Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1897


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1803-1900


bron: Handelingen en mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, over het jaar 1896-1897. E.J. Brill, Leiden 1897  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 153]

Levensbericht van Willem Frederik Gerard Nicolaï.

Een jaar is Nicolaï reeds heengegaan en eindelijk vervul ik de eervolle opdracht van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, haar overleden lid met een enkel woord te herdenken.

Er zijn reeds zoovele biographieën van Nicolaï geschreven; ieder belangstellende weet dat hij in 1829 te Leiden geboren werd, vroeg wees is geworden, eerst aan de Leidsche muziekschool en later te Leipzig aan het conservatorium studeerde, daarna leeraar voor orgelspel en later door minister Thorbecke directeur der Kon. Muziekschool te 's-Gravenhage werd. Men weet dit zoo goed, dat ik hierover liever niet in bijzonderheden wil treden, en mij liever bepalen tot eenige mededeelingen over mijn geachten oud-onderwijzer, dien ik als musicus in zijne beste jaren mocht leeren kennen. Die taak is niet gemakkelijk, want hoe hoog Nicolaï als onderwijzer stond, hoe hij als musicus en kunstenaar waardeering genoot, toch was hij door velen meer geëerd dan bemind, meer gevreesd dan geliefd. Daartoe brachten de omstandigheden wel het hunne bij, en zeker niet het minst de - helaas! - verregaande ‘jalousie de métier’ welke onder

[p. 154]

de musici buitengewoon heerscht, alsook de naijver dien Nicolaï door zijne positie bij vele voorname musici opgewekt had. Maar hoe het ook zij, menig leerling der Muziekschool en voornamelijk die enkelen welke van Nicolaï persoonlijk onderwijs genoten, verlangden menigmaal naar een hartelijk en bemoedigend woordje .... dat echter uitbleef.

Mij dunkt, ik zie ons nog hoe wij naar het oude gebouw der Muziekschool - 20 jaar geleden - door het poortje op de Heerengracht spoedden. Joh. Smit (thans leeraar voor viool te Gent), J. Salmon, (solo-cellist bij Lamoureux te Parijs), Henri Tibbe, Bignell, de la Fuente, Mann en zooveel anderen meer die thans eervolle betrekkingen op muzikaal gebied bekleeden, met onze instrumenten en boeken bij ons. Willemse, de pedel, met zijn eeuwig: ‘morgen, jongelui!’ was altijd present. Even naar binnen, in Willemse's hokje - waaruit we dikwijls even gauw weggestuurd werden als we er in gekomen waren - en de lessen bij de respectieve onderwijzers begonnen. Circa halfelf 's morgens (tenzij er examen of inspectie was) kwam ‘de Directeur’, zooals Willemse en ieder ander Nicolaï noemde, gewoonlijk op de muziekschool.

Wij jongelieden wisten wel wat het beteekende als ‘de Directeur’ present was en Willemse behoefde maar even te kikken van tegen ‘den Directeur’ zeggen wanneer de ‘jongelui’ zich niet naar zijne orders gedroegen, en de tucht was weer hersteld. Maar wat wij met dankbaarheid herdenken is de tact waarmede Nicolaï ons onderwees, de wijze waarop hij ons, hetgeen hij doceerde, aanschouwelijk en duidelijk wist voor te stellen. Die lessen blijven ook voor schrijver dezes onvergetelijk. Het is waar dat, zonder zoovele uitmuntende leeraren, het resultaat der Muziekschool niet zoo zou geweest zijn, maar

[p. 155]

het is ook toevallig dat met Nicolaï's beste jaren de Muziekschool tevens haar grootsten bloei beleefde, en de meest begaafde leerlingen die inrichting bezochten. Jammer is het dat in dit opzicht de Kon. Muziekschool langzamerhand achteruit is gegaan, en in Nicolaï's laatste jaren niet meer was wat zij in vroeger jaren beteekende. - Vroeger jaren! wie denkt niet aan de dagen van ‘Hansken van Gelder’ en aan het welverdiend succes van Nicolaï's oratorium ‘Bonifacius’? Aan zijne onvolprezen liederen, zijn Symphonie en andere werken!

Maar de Nederlandsche componist moet geene te groote illusies koesteren. Ons land is te klein en daarbuiten wordt men zoo gauw niet bekend. Maar Nicolaï's liederen waren in Duitschland geliefd, en zijn het nog.

Ook Benoit heeft aan Nicolaï veel te danken, en ik herinner mij nog levendig hoe Nicolaï de man was die Benoit's ‘Rubenscantate’ en kinderoratorium ‘De wereld in’ het eerst in ons land ('s-Hage) ten uitvoer deed brengen.

Nicolaï was in alle opzichten een man van degelijk en veelzijdig ontwikkelden smaak en beschaving, als mensch een toonbeeld van soliditeit en achtenswaardigheid, en zijn naam zal bij zijne leerlingen steeds in eene dankbare en eerbiedige herinnering blijven.

 

Rotterdam, 17 Juni 1897.

M.H. van 't Kruijs.