuiging, voor de eischen van eerlijkheid en goede trouw,
van billijkheid en rechtvaardigheid! Men heeft hem wel eens verweten, dat men
niet wist, wat men aan hem had, dat hij nu eens met de eene, dan met de andere
richting of partij meê ging. Met een partij, als partij, nooit. Alle
partijschap haatte hij. Iets goed te keuren, wat hij meende te moeten
bestrijden, omdat het van een partij uitging, iets af te keuren, wat hij recht
noemde, omdat het kwam van niet bevriende zijde, of omdat het misschien
schadelijk voor een partij kon zijn, zal hem niet vaak overkomen zijn. Wie hem
kende, die wist wel, wat hij aan hem had, die kon wel vooruit berekenen, wat
Francken zou zeggen en doen. Wijsheid en ervaring konden hem doen beproeven,
nadeelige gevolgen zooveel mogelijk te voorkomen of te verminderen, nooit hem
weerhouden van te spreken en te stemmen, zooals hij 't voor plicht hield.
| | | |
Wie Francken niet persoonlijk hebben gekend, vinden lichtelijk de
trekken van zijn beeld in zijn geschriften geteekend. Raadpleeg ik mijn
persoonlijke herinneringen uit den tijd, vóór dat ik hem ontmoette, dan gedenk
ik, met hoeveel waardeering onze hooggeschatte leermeester in de homiletiek,
Prof.
S. Muller, - waarlijk op het punt van
preeken niet de gemakkelijkste! - van Francken's destijds reeds uitgegeven
leerredenen
1 sprak. Dan weet ik
nog wel, met hoeveel genot ik zijn
Kunstmiskenning,
Kunstvergoding,
Kunstwaardeering, zijn
Christus Remunerator, zijn
Biecht voor God van een groot man had
gelezen, hoe gaarne ik hem hoorde spreken in het mede door hem geredigeerde
Licht, Liefde, Leven, en toen ik in 1862
naar Rotterdam werd geroepen, toen ik mijn eerste gemeente te midden der mij
zoo dierbare Twentsche heidevelden en bosschen voor de drukke, rumoerige
koopstad zou verwisselen, behoorde onder hetgeen mij zeer in dien nieuwen
werkkring aantrok, de gedachte, dat ik er
Francken zou ontmoeten. Een mensch kan wel
eens worden teleurgesteld, als hij den mensch leert kennen, dien hij als
schrijver heeft leeren liefhebben en hoogschatten. In Francken werd ik niet
teleurgesteld. Ik vond in hem een man, die sprak, gelijk hij schreef, die was,
zooals hij schreef en sprak. En zoo is hij gebleven tot het einde toe.
Daar zijn in die geschriften treffend schoone, welsprekende
bladzijden, die hem ten volle de eere waardig maakten, om in 1860 verkozen te
worden tot lid der Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde
en ook zijn latere werken toonen, dat hij bij het klimmen zijner | | | |
jaren de opgewekte verwachtingen niet heeft beschaamd. Zijn bundel:
Uit de verstrooiing saamgelezen, in
1885 uitgegeven, kan er o.a. van getuigen, en al zijn verreweg de meeste
vruchten zijner rijke kennis na 1867 neergelegd in het tijdschrift
Geloof en Vrijheid, waarin naar den
aard der stof de letterkunde naar den achtergrond wijkt, ook in de ruim 60
meestal uitvoerige stukken van zijne hand ontbrak het in geenen deele aan de
warmte, den gloed en de kracht van het woord, dat welsprekend is, omdat het
komt uit het hart. Maar als letterkundige is
Francken het best te kennen uit hetgeen hij
schreef om het in het openbaar uit te spreken, zijn redevoeringen, zijn
preeken. Een orator was hij niet. Weldoordacht is zijn werk,
getuigende van veelzijdige ontwikkeling, degelijk, frisch. ‘Daar is in
Francken's preeken altijd iets bijzonders’, zei Oosterzee. Als hij spreekt,
hoort men, dat hij iets te zeggen heeft. Maar er is niets gekunstelds in, niets
gemaakt-moois, niets wat doet denken: ‘let nu eens op, hoe schoon dit gezegd
is’. De schoolsche geleerdheid, de advokaatsche spitsvondigheid, de rhetorische
gezwollenheid, die het geloof aan iemands oprechtheid bemoeielijken, zooals hij
zich ergens uitdrukt
1, lagen niet in zijn
karakter. Niet zelden is zijn stijl wat te weinig verzorgd. Geschreven improvisaties zouden wij vele zijner stukken kunnen
noemen. De zinnen zijn wel eens wat te lang, de tusschenzinnen te overvloedig.
Hij heeft veel te zeggen en hij tracht veel te zeggen. 't Is ook wel te
bemerken, dat hij veel Duitsch heeft gelezen. Maar - hoe welsprekend kan hij
zijn! Wat gelukkige grepen doet hij menig- | | | | maal! Over een schat
van kennis beschikt hij. Veel heeft hij gelezen, doordacht, doorleefd. Daar
spreekt een hart uit wat hij schreef, daar ligt een wijding over van krachtig
geloof en vurige liefde.
Toch, wie Francken alleen heeft gelezen, niet gehoord, kent hem nog
maar ten halve. Als hij sprak op den kansel of het spreekgestoelte, op een
vergadering of in een feestdronk, was 't nooit oratorie of declamatie, geen
kunstige, wel overdachte, zorgvuldig bestudeerde voordracht in stembuiging,
stand, gebaren. Hij sprak, recht en slecht, in den zin waarin
de oude spreekwijze dat bedoelt. Zijn stem was aangenaam, krachtig, welluidend,
zijn uitspraak, behoudens den eigenaardigen klank der a, was
zuiver, maar buitengewone gaven had hij in dit opzicht niet. Maar wat kon die
stem treffen, roeren, meesleepen, opheffen, bezielen, verootmoedigen! Hoe kwam
ieder onder den indruk van zijn machtig woord! 't Was ook weer zoo geheel zijn
persoonlijkheid, die er in sprak en wie hem hoorden, mij dunkt, 't zal hun
gaan, wanneer zij nu weêr iets van hem lezen, gelijk 't mij gaat. Ik zie hem
staan, ik hoor hem spreken en het gelezene wint nog door het leven dat er in
komt, het leven dat er was in een man met een rijken geest, met een nobel
hart.
Walraven Francken was den 4den Sept. 1822 geboren uit het huwelijk van Ahasverus Francken, destijds predikant te
Deutichem, en Catharina
Geertruida van Rossem, de dochter uit een deftige, wijdvertakte
Rotterdamsche familie. Zijn vader was een voortreffelijk man, hoog geacht als
prediker, die in menige betrekking, ook als lid der synode, wier voorzitter hij
eenmaal was, de Hervormde Kerk heeft gediend, niet onverdienstelijk als
| | | | dichter van meestal godsdienstige liederen
1, lid der commissie voor
de Evangelische liederen, die in den bundel ook een drietal
gezangen van zijne hand opnam. In het
Levensbericht van Marinus Didericus de
Bruyn door Prof. Scholten bewerkt
2, vind ik de bizonderheid dat deze
te
Delft in de beginselen van het Hebreeuwsch
onderwijs genoot van A. Francken, toen predikant aldaar. In 1826 werd hij te
Utrecht beroepen en daar bleef hij tot 1855 in
de gemeente werkzaam, ook na zijn emeritaat tot zijn dood woonachtig. Een
beroep naar de hoofdstad had hij tot groote blijdschap zijner gemeentenaren
afgewezen.
Na zijn overlijden gaf zijn vriend en ambtgenoot
S.G. Jorissen eene ‘herinnering aan den
ontslapene’ bij het bundeltje zijner ‘
Gedichtjes’, terwijl
Prof. Vinke in de Utrechtsche Courant den man
schetste, die den 29sten Juli 1857 aan zijn gezin en zijn
vele vrienden ontvallen was. Het trof mij bij het lezen van die woorden vol
hartelijke vereering en dankbare liefde, hoeveel
Walraven Francken van het karakter zijns
vaders moet hebben gehad. Gansche volzinnen had ik in deze levensschets kunnen
overnemen. Veel had hij dan ook aan hem te danken, gelijk hij 't gedenkt in de
voorrede van de uitgave der ‘Gedichtjes’, in aansluiting aan Claudius' bekende
weemoedige klacht:
Einen guten Mann begraben.
Maar ook aan zijn moeder was hij veel verplicht | | | | voor de
vorming van zijn hart. Zij was een innig lieve vrouw, vol oprechte, gezonde
vroomheid, vol zachtheid en cordaatheid tevens, vol tact en wijsheid. Van zijn
ouders heeft hij indrukken ontvangen, die nooit zijn uitgewischt. Fortes creantur fortibus et bonis. Sterken ontspruiten uit
sterken en goeden.
In een gelukkig ouderlijk huis groeide Walraven op, met zijn broeder
Cornelis Marinus, later hoogleeraar in de oude letteren te Utrecht, en twee
zusters, Anna Christina, gehuwd met den predikant H.C. Voorhoeve, en Dorothea,
die hem allen overleefden en nog te
Utrecht zijn gevestigd. Hij was een vroolijke,
wilde, levenslustige jongen, vol van dien snaakschen humor, die ook later het
oog van den ernstigen man soms zoo vriendelijk en ondeugend kon doen tintelen,
met goede vermogens, maar die toen nog, speelsch en wat vluchtig, niet deed
vermoeden, dat er een degelijk geleerde uit hem groeien zou. Trouwens, hij zelf
droomde toen nog niet van studeercel of pastorie. Zijn jongenshart ging uit
naar de zee. Het liefste spel was ‘scheepje spelen’, waarbij de banken in de
catechiseerkamer in zijns vaders huis dienst moesten doen, en toen hij eens op
12-jarigen leeftijd bij zijn oom Van Rossem te
Rotterdam logeerde, moest de kogel maar door
de kerk. ‘Nu ben ik vast besloten, om ter zee te gaan varen’ - zoo schreef hij
naar huis - ‘Oom heeft beloofd, dat hij mij wel voort zal helpen. Ik ben al
eens in den mast geklommen’.
't Was voor de ouders geen welkom bericht! Maar met groote wijsheid
werkten zij het jongensplan niet tegen. Heel vast was dit besluit en heel diep
zat die wensch blijkbaar toch ook niet: want toen zijn schoolvriend
H.L. Vinke, zoon van den Utrechtschen
hoogleeraar in de theologie, later gedurende vele jaren zijn | | | |
ambtgenoot en vriend te Rotterdam
1, naar de latijnsche school zou gaan, verrastte Walraven zijn
ouders met het verzoek, om ook te mogen gaan. Hij was er eigenlijk nog niet
genoegzaam toe voorbereid, maar 't werd geraden geacht, het ijzer te smeden
terwijl het heet was. Van de zee werd sedert niet meer gesproken. Maar hart
voor den zeeman heeft hij altijd gehad. De stichting van het Zeemanshuis te
Rotterdam is mede aan zijn warme pleidooien voor den gullen, goedhartigen,
zorgeloozen, geldelijk en zedelijk vaak zoo jammerlijk geplukten pekbroek, aan
zijn krachtige werkzaamheid in 't belang dezer goede zaak te danken.
Zoo was dan de voet op de baan der wetenschap gezet. Aanvankelijk
beloofde 't nog niet veel. Hij was wel wat te vroeg op de latijnsche school
gekomen, de rechte studielust was nog niet in den levendigen knaap ontwaakt.
Zijn werk werd te haastig afgedaan en in zijn latijnsche thema's waren veel
meer fouten, dan wel noodig zou zijn geweest, omdat hij van de schoone taal
zijner geliefde Romeinen toch veel hield. Van zijn schrift zei zijn conrector,
Dr. Ekker, ‘dat het was, of een haan zijn pooten in de inkt had gedoopt en toen
over 't papier was gaan loopen’. Nu, calligrafie behoorde nooit tot Franckens
deugden. Hoe gaarne zagen wij het welbekende handje op 't adres van een' brief
of op een briefkaart! Maar 't ontcijferen kon wel eens hoofdbreken kosten.
Boeide de taalstudie hem voorloopig nog weinig, gevoel en smaak voor
de schoonheden van oude en nieuwe | | | | schrijvers en dichters en
liefde voor de geschiedenis waren reeds vroeg ontwikkeld. Rector Dornseiffen
was zijn man. ‘Die kon zoo prettig geschiedenis vertellen!’ De toonkunst, die
hij altijd heeft liefgehad, bezat destijds reeds zijn hart. Als knaap, toen hij
nog op de school van het departement der Maatschappij tot Nut van
't Algemeen - d.i. bij verkorting, de Nutsschool - was, ontving hij
pianoles van den student Jongeneel
1, een vriend des huizes, later, meer officieel, van den
muziekonderwijzer Van Boom, en zangles van den heer Küffrath. 't Was hem een
genot, met zijn zusters piano te spelen, zijn broeder bij den zang te
accompagneeren. Hoe gelukkig was hij later, als hij in eigen huiselijken kring
met zijn kinderen musiceerde. Met hoeveel weemoed herdacht hij zulke uren, toen
zijn oudste dochter hem ontvallen was! Uit meer dan één zijner geschriften
blijkt ook wel, wat minnaar en kenner der muziek hij was.
In 1839 werd hij student, natuurlijk aan de Utrechtsche hoogeschool.
Hij was 't, te gelijk met oude makkers der latijnsche school, even als hij
leden van 't gezelschap Utile dulci. De beide Vinke's,
Verhoeff,
Blaauw,
J.J. Van Toorenenbergen,
Doedes,
Rink,
Reinhard Hugenholtz,
Fockema,
Voorhoeve,
Van der Willigen,
Bruins,
B.C. Ledeboer,
Van Griethuijsen,
Van Oosterzee, allen met hem leden van het
dispuut Ben Sjalom, behoorden tot zijn tijdgenooten en
vrienden. Meer dan één hunner werd later zijn ambtgenoot te
Rotterdam, ook met | | | | anderen bleef
hij hartelijk bevriend, ook al liepen sedert levensweg en richting uiteen. In
dat verkeer werd allengs meer de studielust opgewekt. Van de professoren voelde
hij zich in 't bizonder door den hoogleeraar in de wijsbegeerte Schróder
aangetrokken. Hoe langer hoe meer ontwikkelde
Francken zich tot een bekwaam en
veelbelovend theoloog, bij zijn medestudenten gezien, door zijn leermeesters
geacht en toen hij in Augustus 1844 te
Arnhem zijn proponentsexamen had afgelegd,
kwam Steenmeijer zijn vader zeggen: ‘Uw Walraven is een flinke jongen. Hij
heeft een deugdelijk examen deugdelijk afgelegd. Gij kunt pleizier aan hem
beleven’.
Die profetie werd niet beschaamd. De waardige Ahasverus Francken heeft
pleizier - en meer dan dat! - beleefd aan zijn wakkeren zoon. Was 't hem een
teleurstelling, dat zijn oudste zoon de studie der letteren boven die der
godgeleerdheid verkoos - een teleurstelling trouwens door de roemrijke loopbaan
van dien degelijken geleerde verzacht -; hoe verblijdde 't hem, dat zijn tweede
't hem dierbaar ambt had gekozen, met wat heilig genot bevestigde hij den
jeugdigen Evangeliedienaar ‘op dien schoonen eersten Junidag van het jaar 1845’
in zijn gemeente aan
de Vuursche. Hij mocht hem nog eenige jaren
werkzaam zien in de aanzienlijke Rotterdamsche gemeente en getuige zijn van den
welverdienden roep, die van Walraven's rijke kennis en uitnemende gaven
uitging.
Een gelukkigen tijd heeft Francken in het stille, liefelijke dorpje
doorgebracht. Hij kwam er met zijn jonge vrouw, zijn nicht Alida Geertruida van
Rossem, en twee zonen, Ahasverus en Willem, werden hem er geboren. Hoe genoot
hij er den huwelijkszegen, het huiselijk geluk, de liefde zijner gemeente, de
heerlijk- | | | | heid der natuur, de vriendschap ook der bewoners van de
ridderhofstad Drakestein. Francken's gave van waardeering bij verschil van
geloofsbegrippen, waar hij geloof vond, kon niet dan versterkt worden door het
verkeer met deze nobele R.C. familie, met name met de voortreffelijke vrouwe
van Drakestein.
De poëzij van het leven van een dorpspredikant in zijn eerste gemeente
heeft
Francken aan de Vuursche ruimschoots en
dankbaar gesmaakt. 't Was daar ook een ideaal plekje om te beginnen. Maar op
den duur was het arbeidsveld er wat te klein
1. In het onrustige jaar 1848 vertrok hij
naar Waddingsveen, waar de werkkring veel ruimer was, al was de nieuwe
standplaats aan 't door hem zoozeer geliefde natuurschoon vrij wat armer. Lang
bleef hij er niet. De 27-jarige predikant, die in 1849 tegen Opzoomer's onlangs
uitgekomen voorlezingen Het wezen der deugd zijn Het wezen der deugd volgens het Evangelie had uitgegeven en wiens
kanselgaven naar verdienste de aandacht trokken, werd weldra beroepen te
Rotterdam, waar hij den 17den Februari 1850 zijn arbeid begon. In deze gemeente heeft hij
dien mogen voortzetten, totdat hij den 20sten Mei 1888 zijn
bediening neerlegde. Maar ook na 't ontvangen van het emeritaat bleef hij op
allerlei wijzen werkzaam in de stad, die hem lief was geworden en waaraan hij
hartelijk gehecht bleef, ook al bracht hij in Sept. 1892 zijn woonplaats over
naar de stad, die hij als zijn vaderstad beschouwde. Ook in
Utrecht verliet de oude werkkracht en werklust
hem niet, en toen, naar zijn wensch, zijn | | | | stoffelijk overschot te
Rotterdam ten grave was gebracht, herdacht Prof. Valeton den ontslapene in
hetgeen hij ook geweest was in de stad, waar hij de laatste maanden van zijn
bezige rust had doorgebracht.
Te
Rotterdam heeft Francken veel gewerkt, veel
genoten, veel geleden ook. In zijn huis wisselden lief en leed elkander af.
Verloor hij er in 1852 zijn tweede zoontje Willem, hij werd er door de geboorte
van een drietal kinderen, - Adriana Maria, Willem en Catharina Geertruida, -
verblijd. In 1859 moest hij zijn trouwe echtgenoote missen. Een tweede, hoogst
gelukkig huwelijk, met Mej. M.G.A.E. Wijnaendts in Oct. 1862 gesloten, was hem
maar korten tijd tot zegen en troost. Een zoon, Cornelis Johan, werd hun
geschonken, maar de moeder bezweek reeds in Januari 1864. En in Maart 1879 trof
hem een zware slag door den dood zijner innig geliefde oudste dochter, die met
Mr. W.J. Lasonder was gehuwd. Het moederlooze kind, uit dien echt gesproten,
werd door hem opgevoed. Wie in Francken's huis verkeerde, weten wel, hoe zijn
hart aan dit kleinkind hing. En wie in eigen droefheid Francken tot zich zagen
komen, die weten wel, hoe hij wist te troosten met den troost, waarmede hij
zelf getroost was.
Spreek ik van wat
Francken te Rotterdam heeft genoten en
geleden, dan denk ik ook aan wat zijn arbeid in zijn gemeente en daar buiten
hem er heeft bereid. Veel goeds heeft hij er gevonden. Rotterdam was in menig
opzicht een begeerlijke standplaats. Er was leven en kracht in de burgerij. Er
was veel te doen, maar er kon ook veel gedaan worden. Een predikant vond er
waardeering en steun in een kring van trouwe gemeenteleden en kloeke
medearbeiders tot allerlei goed werk. Het kerkelijk leven was er, als 't
maatschappelijke, op- | | | | gewekt, het verkeer met ambtgenooten, ook
van andere gezindten, vriendschappelijk. Misschien was 't de gelukkigste tijd
in zijn ambtsbediening, toen hij, van 1853 tot 1858, met zijn Hervormde
collega's
Blaauw en
Modderman, den Remonstrantschen predikant
Van der Pot en den Doopsgezinden leeraar
Hoekstra, het tijdschrift
Licht - Liefde - Leven redigeerde
1. Dat
was een kolfje naar Francken's hand, samenwerking in het hoogste en heiligste,
dat hij kende, met begaafde, ernstige mannen, van onderscheiden kerkgenootschap
en van verschillende geestesrichting! Goede dagen waren 't, waarvan hij later
met innige dankbaarheid en niet zonder weemoed sprak. Blaauw en Modderman
volgden een beroeping naar de gemeente in de hoofdstad,
Hoekstra vertrok derwaarts als hoogleerlaar
aan de kweekschool der Doopsgezinden. Van der Pot bleef te Rotterdam. Met hem
bleef Francken nauw verbonden en zijn levensbericht schreef
hij voor onze Maatschappij, toen deze waardige Evangeliedienaar, deze
uitnemende stylist, deze verdienstelijke dichter in 1891 aan zijn gezin en aan
zijn vele vrienden was ontnomen.
Die toon van dankbaarheid en weemoed klinkt ook in wat hij in dat
levensbericht van die dagen en van de overige medewerkers van het tijdschrift
zegt.
De richtingen op godgeleerd, en daardoor ook op godsdienstig en
kerkelijk gebied, gingen allengs meer uit elkander, stonden telkens scherper
tegen elkander over. De moderne theologie brak baan. De reactie bleef niet uit.
Francken, altijd bereid te erkennen, wat
voor hem waarheid was, te bestrijden wat hem dwaling, overdrijving,
eenzijdigheid, exclusivisme dacht, ging noch met | | | | de linker- noch
met de rechterzijde mede. Nu eens aangetrokken, dan weêr afgestooten door wat
hij van beide zag en hoorde, met sympathie voor ieder eerlijk streven en voor
ieder eerlijk strijder
1, met
onverholen antipathie tegen ieder drijver en ieder marktschreeuwer, handhaafde
en verdedigde hij met telkens grooter beslistheid de beginselen der richting,
die soms als de Middenpartij werd aangeduid - maar van ‘een
partij’ wilde hij niets weten, - die, ik weet niet door wien het eerst, de
Evangelische werd genoemd. Hij was een der oprichters en
redacteuren van het tijdschrift
Geloof en Vrijheid. Of die naam van
hem afkomstig is, is mij onbekend. Zeker is 't, dat deze woorden wel zijn leuze
mochten heeten. Hij heeft in de 27 jaargangen, die hij zag verschijnen, ook nog
in den 28sten, waarvan de afleveringen eerst na zijn
heengaan in het licht kwamen, menig degelijk stuk geleverd, getuige van zijn
veelomvattende wetenschap, zijn groote scherpzinnigheid, zijn vast geloof, zijn
milden geest, zijn onafhankelijke kritiek. Trouw nam hij deel aan de
samenkomsten, schreef hij in de periodieke uitgaven zijner geestverwanten, maar
was er iets gezegd of geschreven, dat hem hinderde om bitsen toon of ruwen
trant, dan spaarde hij de roede der kastijding niet.
Kwam er tengevolge van dien strijd van overtuigingen en richtingen
vervreemding tusschen vroegere vrienden, botsing met voormalige geestverwanten,
't moest een man als
Francken geweldig hinderen en diep
bedroeven, niet het minst wanneer hij zich veroordeeld zag door mannen, van wie
hij zich overtuigd hield, dat | | | | zij toch werkelijk op hetzelfde
standpunt stonden als hij. En werd er in later jaren wel eens gesproken, alsof
er vóór dien tijd niets in de gemeente gedaan was en nu eerst de hand aan het
werk was geslagen, dan kon hij toornen - ik geloof niet met onheiligen toorn.
Dat was de eer te na van zoo menig ambtsbroeder, dien hij zoo goed gekend en
zoo hoog gewaardeerd had in diens trouwen, zij 't dan ook niet geruchtmakenden
arbeid, daartegen mocht hij protesteeren in het fiere bewustzijn, dat hij
waarlijk zijn gemeente niet had verwaarloosd.
In de eerste jaren van mijn verblijf te Rotterdam - ik kwam er in 1862
- was er nog veel samenwerking van predikanten van verschillende richting en
kerkgenootschap. Er werden toen bijbellezingen gehouden, waarbij ieder op zijn
beurt voorging, en er waren theologische gezelschappen, waarin Gommer en
Armijn, Luther en Menno samengingen. Maar allengs werd de kring kleiner door
overlijden, vertrek en ziekten, en Francken begon zich allengs eenzamer te
gevoelen. Maar in de laatste jaren mocht hij zich hartelijk verblijden in de
sympathie van jongere ambtgenooten, die, hoewel niet van zijn richting, hem
hoogschatten om zijn persoon en werk, gelijk de woorden bij zijn graf gesproken
en elders aan zijn nagedachtenis gewijd, er van getuigden.
In hoever het waar is, wat
De Nieuwe Sprokkelaar van 19 Jan. 1894
verklaarde: ‘dat zijn geestverwanten hem in de kerk zoo weinig waardeerden,
daar zij maar al te vaak hun plaatsen onbezet lieten, wanneer hij voor de
gemeente optrad en hij in de laatste jaren van zijnen dienst meer waardeering
vond bij vele rechtzinnigen, dan bij de evangelischen’, kan ik niet
beoordeelen. - In 1884 verliet ik Rotterdam. - Als 't zoo geweest is,
| | | | dan heeft het eerste hem zeker bedroefd, het laatste hem
verblijd. Ik meen, dat Francken altijd een goed ‘gehoor’ heeft gehad en
behouden. Ik weet, dat velen zijner geestverwanten hem trouw hebben gevolgd en
zijn prediking om inhoud en vorm zeer hoog stelden. Waren er ook buiten dien
niet zeer grooten en misschien steeds kleiner wordenden kring anderen, ‘velen’
zelfs, die zich tot zijn Evangelieverkondiging getrokken gevoelden, wie zou 't
met grooter vreugde begroet hebben dan hij, die zoozeer allen geest van
uitsluiting haatte en vreesde! Dat de kansel van zijn eerste gemeente voor hem
gesloten bleef, dat hij nooit werd uitgenoodigd, een predikbeurt in zijn
vaderstad te vervullen, behoorde onder de dingen, waarover hij zich, minder om
zijn persoon dan om de zaak, niet gemakkelijk heenzette.
Het jaar 1864 was voor
Francken een rampjaar. Was in den winter
zijn hartelijk geliefde tweede echtgenoote na langdurig lijden bezweken, in de
Julimaand kwam de groote scheuring in het Nederlandsche
Zendeling-genootschap. De zending had sinds lang zijn sympathie
1, het Nederlandsche Zendelinggenootschap in 't bizonder
was hem lief en geruimen tijd had hij reeds tot het Hoofdbestuur behoord. Nog
diep gebogen onder zijn leed, werd hij geroepen om deel te nemen aan de
onaangename vergaderingen, die aan de beslissende Jaarvergadering voorafgingen.
- Wat op de Jaarvergadering geschiedde, | | | | was slechts de
uitbarsting van wat reeds lang was voorbereid. - Bijzondere omstandigheden
maakten voor hem deze droevige zaak nog dubbel pijnlijk.
De geschiedenis dier scheuring behoort hier niet te huis.
Van Oosterzee raakte haar even aan in zijn
levensbericht van
M. Cohen Stuart
1. Zooals het gaat in alle menschelijke
dingen, ook in deze beginselvraag waren persoonlijke questiën, sympathieën en
antipathieën gemengd, - hoe zou het anders mogelijk zijn in een strijd, door
menschen gevoerd! Maar de strijd zelf kon niet uitblijven, al laat zich denken,
dat die door een andere aanleiding zou zijn ontbrand
2. Mocht een herinnering er aan in een levensbericht van Cohen
Stuart niet worden gemist, veel minder nog zou die mogen ontbreken in dat van
Francken, wiens kracht en liefde door de
gebeurtenis van 1864 in zoo hooge mate voor het zendingswerk, met name voor dat
van het N.Z.G., werd gevorderd en daaraan met zooveel toewijding werd
geschonken. Wat hij al den tijd zijner Evangeliebediening, maar vooral na '64,
gedurende vele jaren ook als voorzitter van het Hoofdbestuur, trouw aan zijn
leuze: Geloof en Vrijheid, in vaak zeer donkere dagen, voor
het genootschap en voor de zending is geweest, mocht dan ook aan zijn graf door
den ondervoorzitter Dr. A. Drost en in het Maandbericht voor Februari '94 door
den Director
J.C. Neurdenburg met diepen weemoed en
innige dankbaarheid worden herdacht.
Dat Francken bovendien in allerlei vereenigingen ten algemeenen nutte
krachtig heeft medegewerkt, is zeker | | | | nog niet vergeten in de
stad, waar hij ruim 40 jaren in den vollen zin des woords heeft geleefd.
Mag het tijdperk, toen hij mederedacteur van
Licht - Liefde - Leven was, een der
gelukkigste perioden uit zijn leven worden genoemd, een andere opgewekte tijd
viel tusschen de jaren 1871 en 1875.
Den zomer bracht hij gaarne op reis of in een schoone streek in het
buitenland door. Onder zijn geschriften bekleeden ook reisherinneringen een
plaats. Hij vond voor zijn liefde voor natuur, kunst en geschiedenis
bevrediging en menig aangename ontmoeting had hij met belangrijke personen,
beroemd of onbekend bij de wereld
1. Zoo had hij in den zomer van 1871 van een verblijf
in Nassau gebruik gemaakt tot een bezoek aan het classieke Dillenburg, de
plaats waar Prins Willem in 1533 was geboren en onder het oog zijner
voortreffelijke moeder tot 1544 had gewoond, waar hij in de moeielijke jaren
1567 tot 1572 een tijdelijke verblijfplaats had gevonden en van waar hij was
uitgegaan tot redding van zijn volk. Krachtig voelde
Francken, wiens hart zoo warm voor zijn
vaderland klopte en die zoo hoog ‘den vader des vaderlands’ vereerde, zich
aangegrepen toen hij ronddoolde tusschen de puinhoopen van den burcht, waaraan
zooveel herinneringen waren verbonden. ‘Ware mij de gave des lieds gegeven,
zeker een mijner beste liederen zou bij mij zijn opgeweld, terwijl ik neerzat
tusschen de bouwvallen van Dillenburg's slot’, zoo verhaalt hij
2. - ‘Mijn gemoed schoot vol bij de beschouwing
| | | | dezer natuur op deze plek, van waar vóór driehonderd jaren voor
mijn vaderland zooveel goeds was uitgegaan.’ Met belangstelling had hij kennis
genomen van het plan eener commissie, aan wier hoofd professor August Spiess
stond, om daar een gedenktoren te stichten, den grooten Zwijger ter eere, als
een werk ‘van dankbare piëteit jegens den man, die voor staatkundige en
godsdienstige vrijheid meer dan iemand geleden en gestreden heeft, en aan wiens
karaktervastheid en staatsmanswijsheid de nieuwere tijd zooveel verschuldigd
is’, zooals het in een warm en degelijk geschreven woord van den Duitschen
geleerde luidt. Aanvankelijk had dit voornemen, in 1866 opgevat, in het
volgende jaar, na den oorlog en het Pruisisch-worden van Nassau met nieuwe
opgewektheid ter hand genomen, in Duitschland weerklank gevonden. Ook de keizer
had zijn steun reeds toegezegd, prinses Marianne haar bijdrage geschonken. Maar
het Nederlandsche volk mocht niet achterblijven! Niet zonder zijn medewerking
mocht het gedenkteeken verrijzen! Met zijn vriend
E.H. Lasonder, destijds predikant te
Leeuwarden, later hoogleeraar te
Utrecht, en eenige andere wakkere mannen
1, richtte
Francken zich tot zijn landgenooten. 't Was
niet vergeefs. Prins Frederik, de prins en prinses von Wied gingen voor. Den
29sten Juni 1872 - juist driehonderd jaar na den dag,
waarop prins Willem voor altijd den burcht zijner vaderen verliet - werd de
eerste steen van den toren gelegd, en Francken hield bij die gelegenheid een
treffend schoone rede in de Hoogduitsche taal. Ook drie jaar later, 29 Juni
1875, sprak hij welsprekende woor- | | | | den bij de inwijding van het
bouwwerk, dat sedert op den slotberg te midden der ruïnen slank en fier oprijst
als een teeken van dankbaren eerbied, door Duitschland en Nederland aan Willem
van Oranje gewijd
1.
Terstond na de inwijding hechtte prins Albrecht van Pruisen, uit naam
des keizers, het ridderkruis van de Pruisische Kroonorde op zijn borst. Bij het
blauwe lint dier buitenlandsche orde bleef het. Een Nederlandsche orde viel hem
nooit ten deel. Wèl mogen wij er billijk trotsch op zijn, te behooren tot een
volk, aan verdienstelijke mannen zóó schatrijk, dat een man als
Francken voor een dergelijke onderscheiding
niet in aanmerking kon komen, omdat zoovelen 't natuurlijk boven hem waardig
waren.
‘Menigeen heeft het, en niet zonder reden, een zekere miskenning
geacht, dat hij telkens bij de benoeming van een hoogleeraar gepasseerd werd’,
schrijft het Christelijk Weekblad
De N. Sprokkelaar van Vrijdag 19 Jan.
'94. Zeker was hij die eer, naar het oordeel zijner vrienden, en niet zijner
vrienden alleen, ten volle waard geweest. In hoever hij werd voorbijgegaan bij
een hoogleeraarsbenoeming aan een onzer Universiteiten is moeilijk te
beslissen, en of Francken destijds door dezen of genen om bizondere redenen is
tegengewerkt, staat aan mij niet te beoordeelen. 't Is echter geen
onbescheidenheid te herinneren, hetgeen algemeen bekend kan zijn, dat bij de
voordracht voor Kerkelijk hoogleeraar in 1878 Francken niet werd vergeten of
voorbijgegaan, | | | | maar dat hij ‘de grens, die de commissie van
voordracht zich, wat den leeftijd van de voor te dragen personen betreft, had
gemeend te moeten stellen’, reeds had overschreden’
1. Ook bij latere vacatures kon hij
daarvoor dus natuurlijk niet in aanmerking komen. Was 't hem een
teleurstelling? 't Is geenszins onmogelijk. Voor zoover mij bekend is, heeft
hij 't in 't openbaar niet laten blijken en zeker heeft hij zich van harte
verblijd om de wille zijner vrienden Gooszen en Lasonder, wien destijds die
eere te beurt viel.
Wel verdiend, van harte gegund en hoog door Francken gewaardeerd, was
de eer, hem bewezen toen de Senaat der Utrechtsche Hoogeschool, bij gelegenheid
van het 250-jarig bestaan dier Academie, hem het Doctoraat in de theologie
honoris causa verleende. Ook namens de veertien andere in de verschillende
Faculteiten gedoctoreerden, sprak hij den 22sten Juni 1886
2 bij de plechtige
promotie een kloek en krachtig woord van dank voor de hooge onderscheiding, een warm en
waardig getuigenis omtrent de eischen en de grenzen der wetenschap, een
welgemeende en door hem althans niet geschonden belofte om haar te blijven
eeren en beoefenen. Helaas, één hunner, in wier naam die dank en die belofte
was uitgesproken, had wèl zijn erkentelijkheid voor de hooggeschatte
onderscheiding kunnen toonen door de uitgave van een voortreffelijk geschrift:
Thorwald Kodranssons Sage en de opdracht daarvan aan de
Utrechtsche Universiteit, maar zijn belofte te houden was hem niet vergund. Dr.
E.H. Lasonder, Francken's trouwe vriend,
| | | | kon de promotie niet bijwonen. Juist op dien dag nam de ziekte,
die hem aan zijn legerstede bond, een hoogst ernstig karakter aan en den 18den Aug. overleed hij.
Aan
Francken was 't vergund, nog eenige jaren te
arbeiden met onverzwakte kracht en zijn studie over de getuigenis
van Jezus omtrent God, aan den Senaat, die hem doctoreerde, opgedragen,
bewijst, dat het hem ernst was met zijn woord: ‘het adelmerk der wetenschap
verplicht tot daden.’
Den uitnemenden steller van meer dan één doorwrochte historische
bijdrage had het Provinciaal Utrechtsch Genootschap voor Kunsten
en Wetenschappen in 1878 gehuldigd door hem tot zijn medelid te kiezen.
Ook zijn laatste bijdrage in Geloof en Vrijheid over Boëthius
bewijst, hoe rijk zijn kennis, hoe degelijk en grondig zijn onderzoek was bij
het behandelen van een geschiedkundig onderwerp.
Mijn taak spoedt ten einde. Mocht de poging om het beeld van Walraven
Francken te schetsen, niet ten eenemale zijn mislukt. Zijn beteekenis voor de
theologische wetenschap, die hij diende, voor de kerk, waartoe hij behoorde,
voor de zending, die hij liefhad, kon hier maar in 't voorbijgaan worden
aangeduid.
Een lofrede is niet bedoeld, wel een woord van dankbare waardeering,
van vriendelijke herinnering. Wie hem gekend hebben, zullen hem niet vergeten.
Zullen ook latere geslachten nog wel eens ter hand nemen, wat hij schreef?
‘De dooden rijden snel!’
Ik hoop, dat de ernstige, kloeke stem van Francken nog spreken zal,
nadat hij gestorven is. Hij heeft dingen gezegd, te midden van velerlei
strijdrumoer | | | | misschien niet gehoord, als woorden van wijsheid en
bezadigdheid te weinig opgemerkt, waar uiterste richtingen en partijen in dagen
van spanning en gisting het luidst plegen te roepen en het meest de aandacht
trekken. Maar in rustiger tijden, als de storm niet buldert en het zand niet in
de oogen waait, dan luisteren er nog wel naar wat een wakker en waardig
strijder voor waarheid en recht als
Francken heeft geschreven, om te getuigen
voor geloof en vrijheid beide, om ‘te
bevorderen eene christelijke opvatting en waardeering van de kunst en de
geschiedenis’. En dan spreken er wel: ‘dat is fijn gevoeld, juist gedacht, goed
gezien, schoon gezegd.’
J. Craandijk.
|
1Zij zijn verzameld in een voor betrekkingen en
vrienden gedrukt bundeltje: In Memoriam, met een uitstekend
gelijkend portret.
1Door zijn vriend Prof. Gooszen in het
tijdschrift Geloof en Vrijheid.
1Opgenomen in zijn bundel: Uit de
Verstrooiing saamgelezen.
1Ten onrechte noemde de uitstekende schets van
zijn leven in de N.R.C. den elfden als zijn geboortedag. 't Zou niet noodig
zijn, hier die vergissing te vermelden, wanneer niet andere bladen haar hadden
overgenomen.
1In een zijner allerlaatste geschriften, einde
Nov. '93 nog geen twee maanden voor zijn dood geschreven, geplaatst in het
Jaarboekje ten dienste der N.H. Gem. te Rotterdam, deelt hij
iets van die reis mede. 't Is geheel Francken, sprekende over de Trias:
geschiedenis, kunst, godsdienst gelijk hij er over gesproken had in zijn
Christus remunerator in 1855.
1Rotterd. Kerkbode 3 Febr.
'94.
2N. Rotterd. Ct. 20 Jan. '94,
1e blad.
3In 't Utrechtsch provinciaal en
stedelijk dagblad 18 Jan. '94.
4In de Nederlander van 27
Jan. '94.
1In zijn uitmuntend artikel in de
Rotterdamsche Kerkbode, 3 Febr. '94.
1In de Kroniek van de Stemmen voor
Waarheid en Vrede. Febr. 1894.
1O.a. van die in de zoogenaamde ‘groene
preeken’ (Arnhem, bij Van der Wiel) zijn opgenomen.
1In De moeder van P.P. Rubens
spreekt hij zoo van de brieven van diens vader.
1Door zijn zoon Walraven in 1858 bij Kemink en
Zoon te Utrecht uitgegeven, onder den zeer bescheiden titel: Gedichtjes van Ahasverus Francken.
1Ook deze wijdt een hartelijk woord aan zijn
nagedachtenis in de Rott. Kerkbode, waarin hij o.a. Franckens
oude liefde voor de zee en diens onverflauwde belangstelling in den zeeman
vermeldt.
1Deze werd later predikant te Edam. Met zijn
vrouw overleed hij aan typhus. Francken, toen student, had er een nicht heen
gebracht, die er de kranken zou bijstaan. Hij werd ook door die ziekte
aangetast en eerst na lange en bange dobbering tusschen hoop en vrees
behouden.
1Oosterzee trad ook wel eens voor hem in de
Vuursche op. In zijn levensbericht van zijn lateren Rotterdamschen ambtgenoot
herdenkt Francken nog, hoe daar zijn nederige dorpskapel dreigde te barsten
door de schare en door de preek.
1't Kwam van 1854-59 in het licht.
1Van waardeering ook bij verschil van standpunt
getuigt o.a. zijn levensbericht van Dr. J.J. van Oosterzee. 1883.
1Nog herinner ik mij een ingezonden stuk in de
N.R.C., dat ik later niet terug heb kunnen vinden, waarin
Francken met hooge ingenomenheid de
verschijning van den
Max Havelaar begroet, maar het
betreurt, dat de geniale schrijver door zijn belachelijke caricatuur van den
zendingsvriend de hand afwijst van hen, die met hem het heil van Indië bedoelen
en tevens de vraag doet oprijzen, of al zijn typen, die wij hier niet
beoordeelen kunnen, even onwaar zijn als de ‘voorganger in den bidstond’, dien
hij fantaseerde.
11879, bl. 118. Ook V. Koetsveld deed het even
in het levensb. van Moll 1893.
2Dr. E.F. Kruyff Hoogl. te Groningen, heeft in
zijn Gesch. van het N.Z.G. ‘het fatale jaar 1864’
behandeld.
1In een ziekte, die hem te Rome overviel, werd
hij behandeld door onzen vermaarden voormaligen landgenoot, den professor en
Senator Moleschott.
2Dillenburg. Eene uitgewerkte
reisherinnering.
1Mr. J.W. Lasonder, Dr. Jonckbloet, de gep.
generaals W.J. Knoop en Jhr. de Pesters en Jhr. J.F. Storm van 's
Gravesande.
1Zijne onderzoekingen betreffende Dillenburg
gaven aanleiding tot de schoone studie over De moeder van P.P.
Rubens (Rotterdam bij Storm Lotz 1887).
1Prof. Offerhaus in Geloof en
Vrijheid. 1894. 1ste afl.
2De schrijf- of drukfout 1888, in prof.
Offerhaus' bijdrage in Geloof en Vrijheid 1894 bl. 110 worde
hier verbeterd, om later misverstand te voorkomen.
|
|