Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1897


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1803-1900


bron: Handelingen en mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, over het jaar 1896-1897. E.J. Brill, Leiden 1897  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 278]

Levensbericht van C. Honigh.

Als aan C. Honigh, den veelzijdig ontwikkelden onderwijzer, den fijnvoelenden dichterlijken geest, de eer toekomt in deze ‘Levensberichten’ te worden herdacht, dan dankt hij dat minder aan den omvang zijner letterkundige werken dan wel aan de zeer bijzondere plaats, die de geschiedschrijver der Nederlandsche letterkunde in de 19de eeuw hem zal aanwijzen.

Cornelis Honigh, den 29sten October 1845 te Koog aan de Zaan geboren, staat toch aan het einde der periode in het leven der Nederlandsche dichtkunst, die, met Bellamy begonnen, met de Génestet scheen gesloten te zijn. Hij staat daar vóór ons in zijn werk als de laatste dier zoetvloeiende zangers, wien het bezingen beter afging dan het zingen. Slechts zelden verhief hij zich tot objectiviteit; hij bezong wat hem subjectief gelukkig of treurig maakte, en dat met groote beheersching der taal en met die gemakkelijkheid van vorm, die slechts enkelen is aangeboren.

Reeds Busken Huet merkte het op bij de bespreking van Honigh's eersten bundel, ‘Mijne lente’, dat menigeen liever van tijd tot tijd een forscher snaar had hooren klinken. ‘Doch’ - zoo laat hij er dadelijk op volgen -

[p. 279]

‘ik neem de vrijheid te doen opmerken, dat dergelijk oordeel geen literarisch oordeel is.’

Die eerste bundel stond hoog in de schatting dier dagen, getuige dat Huet - toen ter tijd de toongevende kritikus - het boekske een artikel waard oordeelde, een artikel, dat trouwens met een allermatst woordje over het onpoëtische van de Zaanstreek begint.

Genoeg, Huet dan constateerde, zij het op zeer onnoodige en bijzondere wijze, dat Honigh aan de Zaan werd geboren en opgevoed. Voor het onderwijs bestemd, legde hij van 1864 tot 1866 verschillende examina lager onderwijs af, benevens een examen M.O. voor Nederlandsche taal- en letterkunde. Zijn diploma M.O. voor Hoogduitsch verwierf hij eerst in 1876.

Reeds in 1867 had zijn eerste gedicht een plaats gevonden in de Christelijke Volksalmanak, zijn eerste proza in Nederland.

In 1871 verscheen zijn reeds genoemde bundel ‘Mijne lente’, een verzameling ‘liederen’, waarin de jeugdgeschiedenis van den dichter een echo vond. En het was een schoone lente, al werd er ook hier en daar een traan geweend. Niet alleen de uit het Duitsch vertaalde gedichten, neen, de geheele bundel ademt een geest van Germaansche gemoedelijkheid. Eenvoudig, lief, rustig schildert ons de dichter zijn lieven en zijn lijden. Nu en dan verheft hij zich, o.a. in het wondermooie en helaas, te weinig bekende ‘Rust u ten strijd’, een levenslied van hooge beteekenis. ‘'t Liedje van den veerman’ herinnert aan de schoonste oud-nederlandsche liederen; terwijl het ‘Drinkliedje’:

 
‘Wie geen liefje heeft, die drinke,
 
Drinke wijn’,

genoegzaam verklaart, waarom Potgieter zich tot den jongen

[p. 280]

zanger aangetrokken voelde, hem met raad en daad bijstond en hem aanspoorde de Scandinavische talen te beoefenen.

Honigh had succès met zijn eersteling, waarvan reeds twee jaren later een nieuwe uitgave noodig bleek.

In dien tusschentijd, in 1873, was hij in het huwelijk getreden met mejuffrouw A.M.M.L. Eijkman, en den 11en Juli 1874 werd hem een zoon geboren. Dat kind stierf nog geen vier jaren oud en dat verlies knakte den dichter. De taal nog altijd meester, verhief hij zich niet meer. Zijn tweede bundel, in 1880 verschenen, voert dan ook den treurigen titel ‘Geen zomer.’ Een groot gedeelte ervan wordt ingenomen door liedgeworden tranen over het verloren jongske. Dat is zoo goed te begrijpen, o zoo goed! Maar toch moet men erkennen, dat hier de dichter op den achtergrond week voor den treurenden vader. Op deze gedichten volgt de fraaie bewerking van de legende van ‘Beatrijs’, en ten slotte een aantal gelegenheidsgedichten.

En behalve dat werkte hij ijverig mede aan allerlei tijdschriften. Nauwlijks is er eenig bekend tijdschrift van die jaren, dat zich er niet een eer in stelde zijne bijdragen te plaatsen; en hoe hoog hij werd gewaardeerd blijkt niet alleen uit zijne benoeming tot lid van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde en van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap, maar vooral dáaruit, dat de Gids-Redactie hem in 1881 uitnoodigde aan de leiding van Nederlands eerste tijdschrift deel te nemen.

Zijne studiën van het Zweedsch en Noorsch brachten hem naar Scandinavië. In 1886 gaf hij het opgewekte reisverhaal ‘Door Noorwegen’; besprak in de Mannen van beteekenis ‘Björnsterne Björnson’; vertaalde de sprookjes van Asbjörnson onder den titel van ‘Uit het land der middernachtzon’, en het heerlijke gedicht van Erik BöghDe pelgrimstocht der waarheid’.

[p. 281]

Tot zooverre zijn eigen scheppen. In 1872 was hij intusschen benoemd tot leeraar in het Nederlandsch en Hoogduitsch aan de Hoogere Burgerschool te Wageningen, eene instelling die later in Rijks-landbouwschool overging. In September 1895 trad hij op als Directeur van de Rijks Hoogere Burgerschool te Zwolle.

Tijdens zijn verblijf te Wageningen bewerkte hij o.a. den vierden druk van Jonckbloet's Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde; de zoo bekende bloemlezing ‘Van eigen bodem’; eene bloemlezing van de schoonste oude liederen onder den titel ‘Onverwelkte bloemen’ en eindelijk zijn ‘Four books of song’, die het beste der engelsche dichtkunst van de 19de eeuw bevatten.

In 1894, tijdens een verblijf te Scheveningen, werd hij getroffen door het gemis van eenig stoffelijk herinneringsteeken aan Wolff en Deken. Hij nam het initiatief tot het delgen van die schuld en zag - gesteund door tal van bewonderaars en bewonderaarsters der beide beroemde vrouwen - zijn pogen met goeden uitslag bekroond. Een gedenksteen wijst thans haar graf op het kerkhof ‘Ter navolging’, terwijl in die dagen de zoo wel geslaagde Wolff en Deken-tentoonstelling een gevolg was van zijn daad.

Slechts korten tijd mocht hij deze hulde aan de door hem zoo bewonderde vrouwen overleven. Op 4 April 1896 kwam hij te Zwolle door een noodlottig toeval, het versnellen van zijn rijwiel bij een weghelling, om het leven.

Zijne talrijke vrienden betreuren den sympathieken, vriend, den dichter. Den bescheiden kunstenaar is een blijvende plaats in de geschiedenis der Nederlandsche letterkunde verzekerd.

 

P.A.M. Boele van Hensbroek.