|
|
|
| |
| | | |
| |
Levensbericht van Dr. Willem Nicolaas du Rieu.
Het is geene gemakkelijke taak, die ik op mij nam, toen ik het Bestuur onzer Maatschappij beloofde het levensbericht te zullen opstellen van den verdienstelijken man, wiens naam boven deze bladzijden geschreven staat. Ik nam die taak dan ook niet op mij, voordat het duidelijk gebleken was, dat geen der oudere vrienden en tijdgenooten van onzen Du Rieu bereid was dit te doen. De redenen, waarom die oudere vrienden aarzelden te volbrengen, wat het Bestuur onzer Maatschappij van hen verzocht, waren van zeer verschillenden aard. Sommigen hadden Du Rieu in zijn jongeren tijd slechts zeer oppervlakkig gekend; anderen verkeerden in hetzelfde geval ten opzichte van zijn latere levensdagen; anderen weder maakten bezwaar om zijne zuiver philologische werkzaamheid te beschrijven; nog anderen verklaarden niet in staat te zijn om hem als bibliothecaris te bespreken; de zeer veelzijdige werkzaamheid van Du Rieu te Leiden, waarvan velen slechts eene vluchtige kennis hadden, leverde weder voor anderen eigenaardige bezwaren op. Zoo kwam men ten einde raad tot mij, die
| | | |
ook wel mijne ernstige bezwaren had maar ten slotte toch, niettegenstaande ik Du Rieu niet zeer intiem heb gekend, als voorzitter onzer Maatschappij mij verplicht gevoelde te zorgen, dat het leven van een man, aan wien die Maatschappij zooveel te danken had, in onzen bundel werd opgenomen. Ik verzekerde mij van de hulp van anderen, die hem beter hadden gekend: dank zij die hulp, dank zij ook den inlichtingen, die ik van de hooggeachte weduwe mocht ontvangen, was het mij mogelijk de noodige gegevens bijeen te brengen, om dit levensbericht te kunnen samenstellen. In het bijzonder betuig ik nog mijn dank aan onzen ijverigen bibliothecaris Petit, die zich lang van te voren bereid verklaarde om eene uitvoerige lijst der talrijke geschriften van zijn werkzamen chef op te maken en deze, na haar tot mijne beschikking gesteld te hebben, aan het levensbericht toe te voegen.
Willem Nicolaas du Rieu werd den 23sten October 1829 te Leiden geboren. Hij was de vijfde zoon eener bekende aanzienlijke fabrikantenfamilie aldaar, die trouw de herinnering bewaarde aan hare Fransche afkomst en aan de moeielijke dagen, toen hare voorouders, vluchtende voor de vervolgingen van den Zonnekoning, om het geloof hun vaderland hadden verlaten. Zij stamde uit Noord-Frankrijk, uit de omstreken van Rijssel, van waar in 1682 de greinwerkers Nicolas en Martin du Rieu naar Leiden waren gekomen1. Op die afkomst was ook onze Du Rieu min of meer trotsch: hij gevoelde zich steeds den zoon zijner Hugenootsche voorvaderen gelijk
| | | |
hij gehecht was aan zijne vaderstad zelve, die den zijnen eenmaal eene veilige schuilplaats had geschonken.
De familie Du Rieu had totnogtoe meestal het praktische leven van den fabrikant tot werkkring gekozen. De wolfabricage of wolhandel was bijna twee eeuwen lang hare bezigheid; in de 18de eeuw klom zij zoodanig in welvaart, dat zij zich met Leidsche regentenfamiliën vermaagschappen kon en zelf in de regeering der stad optrad. Du Rieu's vader o.a. was van 1843 tot 1851 burgemeester der stad. Zijn oudste broeder was aan de familietraditie getrouw gebleven en wijdde zich aan den wolhandel gelijk beider vader had gedaan. Willem toonde meer aanleg voor de studie en werd dus na het zorgvuldige onderwijs bij meester Nieuwveen genoten te hebben op de school, waar de gegoede Leidenaars hunne kinderen plachten te doen opleiden, naar de Latijnsche school gezonden, waar hij onder de leiding van den rector Suringar, van den jongen leeraar De Vries enz. voor de Universiteit werd voorbereid. Zijne schooljaren hebben het gewone verloop gehad. Du Rieu was - naar zijne tijdgenooten getuigen - een plichtmatig, ijverig leerling, die vele prijzen placht te behalen, in zijne klasse steeds vooraanzat en voor de toekomst goede verwachtingen wekte. Hij muntte vooral uit in het teekenen van kaarten, een arbeid, die in de eerste plaats nauwkeurigheid en netheid van uitvoering vereischt. Plichtmatig en ijverig was Du Rieu ook in zijn studententijd, die in September 1848 na een welgeslaagd staatsexamen begon. De beschrijving, die hijzelf ten vorigen jare in het levensbericht van zijn vriend Halbertsma van zijn eigen studentenleven gaf1, behoeft hier niet herhaald te worden.
| | | |
Het zij genoeg in herinnering te brengen, dat Du Rieu de colleges van Bake en Cobet gelijk die van De Vries en diens vriend Dozy, van de juristen Van Assen en De Wal ijverig bezocht; dat hij evenzoo ijverig deelnam aan de nuttige besprekingen, die de toenmalige litteratoren in hunne disputen - van een dezer was Du Rieu secretaris - onder de leiding van Kiehl, hun ouderen tijdgenoot, plachten te houden; dat hij aan Naber, Halbertsma, Van Herwerden, Rinkes en andere voortreffelijke studievrienden zeer veel te danken heeft gehad. Uit de genoemde besprekingen zal zijn eersteling op litterarisch gebied, eene korte studie in de Mnemosyne voor 18541 over ‘een gewaand fragment van Trogus Pompeius’ zijn voortgekomen. Du Rieu toont daarin aan, dat het gewaande fragment niets anders was dan een excerpt uit Justinus, die zelf Pompeius heeft geëxcerpeerd, zoodat het weinig waarde had en volstrekt niet den ophef verdiende, dien de Duitsche ‘ontdekker’ ervan had gemaakt. Het stukje getuigt van zijne belezenheid in de klassieke litteratuur, zelfs met betrekking tot de weinig gelezen auteurs, waarover het handelt.
Acht jaren heeft Du Rieu aan de Leidsche Academie doorgebracht en zijne lijvige dissertatie ‘de gente Fabia’ bewijst, dat hij zijn tijd goed heeft besteed. Die dissertatie was eigenlijk de omwerking van het met den gouden eereprijs bekroonde antwoord op eene prijsvraag, in 1853 door de Utrechtsche Faculteit van Letteren en Wijsbegeerte uitgeschreven. Getuigt het toen behaalde succès weder van Du Rieu's ijver als student en van zijne groote belezenheid, het gedrukte werk spreekt tevens, niettegenstaande de 62 bijgevoegde stellingen, van het
| | | |
feit, dat hij weinig aanleg had voor de richting in de philologie, die de geniale Cobet met zooveel roem vertegenwoordigde. Streng philologische critiek, scherp inzicht in de geheimen der taal, diep gevoel voor woordvorming en juist taalgebruik moet men in dit geschrift evenmin als in de latere werken van Du Rieu zoeken. De schrijver dezer dissertatie munt uit in de ijverige bewerking eener met zorg bijeengebrachte stof; hij weet veel en velerlei; hij heeft zin voor oudheidkundige studie, voor tot in kleine bijzonderheden afdalende historische nasporingen; hij heeft oog voor de realia; maar noch smaakvolle compositie, noch fraaie latiniteit, noch scherpe betoogtrant valt in dit proefschrift te roemen. Met dat al heeft Du Rieu's dissertatie ook heden nog waarde als zorgvuldig genealogisch-historisch overzicht, als samenvoeging van alles, wat toen van dit onderwerp kon worden geweten.
Onmiddellijk na zijne promotie vatte hij, blijkbaar in overleg met Cobet, die zijne studenten daartoe placht op te wekken, het voornemen op om zijne kennis van de oudheid, ongetwijfeld ook zijn blik op het maatschappelijk leven van zijn eigen tijd, te verruimen door eene reis naar Frankrijk en Italië, waarheen Halbertsma en Van Herwerden reeds waren vertrokken om hunne studiën voort te zetten. Die reis, in het najaar van 1856 begonnen om met den zomer van 1859 te eindigen, heeft op de werkzaamheid, op de denkbeelden van Du Rieu een grooten invloed gehad. Het boven reeds aangehaalde levensbericht van Halbertsma, waarin aan de beschrijving dezer reis eene groote plaats is toegekend, getuigt1, hoezeer de schrijver zich bewust is van dien invloed: de diepe indrukken, die hij in deze jaren heeft
| | | |
ontvangen, zijn hem bijgebleven tot zijn dood toe; de herinneringen uit die dagen waren hem bovenal dierbaar. Te Parijs, waar hij den winter van 1856 op 1857 met zijne beide vrienden doorbracht, studeerende in de toenmalige Bibliothèque Impériale en genietende van het opwekkende leven in de vroolijke hoofdstad van het jonge Tweede Keizerrijk, onderzocht hij menig handschrift; te Orleans, Tours, Bordeaux, Toulouse, Marseille verkeerde hij als toerist; te Nîmes, Orange en Aix bewonderde hij de overblijfselen der Romeinsche oudheid. Te Rome, Florence, Napels en elders leefde hij ruim twee jaren lang te midden van de nalatenschap van Grieken en Romeinen, met open oog ook voor de nationale beweging in het jonge Italië: hij beleefde er de voorboden van den grooten Italiaanschen volksstrijd tegen den ‘Tedesco’, welks aanvang hij nog bijwoonde, de uitingen van verzet tegen de pauselijke oppermacht - eene beweging, waarvoor hij, de afstammeling der Hugenoten, veel sympathie had, zooals in zijne latere gesprekken en geschriften duidelijk placht uit te komen.
De oorlogstoestand, die het voor een oogenblik nog onzeker maakte, of niet de Oostenrijker de overhand zou behouden en den Italianen weder zijne zware hand zou doen gevoelen, dreef hem - het was nog vóór den slag bij Solferino - naar huis. Een jaar lang bleef toen Du Rieu te Leiden zijne aanteekeningen uitwerken om daarna nogmaals op reis te gaan en eerst in den zomer van 1861 voorgoed terug te keeren. Ook die tweede reis was gericht naar de Parijsche en Italiaansche bibliotheken en musea, waar onze reiziger, thans niet gestoord door oorlogsgevaren, zijne vroegere aanteekeningen aanvulde, zijne indrukken van het antieke leven en de antieke beschaving gelijk van het herlevende Italië versterkte.
| | | |
Welke resultaten hebben deze reizen voor de wetenschap der klassieke letteren opgeleverd? In den regel wordt bij de beantwoording dezer vraag alleen op de in 1860 bij de firma Brill uitgegeven Schedae Vaticanae gewezen en het valt niet te ontkennen, dat de 220 bladzijden dezer uitgave ‘in quibus retractantur palimpsestus Tullianus de Re publica, C. Iulius Victor, Iulius Paris, Ianuarius Nepotianus, alii ab Angelo Maio editi’ - eene nieuwe bewerking dus van vroegere uitgaven dezer voor het meerendeel weinig beteekenende auteurs - een vrij mager resultaat zouden zijn van eene werkzaamheid, die toch bijna 4 jaren levens moet hebben omvat. Ook zelfs wanneer men in het oog houdt, dat in de Gids van 1860 nog eene vrij uitvoerige schets van de geschiedenis der Vatikaansche Bibliotheek, in dezelfde eene studie over ‘Opgravingen te Rome’, de voortzetting van eene andere in de Algemeene Konsten Letterbode van dat jaar, verscheen, benevens eenige aankondigingen in beide tijdschriften en eene studie over ‘Ostia als Rome's havenstad’ van 1863 - ook dan nog schijnt het wetenschappelijk resultaat dezer langdurige studiën in de eerste bibliotheken van Europa, te midden van de schoonste verzamelingen van Romeinsche en Grieksche plastiek niet zeer belangrijk geweest te zijn. De uitvoerige kaart ‘Romae veteris Ichnographia’, in 1863 bij Hooiberg te Leiden van zijne hand verschenen, duidelijk en netjes als zijne vroegere schooljongenskaarten, geeft geene vergoeding voor het gemis, dat men allicht gevoelt. Maar wie zoo oordeelt, rekent niet met het feit, dat Du Rieu door de richting, die zijne werkzaamheid later heeft genomen, geene gelegenheid gehad heeft - ook weinig lust misschien bij zijn geringe neiging tot zuiver philologische studiën - om zijne talrijke aantee- | | | | keningen van palaeographischen aard te verwerken. Toch zijn zij niet voor de wetenschap verloren gegaan. Aan mijn vriend Dr. S.G. de Vries, zijn opvolger, dank ik de aanwijzing der geschriften van anderen, waarvoor Du Rieu met de belangelooze welwillendheid, die een zijner kenmerkende eigenschappen was, zijne aanteekeningen heeft afgestaan. Zijne collaties van Fronto, te Milaan en in het Vaticaan genomen, zijn dankbaar gebruikt door prof. Naber voor diens uitgave van dezen schrijver1. De talrijke handschriften van Frontinus, die Du Rieu in Italië onderzocht, leverden hem de aanteekeningen, die hij afstond aan G. Gundermann2. Zijne excerpten uit Justinus' vele manuscripten te Parijs en in Italië zond hij ten gebruike aan Fr. Rühl3. Zijne talrijke collaties van handschriften van Orosius, bestemd voor eene nieuwe uitgave van dien schrijver, stelde hij, nadat hij de gedachte aan zulk eene uitgave eindelijk had opgegeven, ter beschikking van Zangemeister4, die het plan uitvoerde. Bovendien vindt men tal van opmerkingen over archaeologische onderwerpen en aanteekeningen, die hij op zijne reizen maakte, verspreid in de bovengenoemde en vele andere kleine opstellen en aankondigingen, die toen en later van zijne hand verschenen.
Zoo was dan de jonge man in zijn vaderstad teruggekeerd, thans ruim 32 jaren oud en gereed om eene wetenschappelijke loopbaan te volgen. Drie wegen stonden voor hem open: hij kon gelijk de meesten zijner medelitteratoren eene betrekking bij het gymnasiaal onderwijs
| | | |
zoeken òf hij kon trachten aan de eene of andere openbare bibliotheek geplaatst te worden òf eindelijk hij kon, steunende op den goeden naam, dien zijn bekroond prijsantwoord en zijne reizen hem hadden verschaft, in afwachting misschien van een of ander professoraat, het leven van een privaat-geleerde gaan volgen, waartoe zijne financieële omstandigheden hem in staat zouden gesteld hebben. Du Rieu had weinig lust in het geven van onderwijs aan jongens, wat blijkbaar samenhing met zijn geringen aanleg voor het onderwijs in het algemeen. Op een professoraat in de realia, dat hem op zichzelf in die dagen anders wel zou hebben aangetrokken, bestond bij de toenmaals zoowel te Leiden als elders in ons land heerschende philologische richting weinig kans. De werkkring van den bibliothecaris scheen meer voor hem geschikt, maar ook deze bood den jongen man voorloopig weinig kans om vooruit te komen. Zoo bleef hij te Leiden voortstudeeren en zich bewegen in de geleerde kringen der Universiteit, met name in dien van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, waarvan hij in 1860 lid was geworden.
Het hem met den 1sten November 1861 opgedragen secretariaat der Maatschappij schonk hem weldra de gelegenheid om zich jegens haar in vele opzichten zeer verdienstelijk te maken. Tien jaren lang heeft hij deze betrekking waargenomen; de omvangrijke correspondentie, de beslommeringen van de maandelijksche bestuurs- en ledenvergaderingen, van de jaarvergadering vooral, de voorbeeldige ordening van het archief der Maatschappij - dit alles heeft Du Rieu veel tijd, veel moeite gekost en volgaarne heeft hij zich beschikbaar gesteld voor alles, wat het Bestuur hem wilde opdragen. Was Matthias de Vries in die jaren de leider der Maatschappij, Du Rieu
| | | |
was zijn trouwe helper en nog lang leefde in onze vereeniging de traditie voort van zijne buitengewone hulpvaardigheid, zijne ijverige plichtsbetrachting, zoodat sommigen bijna zelfs de Maatschappij met den veelgeroemden secretaris vereenzelvigden. En niet alleen als secretaris diende hij haar. In 1862 heeft hij ook den post van bibliothecaris, tot 1866 dien van ‘drukbezorger’, later dien van penningmeester bekleed; van zijne hand is het derde deel (1848-1862) van den ouden Catalogus onzer Bibliotheek en de alphabetische lijst der leden in het Gedenkschrift van 1867; hij was een ijverig lid der Histosche Commissie vele jaren lang, en de thans zittende leden dier Commissie herinneren zich nog levendig, hoe dikwijls Du Rieu daar zijne kleine mededeelingen en vragen, zijne ‘nesterijen’ zooals hij met bescheidenheid placht te zeggen, te berde bracht; hij heeft van 1879 tot zijn dood onafgebroken het lidmaatschap van de bibliotheekscommissie waargenomen. Denkt men daarbij aan de talrijke Levensberichten, die hij voor onze bundels samenstelde, aan de vele voordrachten, die hij in de maandvergaderingen hield, aan de talrijke korte mededeelingen van zijne hand, die in onze Handelingen voorkomen, dan zal men erkennen, dat Du Rieu veel voor onze Maatschappij heeft gearbeid en dat deze den ijverigen man dankbaar moet zijn voor de haar gedurende zoo lange jaren bewezen diensten.
De op zijne reizen verkregen bekendheid van den jongen geleerde met bibliotheken en hare inrichting deed de aandacht op hem vestigen, toen de behoefte werd gevoeld aan eene algeheele revisie van den ouden alphabetischen Catalogus der Universiteitsbibliotheek. Du Rieu werd in Januari 1862 tegen eene kleine tegemoetkoming met die revisie belast en kwam daardoor in betrekking tot de
| | | |
inrichting, aan wier belangen hij het grootste deel van zijn leven heeft gewijd. Zijne werkzaamheid aan den Catalogus heeft hem, hoewel zijn arbeid niet in druk verscheen, toch in zooverre tot voordeel gestrekt als zij hem den weg opende tot eene vaste aanstelling aan de Bibliotheek. Op den 1sten Maart 1864 werd hij op een salaris van ƒ 800 aangesteld tot Amanuensis, een zeer bescheiden titel met een zeer bescheiden traktement, beide op het eerste gezicht weinig eervol voor een geleerde, van wien men groote verwachtingen had gekoesterd. Men vergete echter niet, hoe toen de toestand in de Leidsche Universiteitsbibliotheek was.
Die inrichting stond toen onder de leiding van den hoogleeraar Pluygers als Directeur. Pluygers was een man van groote talenten, een uitstekend Latinist, een veelszins voortreffelijk hoogleeraar, wiens naam als zoodanig bij reeksen van litteratorengeslachten in dankbare herinnering blijft en die naast Cobet op hunne vorming een machtigen invloed heeft gehad; hij was tevens een bekwaam bibliothecaris, die sedert het aftreden van Geel met uitstekend gevolg zijne beste zorgen aan de Bibliotheek heeft gewijd. Hij hield toezicht op den gang der zaken in de Bibliotheek; hij bereidde met hulp van den architect Schaap den bouw eener nieuwe inrichting volgens de eischen des tijds voor; hij wist in den uitmuntenden P.A. Tiele den man te kiezen, die in voortdurend overleg met hem den beroemden Leidschen Catalogus samenstelde en tot de veel bewonderde hoogte bracht, waarop hij staat. Pluygers waardeerde ook in Du Rieu ongetwijfeld den hulpvaardigen werkzamen man, die door zijne uitgebreide relatiën, zijne kennis van handschriften, zijn talent van organisatie en zijn slag om met het publiek om te gaan den roem der Bibliotheek krachtig hielp
| | | |
verspreiden, den bibliothekenkenner, die menige belangrijke verbetering in inrichting en beheer, elders opgemerkt, hier in toepassing kon brengen. Maar hoewel de Directeur den Amanuensis, sedert 1 Febr. 1866 op het dubbele traktement tot Conservator der Handschriften opgeklommen, feitelijk het dagelijksch beheer der Bibliotheek toevertrouwde, hem de leiding der zaken geheel overlaten deed hij natuurlijk niet. De verhouding tusschen den Directeur en den ondergeschikten ambtenaar was niet altijd, wat zij had moeten zijn ... maar het zou ongepast zijn hier aan te wijzen, wat de oorzaken waren van de toenmaals algemeen bekende en voortdurend toenemende persoonlijke verwijdering tusschen deze beide mannen. Het schijnt den biograaf, die beiden persoonlijk heeft gekend en den hoogleeraar-bibliothecaris als zijn leermeester diep heeft vereerd, den verdienstelijken conservator ook als zoodanig hoog schatte, voldoende te vermelden, dat Du Rieu, die zich miskend achtte, dagen van grievende teleurstelling, van diepe mismoedigheid, van heftige smart heeft gekend, dagen, waarin hij dikwijls ernstig gedacht heeft aan het nemen van zijn ontslag uit de betrekking, die hem in vele opzichten lief was en die met zijn aanleg en zijne neigingen zoozeer strookte.
Een paar malen scheen het, alsof eene andere eervolle betrekking, die van hoogleeraar in de archaeologie of wel in de oude geschiedenis, voor hem zou zijn weggelegd. Er is van hem gesproken te Leiden in 1876-77 bij de invoering der nieuwe wet op het H.O.; in 1878 is hem zelfs een leerstoel te Amsterdam aangeboden. Toen heeft Du Rieu werkelijk geaarzeld, ook al wist hij, dat bij het spoedig te wachten aftreden van zijn Directeur diens post hem naar aller meening niet zou
| | | |
ontgaan. Ten slotte heeft hij echter de gedachte aan het beginnen eener nieuwe carrière als hoogleeraar te Amsterdam losgelaten, waarschijnlijk niet alleen wegens zijne gehechtheid aan Leiden en zijn reeds gevorderden leeftijd, maar ook omdat hij zelf begreep, dat hij voor het onderwijs minder geschiktheid bezat en zich bovendien ernstige inspanning zou moeten getroosten om zich als wetenschappelijk man op de hoogte te houden van de wetenschap, die hij te Amsterdam zou hebben te doceeren maar die hij in de laatste jaren alleen in zijne vacantiën, op zijne reizen en in zijne snipperuren had beoefend. Zij, die de lessen in de archaeologie hebben bijgewoond, welke Du Rieu omstreeks 1870 belangeloos aan sommige studenten in de letteren heeft gegeven, zullen gereedelijk erkennen, dat zijne groote welwillendheid bij het toonen zijner archaeologische plaatwerken allen lof verdiende.
Op den 1sten September 1879 trad Pluygers om gezondheidsredenen af als Directeur en werkelijk verving Du Rieu hem, definitief sedert 1 Maart daaraanvolgende, toen hij tot bibliothecaris werd aangesteld. De zestien jaren, die nu nog voor hem waren weggelegd, zijn met uitzondering van zijne reisjaren misschien de gelukkigste zijns levens geweest. Financieel sedert lang onafhankelijk; sedert 1863 gelukkig gehuwd met de zuster van den bekenden letterkundige Sautijn Kluit; op die reizen in vriendschappelijke betrekking getreden tot vele bibliothecarissen over geheel Europa, persoonlijk van nabij bekend met bijna alle groote bibliotheken in en buitenslands, leefde hij in zijne woning op de Hooigracht en in de Bibliotheek voor zijn werk, voor zijne geliefde bezigheden. Vroeg in den morgen was hij gewoonlijk reeds op zijne studeerkamer aan het werk, zich bezig houdende met bibliographischen arbeid, zoekende en snuffelende ten behoeve van
| | | |
dezen of genen geleerde, die hem eene inlichting had gevraagd. Zelfs aan het ontbijt zette hij zijne onderzoekingen voort, altijd bezig, altijd lezende of schrijvende. Tegen 10 uur ging hij op weg naar de Bibliotheek en menig Leidenaar bewaart het beeld in zich van den levendigen met haastigen stap langs het Rapenburg voortschrijdenden man, zooals hij, een papiertje met aanteekeningen in de hand, na een bezoek aan het postkantoor, bij den boekhandelaar, daarna aan de Bibliothèque Wallonne - zijne schepping - ten slotte zich even na 10 in het bibliotheekgebouw vertoonde. Luide klonk dan zijne hooge stem door de groote publieke zaal, veerkrachtig zijn stap door de gangen der Bibliotheek naar zijne handschriftenkamer boven, waar hij weldra te vinden was achter de hooge eikenhouten schrijftafel, altijd weder bezig, altijd zoekende en snuffelende in boeken en handschriften. Tusschen 12 en 1 de koffie; daarna weder tot klokke vier in de Bibliotheek ambtenaren en publiek te woord staande, de vreemdelingen, die in grooten getale de Leidsche bibliotheek plegen te bezoeken, rondleidende, op alles het oog houdend, geen oogenblik zijne taak uit het oog verliezend. Naar huis teruggekeerd, bleef hij tot het oogenblik van zijn maaltijd weder druk bezig. Dikwijls zelfs onder dien maaltijd bleef zijn rustelooze geest aan den arbeid en besprak hij met zijne vrouw de belangen, die hem zoo na aan het hart gingen. Onmiddellijk na den eten was hij weder op zijne studeerkamer en ook aan de theetafel vergezelde hem in den regel zijn werk. Tot in den laten avond was Du Rieu zoo aan den arbeid; geen oogenblik ging bij hem verloren. Hij leefde voor zijn werk en gevoelde zich gelukkig, wanneer hij, terugziende op zijn welbesteden dag, des avonds met een ‘hunc diem non perdidi’ het hoofd ter ruste
| | | |
kon leggen. Zijne voornaamste uitspanning was het ontvangen van zijne vrienden aan zijn gastvrijen disch of aan de theetafel, waar zijne reizen en zijne verzamelingen platen van archaeologischen aard zijn geliefkoosd onderwerp van gesprek waren. Verder wisselde hij de inspanning van zijn geest af door wat hij ‘knutselen’ placht te noemen, aan zijne draaibank dikwijls, waar hij menig voorwerp bewerkte. Verwonderlijk is de omvang zijner correspondentie geweest, verwonderlijk het aantal der kleine geschriften en artikelen, die hij in het licht zond. De Nederlandsche Spectator vooral, maar ook het Leidsch Dagblad en andere bladen en tijdschriften plaatsten vele van die losse artikelen van zijne hand: aankondigingen van nieuwe boeken, mededeelingen van bibliographischen aard, berichten omtrent opgravingen of nieuw ontdekte handschriften, herinneringen aan zijne iedere groote vacantie herhaalde reizen, waarop hij geene gelegenheid verzuimde om bibliotheken en musea te bezoeken, nieuwe relatiën aan te knoopen of oude te hernieuwen, mededeelingen over bijgewoonde congressen of hem bekende gestorven geleerden.
Zelfstandige werken van eenigen omvang zijn - het behoeft ons bij zulk eene wijze van arbeiden niet te verbazen - na zijne dissertatie en zijne Schedae Vaticanae niet meer van zijne hand verschenen; het eenige wat men daaronder zou kunnen rekenen is zijne uitgave, ter gelegenheid van het Orientalistencongres te Leiden in 1883, van eenige belangrijke brieven van Warner, den grondlegger der beroemde verzameling van Oostersche handschriften in de Leidsche Bibliotheek. In al zijne geschriften kan men de veelzijdigheid, de veelomvattende kennis van den rusteloozen man bewonderen, al moet weder erkend worden, dat zijn stijl dikwijls te wenschen overliet, ook in
| | | |
de Levensberichten, die hij in onze bundels deed opnemen; wat hij mededeelt, heeft in den regel waarde door den inhoud, niet door den vorm, waarin het werd medegedeeld.
Rijk aan inhoud zijn ook de vele zuiver bibliographische werken, die hij samenstelde of bij welker samenstelling hij zijne hulp verleende. Behalve zijne kleinere bibliographische lijsten en mededeelingen dienen hier vooral genoemd te worden de omvangrijke Repertoria, die hij het licht deed zien, soms alleen, soms in samenwerking met anderen. Het eerste werk van dien aard, aan welks samenstelling hij deel had, was het bekende nuttige ‘Repertorium der verhandelingen en bijdragen betreffende de geschiedenis des Vaderlands’, waarvan het eerste gedeelte in 1863 verscheen; vooral aan de bewerking der Supplementen hierop (van 1872 en 1884) heeft Du Rieu ijverig gearbeid. Met dezen arbeid hing samen het in 1866 verschenen ‘Register van academische dissertatiën en oratiën betreffende de geschiedenis des Vaderlands’. Hooykaas' Repertorium op de Koloniale literatuur (1877-80) heeft zeer veel aan hem te danken; de ‘Essai bibliographique’ over de Waldenzen-literatuur ten onzent (1889) is van zijne hand. Bij dezen arbeid sluit zich aan die, waarvan de ‘Catalogue de la Bibliothèque Wallonne’ (met de supplementen 1875-1890) het resultaat was, benevens zijne uitgave van het Leidsche ‘Album Academicum’ (1875), ter gelegenheid van het derde eeuwfeest der Universiteit, waarvan hij verbonden was en die hij hartelijk liefhad.
Wie deze omvangrijke en nauwkeurige lijsten en registers inziet, vermag zich nauwelijks eenige voorstelling te maken van de massa van arbeidskracht, die ten behoeve der wetenschap aan dit alles besteed is, van de
| | | |
tallooze uren, die de bewerker, al werd hij door anderen ijverig ter zijde gestaan, aan deze werken ten koste heeft moeten leggen. Het was voor Du Rieu eene groote voldoening, dat de wetenschap dagelijks het nut van zijne werkzaamheid ondervond, en met moed zette hij zich aan een anderen arbeid van dien aard, zoodra de vorige voltooid geacht kon worden. De erkenning zijner verdiensten door de regeering, die hem in 1896 tot ridder in de orde van den Nederlandschen Leeuw verhief, was eene welverdiende belooning en werd door hem dan ook op hoogen prijs gesteld.
‘Tusschen de buien in’, gelijk hij gewoon was te zeggen, besteedde Du Rieu menig oogenblik aan de belangen zijner Waalsche gemeente, met name aan de verzameling en bewerking harer archieven, wier groote beteekenis voor de geschiedenis van ons volksleven hij duidelijk heeft gevoeld. Reeds in 1862 werd hij lid van de Commission des archives des églises wallonnes, die later in de Waalsche Commission d'histoire is opgegaan. Hij stichtte in 1878 het Waalsche historische tijdschrift, het ‘Bulletin de la Commission Wallonne’, terwijl hij een jaar later de leiding der Bibliothèque Wallonne te Leiden op zich nam. Zoo maakte hij zijne vaderstad tot het middelpunt der werkzaamheid op het gebied der geschiedenis van de Kerk, waartoe te behooren hij zich tot eene hooge eer rekende, wier belangen hij met zooveel liefde behartigde. Hij gevoelde zich door zijne afkomst verplicht ook voor de Waalsche gezindte en hare geschiedenis te arbeiden. Hij vatte deze taak op als een plicht van maatschappelijken zoowel als van religieusen aard. Door en door ‘Wallon’, stond hij in dit opzicht tegenover de Katholieke Kerk min of meer op het standpunt van den Hugenoot, die deze Kerk als zijne vervolgster beschouwde, wier invloed
| | | |
in staat en maatschappij krachtig moest worden bestreden, ook door de versterking van het kerkelijk leven zijner Protestantsche gemeente. Met zijn vriend Enschedé te Haarlem legde hij den grond voor die belangrijke verzameling aanteekeningen omtrent de Fransche emigranten op losse stukken papier (fiches), die reeds zooveel hebben opgeleverd tot opheldering der geschiedenis van gebeurtenissen, personen en familiën uit de 16de, 17de en 18de eeuw ten onzent en in Frankrijk. Hij was ook in dat opzicht de vraagbaak van velen hier te lande en elders; hij hielp ook op dit gebied met groote toewijding iederen ernstigen onderzoeker voort.
Men zal vragen, hoe kon Du Rieu den tijd vinden voor al dien arbeid buiten zijne eigenlijke betrekking om en tevens de bibliothecaris van grooten naam zijn, die hij is geweest? Nog meer klemt deze vraag, wanneer men er aan denkt, dat hij zich uit het openbaar leven niet terugtrok. Hij was jaren achtereen, van 1885 tot zijn dood, een ijverig lid van den Leidschen Gemeenteraad en trad als zoodanig o.a. op in de raadscommissie voor het archief en in de commissie voor de Lakenhal, het stedelijk museum. Vooral in deze laatste commissie bewees hij groote diensten: hij toonde er levendige belangstelling voor het verleden zijner stad, welker geschiedenis hij in vele kleine bijzonderheden kende, welker geschiedkundige verzamelingen hij met liefde hielp beheeren en vermeerderen. In den Raad gevoelde hij zich de vertegenwoordiger van de gegoede burgerij, waaruit hij was voortgekomen en wier belangen ook zijne voorvaderen in het stadsbestuur hadden bevorderd: zijn conservatieve geest, zijne sterke neiging tot zuinigheid kwamen bij zijn optreden in dit lichaam duidelijk aan den dag en leidden hem dikwijls bij het uitbrengen zijner stem in deze of gene
| | | |
richting. Als raadslid behoorde Du Rieu dan ook tot de meer behoudende elementen in dit lichaam, gelijk hij bij verkiezingen voor de Staten-Generaal zich weinig geneigd betoonde om mede te werken tot de zegepraal van vooruitstrevende denkbeelden.
Maar nog eens: hoe vond hij den tijd voor dat alles?
Het geheim van zijne veelvuldige vruchtbare werkzaamheid schijnt mij vooral te liggen in eene groote mate van bewegelijkheid van geest, die het hem mogelijk maakte om het eene oogenblik dìt, het andere dàt te doen, gepaard met eene taaie arbeidskracht, beiden misschien de erfenis zijner Fransche voorvaderen. Du Rieu wist veel en velerlei; zijne kennis drong wel niet door in de diepste diepten der wetenschap en muntte evenmin uit door logischen samenhang en breedte van opvatting, maar het vele, dat hij wist, stelde hij gaarne ter beschikking van anderen zonder te vragen naar landaard of verschil van meening op wetenschappelijk, maatschappelijk of religieus gebied. Dat was ook het geheim van zijn groot succès als bestuurder der Leidsche Bibliotheek.
Het bestuur eener Universiteitsbibliotheek levert dikwijls eigenaardige moeielijkheden op. De bibliothecaris wordt voortdurend door de verschillende hoogleeraren aangezocht om boeken voor hun vak aan te koopen en moet met de beperkte middelen, die hem ten dienste staan, trachten zooveel mogelijk het evenwicht tusschen de verschillende vakken te bewaren. Bovendien moet hij er op letten, dat zijne bibliotheek niet alleen voor de hoogleeraren maar ook voor de studenten moet dienen. Eindelijk moet hij doordrongen zijn van het feit, dat zijne inrichting niet strekt om de behoeften van het publiek in het algemeen te bevredigen maar eene instelling is ten behoeve van het Hooger Onderwijs, wier leider
| | | |
dus in de eerste plaats de behoeften der wetenschap moet in het oog houden. Du Rieu placht zich van deze eigenaardige eischen, aan zijne inrichting gesteld, voortdurend ernstig rekenschap te geven maar ging naar de meening van vele hoogleeraren wel eens wat ver in zijne begeerte om zooveel mogelijk zelfstandig te beschikken over het subsidie der Bibliotheek. Tegenover de wettelijk misschien juiste meening, dat hij zich bij de aanschaffing van boeken had te houden aan de voordrachten van de Faculteiten of de bijzondere hoogleeraren, stelde hij namelijk zijne overtuiging, dat de bibliothecaris ten opzichte van die voordrachten eene groote mate van zelfstandigheid moest behouden en bij de aanschaffing in de eerste plaats te rade moest gaan met den algemeenen toestand der boekerij. Voor gepopulariseerde wetenschap, voor geïllustreerde werken had hij nooit geld over; boeken met ‘prentjes’ waren hem een doorn in het oog, en het kostte dikwijls veel moeite hem van de noodzakelijkheid der aanschaffing van kaart- of plaatwerken te overtuigen. De meening omtrent de waarde van een boek kan zeer verschillend zijn en ook hierin waren hoogleeraren en bibliothecaris het dikwijls oneens. Als litterator was hij van de behoeften der natuurwetenschappelijke afdeeling minder op de hoogte dan van die der letterkundige, juridische en theologische Faculteiten; hij meende overigens, dat de bijzondere verzamelingen, in de laboratoria aanwezig, over het algemeen rijk genoeg waren en in de centrale bibliotheek slechts met mate behoefden te worden aangevuld. De zeer beperkte som, waarover voor ieder vak kon worden beschikt, tegenover de oneindige massa werken, die jaarlijks in den handel worden gebracht, leverde verder ernstige bezwaren op voor een goed beheer.
| | | |
Het behoeft dan ook geen verwondering te wekken, dat menigeen ernstige klachten had over den toestand der Bibliotheek. Evenmin valt het echter te ontkennen, dat de boven aangeduide bezwaren, waarmede de bibliothecaris van zulk eene inrichting heeft te kampen, gereedelijk konden dienen tot verklaring van veel gebrekkigs in de verzameling.
Maar waarover niemand ooit te klagen had, dat was de hulpvaardigheid van den bibliothecaris, waar het gold bibliographische inlichtingen te verschaffen, boeken of handschriften van elders te ontbieden of het gebruik van de schatten der Bibliotheek gemakkelijk te maken.
Ons vaderland telt en telde menig bibliograaf, die Du Rieu als zoodanig evenaarde of overtrof: mannen als Holtrop, Campbell, Tiele, Frederik Muller, Martinus Nijhoff, om niet meer namen te noemen, bezaten ongetwijfeld meer wetenschappelijke kennis van boeken dan hij; zijne kennis van handschriften, zijne ervaring in het lezen daarvan was niet gering te schatten, doch ook in dit opzicht waren er onder ouderen en jongeren, die hem evenaarden of overtroffen; maar niemand overtrof hem in welwillende behulpzaamheid jegens hen, die een ernstig wetenschappelijk onderzoek begeerden in te stellen. Honderden geleerden binnen- en buitenslands heeft hij aan zich verplicht en de vorstelijke mildheid, waarmede de Leidsche Bibliotheek onder zijn beheer hare schatten beschikbaar stelde voor de wetenschap, is wereldberoemd geworden. Nooit blonk het hooge standpunt, waarop Du Rieu zich als bibliothecaris in dit opzicht stelde, schitterender uit dan bij gelegenheid van den bekenden brand ten huize van Mommsen (11 Juli 1880). Op het eerste bericht daarvan en in de meening - die later bleek onjuist te zijn - dat ook twee handschriften van de
| | | |
Leidsche Bibliotheek daarbij verloren waren gegaan, schreef onze bibliothecaris den zwaar getroffene o.a. ‘So lange ich die Leidener Bibliothek verwalten werde, wird durch diesen Unfall die Leidener Liberalität sich nicht ändern; ich werde fortfahren, Ihnen und dem ganzen gelehrten Publikum wissenschaftliche Dienste zu leisten und unsere Codices mitzutheilen. Was macht ein einziges Unglück im Vergleich mit den 1260 Codices, welche unsere Bibliothek seit 1859 mittheilte, und wie viel Schönes ist durch Sie und andere Gelehrte aus unsern Codices publiciert!’
En tot het laatst van zijn leven toe bleeft Du Rieu dit beginsel getrouw, al werd uit voorzichtigheid de regel gesteld, dat de Leidsche handschriften niet meer aan partikulieren maar alleen aan bibliotheken of inrichtingen van publieken aard worden uitgeleend, waar de belanghebbende ze zou mogen gebruiken, en al werd van den gebruiker de belofte geëischt de schade aan boeken of handschriften toegebracht te zullen vergoeden.
De betrekkingen, die Du Rieu met zijne ambtgenooten elders onderhield, kwamen ook in dit opzicht aan zijne Bibliotheek ten goede, daar zij de wederkeerige hulpvaardigheid van anderen jegens haar, jegens de Nederlandsche geleerden bevorderden. Die betrekkingen maakten ook de laatste belangrijke uitgave mogelijk, door den ijverigen man ondernomen.
Op het Congres van bibliothecarissen, te Chicago in 1893 gehouden, was het eerst de vraag gesteld, of het niet mogelijk zou zijn eene internationale vereeniging te vormen tot photographische reproductie van de belangrijkste handschriften, in de bibliotheken van Europa bewaard. Zulk eene reproductie op groote schaal zou - het springt in het oog - van uiterst veel belang kun- | | | | nen zijn voor de wetenschap, die daardoor veel gemakkelijker de beschikking zou kunnen erlangen over de schatten der oudheid, in handschrift tot ons gekomen. Het denkbeeld daartoe, oorspronkelijk uitgegaan van den bekenden bibliothecaris te Halle, O. Hartwig, werd dan ook van vele kanten met sympathie begroet. Hartwig zelf evenwel, die de zaak zoo internationaal mogelijk wilde maken en bevreesd was eenige nationale ijdelheid te kwetsen, wilde zich als Duitscher niet aan het hoofd plaatsen, maar trachtte den Leidschen bibliothecaris voor zijn plan te winnen. Dadelijk zag Du Rieu het hooge belang der zaak in en gemakkelijk liet hij zich ervan overtuigen dat, zoo zij kans had te slagen, het initiatief moest uitgaan van een neutraal land als het onze, van eene bibliotheek beroemd om hare handschriften op velerlei gebied als de Leidsche, van een bibliothecaris (wij mogen het er bijvoegen) als hij was, die door zijne vele internationale betrekkingen en door zijne uitgebreide talenkennis boven velen uitmuntte. Materiëel gesteund door onze regeering, richtte hij eene circulaire aan alle bekende ambtgenooten in de geheele geleerde wereld en deed hun het voorstel toe te treden tot eene ‘Société internationale pour la reproduction des MSS. les plus précieux’.
Het succès beantwoordde niet aan de vele moeite door hem gedaan. Slechts een dertigtal bibliothecarissen meldde zich aan; de meesten werden door redenen van comptabelen aard verhinderd zich vooruit te verbinden tot het geregeld betalen eener vrij hooge jaarlijksche bijdrage. Het plan moest dus als mislukt worden beschouwd. Toen kwam uit eigen beweging een Leidsche uitgever, de heer Sijthoff, tot Du Rieu en bood hem aan te zamen eene dergelijke uitgaaf op touw te zetten. De Leidsche
| | | |
bibliothecaris zou voorloopig een twaalftal der oudste en meest beroemde handschriften aanwijzen en onder zijne leiding laten reproduceeren; de firma Sijthoff zou deze reproductiën als eene eerste serie, maar toch ook elk afzonderlijk, in den handel brengen en alle risico op zich nemen. Met beide handen nam Du Rieu dit aanbod aan. Onmiddellijk werd het werk begonnen met de photographische reproductie van den Griekschen codex Sarravianus van het Oude Testament, thans voor een deel te Leiden, voor een ander deel te Parijs en te St. Petersburg bewaard. Het eerste deel was omstreeks 't midden van December ll. gereed; het ‘imprimatur’ schreef Du Rieu Zaterdag 19 December op het titelblad.
Dit moest het laatste werk zijn, dat hij op zijne geliefde bibliotheek verrichtte. Midden in zijne werkzaamheid werd hij getroffen door de ongesteldheid, die in korte oogenblikken aan dit bezige leven een einde maakte. In den vroegen morgen van den 21en Dec. 1896 overviel hem op zijne slaapkamer eene stijfheid in de lendenen, die zich plotseling uitbreidde, en eenige minuten later was hij niet meer. De verslagenheid van allen, die hem kenden, hier te beschrijven, zou na al het reeds gezegde overbodig en ongepast schijnen. Du Rieu was een rusteloos werkzaam man, een trouw en ijverig dienaar der wetenschap, wiens naam als zoodanig in eere zal blijven onder allen, die hem hebben leeren kennen. De Leidsche Universiteit heeft in hem een harer beste ambtenaren, de wetenschap in het algemeen een hulpvaardig bevorderaar harer belangen verloren. De wijze, waarop hij de nederigfiere zinspreuk ‘ich dien’ in daden heeft gehuldigd, maakt hem tot een voorbeeld voor allen, die een ambt als het zijne hebben te vervullen.
P.J. Blok.
| | | |
| |
Lijst der geschriften van Dr. Willem Nicolaas du Rieu samengesteld door Louis D. Petit.
| 1854. | Een gewaand fragment van Trogus Pompeius. - Mnemosyne III, 1854. |
| 1855. | De intrede en huldiging van Karel V, tot Graaf van Holland binnen Dordrecht, den 3den Juny 1515, benevens geschiedkundige aanteekeningen over de personen, die daarbij tegenwoordig waren. Uitgegeven ter opheldering van de Maskerade te houden door de leden van het Leidsche Studentencorps in de maand Juny 1855. Leiden, C.C. van der Hoek en P. Engels 1855 (VI, 148 blz.) 8o. |
| 1856. | Disp. litt. inaug. continens Disputationem de Gente Fabia. Lugd. Batavorum, Fratres van der Hoek 1856 (VIII, 448 p. et tabulae genealogicae). 8o.
In den handel gebracht o.d.t.: Disputatio de Gente Fabia, accedunt Fabiorum Pictorum et Serviliani fragmenta. |
| 1860. | De Vatikaansche Bibliotheek. - De Gids 1860, No. 2, 3. |
| 1860. | Opgravingen te Rome. - Als voren. 1860, No. 10, 11. |
| 1860. | Schedae Vaticanae, in quibus retractantur palimpsestus Tullianus de re publica, C. Iulius Victor, Iulius Paris, Ianuarius Nepotianus, alii ab Angelo Maio editi. Lugduni-Batavorum apud E.J. Brill 1860 (X, 220 p.). 8o. |
| 1860. | Jongste opgravingen te Rome. - Alg. Konst- en Letterbode 1860, No. 8, 9. |
| 1860. | Beulé's onuitgegeven redevoering van Perikles. - Als voren. 1860. No. 18. |
| 1860. | [Aankondiging van:] De Jood van Verona door A. Bresciani. - Taalgids 1860, blz. 125 en 202. |
| | | |
| 1860. | [Aankondiging van:] Penseel en Beitel, voornamelijk der Grieken en Romeinen, door A.G.W. Ramaer. - De Gids 1860, No. 5. |
| 1861. | [Aankondiging van:] Pompejanarum Antiquitatum Historia, quam ex Cod. MSS.... collegit Jos. Fiorelli. - Alg. Konst- en Letterbode 1861, No. 29. |
| 1861. | Phelloplastiek [Iets over uit kurk gesneden voorwerpen]. - Als voren 1861, No. 31. |
| 1862-1870. | Verslag der Handelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde over 1861-1869. - Handelingen v.d.M.d.N.L. 1862-1870. |
| 1863. | Ostia. Rome's havenstad. - De Gids, 1863, No. 3, 5, 6. |
| 1863. | De bibliotheken en letterkundige genootschappen in Nederland. - De Tijdspiegel 1863, No. 9.
Naar aanleiding van G. Valentinelli, Delle Biblioteche e delle Società Scientifico-Litterarie della Neerlandia. |
| 1863. | Romae veteris Ichnographia. Lugduni Batavorum apud T. Hooiberg et filium 1863. pl. |
| 1863-84. | Repertorium der verhandelingen en bijdragen betreffende de geschiedenis des vaderlands, in mengelwerken en tijdschriften tot op 1860 verschenen. Leiden, E.J. Brill, 1863 (XII, 400 blz.) 8o.
Met medewerking van de HH. Drs. R. Fruin, J.T. Bodel Nijenhuis, L.J.F. Janssen, W.I.C. Rammelman Elsevier en J. de Wal. - Hierop verscheen in 1872 een Supplement (XVI, 271 blz.) en in 1884 een Tweede Supplement (XIV, 172 blz.), hoofdzakelijk door Dr. W.N. du Rieu bewerkt. |
| 1864 | Catalogus der Bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden. 3de deel. Bijvoegsel over de jaren 1848-1862. Leiden, E.J. Brill 1864 (XIV, 622 blz.) 8o. |
| 1864 | Nog iets over Rome. - De Tijdspiegel 1864 No. 1, 3.
Aankondiging van: E. About. Het hedendaagsche Rome. |
| 1865. | Een kijkje in Griekenland. - De Tijdspiegel 1865 No. 2, 3.
Aankondiging van: Beknopte geografische beschrijving van oud en nieuw Griekenland door J.B.J. van Doren. |
| 1865. | Verslag van een onuitgegeven HS. van Anthonie de Roovere.
- Handelingen v.d.M.d.N.L. 1865. |
| 1865. | De Boekerij van het Walsch Kerkgenootschap te Leiden. - Ned. Spectator 1865 No. 42. |
| 1866. | Register van academische Dissertatiën en Oratiën betreffende de geschiedenis des Vaderlands, aanhangsel op het Repertorium van verhandelingen en bijdragen, bijeengebracht en systematisch gerangschikt door de Commissie van geschied- en oudheidkunde van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde. Leiden E.J. Brill 1866 (IV, 104 blz.) 8o.
Met medewerking van de H.H. Drs. R. Fruin, J.T. Bodel Nijenhuis, L.J.F. Janssen, W.I.C. Rammelman Elsevier en J. de Wal. |
| 1866. | Levensschets van Dr. S.H. Rinkes. - Handelingen v.d.M.d.N.L. 1866. |
| | | |
| 1866. | Een Nederlandsch vrijwilliger te Rome. - De Tijdspiegel 1866 No. 1.
Naar aanleiding van: Drie jaren in het leger van den Paus door T..... |
| 1867. | Bijdragen tot de geschiedenis van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden. 1766-1866. Gedenkschrift uitgegeven ter gelegenheid van het eerste Eeuwfeest. Leiden, E.J. Brill 1867 (IV, 236 blz.) 8o.
De op blz. 1-115 voorkomende Alphabetische lijst van de vroegere leden der Maatschappij, sedert hare oprichting tot 1 Mei 1866, is door Dr. W N. du Rieu bewerkt. |
| 1867. | De valsche Romeinsche Inscripties te Nennig. - Ned. Spectator 1867, No. 2. - De echtheid der Inscripties te Nennig. - Als voren. No. 17.
Een nieuw ontdekt Handschrift van ‘de Profeten’. - Als voren 1867, No. 42. |
| 1867. | Eene lezing over Pompei. - Als voren 1867, No. 52.
Naar aanleiding van: Les ruines de Pompei par E. de Kératry. |
| 1867. | [Aankondiging van:] Arbaces, of de laatste dagen van Pompeji door E.A.C.N. Wittert. - De Gids 1867, No. 1. |
| 1867. | De nederlaag der Nederlandsche nijverheid te Parijs - Als voren 1867, No. 10. |
| 1868. | [Aankondiging van:] Gedachten over het Wetsontwerp op het Hooger Onderwijs door Dr. J.T. Bergman. - Weekblad voor Hooger Onderwijs. 1868, No. 14, 15. |
| 1868. | Een Collegie over Bibliologie. - Als voren 1868, No. 15. |
| 1868. | [Aankondiging van:] Het Forum Romanum volgens Urlichs, door J. Dornseiffen. - De Gids 1868, No. 3. |
| 1868. | [Aankondiging van:] Parijs bij dag en nacht door Jul. Rodenberg. - De Tijdspiegel 1868, No. 3. |
| 1868. | [Aankondiging van:] In Rome. Schetsen naar W.W. Story's Roba di Roma. - Als voren 1868, No. 6. |
| 1868. | Nog eene lezing over Pompeji. - Ned. Spectator, 1868, No. 7
Naar aanleiding van H. Nissen, Pompeji, ein Vortrag. |
| 1868. | De Grieksche Papyrussen te Parijs. Met naschrift. - Als voren 1868, No. 20, 25. |
| 1868. | Een teruggevonden bladzijde van den Medicus Caelius Aurelianus. - Als voren 1868, No. 27. |
| 1868. | Een schets der Catacomben van Rome. - Als voren 1868, No. 31.
Aankondiging van E. Alex, Aus den Katakomben des Callist an der Via Appia zu Rom. |
| 1868. | De nieuwe Lees- en Boekenzalen der Bibliothèque Impériale te Parijs. - Als voren 1868, No. 34, 35. |
| 1868. | [Aankondiging van:] Ausflug nach Neapel u.s.w. van H.K. Brandes. - Als voren 1868, No. 39. |
| 1868. | De geschiedenis der Parijsche Kloosterbibliotheken. - Als voren 1868, No. 41. |
| 1868. | Een nieuw hulpmiddel voor heeren Natuuronderzoekers. - Als voren 1868, No. 50, 51.
Aankondiging van den Catalogue of scientific Papers. |
| | | |
| 1869. | De struikrooverij in den Kerkelijken Staat.-Tijdspiegel 1869, No. 9. |
| 1869. | Een Arsenaal voor de kunst. - De Gids 1869, No. 7.
Naar aanleiding der tentoonstelling in Arti et Amicitiae. |
| 1869. | Iets over de pers en de bibliotheken in Duitschland. - Ned. Spectator 1869, No. 2. |
| 1869. | [Aankondiging van:] Kleine Propylaeen von Th. Rumpel. - Als voren 1869, No. 8. |
| 1869. | Een nieuwe Professor eloquentiae. - Als voren 1869, No. 14.
Aankondiging van S. Katz Jzn. Handboek der welsprekendheid. |
| 1869. | De nieuwste onderzoekingen omtrent het Pompejaansche schilderwerk. - Als voren 1869 No. 21, 22. |
| 1869. | Een bedevaartganger naar Troje en Ithaca [H. Schliemann]. - Als voren 1869, No. 28. |
| 1869. | De geschiedenis der Bodleiaansche Bibliotheek te Oxford. - Ats voren 1869, No. 34. |
| 1869. | Ter nagedachtenis van Dr. L.J.F. Janssen. - Als voren 1869, No. 46, 47. |
| 1870. | Het onderaardsche Rome. - Ned. Spectator 1870, No. 3.
Naar aanleiding van J. Spencer Northcote and W.R. Brownlow, Roma Sotteranea. |
| 1870. | De teruggevonden groeven van het oude roode marmer, rosso antico. - Als voren 1870, No. 15. |
| 1870. | Half werk. - Ned. Spectator 1870, No. 25.
Aankondiging van E. van Bruyssel; Table des notices concernant l'histoire de Belgique. |
| 1870. | Eene Engelsche bijdrage voor de topographie van Rome. - Als voren 1870, No. 53.
Naar aanleiding van R. Burn, Rome and the Campagna. |
| 1870. | Pio Nono op een dwaalweg. - Tijdspiegel 1870, No. 3.
Naar aanleiding van: J. Ph. Koelman, In Rome. |
| 1870. | [Aankondiging van:] Uit den oud-Romeinschen Tijd. Schetsen door Th. Simons. - Als voren 1870, No. 4. |
| 1870. | Het papier in vroeger eeuwen. - Almanak van 't Nut 1870. |
| 1870. | De Fransche damescouranten. - Ons Streven 1870, No. 26. |
| 1870. | De Fransche Dames-journalen voor Modes, Handwerken enz. - Als voren 1870, No. 28, 31. |
| 1871. | Een nieuw Repertorium voor heeren beoefenaars van Statistiek en Staatswetenschappen. - Ned. Spectator 1871, No. 6.
Aankondiging van P. Lippert's Repertorium für die cameralistische, insbesondere statistische Journal-Litteratur. |
| 1872. | Museum geographicum Bodellianum. - Als voren 1872, No. 24. |
| 1872. | Wat nieuws uit Rome. - Als voren 1872, No. 41.
Aankondiging van G.B. de Rossi, Musaici Christiani e Saggi dei Pavimen i delle Chiese di Roma. |
| 1872. | Een christelijk boek. - Als voren 1872, No. 45.
Naar aanleiding van: F.X. Kraus, Christliche Kunstarchäologie. |
| 1872. | Onuitgegeven geschriften van Th. Agrippa d'Aubigné. - Als voren 1872, No. 46. |
| | | |
| 1872. | Notice biographique de Mr. L.C. Luzac, avec quelques notes sur les ancêtres et la liste des oeuvres des Messieurs Luzac. - Voorrede van den Catalogus der verkooping van de bibliotheek van L.C. Luzac, Leiden 1872. |
| 1872. | Johanna Hilleman, de borduurster zonder handen. - Ons Streven 1872, No. 36. |
| 1872. | Levensbericht van Mr. J. Luzac. - Levensberichten v.d.M.d.N.L. 1871-72. |
| 1873. | Levensschets van Mr. J.T. Bodel Nijenhuis. - Als voren, 1872-73. |
| 1873. | Nieuwe hulpmiddelen voor aanschouwelijk onderwijs op degymnasiën. - Ned. Spectator 1873, No. 1, 2.
Naar aanleiding van: Wandtafelen zur Veranschaulichung antiken Lebens, van E.v.d. Launitz. |
| 1873. | Goede raad. - Tijdspiegel 1873, No. 8.
Naar aanleiding van J.W. Staats Evers, Honderd dagen in Italië. |
| 1873. | De Bibliotheek van het Nederl. Onderwijzers-genootschap. - Bibliogr. Adversaria I. |
| 1873. | Iets over den alphabetischen catalogus. - Als voren I. |
| 1874. | Ernst Julius Kiehl. - Ned. Spectator 1874, No. 6. |
| 1874. | Een Nieuw-Hollandsche bibliotheek. - Als voren 1874, No. 21. |
| 1874. | De Catalogussen der Congress Bibliotheek te Washington. - Als voren 1874, No. 36. |
| 1874. | Aankondiging van A. Stöckl, Schets der Schoonheidsleer. - Ons Streven 1874, No. 6. |
| 1874. | Deensche Studenten aan Nederlandsche Universiteiten. - Handelingen v.d.M.d.N.L. 1874. |
| 1874. | Het Model van het Gedenkteeken aan Leiden's Ontzet. - Leidsche Courant, 28 Sept. 1874. |
| 1875. | Album Studiosorum Academiae Lugduno Batavae, MDLXXV-MDCCCLXXV. Accedunt nomina Curatorum et Professorum per eadum Secula. Hagae-Comitum apud Martinum Nijhoff 1875 (LXIV, 1001 p. in 2 Kol.) 4o. |
| 1875. | [Aankondiging van:] Catalogue de la Bibliothèque Wallonne rédigé par J.T. Bergman. - Ned. Spectator 1875, No. 33. |
| 1876. | De Indische Letterbode. - Als voren 1876, No. 21. |
| 1876. | De Nationale Bibliotheek te Parijs in 1875. - Als voren, No. 25. |
| 1876. | Het Reglement van 's lands bibliotheken in het Koninkrijk Italië. - Als voren 1876, No. 37. |
| 1876. | Twee bibliographische Utopieën. - Bibliogr. Adversaria III. |
| 1877-80. | Repertorium op de Koloniale Litteratuur, of systematische inhoudsopgaaf van hetgeen voorkomt over de Koloniën, (beoosten de Kaap) in mengelwerken en tijdschriften, van 1595 tot 1865 uitgegeven in Nederland en zijne overzeesche bezittingen door J.C. Hooykaas, ter perse bezorgd door Dr. W.N. du Rieu. Amsterdam, P.N. van Kampen & Zoon 1870-80. 2 dln. (Dl. I. XIV, 651 blz.; Dl. II. XVI, 752 blz.) 8o. |
| | | |
| 1878. | Het laatste jaarverslag der Nationale Bibliotheek te Parijs. - Ned. Spectator 1878, No. 9. |
| 1878. | Wegwijzers in tijdschrift-litteratuur. - Als voren 1878, No. 32.
Bespreking van den Catalogue of scientific Papers. |
| 1878. | Een Amerikaansch verslag. - De Gids 1878, No. 12.
Bespreking van Public Libraries in the United States of America. Special Report. |
| 1878. | Dr. Jean Theodore Bergman. - Leidsch Dagblad 27 Nov. 1878. |
| 1879. | Nog iets over een brief van Spinoza. - Ned. Spectator 1879, No. 21. |
| 1879. | Naar aanleiding van den bibliotheekbrand te Birmingham. - Als voren 1879, No. 23, 24. |
| 1879. | De Catalogus der Boekerij van de Hollandsche Kerk te Londen. - Als voren 1879, No. 41. |
| 1879. | Nog een woord over den Grafelijken Grafkelder in de Hofkapel te 's-Gravenhage. - Leidsch Dagblad, 17 Juni 1879. |
| 1879. | Autobiographie van J.T. Bergman [met naschrift]. - Levensberichten v.d.M.d.N.L. 1879. |
| 1880. | De versiering van den Willemstoren te Dillenburg. - Ned. Spectator 1880, No. 51. |
| 1880. | Naar aanleiding van Prof. Schlegel's plan voor een Universiteitsgebouw. - Leidsch Dagblad, 23 Dec. 1880. |
| 1880-90. | Catalogue de la Bibliothèque Wallonne, déposée à Leide. Publié par ordre de la Réunion des églises Wallonnes des Pays-Bas. Supplément, 1875-1880. Leide, Van der Hoek, Frères 1880, (X, 50 p.) - 2e Supplément, 1881-1885. Ibid. 1885, (XII, 196 p.). - 3e Supplément, 1886-90. Ibid. 1890, (XII, 128 p.) 8o. |
| 1881. | Brandvrije bibliotheekgebouwen of kluizen. - Ned. Spectator 1881, No. 35. |
| 1881. | De portretten en het testament van J.J. Scaliger. - Handel. en Meded. v.d.M.d.N.L. 1881. |
| 1881. | Lambert Daneau à Leyde. Notice historique à l'occasion du 300e anniversaire de la fondation de la Communauté Wallonne de Leyde le 26 Mars 1581. Leyde, Van der Hoek frères 1881, (15 p. avec planche). - 2e Edition, revue et augmentée d'une lettre du Sénat au Prince d'Orange avec sa réponse inédite. - Bulletin p. l'hist. des églises Wallonnes. I. Ook afzonderlijk verschenen: La Haye, Mart Nijhoff 1885. (40 p. avec pl.) |
| 1882. | Jacobus Ludovicus Cornet. - Leidsch Dagblad, 7 Dec. 1882. |
| 1883. | C.A. Emeis. - Leidsche Studentenalmanak voor 1884. |
| 1883. | Kunstenaars voorkomende in het Album Studiosorum der Academie te Leiden. - Archief v. Nederl. Kunstgeschiedenis V. |
| 1883. | Levini Warneri de rebus Turcicis epistolae. Edidit G.N. du Rieu. Lugduni Batavorum, E.J. Brill 1883 (XVI, 120 p.) 8o. |
| 1884. | Een goed voorbeeld. - Ned. Spectator 1884, No. 44.
Naar aanleiding van het Register d. Nederd. Herv. Predikanten door Ds. J.G. de Waldkirch Ziepprecht. |
| | | |
| 1884. | De Gedenknaald van Leidens Ramp.-Leidsch Dagblad, 1 Oct. 1884. |
| 1885-96. | Rapport sur les travaux de la Commission pour l'histoire des églises Wallonnes depuis son origine (jusqu'en 1894). - Bull. de la Comm. p. l'hist. des églises Wallonnes I-V, N.S.I. |
| 1885. | Généalogie de la Famille Marron. - Als voren I. Levensbericht van Dr. F.H.G. van Iterson. - Levensberichten v.d.M.d.N.L. 1884-85. |
| 1885. | Lijst van geschriften van Jhr. Mr. W.I.C. Rammelman Elsevier voorafgaan door eenige opgaven omtrent zijn levensloop. - Handel. en meded. v.d.M.d.N.L. 1885. |
| 1885. | Inscriptiones Ephesinae ineditae. - Etudes archéologiques, linguistiques et historiques dédiées à M. le Dr. C. Leemans. Leide 1885. |
| 1886. | Een paar vragen naar aanleiding van het Dagboek van Constantijn Huygens. - Ned. Spectator 1886, No. 13. |
| 1887. | De Hugenoten in Amerika. - Als voren 1887, No. 15. |
| 1887. | Levensbericht van Dr. J.C. Drabbe. - Levensberichten v.d.M.d.N.L. 1887. |
| 1888. | Het Kortschrift van Paus Silvester II. - Ned. Spectator 1888, No. 20. |
| 1888. | Wat Frankrijk terugkocht uit de bibliotheek van Lord Ashburnham. - Als voren 1888, No. 48. |
| 1888. | Levensbericht van K.J.F.C. Kneppelhout van Sterkenburg. - Levensberichten v.d.M.d.N.L. 1888. |
| 1888. | Zijden lapjes in plaats van vloeipapier in handschriften. - Handelingen v.d.M.d.N.L. 1888. |
| 1888. | Eene bijdrage tot de genealogie van Renesse. - Alg. Nederl. Familieblad 1888. |
| 1889. | Levensbericht van Dr. W. Bisschop. - Levensberichten v.d.M.d.N.L. 1889. |
| 1889. | Eene herinnering aan het Amerikaansche bezoek van 13 Aug. - Leidsch Dagblad, 21 Jan. 1889. |
| 1890. | Essai bibliographique concernant tout ce qui a paru dans les Pays-Bas au sujet et en faveur des Vaudois. - Bull. de la Comm. p. l'hist. des églises Wallonnes, IV.
Ook afzonderlijk verschenen: La Haye, Mart. Nijhoff 1889, (40 p.) 8o. |
| 1890. | Rembrand opvoeder. - Ned. Spectator 1890, No. 5.
Naar aanleiding van: Rembrandt als Erzieher. |
| 1890. | De Grieksche handschriften van François I en Henri II te Fontainebleau. - Als voren. No. 17, 18. |
| 1890. | De bibliotheek van Prof. W.M. d'Ablaing. - Als voren. No. 26. |
| 1890. | De bijeenkomst van bibliothecarissen te Antwerpen. - Als voren. No. 35-37. |
| 1890. | Lettre de Lambert Daneau à Jérome Basting. - Bulletin de la Comm. p. l'hist. des églises Wallonnes, IV. |
| 1890. | Nog iets over Scaliger's portretten. - Handelingen v.d.M.d.N.L. 1889-90. |
| | | |
| 1890. | Schets van den Leidschen Schouwburg vóor 1865. - Als brief gedrukt in: Geschiedenis van het Leidsche Tooneel door L.H.J. Lamberts Hurrelbrinck. Leiden 1890, blz. 33-35. |
| 1891. | Twee Duitschers over Holland in 1683. - Ned. Spectator 1891, No. 26.
Aankondiging van: H.C. Postel und J. von Melle, Reise. |
| 1891. | Een Nederlandsche boekdrukker [Wolfgang Hopyl] te Parijs, 1489-1523. - Als voren 1891, No. 28. |
| 1891. | ‘Over de grenzen’ - Als voren 1891, No. 30.
Naar aanleiding van: Histoire du desséchement des lacs et marais en France avant 1789 par M. le Comte de Dienne. |
| 1891. | De eerste drukpers. - Als voren 1891, No. 31.
Aankondiging van: Die Erfindung der Buchdruckerkunst von K. Faulmann. |
| 1891. | Mummiekisten vervaardigd van Grieksche testamenten. - Als voren 1891, No. 47. |
| 1891. | W.P. Wolters. - Eigen Haard 1891, No. 42. |
| 1891. | Berichten van een tijdgenoot over de gebeurtenissen in de Nederlanden, in de bibliotheek Corsini te Rome bewaard. - Handelingen v.d.M.d.N.L. 1890-91. |
| 1892. | De collectanea de vitis scriptisque jure-consultorum van Prof. J. de Wal. - Ned. Spectator. 1892, No. 23. |
| 1892. | Een Romeinsche eetzaal. - Als voren 1892, No. 32. |
| 1892. | Lucian Müller. Persoonlijke herinneringen. - Als voren 1892, No. 33. |
| 1892. | Catalogue of scientific Papers, compiled by the Royal Society of London. - Als voren 1892, No. 35. |
| 1892. | Het legaat van ornithologische boeken van Mr. J.P. van Wickevoort Crommelin. - Als voren 1892, No. 37. |
| 1892. | Levensbericht van B.W. Wttewaal van Wickenburgh. - Levensberichten v.d.M.d.N.L. 1892. |
| 1892. | Nécrologie. Le Docteur J. Soutendam. - Bulletin de la Comm. p. l'hist. des églises Wallonnes. V. |
| 1892. | L'Album Amicorum d'Esaie du Pré, pasteur Wallon à Leyde. - Als voren V. |
| 1893. | De Grieksche Wastafeltjes der Leidsche Bibliotheek. - Leidsch Dagblad 3 Mei 1893 en Ned. Spectator 1893, No. 18. |
| 1893. | Dousa's Album vereerd aan de Leidsche Bibliotheek. - Als voren, 26 Mei 1893. |
| 1893. | Rothschild's openbare bibliotheek te Frankfort. - Ned. Spectator 1893, No. 26. |
| 1893. | Het ontwerp voor de Centrale Bibliotheek te Florence. - Als voren 1893, No. 29, 30. |
| 1893. | Levensbericht van Dr. G.D.J. Schotel. - Levensberichten v.d.M.d.N.L. 1893. |
| 1893. | Les tablettes Grecques de Palmyre à la Bibliothèque de Leiden. - Revue des Bibliothèques 1893 p. 183. - In het Hoogduitsch in Centralblatt f. Bibliothekswesen 1893, S. 276. |
| | | |
| 1893. | Nog een portret van Scaliger. - Handelingen v.d.M.d.N.L. 1892-93. |
| 1893. | Reproductie van Grieksche en Latijnsche handschriften. - Museum I, No. 8; II, No. 3. |
| 1893. | Stenographie of Kortschrift in de Middeleeuwen. - Handelsblad 19 Oct. 1893. |
| 1894. | Oud-Egyptische toestanden. - Ned. Spectator 1894, No. 28, 29.
Over mummiekisten van papyrus. |
| 1894. | La Société pour la reproduction autotypique des manuscrits non-touristes. - Revue des Bibliothèques 1894, No. 1. |
| 1894. | Welke boeken hebben de Leidsche Professoren geschreven? - Ned. Spectator 1894, No. 44. |
| 1895. | Welche Bücher gaben die Leidener Professoren heraus? - Centralblatt f. Bibliothekswesen 1895, S. 467.
Aankondiging van: Bibliographische Lijst der werken van de Leidsche Hoogleeraren door Louis D. Petit. |
| 1895. | Het mooiste boek der Leidsche Bibliotheek. - Ned. Spectator 1895, No. 31, 32.
Over: Histoire et Monuments des Emaux Byzantins par N. Kondakow. |
| 1895. | De ouderdom van het Utrechtsche Psalterium bepaald. - Museum III, No. 4. |
| 1896. | Autotypische reproductie van Grieksche en Latijnsche handschriften. - Ned. Spectator 1896, No. 9. |
| 1896. | Nagelaten geschriften van Mr. W.P. Sautijn Kluit [met inleiding en naschrift] uitgegeven door Dr. W.N. du Rieu. - Bijdragen voor de geschiedenis v.d. Nederl. Boekhandel, dl. VII. |
| 1896. | Levensbericht van Prof. Dr. Tj. Halbertsma. - Levensberichten v.d.M.d.N.L. 1896. |
| 1896. | Levensbericht van Mr. W.P. Sautijn Kluit. - Als voren 1896. |
| 1897. | Codices graeci et latini photographice depicti duce Gulielmo Nicolao du Rieu. I. Vetus Testamentum graece. Codicis Sarraviani-Colbertini quae supersunt in bibliothecis Leidensi, Parisiensi, Petropolitana. Praefatus est Henricus Omont. Lugduni Batavorum, A.W. Sijthoff 1897 (XVI p. en 306 facsimilés) gr. 4o. |
Verder nam Dr. Du Rieu een zeer werkzaam deel aan de uitgave der Oeuvres complètes de Chr. Huygens, aan de Algemeene aardrijkskundige bibliographie van Nederland, uitgegeven vanwege het Nederl. Aardrijkskundig Genootschap en schreef eene menigte korte artikelen en mededeelingen van actueel belang in de Leidsche Courant, het Leidsch Dagblad enz.
|
1Bourlier in het Bulletin van de Commission de l'histoire des églises wallonnes. 2 me Série, II, 2.
1Levensberichten 1895/96, blz. 112-115.
1Mnemosyne III, p. 177-181.
1Vgl. Frontonis Epistulae ed. Naber (1867), Proleg. p. VIII sq.
2Commentationes philologae Jenenses (1881), I, p. 103.
3Jahrbücher für Philologie, 6 er Suppl. (1872-3), p. 11.
4Orosius rec. Zangemeister (1882), Praef. p. VIII sqq.; XXXVIIII.
|
|