|
|
|
| | | | | |
Levensbericht van
Jan Knappert.
Niemand van de vele vrienden van Knappert zal het wraken, als men hem
kenmerkend noemt een modern theoloog. Hij had de theologie lief, beoefende haar
met een nimmer vermoeide of aarzelende toewijding, geloofde in haar, en stond
tevens op een standpunt, volkomen vrij tegenover elke kerkleer, modern, om den
leelijken naam te gebruiken, dien men ons opgedrongen heeft, ofschoon hij niet
uitdrukt wat wij zijn. Nu dan, Knappert was in merg en been theoloog en in merg
en been modern.
Merkwaardig! dit is niet op den voorgrond gesteld door de velen die in
woord of schrift, naast de groeve, geopend om zijn sterfelijk omhulsel te
ontvangen, in bladen en periodieken, zich gedrongen gevoelden zijner te
gedenken. Zij allen toch wilden hem naar waarheid kenschetsen, en niemand
vestigde in de eerste plaats de aandacht op de wetenschappelijke zijde van den
betreurde.
Het deed mij weldadig aan, want daarin lag geen miskenning van
Knappert's waarde als geleerde, maar de erkenning van zijne nog hoogere waarde
als mensch. Een soortgelijk verschijnsel had plaats toen ons ontviel onze
eenige
Kuenen, die schitterende ster aan den
| | | | theologischen hemel. Eene schooner hulde had hem niet gebracht
kunnen worden, dan, als door een instinctmatige overeenkomst, het verlies door
de wetenschap geleden in de schaduw te laten en het volle licht te werpen op de
schoonheid van het karakter van hem wiens heengaan ons, om deze uitnemendheid,
met weemoed vervuld had.
Hoe verdienstelijk ook, kan
Knappert als theoloog niet met Kuenen
vergeleken worden; hij zelf zou zulk een gedachte verre van zich geworpen
hebben; maar als mensch wel. Roerend is het eenstemmig getuigenis daaraan
gegeven, niet het minst dat van de studenten. Hoezeer werden wij getroffen door
de woorden welke een van hen bij het graf sprak! En dit leest men in den
Amsterdamschen Studenten-almanak:
‘Eene reine ziel, een scherp verstand, een liefdevol hart had hij, die
van ons is gegaan. Zijn scherp verstand, het was ons nut, veel kennis zijn wij
hem verschuldigd; maar kennis alleen is zoo koud. Daarom zijn wij zoo dankbaar,
dat hij ook had een liefdevol hart, warm voor menschen en warm voor beginselen,
warm bovenal voor de Bron der beginselen. Zijnen leerlingen was hij als een
vader en als een trouwe vriend, vergevend doch oprecht. Zijne lijfspreuk, als
hij niet te vroom ware geweest om een andere te hebben dan God
alleen, zou geweest zijn tout comprendre c'est tout
pardonner.
Maar bovenal was hij rein, alle onreinheid moest verdwijnen voor zijn
aangezicht, zij kon niet bestaan waar Knappert was.’
Goed gezien, jongelui! Hij was rein, als weinigen, in 't groot en in
't klein. In de meesten onzer zit een greintje Rabelaisianisme; maar bij hem
geen spoor daar- | | | | van; in onzen kring heeft men zich wel eens
bezondigd aan een minder deftige ‘aardigheid’; daaraan deed hij nooit mede; was
het wat plat, dan schudde hij afkeurend het hoofd, terwijl toch om zijn lippen
een moederlijk half glimlachje speelde, dat zooveel zeide als: ‘Kinderen,
kinderen.’ - Helaas! wij waren ondeugend genoeg om dit af en toe opzettelijk
uit te lokken. Hij was zoo goed; maakte zich nooit boos. Verontwaardigd heb ik
hem gezien, nooit toornig.
Hij was rein, zeggen de studenten te recht; rein in zijn bedoelingen,
rein in zijn wenschen, rein in zijn genoegens, en daarom zoo betrouwbaar, als
de beste, zoover mijne ervaring reikt. Men wist altijd wat men aan hem had. Een
goed mensch was hij, in den hoogen zin van het woord; en dit kwam niet van
onbekendheid met het kwaad, maar van afkeer van de zonde. Deze heeft hij gekend
en gepeild in sommige van hare laagste vormen, en dit deed in hem ontsteken als
een heilig vuur de behoefte haar te bestrijden. Hierin wortelde zijn gevoel van
roeping tot het predikambt, in vroege jaren reeds met kracht ontwaakt; hier was
de bron van den onuitputtelijken ijver waarmede hij, waar het hem eenigszins
mogelijk was, deelnam aan alle ondernemingen welke de bestrijding der zonde
konden bevorderen. Alles noemen kan ik niet; maar ik mag niet zwijgen van zijne
voorbeeldige toewijding aan de ‘Vereeniging tot steun van verwaarloosden en
gevallenen.’ Hoeveel reizen heeft hij niet naar
Breukelen gemaakt, niettegenstaande zijne
overstelpende bezigheden, toen ons Asyl ‘Vechtzicht’ daar gevestigd was; en
nadat het verplaatst was naar het gezonder, maar verder afgelegen ‘Veldzicht’
te
Apeldoorn, liet hij zich evenmin onbetuigd.
Vraag der wakkere directrice wat zij aan hem | | | | gehad heeft, hoeveel
steun en aanmoediging, hoeveel goeden raad; vraag ook onzen secretaris hoe hij
rusteloos bijgestaan is in het, vaak zoo moeilijk en teer, altoos zoo
tijdroovend, onderzoek naar de aangebrachte gevallen.
Waar een zoo groote afkeer van de zonde, zulk een drang om haar te
bestrijden op den bodem van de ziel leeft, zou men licht, de gewone
menschelijke onvolmaaktheid in aanmerking nemende, eenige hardheid verwachten,
iets Calvijnachtigs.
Prof. Muller schreef in het blad
Minerva: ‘Men gevoelde het op dat
oogenblik, dat er een man ten grave daalde: integer vitae scelerisque purus.’
Moet deze reine dan, zoo ontzaglijk veel vuils om zich heen ziende, niet een
vies gevoel hebben gehad ten aanzien van menigeen zijner medemenschen? moet hij
niet eenige puriteinsche hooghartigheid vertoond hebben? Wel, indien de duivel
in elk van ons zijn deel moet vinden, dan heeft hij zich, wat dit aangaat, bij
Knappert met bijzonder weinig moeten tevreden stellen, met iets inderdaad zeer
onschuldigs, al hebben wij hem vaak er mede geplaagd.
Knappert namelijk voelde een soort van
schuwheid van populair gezelschap; ja, het had bepaald iets, een weinigje, een
klein weinigje, van een vies gevoel, zeker niet tegen de menschen zelven, maar
stellig tegen hun manieren; op onze zomersche uitstapjes was het altoos een
offer door hem aan de vriendschap gebracht, dat hij er in toestemde, waar niet
gewandeld maar gespoord moest worden, van de derde klasse gebruik te maken.
Maar dat offer werd op de beminnelijkste wijze volvoerd, opgeruimd, gezellig,
zonder eenigen zweem van humeurigheid of iets dat voor onze toevallige
medereizigers onaangenaam kon zijn. Wie heeft dan ooit Knappert eén kwetsend
woord hooren uiten? Dit juist was zoo beminnelijk merkwaardig in | | | |
het karakter van onzen zoo reinen en tevens tot deftigheid geneigden vriend,
dat hij de zachtmoedigheid zelve was, nooit hard voor den zondaar, hoe gestreng
ook voor de zonde, altijd waardeerend tot de uiterste grens, in dit opzicht de
volmaakte evenknie van Kuenen.
Deze moderne theoloog was liberaal! Helaas! dit spreekt volstrekt niet
vanzelf. Het spijt mij genoeg dat de uitdrukking ‘odium theologicum’ een niet
weg te redeneeren recht van bestaan bezit; en bovenmate grievend vind ik, ook
modern theoloog, het feit, dat modern zijn niet noodzakelijk beteekent, zooals
het moest, van alle onverdraagzaamheid genezen te zijn. Dit beteekende het wel
voor
Knappert. Een wolk van getuigen bevestigen
het. Ik kan hier niet beter doen dan prof. Muller naschrijven.
‘De woorden bij zijn graf gesproken hebben een ondubbelzinnig
getuigenis gegeven van wat in Knappert verloren werd. Men gevoelde het op dat
oogenblik, dat er een man ten grave daalde: integer vitae scelerisque purus. In
een tijd, waarin men er aan gewoon is geraakt, dat de partijen steeds scherper
positie innemen tegenover elkander, deed het weldadig aan een man als Knappert
te ontmoeten, die wist wat hij wilde, maar daarbij mild was in zijn oordeel
over anderen. Indien men onder een geprononceerd karakter meent te moeten
verstaan: strakke eenzijdigheid die blind is voor hetgeen de tegenstander goed
hebben mocht - dan had Knappert geen geprononceerd karakter.
Maar verstaat men onder karakter: dat men zelf beslist weet, wat men wil, doch
daarbij tevens andersdenkenden kan waardeeren - ja, dan had Knappert karakter
in den edelsten zin des woords. Het is waar, zulke karakters heerschen en
beheerschen niet, stichten geene | | | | school, vormen geene partij;
doch het is de vraag of dit negatieve niet verre opweegt tegen het positieve
dat men in alle partijleiders aantreft, of op den duur de eersten nog niet
grooter en zeker veelzijdiger invloed uitoefenen op allen, die met hen in
aanraking komen. ‘L'âme la plus vulgaire peut aimer le pouvoir; une âme élevée
et qui sent sa force préférera l'influence, qui est le pouvoir de l'âme’ - zegt
Vinet. Knappert's invloed op die hem omringden had zijn grond - niet in zijne
woorden alleen - maar in zijne geheele persoonlijkheid. Hij bleef zich steeds
gelijk; streng voor zich zelven, mild voor anderen. Met welke bezwaren men tot
hem kwam, altijd verliet men hem door zijn woord opgewekt en bemoedigd. Hij kon
geen kwaad gerucht hooren, van wien ook, of terstond was hij gereed iets goeds
daartegenover te stellen. Er zijn er niet velen in onze dagen, die zich in deze
beminnelijkheid oefenen, en er zijn weinigen, die het zelfs zouden willen
beproeven: meenende daardoor gevaar te loopen macht en invloed bij
partijgenooten te verliezen. Juist hierom missen wij Knappert zoozeer, daar het
onbevangen en waardeerend oordeelen thans zoo schaars gevonden wordt op de
markt des kerkelijken, maatschappelijken en wetenschappelijken levens. Uit
Knappert's mond bevreemdde den ambtgenoot het woord niet: ‘Ik dank God, dat er
nog orthodoxie is, want dáár is het kleinood der religie nog bewaard gebleven’.
Wat hij volgens zijn religieus beginsel niet goedkeuren kon, trachtte hij toch
te begrijpen en zooveel mogelijk te waardeeren. Vandaar de door niets ooit
verstoorde uitnemende verhouding met zijn' andersdenkenden ambtgenoot, en met
de voor het meerendeel van hem in richting verschillende studenten, die bij
monde van een | | | | hunner aan zijn graf verklaarden (en wij konden het
zeer goed begrijpen): ‘dat het hun vaak pijn deed, van hem in opvatting te
moeten verschillen’.’
Eéne opmerking moet ik mij hier veroorloven. Moet men minstens twee
zijn om te kunnen strijden, dit getal is ook noodig om een vrienschappelijken
omgang tot stand te kunnen brengen. Ik bedoel dit, dat de ‘uitnemende
verhouding’ van Knappert ‘met zijn' andersdenkenden ambtbenoot’ dezen evenzeer
vereert als onzen ontslapen vriend. Ik ben hier de tolk van velen, wanneer ik
Dr.
P.J. Muller dank zeg voor hetgeen hij voor
zijnen collega Knappert geweest is.
Veel heb ik niet te verhalen van Knappert's leven. Het grootste
gedeelte daarvan was achter den rug toen ik, twintig jaren geleden, het
voorrecht had met hem kennis te maken, om straks het grooter voorrecht te mogen
genieten mede aan zijne niet genoeg te waardeeren vriendschap deel te
verkrijgen. Het weinige dat mij uit zijne vroegere jaren bekend is werd mij
welwillend door verwanten en oudere vrienden medegedeeld. Trouwens, dit zoo
nuttig leven, van de eerste jeugd af arbeidzaam, was niet rijk aan uitwendige
gebeurtenissen. Zijn ware geschiedenis, die van zijne ziel, is niet te
vertellen, hoe belangwekkend zij ook zeker ware, indien de bijzonderheden
daarvan konden worden nagegaan. Mijne gegevens zijn te schraal, en ik zal zeer
beknopt moeten zijn.
Jan Knappert, het vijfde kind van Dr. Knappert te
Schiedam, werd in die stad geboren den 11den Februari 1836. Hij had vier broeders en drie zusters. Het
was een gelukkig gezin, waar eendracht, ernst en goede luim heerschten, totdat
het getroffen werd door een | | | | zware ramp, den vroegen dood van zijn
hoofd, en de moeder belast bleef met de moeilijke zorg voor acht kinderen. Jan
was toen pas zes jaren oud. Gelukkig voor hem dat zijne moeder opgewassen bleek
te zijn voor de haar beschoren taak; zij nam ze op met verstand en met
ernstigen en vromen zin. Zeer godsdienstig, had zij toch een breede opvatting
van het christendom. Haar ideale predikant was
Ds. Rutgers van der Loeff, toen te
Schiedam, later te
Leiden werkzaam, die tot de zoogenaamde
Groningsche richting zich bekende. Zij sprak dikwijls de hoop uit, dat Jan, die
reeds toen met de gedachte dweepte zendeling of predikant te worden, eens
predikant zou zijn naar het model van Ds. van der Loeff.
Jan was vroolijk en opgewekt, ofschoon zooveel als hij maar kon in
boeken verdiept. Dit was zijne groote liefhebberij, en ik vermeen dat de oudere
zuster die, naar ik hoor, hem klaar maakte voor het admissie-examen op het
gymnasium, geen al te zware taak te verrichten heeft gehad. Het gymnasium werd
zonder eenige struikeling doorloopen; telken jare kwam de knaap te huis met
veel prijzen beladen en had hij zijn oratiuncula uit te spreken. Zijn voogd
heet zeer gestreng te zijn geweest; doch hij heeft zich klaarblijkelijk veel
aan den jongen gelegen laten liggen, want het gezin heeft de herinnering
levendig gehouden aan de zorg waarmede hij den jeugdigen redenaar zijne
toespraken liet repeteeren, lettende op inhoud, vorm en voordracht.
Op het gymnasium volgde de academie. Zijn de jaren te
Leiden doorgebracht voor
Knappert de heerlijke studententijd geweest,
waarop menigeen met zooveel welgevallen terugziet? Een gulden tijd was het
zeker niet voor hem, wat het gele metaal aangaat, waarmede | | | |
zooveel goed en zooveel kwaad kan verricht worden. Hetzij men het aan de al te
groote gestrengheid of aan de wijsheid van den voogd moet wijten of danken,
Knappert had het aan de universiteit niet ruim en voelde het; hij kon aan niet
veel ‘meedoen’; hij woonde op een deftigen stand, de Breestraat, maar voor de
rest moest hij zich zeer bekrimpen. Of hetgeen in 't belang der zuinigheid
uitgedacht werd altoos voordeelig uitviel, kan beoordeeld worden naar het
staaltje mij medegedeeld door zijnen academievriend Dr.
J.C. Schagen van Soelen: ‘Wij hebben toen
zelfs een paar maanden met ons drieën
1 gegeten en wel bij ieder der drie om beurten op de kamer.
Onze huisvrouw braadde dan een door ons bij den slager besteld stuk rundvleesch
voor ons; we lieten 't overige van een kok komen; we waren zoo althans zeker
van een goeden schotel vleesch, een zeldzaamheid toen in Leiden, waar eén der
dames die studententafels hielden, en wier spijzen ook wij hadden genuttigd,
giftmengster heette. Ook onze wakkere pogingen om voor ons
materieel welzijn te zorgen leden schipbreuk, als de Galatenavond
2. Want dat
kostelijk vleesch, natuurlijk aan de hoede toevertrouwd van hem, die op zijn
beurt zijn kamer leende voor het dîner, 't lokte de beide andere dischgenooten
steeds uit om ook tegen 10 of 11 een broodje te komen eten. Hoe kostbaar werd
dit! En dan de afrekening! Hoe lastig was het te becijferen, hoeveel middagen
ieder van een stuk rundvleesch had meegegeten: welk aandeel hij dus droeg in de
kosten! Was niet de een uit dîneeren geweest elders? Was niet de ander naar
| | | | Amsterdam, den Haag of Schiedam geweest? De nauwgezette,
geduldige Knappert was steeds met die becijferingen belast; ze waren juist;
maar als men zooveel betalen moest, werd er toch geprutteld’.
Dat
Knappert onder de drie als mathematicus
fungeerde was niet dan natuurlijk, want zijn ijver voor de theologie deed geen
afbreuk aan de voorliefde die hij altijd gekoesterd had beide voor
natuurkundige en mathematische kennis. Hij heeft zelfs zich zooveel mogelijk
van de sterrekunde eigen gemaakt, en wijdde een grooten eerbied aan prof.
Kaiser. Op lateren leeftijd heeft hij een schoonen verrekijker uit München
laten komen, en dien ook vlijtig gebruikt.
Maar ik was aan zijnen studententijd en vroeg of het wel voor hem een
gelukkige tijd kan geweest zijn. Ik zou meenen van ja, niettegenstaande de
stille levenswijze waartoe hij genoodzaakt was. Hij hield immers van zijn vak,
werkte daaraan met opgewekten ijver, werd gewaardeerd door zijne professoren en
studiegenooten, en had goede vrienden, iets dat meer waar genoegen oplevert dan
in de breedere studentenwereld op den voorgrond te treden. Ik heb reeds
Schagen van Soelen en
Fr. Rauwenhoff genoemd; voeg daaraan toe
Matthes (thans hoogleeraar te
Amsterdam),
F. Rutgers (ook hoogleeraar te Amsterdam),
Konynenburg, en niet te vergeten den
uitstekenden
Weerman, te vroeg ontvallen aan zijn gezin
en aan de gemeente te
Leeuwarden, waar hij zoo bemind was. Zeker,
hij die met zulke jongelieden dagelijks als vriend omging was aan geen
deerniswaardig lot ten prooi gevallen. En dit is niet alles. Reeds toen had hij
het geluk gehad zijne liefde beantwoord te zien door haar, die zijne gade werd
en zijne trouwe levensgezellin tot aan zijn laatste uur ge- | | | |
bleven is. Hij kon niet ‘met de vieren’ gaan rijden; maar hij kon in het
naburig
's Gravenhage zijne Emilie vaak opzoeken. Ik
beklaag hem niet. Mij dunkt dat eene jeugd gedragen door eerzucht, vriendschap
en liefde, rijk en schoon mag genoemd worden. Ja, eerzucht ook, met de groote
bescheidenheid van zijn optreden; natuurlijk, want hij had zelfgevoel, en heeft
dit altijd gehad. Hij wenschte zich te onderscheiden. Dit wisten zijn vrienden
weinig, die hem schilderden als niet schitterend, maar door en door degelijk.
Hij heeft dan ook de profetieën door hen geuit verre overtroffen.
Kenmerkend is de geschiedenis van den Galatenavond. Rauwenhoff,
Schagen van Soelen en hij zouden eéns in de week samen flink exegetiseeren, en
de Galatenbrief werd daartoe gekozen. Het begon goed. Men bracht schriftelijk
werk mee, en maakte zich warm, tot koene conjecturen toe. Maar het duurde niet
lang; niet door de schuld van den ernstigen Knappert. De twee anderen waren
klaarblijkelijk te levenslustig om op den duur de opvroolijking van het
samenzijn niet zoozeer te bevorderen, dat het nuttig doel erbij inschoot. Zoo
ten minste begrijp ik de taal der vlekken van bisschop, welke zich vertoonen op
eenige der bladen van het nu nog bestaande cahier van een der drie
Galaten-helden. Wat zal onze goede
Knappert zijn hoofd bedenkelijk geschud
hebben bij de onverbeterlijkheid van zijn vrienden! Of hij zich boos maakte is
mij niet geopenbaard; erg zal het in elk geval niet geweest zijn.
En zoo studeerde hij braaf aan de hand van Scholten en Kuenen, wier
vriendschap hij in hooge mate deelachtig werd, deed op zijn tijd propaedeutisch
(het eerste examen door
prof. de Vries te Leiden afgenomen),
candidaats en eindelijk doctoraal, alles summa cum laude, | | | |
beantwoordde intusschen met gedeeltelijk succes eene prijsvraag door de
theologische faculteit te Groningen uitgeschreven, en werd in 1858 tot den
heiligen dienst toegelaten. Den derden Juli van het volgende jaar werd hij
predikant te
Grosthuizen, van waar hij vier jaren later
naar
Harlingen beroepen werd. Hier maakte hij zich
veel vrienden en bedankte voor een beroep naar
Arnhem; nog eens een beroep ontvangende, dezen
keer naar Deventer, meende hij te moeten aannemen en betrok zijne nieuwe
standplaats in 1866, om reeds na twee jaren het predikambt te
Leiden te aanvaarden. Hier mocht hij veertien
jaren lang werkzaam zijn, tot hij, in 1882, tegelijk met Dr.
J.H. Gunning, tot kerkelijk hoogleeraar aan
de universiteit der gemeente
Amsterdam benoemd werd.
Ik moet heenglijden over dat rijke herderlijk leven, overal op hoogen
prijs gesteld, zooals ook zijne talenten, zijne onverdroten toewijding en vrome
nauwgezetheid het ten volle verdienden. Een zeer gewilde prediker, werd hij,
ook gedurende zijn hoogleeraarschap, van alle kanten uitgenoodigd spreekbeurten
waar te nemen, zoodat er geen streken in ons land te vinden zijn, waar hij
niet, meestal tot groote stichting van talrijke hoorders, opgetreden is. Ik heb
reeds gezegd dat tal van vereenigingen door hem met ijver gesteund werden, en
het is geen wonder dat meestal zijn plaats onder de bestuursleden, of zelfs aan
hun hoofd, aangewezen was. Onder die menigvuldige werkzaamheden, buiten de
officieele ambtsplichten, waarin hij zich zoo buitengewoon verdienstelijk heeft
gemaakt, mag niet onvermeld blijven zijn langdurig voorzitterschap van den
Nederlandschen Protestantenbond, als ook van de reeds genoemde Vereeniging tot
steun van verwaarloosden en gevallenen; | | | | de stichting van de nu
nog zeer bloeiende zondagsschool van den Protestantenbond te Leiden, waartoe
hij den eersten stoot gaf, en waaraan hij tot aan zijn vertrek naar Amsterdam
zijn liefdevolle zorg bleef wijden; zijn secretariaat van het Haagsch
Genootschap; zijn onvermoeid streven om bij de kerkelijke verkiezingen te
Amsterdam de rechten van alle richtingen te doen eerbiedigen, en veel meer.
Dat
Knappert zijn deel heeft gehad aan het
verdriet en het leed van het menschelijk bestaan spreekt van zelf. Een groote
teleurstelling was het voor hem en voor zijne talrijke vrienden te Leiden, dat,
toen prof.
Acquoy van den dienst der kerk overging tot
dien van den staat, en Knappert wist dat zijne candidatuur gesteld werd tot
vervulling van het vacant geworden kerkelijk hoogleeraarschap, het niet gelukte
zijnen naam te plaatsen op het drietal waaruit de Synode de keuze moest doen.
De conservatieven in de commissie van voordracht, zes tegen vijf, besloten dat
geen moderne op het drietal zou gebracht worden; toch staakten de stemmen, door
eén blanco stembriefje, voor twee der drie namen, zoodat tweemaal het lot
beslissen moest; beide malen viel die beslissing tegen Knappert uit. Kort
daarna volgde de benoeming naar Amsterdam.
Een veel zwaarder slag trof hem hier met zijn geheel gezin, de ziekte
en het overlijden van een hartelijk geliefde dochter. Het was een diepe smart.
Hij beijverde zich haar als een christen te dragen en was de vertrooster van
zijn bedroefde vrouw en kinderen. Iemand als hij kon niet anders dan een goed
echtgenoot en vader zijn. Zoete herinnering voor hen die van hem getuigen: ‘Wat
hij in huis voor ons was van den beginne: vraagbaak, uitredding, steun,
bemoediging; een gesprek met | | | | hem gaf ons licht en opbeuring en
van zijne liefde was elke dag het bewijs.’ Zoo iemand is nooit geheel dood voor
hen die onder zijnen invloed hebben gestaan. Van hem is veel in hen overgegaan
en leeft daar voort.
Knappert stierf, onverwacht, den 29sten September
1893, nog geen 58 jaar oud. Een betrekkelijk kort leven, doch zeer rijk aan
inhoud.
Jan Knappert was een degelijke geleerde,
veelzijdig ontwikkeld, en een trouwe dienaar der Kerk. Wat dit laatste aangaat,
verloochende zich hier zijn gewoon optimisme niet. Hij geloofde aan de toekomst
der Nederlandsche Hervormde Kerk; hij zag wel het kwaad dat daarin
voortwoekert; hij betreurde de bekrompenheid, het bijgeloof, den partijgeest,
die haar maar al te zeer ontsieren, maar hij wanhoopte niet aan de genezing;
hij bleef tot het laatste toe vertrouwen dat echte vroomheid hoe langer hoe
meer de plaats zou innemen van de dogmatische zelfvoldaanheid en aanmatiging,
en aan de bevordering van die zegepraal van het goede over het kwade wijdde hij
met opgewekten zin zijn beste krachten.
Zal ik hem als geleerde beoordeelen? Waartoe? Werken van langen adem
heeft hij niet uitgegeven - wel geschreven; er bestaan van zijne hand twee
lijvige handschriften, een ‘
leven van Jezus’, en een ‘
goed recht van den godsdienst’; ‘maar, zegt mij zijn zoon,
zijn angst voor de pers was groot; nonum prematur in annum
was bij hem werkelijkheid.’ Toch heeft hij tamelijk veel in het licht gegeven,
vooral in het
Theologisch Tijdschrift, naast zijne catechisatieboeken,
met van
Boekeren,
Hagen en
Scheffer - later ook met mij - uitgegeven, en
zijne drie Handleidingen, geheel zijn werk, handelende over de voorchristelijke
godsdiensten | | | | behalve dien van Israël, over den godsdienst van
Israël en over den oorsprong van den christelijken godsdienst, en bestemd om
gebruikt te worden bij het vraagboekje. Twee stukken moesten nog volgen, over
de geschiedenis van het christendom en het christelijk leven, maar zijn in de
pen gebleven, toen de ambtsbezigheden als hoogleeraar de beste krachten van
Knappert in beslag kwamen nemen.
Dit is zeer onvolledig; maar waartoe meer, daar ik mij niet geroepen
acht een wetenschappelijke beoordeeling van
Knappert te geven? Zijne waarde als geleerde
is erkend door betere rechters dan ik, toen de Senaat der Leidsche Hoogeschool
in 1875 hem, die wel het doctoraal examen had afgelegd, maar niet gepromoveerd
was, honoris causa met den doctorstitel vereerde. Dit kan ik van hem getuigen -
en menig andere met mij: Ik heb veel van hem geleerd.
Moge het levend Evangelie zulke dienaren als Knappert vinden in twee
zijner kinderen, van wie de eene reeds predikant is, en de andere het worden
moet.
C.G. Chavannes.
|
1De derde was Frans Rauwenhoff, ook te vroeg
heengegaan.
2Over den Galatenavond straks.
|
|