Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1898


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1803-1900


bron: Handelingen en mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, over het jaar 1897-1898. E.J. Brill, Leiden 1898  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 26]

Levensbericht van A.D. Loman.

Abraham Dirk Loman was de zoon van Jan Christiaan Loman, Evangelisch-Luthersch predikant, en Catharina Maria Stoop. Hij werd geboren in den Haag, den 16den September 1823, als de vijfde van tien kinderen. Tot knaap opgegroeid bezocht hij de school van den onderwijzer Neuman en daarenboven de Koninklijke Muziekschool. Door die dubbele opleiding werd de grond gelegd voor een ontwikkeling in twee richtingen, beide beantwoordende aan geërfden en met voorliefde gekweekten aanleg. Indien in dit levensbericht meer de geleerde dan de muzikus Loman op den voorgrond treedt, dan mag ter aanvulling verwezen worden naar wat in het tijdschrift voor Noord-Nederlands Muziekgeschiedenis van dit jaar door den Heer J.A. Sillem ter waardeering van den betreurden doode geschreven wordt.

In 1834 verhuisde het gezin naar Amsterdam, waarheen de vader beroepen was. De zoon ontving er zeer goed onderricht op de toen beroemde Nuts-school, eerst onder leiding van den onderwijzer Perk, later van Ippel. Maar reeds op veertienjarigen leeftijd werd hij voor zijn opleiding gezonden naar Arnhem, waar hij drie jaren

[p. 27]

verkeerde in het huis van Ds. A.J. Schröder, Evangelisch-Luthersch predikant aldaar. Hij ging er heen met zijn ouderen broeder Johannes Bernardus, die ook verder zijn trouwe studiemakker bleef maar in 1849 op zevenentwintig-jarigen leeftijd als Mr. in de rechten en Dr. in de letteren en docent aan het Athenaeum te Maastricht met den titel van professor overleed.

Ds. A.J. Schröder was een degelijk kenner der klassieke talen, een gevierd prediker en een ijverig pastor. Het dagelijksch verkeer met zulk een man kon op een aanstaand theoloog niet zonder goeden invloed blijven. Hij was ongehuwd en is het gebleven. Door zijn gemeente hoog gewaardeerd wees hij alle beroepen naar elders af. Een zuster bestuurde zijn huishouding. In zijn ruime woning huisvestte hij gedurende vele jaren jongelieden, die door hem werden onderwezen en op inderdaad vaderlijke wijze verzorgd en geleid. Zoo vond ook de jonge Loman bij hem een aangenaam verblijf. Over 't algemeen liberaal, maar met mystieke neigingen, is Schröder later een voorstander geworden van den Lutherschen ritus, dien hij met wijzigingen van eigen vinding te Arnhem invoerde. De moderne richting vond bij hem weinig sympathie, wat hij niet verheelde in de jaren, toen hij voorzitter was van de Evangelisch-Luthersche Synode. Ook de verhouding tusschen hem en zijn tot modern theoloog opgegroeiden leerling onderging er den invloed van. Toch kon de bijzondere en hartelijke genegenheid, die eens tusschen beiden bestond, door de veranderde omstandigheden nooit geheel worden uitgedoofd.

Drie jaren brachten de beide broeders in het huis van Ds. Schröder door. Het waren voor hen hoogst gelukkige jaren, waarin hard werd gewerkt, veel gewandeld en

[p. 28]

ook veel genoten, niet het minst op aesthetisch gebied. Johannes Bernardus was violist, Abraham Dirk violoncellist en zanger, later ook pianist en orgelist. Ds. Schröder was een warm vriend van de natuur en daar hij tevens een gezelligen en vriendelijken aard had, deelde hij zijn smaak aan zijn omgeving mede.

In October 1840 werd Loman als theologiae studiosus ingeschreven bij het Amsterdamsch Athenaeum en het Evangelisch-Luthersch Seminarium. Zijn eerste colleges hield hij bij Taco Roorda en D.J. van Lennep, waarvan de eerste een onuitwischbaren indruk op hem maakte. Later, in de theologie, volgde hij Royens, Cnoop Koopmans, maar vooral zijn eigen professor Plüschke, een zeer geleerd man en daarbij de bescheidenheid zelve. Hij was een Duitscher, die zijn Nederlandsch met Hoogduitschen tongval bleef spreken. Wat zijn richting betrof was hij rationalist, wetenschappelijk en behoedzaam te gelijk, niet uit menschenvrees, maar uit de overtuiging, dat het beter inzicht voor weinigen is weggelegd en dat de groote massa door misverstand gereed staat alle verder onderzoek onmogelijk te maken. Toen hij den 19den Aug. 1846 gestorven was, verklaarde Ds. Loman van den kansel: ‘In dien nederigen geleerde heeft God aan ons Kerkgenootschap een bijzondere gave geschonken’, en bij zijn graf maande de Hoogleeraar Domela Nieuwenhuis de studenten aan om, in den geest van den overledene, ‘meer te zijn dan te schijnen’. Blijkbaar is de invloed van dezen leermeester op den leerling niet zonder uitwerking gebleven. Minder baat zal hij gevonden hebben bij het onderwijs van de Hoogleeraren Ebersbach en Sartorius, extraordinarii, tevens predikanten bij de Evangelisch-Luthersche gemeente te Amsterdam, twee schran-

[p. 29]

dere mannen, maar dien het te eenenmale aan tijd en gelegenheid ontbrak, om zich aan de wetenschap te wijden.

In October 1845 werd Loman tot proponent bevorderd, nadat hij in de daaraan voorafgaande jaren al zijn examens te Leiden met den hoogsten lof had afgelegd. Eer hij zich in zijn laatste examenstudie verdiepte, ondernam hij met zijn broeder een reis van ruim drie maanden naar Heidelberg, Tubingen en Zwitserland. Brieven uit dien tijd zijn bewaard gebleven. De buitenlandsche wetenschap trok minstens evenzeer als het natuurschoon de jonge mannen aan. Het was van verreikende gevolgen, dat zij met eigen oogen het licht zagen branden, waarvan eerst in jaren later de stralen tot onze laag gelegen landen zouden doordringen. Te Heidelberg allereerst werden verschillende Hooggeleerden bezocht en colleges bijgewoond. Ullmann, Umbreit, Bähr en Weil, straks Rothe en Dittenberger, Schlosser en Röth krijgen een beurt. De colleges van Umbreit heeten ongenietbaar. Ullmann moet te veel stof in te kort tijdsbestek afhandelen. Schlosser ‘is een oud grijs man, maar vol vuur en leven. Hij is zoo vol van alles, wat in de tijden waarover hij spreekt gebeurd is, dat hij bijna nooit een periode voleindigt, maar in oneindige tusschenzinnen zijn onbegrijpelijken rijkdom van zakenkennis en helderen philosophischen blik in de geschiedenis verraadt. Daarbij slaat hij onophoudelijk met de handen op de catheder en heeft een zeer eigenaardig accent’. Röth doceerde als linguist en als philosoof. Bähr verschafte zijn gasten vrijen toegang tot het leesmuseum en de bibliotheek. Ook de reeds vijfentachtigjarige Paulus liet zich nog aan de jongelieden gelegen liggen. ‘In zijn gesprekken liet hij nog dapper los op al wat Orthodoxie heet’. Op reis naar Tubingen

[p. 30]

werd Heilbron aangedaan, de woonplaats van David Friedrich Strauss. ‘Ofschoon zijn spraakzaamheid veel minder te wenschen overliet dan ik ... vreesde, was zijn discours, als van iemand, die de theologie min of meer van de hand heeft gedaan, niet zeer beduidend. In allen geval heb ik geen berouw van deze kennismaking’, heet het van een bezoek te diens huize. Te Tubingen hoorde Loman Baur, Ewald, Beck, Meyer, Zeller, Fichte en Hefele. ‘Al deze voorlezingen’, zoo geeft hij zijn indrukken weer, ‘waren of door den inhoud of door de beroemdheid van den naam der docenten of door beide tegelijk, voor mij hoogst interessant en het is thans voor mij meer dan ooit klaar en uitgemaakt, dat noch wat theologie noch wat philosophie betreft, Heidelberg met Tubingen ook van verre kan wedijveren’. Over Baur luidt het getuigenis: ‘Van de kennismaking met hem had ik mij het meest voorgesteld en heb ik het minst geprofiteerd. Hij is een zeer droog man, met wien een geregelde conversatie allermoeielijkst is. (Ik spreek hierover niet enkel uit eigen ondervinding, zoo luidt ook de algemeene stem over hem). Zijn uiterlijk is terugstootend, waarover men zich trots zijn overige vriendelijkheid en beleefdheid moeielijk kan heenzetten. Het eenige wat ik van hem nieuws te hooren kreeg, was, dat hij van plan is binnen kort een monographie over Paulus in het licht te zenden. Zeker interessant genoeg. Het spijt mij wel, dat hij buiten zijne geleerdheid zoo weinig aantrekkelijks aan zich heeft’. Deze min gunstige indruk belette evenwel niet dat Loman vijfentwintig jaren later bij een terugblik spreken kon van zijn ‘enthusiasme voor den Tubingschen meester’, als van den blindgeborene, ‘die blind was geweest en nu zien kon’, en verklaren, ‘dat den bescheiden Duitschen geleerde een eereplaats toe-

[p. 31]

komt onder de vrienden en weldoeners van ons geslacht’.1.

Na zijn proponentsexamen ging Loman spoedig als hulpprediker naar Maastricht, waar hij werkzaam was naast den Hoogduitschen leeraar Sträter. Later volgde hij hem op als geordend predikant. Hij mocht er weer samenzijn met zijn broeder Johannes Bernardus, die er een aanstelling als docent in de oude talen had. Evenwel kwam doodelijke ziekte storend tusschen beiden. De docent moest verlof vragen en stierf in het voorjaar van 1849 te Amsterdam aan de tering. Hoe pijnlijk Loman deze scheiding vallen moest, kan men afleiden uit de volgende regelen, den patiënt op zijn jaardag geschreven: ‘Gij weet, ik geloof niet alleen aan den sterken invloed van gemoedsgesteldheid op die van het ligchaam, maar ook aan de werking van geesten op elkander, al is het ook, dat zij in ligchamen huizen, die ver van elkaar verwijderd zijn. Maar dan moeten die geesten naauw verwant zijn; dan moeten ze punten van aanraking hebben; dan moeten de gewaarwordingen elkander ontmoeten, en er moet eene éénheid, eene zamenstemming van gevoel bestaan. En dat zoo iets tusschen ons plaats heeft, is toch wel extra dubium positum! Ten minste van mijne zijde kan ik dat wel verzekeren. Vanwaar anders verklaar ik dat gedurig herhaalde zamentreffen met u in den droom, dat levendig verkeer, wat ik zoodoende met u onderhoud? En juist dat levendige van die indrukken doet mij gelooven, dat er ook aan uwe zijde zoo iets plaats heeft’. 't Gold dan ook den broeder, met wien hij zoo innig had samengewerkt en samengenoten. Toch was hij blijkbaar op het punt van deze uitingen, die meer door het gevoel dan door het verstand waren ingegeven, niet volkomen

[p. 32]

gerust, want hij liet er op volgen: ‘Laat ge deze mijne redeneering geen regt wedervaren, bedenk dan toch, dat ik tegenwoordig 5 uur in de week catechiseer en dus mij gewen halve argumenten voor heele aan te zien. Men moet een dominee maar wat laten déraisonneeren. Hoe kwam hij er anders! hoe kreeg hij anders zijn preeken vol?’

De hier bedoelde catechetische en homiletische arbeid, die voor de wetenschappelijke consciëntie van den briefschrijver zoo onevenredige proportiën dreigde te zullen aannemen, moest verricht worden te Deventer, werwaarts Loman in het vroege voorjaar van datzelfde jaar 1849 verhuisde. Zijn voorliefde voor ‘heele argumenten’ belette niet, dat hij er met vrucht werkzaam was. De gemeente, die aan het verloopen was, bracht hij tot zeer bloeienden staat. De kerk werd vergroot. Een nieuw orgel kwam er prijken. Over allerlei kringen breidde zich de belangstelling uit. Een paar preeken uit dien tijd zijn door den druk bewaard gebleven. De eene over ‘Het huisgezin van Isak en Rebekka’1 zou aan den smaak van dezen tijd kwalijk meer voldoen. De andere heeft meer historisch belang en is kenmerkend voor Loman. Reeds de titel: ‘Zouden wij ook wel doen, ons de benoeming van bisschoppen hier te lande wat minder aan te trekken?’2 herinnert ons aan zijn bezadigdheid en zijn vrees voor bekorting van anderer rechten. Gallio's verhouding ten opzichte van religie en straatrumoer wordt er in ter sprake gebracht en de uitgave geschiedde als een ‘beroep op het gezond verstand, op het gevoel van regt en pligt’ tegenover ‘de stem, die tot de gevaarlijkste hartstogten

[p. 33]

des volks spreekt’. Zij moest ‘de goede verstandhouding tusschen Roomsch en On-roomsch bevorderen en de breuke heelen, die hier of daar reeds mogt ontstaan zijn’. Het stoute woord te midden van de zoogenaamde Aprilbeweging haalde den redenaar menige terechtwijzing op den hals. De Algemeene Konst- en Letterbode1 roemde het. Ook de Arnhemsche Courant2, behoudens protest tegen wat zij noemt een ‘politieke preek’. Andere bladen naar gelang van omstandigheden. De Fakkel3 sprak van ‘de verblindheid der predikanten Loman (vader en zoon)’. Beschouwingen in particuliere brieven sloten er zich bij aan. Loman intusschen had getuigd, dat het groote gevaar niet gelegen was in de kracht van Rome, noch in de lauwheid der Protestanten, maar ‘in de weinige zorg die er gedragen wordt, om twist te vermijden, om de goede verstandhouding tusschen burgers en burgers te bewaren, in de onverschilligheid voor de groote zaak des Christendoms, welke is: het heil van allen door algemeene verbroedering’.

Dat de muzikale voorganger zeer ijverde voor verbetering van het gemeentegezang, was natuurlijk. De komst van het nieuwe orgel is zeker niet buiten hem omgegaan. Ook gaf hij driestemmige koralen uit en een Evangelisch-Luthersch koraal- en orgelboek, waartoe de Synode subsidie verleende. Voorts organiseerde hij kerkkoren en feestelijke uitvoeringen. De Algemeene Konst- en Letterbode van 1855 bevat van zijne hand een artikel over Muziek bij de oude Hebraeën, ten bewijze dat zijn wetenschappelijke zin hem bij dit alles niet begaf. Was hij zoo de ziel van het krachtig zich ontwikkelend kunstleven in Deventer, ook als man van studie was hij er

[p. 34]

goed op zijn plaats. Aan leerzamen omgang heeft het er hem niet ontbroken. De wiskundige Bierens de Haan, de physicus van der Willigen, de Frisoloog Halbertsma en diens zonen Hidde en Tjalling, allen bestemd voor een roemrijke carrière, waren er werkzaam. Ook met den bekenden Dr. Molhuysen was hij zeer intiem. Muntte hij later boven velen uit door ruimen, vrijen blik, hij heeft het zeker mede voor een goed deel aan zijn verblijf in Deventer te danken.

Dat verblijf naderde reeds zijn einde, toen den eenzame de zegen ten deel viel van echt huiselijk leven. Den 27sten April 1855 trad hij in het huwelijk met Mejuffrouw Anna Maria Willet. Ook werd de oudste zoon, thans als Dr. J.C.C. Loman docent te Amsterdam, nog in Deventer geboren. Maar reeds had Millies het Luthersch Seminarie verlaten voor zijn professoraat in de Oostersche talen te Utrecht en was Loman aangewezen om diens plaats in te nemen. Den 27sten Oct. 1856 trad hij met een Oratio de germani theologi humanitate te Amsterdam als Hoogleeraar op, versierd weldra met een doctoraat honoris causa door de Leidsche Universiteit. Het groote publiek wist van zijn wetenschappelijke capaciteiten toen nog weinig meer, dan dat hij in Opmerkingen over Jesaja VII: 14-16, in betrekking tot hetgeen daarover door Dr. van Oosterzee in zijne Christologie I, pag. 256-268, wordt gezegd1 getoond had in exegeticis niet onbedreven en tevens geen onhandig debater te zijn.

Van dien 27sten Oct. 1856 tot aan zijn emeritaat op zeventigjarigen leeftijd in 1893 of zelfs tot aan zijn dood in 1897 strekt zich nu een lange, gelijkmatige periode uit van studeeren en doceeren en arbeiden met de pen.

[p. 35]

Eenige verhuizingen binnen den omtrek van Amsterdam, wijzigingen in de verhouding tusschen het Seminarium en het Athenaeum, straks de Universiteit, zijn de eenige veranderingen, waarvan hier sprake wezen kan. Een chronologische bespreking van zijne pennevruchten zou dus resten, wanneer het niet voor de lezers wenschelijk ware het chronologisch raam zooveel mogelijk onzichtbaar te maken, en indien er niet daarenboven in die periode een keerpunt ware op te merken, dat in een biographie van Loman allerminst mag worden voorbijgezien. Ik doel daarbij niet op het droevig verlies van een eerste vrouw, waardoor al spoedig het verblijf te Amsterdam werd verduisterd1. Immers hier brak het licht weer door in een tweede huwelijk met Mejuffrouw Ida Augusta Kerkhoven2, waaruit, zooals bekend is, kinderen ontsproten van naam en van talent. Maar in het voorjaar van 1871 begon voor hem een ooglijden, dat al spoedig het verlies van één oog ten gevolge had en in 1874 uitliep op volslagen blindheid. Wat er in dat tijdperk in hem omging laat zich beter gissen dan beschrijven. Mocht al de muziek zijn troost kunnen blijven, zijn wetenschappelijke carrière scheen er mee gemoeid, om niet te spreken van de vereenzaming en de hulpbehoevendheid, die in zulk een afsluiting van het licht der buitenwereld besloten is. Toch is hij uit dezen strijd, dank zij zijn geestkracht en de hem aangeboren talenten, als overwinnaar te voorschijn gekomen. Door zijn huis vond hij met behoedzaamheid tastende den weg. Geleid door een dochter, die zich sinds geheel aan hem wijdde, soms ook door een ambtgenoot of vriend, vertoonde hij zich in het openbaar en bezocht hij de gewone samenkomsten. Op zijn studeerkamer nam

[p. 36]

hij schrijvers in zijn dienst, die den weg leerden in zijn bibliotheek, hem voorlazen en op schrift brachten wat hij dicteerde. Een nieuwe methode van werken werd uitgedacht. Excerpten uit of aanteekeningen op de boeken, waarmede hij kennis maakte, werden verzameld in cahiers en deze zorgvuldig van nummers en inhoudsopgaven voorzien. Letters en cijfers deden bij die registratie dienst. Groepen van verwanten inhoud werden bijeengevoegd en door afzonderlijke merkteekenen onderscheiden. Wekte een der zonen de algemeene bewondering door geblinddoekt of met den rug naar een reeks schaakspellen gekeerd ze schier alle te winnen van de tegenspelers, de vader van dien zoon bezat een niet minder verbazingwekkend voorstellingsvermogen. Zoo kon het geschieden, dat hij met behulp van steeds afwisselend en dus slechts tot geringe hoogte deskundig personeel al dat schriftelijk materiaal beheerschte en studiën dicteerde zoo minutieus, dat menig helderziend criticus al zijn inspanning noodig had om ze te volgen, of betoogen van zoo langen adem, dat geoefende denkers niet zonder inspanning den draad vermochten vast te houden. Ja uit deze periode dagteekenen juist de geschriften, die om het kloeke van de beweringen en de ver-reikendheid van de gevolgen Loman's naam het meest op aller lippen hebben gebracht. Hij mocht dan ook de voldoening smaken, dat bij de reconstructie van het theologisch onderwijs ter gelegenheid van de herschepping van het Athenaeum in een stedelijke Universiteit, in 1877, op zijn werkkracht als geleerde en docent nog wel deugdelijk werd gerekend en dat hij in 1885 benoemd werd tot lid der Kon. Akademie van Wetenschappen. En wat hemzelven betrof, ten dage toen hij als zeventigjarige zijn professoraat neerlegde, vond hij vrijmoedigheid om te verklaren, dat de laatste twintig

[p. 37]

jaren, die hij in duisternis naar de wereld had doorgebracht, de gelukkigste geweest waren van zijn leven. Dat dit geen grootspraak was, getuigde tot aan het laatste toe zijn uiterlijk, waarvan een verheven vrede straalde en dat door al wie hem van nabij of van verre kende steeds met eerbiedige sympathie werd aanschouwd.

Wij houden hier de beschouwingen in de pen, waartoe een psychologisch feit van deze beteekenis onwillekeurig uitlokt. Wij verheugen ons, dat de schilder Jan Veth dit welsprekend aangezicht voor de vergetelheid heeft bewaard. Het aandoenlijk portret, in afdruk door het tijdschrift Eigen haard met een Bijschrift van Böhringer onder de oogen van het groote publiek gebracht1, voorloopig vermoedelijk nog voor de familie een kostbaar bezit, moge te eenigen tijde zijn weg vinden naar de Senaatskamer der Amsterdamsche Universiteit, om tot in lengte van dagen voor de studeerende jongelingschap te getuigen van wat geestkracht vermag.

Intusschen hebben wij dan nu Loman gade te slaan bij zijn arbeid als Hoogleeraar.

Dat de voormalige predikant met het aandoen van de professorale toga niet terstond de neiging noch de geschiktheid verloor om werkzaam te zijn buiten den kring der geleerden in engeren zin, is natuurlijk. Vandaar allereerst, dat populaire tijdschriften bij herhaling artikelen van zijne hand konden opnemen. Zoo de Evangeliespiegel, indertijd geredigeerd door den vader van steller dezes, Dr. L.S.P. Meyboom. Wij ontmoeten daarin een studie over Paulus en de Zuilen-apostelen2, iets over Het Evangelie en de levensbeschrijvingen van Jezus3, over Rome en het Italiaansche vraagstuk4, over Geloof

[p. 38]

en Kritiek1. Zoo Nieuw en Oud, onder redactie van Herderscheê en Poelman. Daarin werd Psalm VIII2 behandeld en Het vierde Evangelie3, dit laatste naar aanleiding van Scholten's bekend boek over het onderwerp. Een Tijdbeschouwing volgde er in 1871, onder indruk van dezelfde gebeurtenissen ten deele, die in 1870 in de Tijdvragen van Witkamp de bladzijden over De oorlog en de beschaving hadden doen openbaar maken, voor een ander deel bestemd om hervormingsgezinde hoorders - het was een voordracht, die den 2en Maart onder dien titel gehouden werd - te bemoedigen door het vooruitzicht op overwinning in den geestelijken strijd. In datzelfde Nieuw en Oud vond vermoedelijk ook een plaats de studie over Matth. 18 : 6, waarvan de titel: Een hard woord van den zachtmoedige mij bijgebleven is.

De grens tusschen populair en wetenschappelijk is niet gemakkelijk te trekken. Ofschoon de artikelen in de Evangeliespiegel vrij pittig gesteld zijn, heeft Loman bij die voor Nieuw en Oud zich blijkbaar ietwat meer theologisch geschoolde lezers gedacht. En althans heeft hij dat gedaan, zoo vaak hij de Gids tot dépôt voor zijn studiën bestemde, weshalve ik daarover zal mogen zwijgen in dit verband. Moet ik dit ook doen over de voordrachten, die gehouden werden over theologische onderwerpen? Maar ze golden rechtstreeks het groote publiek en zetten dus in een tijd, toen van University-extension nog geen sprake was, de tradities van Loman's pastorale werkzaamheid voort. Een combinatie minstens van beiden was het, toen in 1865 Hoogleeraren en Predikanten zich vereenigden om het publiek in te lichten over ‘De bijbelsche berichten aangaande het leven van Jezus.’ Te

[p. 39]

Amsterdam in de zaal van Odéon traden zij op met een achttal lezingen tot dat doel. Groot was het succes en buitengewoon de belangstelling. Het was de tijd toen de nieuwere critiek in ons land haar intocht deed en de traditioneele voorstelling van zaken veranderde. Loman had daarbij op zich genomen ‘Het evangelie van Johannes naar oorsprong, bestemming en gebruik in de oudheid’ te bespreken. Wien het niet gegund was de voordrachten te hooren, die was zoo gelukkig ze later te kunnen lezen, want ze kwamen afzonderlijk uit1. Een combinatie van beiden mocht het ook heeten, toen Loman, na den 2den October 1868 zijn colleges te hebben geopend met een toespraak over Protestantisme en Kerkgezag aan de leden der Vereeniging ‘Licht, Liefde, Leven’ te Schiedam, eenige weken later dezelfde toespraak ten beste gaf, natuurlijk met een andere ‘Voorafspraak’, die op verzoek van genoemde leden afzonderlijk gedrukt werd, ‘omdat ze die met de Toespraak als een blijvende herinnering aan een genotvollen avond wenschten te bezitten’. Een derde voorlezing, in 1873 verschenen, strekte ter beantwoording der vraag: ‘wie zijn de bestrijders der moderne richting en wat leggen zij haar te laste?’ en voerde den titel: De modernen als middenpartij. Onder welke rubriek ik Godsdienst en Christendom moet rangschikken, waarvan ik een afdruk zonder aanwijzing van plaats of tijd onder de papieren vond, bleef mij een verborgenheid. Het maakt een inventaris op van wat ons bruikbaars rest uit het kerkelijk religieus verleden en handhaaft daarbij voor de kinderen van den nieuwen tijd het recht op den Christennaam, besluitende met de woorden; ‘ons ideaal is maar ons ideaal; maar het Christendom is het ideaal der godsdienstige menschheid’.

[p. 40]

Maar mogen wij hier de grenzen tusschen het pastorale en het universitaire bij herhaling niet alleen genaderd, maar zelfs overschreden zien, aan den predikant Loman in den vollen zin herinnert wat aan kanselarbeid zijn collegewerk vergezelde. Bij herhaling verschenen ook nog kerkelijke toespraken in het licht. Zoo in 1871 naar aanleiding van 2 Cor. 12 : 10a een over De veerkracht van den godsdienstigen mensch, in de ‘Taal des geloofs’ onder redactie van W. de Meyier, gelijk in 1869 een Kerstpreek in de Stuiverspreeken onder redactie van Dr. H. Oort. Ik liet dezen in retrogressieve orde voorafgaan om zoo geleidelijk te komen tot de befaamde Paaschpreek: ‘Wat zoekt gij den levende bij de dooden?’ Het was in 1862 dat deze rede, beginnende met: ‘Toen ik een kind was, sprak is als een kind’, voor de Evangelisch-Luthersche gemeente te Amsterdam gehouden werd. De geruchten drongen door tot vader Lentz, die, meenende dat aan de hem toevertrouwde gemeente een ergernis gegeven was, waarbij hij niet zwijgen mocht, naar de pen greep en ‘in einem offenen Briefe an Herrn Prof. Dr. A.D. Loman’ ‘die alte Wahrheit wider einen neuen Angriff’ verdedigde1. Het gevolg was dat de Paaschpreek in druk verscheen, ‘voorafgegaan door een antwoord aan den Weleerw. Zeergel. Heer Ludwig C. Lentz’. En toen Dr. Bornscheuer te Vaals in Limburg de hem m.a. toegezonden brochure beantwoordde met ‘Ein Gegengeschenk oder öffentliche Erwiderung auf das Schriftchen des Hrn Prof. Dr. A.D. Loman’, moest de auteur zich andermaal in het openbaar verweren, nu bepaaldelijk tegen het verwijt, dat er te weinig ‘hoorvrijheid’ of omgekeerd dat er ‘hoogeschooldwang’ zou bestaan bij het

[p. 41]

Luthersch Seminarium en mitsdien de jongelieden huns ondanks zouden blootstaan aan moderne ‘(ver?)leiding’1. De goede toon werd evenwel in deze replieken niet verzaakt. Integendeel is met name het verweer tegen Dr. Lentz een model van vriendelijke terechtwijzing.

Als Hoogleeraar aan het Seminarium bleef Loman in rechtstreeksche betrekking tot het Luthersch Kerkgenootschap, wel niet als wat men bij de Hervormden eertijds noemde Academieprediker, maar toch als medebestuurder der Kerk, als prae-adviseerend lid der Synode. Als zoodanig kwam hij eenige malen in moeilijke omstandigheden. De Luthersche Kerk ontkwam zoo min als eenig ander uit het verleden tot ons gekomen godsdienstig genootschap aan de noodzakelijkheid om een oplossing te beproeven van de quaesties, die het conflict tusschen den ouden en den nieuwen tijd in het leven riep. Confessionalisme of individueele vrijheid, daarover liep ook bij haar gelijk allerwege de strijd. Het opkomen der moderne richting in toepassing van de nieuwere wetenschap deed dien strijd ontbranden. Zoo kon reeds in 1868 de Eerwaarde Heer A.J. Schröder als voorzitter der Synode zich niet weerhouden in zijn openingsrede een philippica in te vlechten tegen de moderne theologie en te doelen op kerkelijke maatregelen tot verweer. Loman, beducht dat daardoor booze geesten zouden worden wakker geroepen, te meer daar uitgave van het openingswoord voor rekening van de Synode aan het beweren van den voorzitter een schijnbaar officiëel karakter gegeven had, stelde alle overwegingen van persoonlijken aard ter zijde, schreef Een paar woorden naar aanleiding van de bewuste rede en gaf die gratis verkrijgbaar voor allen, aan wie

[p. 42]

zij was toegezonden. Zoo stond dan de pupil tegenover den mentor, een man ‘wien (hij) evenals velen hooge achting toedroeg, in wiens vriendschap (hij) zich gedurende een reeks van jaren had mogen verheugen’, en dit in het besef, dat de te spreken woorden hem ‘in meer dan één opzicht ongevallig zouden zijn’. Evenwel, niet de mannen stonden hier tegenover elkaar. Veeleer de beginselen. Veeleer de oude en de nieuwe tijd. Tegelijk met zijn pleidooi voor de vrije ontwikkeling van het godsdienstig leven zond de steller ook zijn boven vermelde toespraak over Protestantisme en Kerkgezag rond. Zoo werd de strijd voor het liberale beginsel in allen ernst aangebonden. 't Was slechts een voorpostengevecht. Eenige jaren later rakelde de Synodale commissie een bijna vergeten reglement op en legde dat op eigen wijze uit, op grond daarvan een schrijven richtende aan de Kerkeraden, met de aanmaning om te waken tegen het gebruik van niet-Luthersche catechisatieboekjes. Ook wees zij een candidaat voor de predikantsbetrekking bij het examen om redenen, buiten onvoldoende kennis gelegen, af. Loman lichtte oogenblikkelijk in het Nieuw Kerkelijk Weekblad, waarin zij was openbaar gemaakt, eerstgenoemde circulaire voor de lezers toe1 en vatte beide punten samen in een adres aan de Synode2, waarin er op werd aangedrongen, dat de Synodale commissie zou worden tot de orde geroepen en de bedenkelijke gevolgen van haar willekeurig optreden zouden worden voorkomen of te niet gedaan. Zoo bleek de crisis in vollen gang. Van tegenovergestelde zijde werd de Synode bestormd door adressanten, die wegens het dulden van moderne prediking den Amsterdamschen Kerkeraad onder censuur wensch-

[p. 43]

ten gesteld te zien. Als lid van dien Kerkeraad nam Jhr. de Bosch Kemper het daartegen voor de vrijheid op. Een stroom van brochures vóór en tegen volgde1. Voorstellen tot wijziging van de proponentsformule werden bij de Synode ingediend. Het gevolg was, dat bij circulaire van 1874 de verklaring werd afgelegd: ‘Bij dit groote verschil in onze vergadering en bij het gevaar dat bij een kleine verandering in het personeel de beslissingen, door de Synode te nemen, het eene jaar van het andere zouden kunnen verschillen, wanneer de besluiten met de meerderheid van een enkele stem genomen worden, meent de meerderheid, dat het onvoorzigtig en ongeraden is, door kerkelijke uitspraken in de aanhangende godsdienstgeschillen tusschenbeide te treden’. Zoo was dan de vrijheid voorloopig gered. Een Antwoord op deze circulaire door eenige leden van het Evangelisch-Luthersch Kerkgenootschap2 kon niet meer baten. Van dezen uitslag, die voortwerkt tot op den huidigen dag, komt mede voor een deel de roem aan het waardig en overtuigend optreden van Loman toe.

Ook buiten het gebied der kerk deed zich zijn invloed gelden. Allereerst in de muzikale wereld. Hier werden de traditiën van Deventer voortgezet. Zijn onderzoekingen op dit gebied namen al spoedig een grooten omvang. De gansche geschiedenis der toonkunst van de dagen der Hebraeën tot heden volgde hij met ijverige belangstelling en kritischen blik. Door Donders en Helmholtz bleef hij op de hoogte van het allernieuwste over acoustiek en klankleer en door zijn intieme relatie met Dr. J.P. Heye

[p. 44]

en J.J.H. Verhulst en zijn betrekking tot alle musici van naam in Nederland en velen in het buitenland, die hem, als zij te Amsterdam kwamen, steeds bezochten, ontving hij overvloed van het beste en rijkste materiaal voor zijn studie. Van de Maatschappij tot bevordering der toonkunst, de Vereeniging voor Noord-Nederlands muziekgeschiedenis, de Koraalvereeniging, de Koorvereeniging was hij niet alleen jaren lang hoofdbestuurder en herhaaldelijk voorzitter, maar tevens krachtig medewerker en pionier. Met Dr. Heye heeft hij de meeste dier vereenigingen gesticht. Op het vijftigjarig feest van Caecilia hield hij de feestrede. Ook gaf hij uit: Valerius' Gedenckclanck1, de Geuzenliedjes2 en eenige kleine muziekstukken van eigen compositie. Van dichterlijke gaven niet verstoken, leverde hij bij sommige melodieën den tekst. In den bundel Godsdienstige liederen van den Nederlandschen Protestantenbond zijn een drietal wat den oorsprong betreft met A.D. Loman gemerkt3, en evenzoo een zestal in het Gezangboek in 1884 uitgegeven door de Evang. Luth. Synode4. Uit het Hooglied stelde hij een Oratorium in vier tafereelen samen, dat gepubliceerd werd5 met de bijvoeging: ‘Het recht op muzikale bewerking wordt voorbehouden’. Nog in 1895 verscheen van zijn hand een studie over De melodie van het Wilhelmus6. De uitgave van de Oud-Nederlandsche liederen uit den ‘Nederlandschen Gedenckclanck’ bracht hem in polemiek met Dr. J. van Vloten, die zich in den hem eigenen trant een ‘nalezing’ daarop veroorloofde7. Zij werd met Een paar aanteekeningen op Loman waar-

[p. 45]

dige wijze beantwoord. In hoever verslagen van muziekuitvoeringen in dagbladen, als uitknipsels tusschen zijn papieren gevonden, van zijne hand waren, is kwalijk meer na te gaan. Maar met zijn volle onderteekening verscheen onder den titel Kunstkritiek in de hoofdstad in het Nieuws van den Dag van 11 Dec. 1872, nadat zij door het Handelsblad geweigerd was, een geharnaste polemiek tegen een anonymus, die zich zonder kennis van zaken tot een veroordeelend vonnis over Händel's Acis und Galathea en Niels Gade's Kreuzfahrer had verstout. Alles liever bij dezen vereerder der Muzen, dan dat ‘verwarring’ gesticht werd in het kunstoordeel van het groote publiek. Ik voeg hier nog bij, dat hij het levensbericht stelde van Jhr. Mr. J.C.M. van Riemsdijk1, en dit op grond van langdurige samenwerking met dezen kunstkenner aan uitgaven, door de Vereeniging voor Noord-Nederlands Muziekgeschiedenis bezorgd. In 1894, in het Weekblad voor Muziek van Nolthenius, schreef hij nog een stuk ter gedachtenis aan Mevr. Röntgen, geb. Amanda Maier.

Een afzonderlijke vermelding verdient ook Loman's ijver voor deugdelijk onderwijs. In een brief van den jongen predikant uit Deventer staat te lezen: ‘Men doet hier veel voor het publiek. Prof. v.d. Willigen geeft een cursus populaire sterrenkunde, ook gratis. Dan zijn er goede teeken-, boetseer- en timmer- (of handwerk-)scholen van het Nut. Er komt weldra een volkszangschool. Wat zal dus het volk hier knap worden!’ In deze woorden mengen zich nog op eigenaardige wijze belangstelling en ironie. Slechts de belangstelling zou blijven en in geestdriftig ijveren overslaan. Toen in 1863 de nieuwe wet op het Middelbaar onderwijs in werking was gesteld en

[p. 46]

sinds allerwege Hoogere burgerscholen in 't leven geroepen werden, maar Amsterdam nalatig bleef, volgde in 1865 onder het motto ‘Gij zijt verzwakt, verlamd, gebroken, o afgeleefde Bestemoêr’, Een ernstig woord van een Amsterdammer aan zijne medeburgers over Het middelbaar onderwijs in de hoofdstad. Die Amsterdammer was Loman. Hij gaf een historie van de quaestie en eindigde met namens de Amsterdamsche burgerlieden de Overheid toe te voegen: ‘Zoo feiten, die luide spreken, ons het besef opdringen, dat verwaarloosd, neen: voorbedachtelijk vernietigd wordt, wat wij in uwe handen veilig achtten, dan zal de kracht van onzen regtmatigen en wettelijken tegenstand geëvenredigd zijn aan de bitterheid onzer teleurstelling’. Eenzelfde ongeduld kenmerkte hem vijf jaren later. Er was toen behoefte aan een middelbare school voor meisjes. Een voorstel-Büchner beoogde den raad te nopen er in te voorzien. De kiesvereeniging Burgerplicht deed haar best om de zaak te steunen. Maar er was oppositie te overwinnen. De houding van sommige raadsleden maakte de ergernis gaande der onderwijsvrienden. Toen deed ‘Trux’ Een bescheiden maar dringend verzoek aan de Redactie van het Noorden1 en wel om zich in postuur te zetten tegen de ‘halve’, de ‘valsche’ liberalen. Hoe? roept hij uit, ‘een liberaal raadslid zal een onderwijsbelang schaden en de algemeene verontwaardiging der liberalen roept geen wraak? men verneemt niet eens de waarschuwing aan de liberale kiezers: houdt deze schijnvrienden in het oog en rekent met hen af bij de eerstvolgende verkiezing?’ Wederom vijf jaren later stond hij aan het hoofd van een adresbeweging met het oog op een nieuwe regeling van het Hooger Onder-

[p. 47]

wijs. De regeering scheen toen op het punt de theologie zoo niet te schrappen uit de rij der universitaire vakken, dan toch haar van kracht en heerlijkheid beroofd in een hoek te dringen. De requestranten gaven daartegenover aan de Tweede Kamer in overweging, òf aan het aanhangige ontwerp de goedkeuring te weigeren, òf daarin zulke wijzigingen te brengen, dat 1o aan alle Lands-Universiteiten het bestaande theologisch onderwijs uitgebreid, immers meer in overeenstemming met de hedendaagsche eischen der godsdienstwetenschap gebracht, en dientengevolge meer algemeen bruikbaar gemaakt werd; dat 2o behoudens hetgeen de kerkgenootschappen, op grond van verkregen rechten, mochten kunnen eischen, geheel gebroken werd met het stelsel van subsidieering van kerkelijke scholen, feitelijk aan de zorg en het toezicht van den Staat onttrokken’. Deze opvatting was in strijd met de illusiën der uiterste linker- zoowel als der rechterzijde. Vandaar een polemiek in den Spectator met zekeren W., een renegaat, die in een artikel over ‘de Kristelijke godgeleerdheid der zoogenaamde modernen en de godsdienstwetenschap’ gepoogd had de kracht van het request te breken1. Toen het pogen der regeering verijdeld en de theologie, geseculariseerd, haar plaats aan de Hoogeschool had behouden, was Loman weer de man, die met die secularisatie vollen ernst wenschte te maken. Vandaar reeds in het request de opmerking: ‘Geen Christelijke of Israeliëtische gezindte, of zij telt in haar midden mannen, die een sieraad zouden zijn voor de faculteit der godsdienstwetenschap, aan de vaderlandsche Univerteiten vertegenwoordigd’; vandaar in de vergadering van moderne theologen den 1en Mei 1878 het betoog, ‘dat

[p. 48]

er een einde moet komen aan den onwaren toestand, dat de officiëele wetenschap zich dienstbaar stelt aan eenig kerkgenootschap; dat de godsdienst niet bestemd is om een twistappel te zijn in de maatschappij; dat voor goed het spooksel moet worden uitgedreven: de theologie voor de kerk’. Zijn Oratio pro domo in De Gids van 1893 was wederom een pleidooi voor dezelfde zaak.

 

Zoo zijn wij langs omwegen gekomen tot wat hier de hoofdzaak heeten mag, Loman als academisch docent en als geleerde. Tijdgenooten van steller dezes, die hem gekend hebben in de eerste jaren van zijn professorale werkzaamheid, vóór de droevige catastrophe van 1870-74, zullen zich hem herinneren, zooals hij in de ietwat sombere collegekamer van zijn private woning Encyclopaedie gaf of Geschiedenis van den Kanon. De Series' van dien tijd maken ook melding van Exegese des Ouden en des Nieuwen Testaments, van philosophia religionis en theologia biblica, ook van dogmengeschiedenis. De zelfstandigheid der Seminaria naast het Athenaeum maakte slechts tot zekere hoogte samenwerking van Hoogleeraren mogelijk en verplichtte de meesten tot een veelomvattend onderwijs. Ook waren de ruimere collegekamers van het gebouw der tegenwoordige Universiteitsbibliotheek eerst sinds 1862 voor de docenten beschikbaar. Vóór dien tijd bereikten de Heeren Studiosi niet zonder moeite door allerlei onderdeuren en soms donkere gangen de localiteiten, waar het geestelijk voedsel hun geboden werd. Zoo herinneren zich de ouderen Loman achter de catheder bij het raam in een laag gewelfd en spaarzaam verlicht vertrek. Hij dicteerde er zijn soliede paragrafen en gaf er mondeling zijn toelichting bij, het een zoowel als het ander langzaam maar zeker. ‘Wat meer leven in

[p. 49]

de voordracht zou zijnen hoorders zeer aangenaam zijn’, lezen wij in een Almanak uit die jaren. Schijnt deze verzuchting een klacht te behelzen, zij slinkt weg bij de herhaalde loftuitingen op degelijkheid en wetenschappelijkheid, uitloopende op de bede: ‘Lang moge het Luthersch Seminarium hem bezitten, lang moge hij ook door zijn grondige taalkennis studenten van andere gezindheden lust en ijver voor de wetenschap inboezemen’. Jongere generatiën, met name degenen, die na de droevige verandering van 1872 onder zijn leiding kwamen, zullen vermoedelijk op andere wijze heur herinneringen en indrukken onder woorden brengen. Wij kunnen ons voorstellen, hoe improvisatiën het periodiek dicteeren vervingen, tenzij aan de alumni zelven inzage en voorlezing van de geschreven stukken werd vergund; maar tevens ons voorstellen, dat de voordrachten meer van algemeenen, beschouwenden en zelfs bespiegelenden aard werden, en dat te meer, naarmate de Hoogleeraar zelf met den voortgang zijner jaren aan dieper en omvangrijker problemen zijn krachten wijdde. 't Zou niet te verwonderen zijn, zoo jongelingen van middelmatige of minder dan middelmatige talenten een totaalindruk hadden overgehouden van zwaarwichtige en niet altijd gemakkelijk te volgen vertoogen. Mocht dit het geval zijn - wij meenen soms geruchten van iets dergelijks te hebben opgevangen - dan blijft in elk geval dit feit te constateeren, dat naarmate de docent met te onoverkomelijker bezwaren had te worstelen, zijn onderwijs, zoo het dan al practisch wat minder bruikbaar werd, aan rijkdom van inhoud in stede van te verliezen, te meer gewonnen heeft. Wij mogen hier nog bijvoegen, dat hij ook gaarne in een privatissimum studenten om zich vereenigde voor de gemeenschappelijke lectuur van kerkvaders, waarbij hij zich

[p. 50]

dan steeds een vriendelijken mentor en een gul gastheer betoonde.

Aan de omstandigheid, dat Loman ook Exegese des Ouden Testaments doceerde, is het zeker te danken, dat hij aanvankelijk soms optrad met verhandelingen over onderwerpen uit Oud-testamentisch gebied. Wij maakten reeds kennis met een populair artikel over Psalm VIII. De populariteit schuilt evenwel ook daar reeds meer in den vorm, dan in het wezen; immers in hoofdzaak kwam de studie neer op een wetenschappelijke exegese, leidende tot een verbeterde vertaling. Zij dagteekende van 1861. Daaraan vooraf waren reeds gegaan een paar verhandelingen in de Godgeleerde Bijdragen. De eene, van 1855, nog uit den Deventerschen tijd, behelsde de Opmerkingen over Jes. VII : 14-16, boven terloops genoemd. Daarin is reeds de polemicus aan het woord, die later bij herhaling zijn conservatieve tegenstanders door de kracht der waarheid in de engte zal drijven. De andere, van 1858, over Gen. XLIX, het Lied van Jacob, gaf een beoordeelend verslag van het Specimen, waarmede de orientalist J.P.N. Land zich den doctorsgraad verwierf. Het getuigde van groote ingenomenheid en vormde als zoodanig een tegenhanger van de bespreking van Rutgers' ‘De echtheid van het tweede gedeelte van Jesaja aangetoond’, waarvan de titel Een apologetisch kunststuk maar al te duidelijk de slotsom te kennen gaf. Dit laatste artikel verscheen in 1866 in de Gids. Te zeggen dat het begon met de woorden: ‘In het oog van allen, die tot de hedendaagsche kritische school behooren, draagt dit boek zijn vonnis aan het voorhoofd’, en eindigt met de opmerking ‘dat groote geleerdheid zelfs, waar zij in dienst van een onredelijk dogmatisme wordt aangewend, geen vrucht voor de ontwikkeling der wetenschap afwerpt’,

[p. 51]

kan volstaan om een denkbeeld te geven van den nadruk, waarmede er het bedoelde vonnis bekrachtigd werd.

Blijkt uit deze verhandelingen, dat Loman, wat zijn reputatie betreft, veilig in deze richting verder had kunnen gaan, de omstandigheden en misschien ook zekere voorliefde hebben hem al spoedig geleid op de banen van het Nieuw-testamentisch onderzoek en de studie der daaraan verwante litteratuur, met name uit de oudste periode der Christelijke kerk.

Evenwel niet uitsluitend. Toen in 1876 Doedes een ‘Encyclopaedie der Christelijke Theologie’ uitgaf, kon de docent in dat vak niet in gebreke blijven in de Gids van het daaropvolgend jaar het werk te toetsen aan de eischen, die de moderne wetenschap stelde, en onder den titel Spraakverwarring een dier geharnaste artikelen te schrijven, waartoe op goede gronden steunende overtuiging hem soms in staat stelde, en waarin suaviter in modo maar fortiter in re met den delinquent eens voor goed werd afgerekend. Ook verzuimde hij niet op verschijnselen des tijds bij wijle de aandacht te vestigen. Het befaamde ‘Jozua Davids’ behandelde hij, mede in de Gids1, onder den titel: Een evangelie voor den vierden stand, daarbij tegelijkertijd de evangeliënstudie en de sociale quaestie ter sprake brengende. D. Chantepie de la Saussaye stelde hij aan de lezers van hetzelfde tijdschrift voor als Een alleenstaand strijder2. Bekroonde prijsverhandelingen van de doctoren Scheffer en Heringa noopten hem, daarbij tevens persoonlijke herinneringen wakker roepende, een hoogst waardeerend artikel te wijden aan Ferdinand Christian Baur3, dien hij andermaal met voorliefde ten tooneele voerde in zijn Oratio pro domo4, het reeds vermelde

[p. 52]

pleidooi voor het behoud van de tot godsdienstwetenschap herboren theologie als studievak aan de Universiteit. Toen in 1884 ‘het vierde eeuwfeest van des Hervormers geboorte’ gevierd werd, schreef hij Luther 1483-1883 en liet het geschrevene als uit de Gids overgedrukt artikel afzonderlijk in den handel brengen. Het geruchtmakend verschijnen van Bolland aan onzen Universitairen hemel deed hem diens inwijdingsrede, tegelijk met die van Opzoomer een halve eeuw vroeger, onder den titel Twee inaugureele oraties1 aan de orde stellen. Aan Opzoomer's opvatting van de religie, zooals die in de jaren 1864-67 openbaar geworden was, had hij een afzonderlijke verhandeling gewijd, schrijvende over De godsdienst voor onzen tijd, eene pleitrede voor denkenden2. Bij herhaling bracht hij ook, zonder bijzondere aanleiding, uit zijn eigen schat oude en nieuwe dingen voort. Wie denkt hier niet aan de drie zwaarwichtige artikelen over Het onuitsprekelijke3, waarin achtereenvolgens wetenschap, kunst en godsdienst beschouwd werden als steeds zich vernieuwende pogingen tot verwezenlijking van het ideaal? Wie denkt niet aan zijn Antiek en modern Christendom4, waarin hij, onder den invloed zijner bekende, straks te noemen theorieën op het gebied der evangeliëncritiek, orthodoxen en liberalen oproept om in vrome piëteit met hem zich te vereenigen voor hetzelfde ecce homo? De omstandigheid, dat de Gidsredactie met voorliefde hare kolommen voor hem opende, kan van invloed zijn geweest op de keus der onderwerpen en de wijze van behandeling, maar indien de welvoorziene auteur zich niet gedrongen gevoeld had om van hetgeen er in hem omging te getuigen voor

[p. 53]

het beschaafde publiek, hij zou aan het stellen van Gids-artikelen zijn tijd niet hebben verspild. In zekeren zin werkte hier de Evangelieprediker nog na in den Hoogleeraar. Tevens strekt zijn arbeid in zoo velerlei richting ten bewijze, dat hij, bij al zijn nauwgezetheid in exactwetenschappelijke studie, zich heeft weten vrij te houden van eenzijdigheid.

Een enkele maal haalde hij zich door zulk optreden in het openbaar onaangenaamheden op den hals. In zijn opstel over ‘Antiek en modern Christendom’ had hij terloops melding gemaakt van een compromitteerend woord, dat door de overlevering aan paus Leo X wordt toegekend, en van gehoorzaamheid in strijd met eigen conscientie, waartoe de leden der Jesuïetenorde heeten verplicht te zijn. Deze regelen waren Catholieken onder de oogen gekomen en hadden hen tot tegenspraak geprikkeld. De Maasbode van 8 en 11 April opende het vuur met een paar lange artikelen onder denzelfden titel. Loman verweerde zich in het Nieuws van den Dag van 20 April tegen de beschuldiging van Bronnenvergiftiging, die daarin aan zijn adres was gericht. De Nederlandsche Katholieke Stemmen van 24 April qualificeerden dit verweer als ‘Professorale onzin’. De Maasbode van 28 en 29 April voegde er van het zijne aan toe. Ook de Bredasche Courant van laatstgenoemden datum. Intusschen had een particuliere briefwisseling plaats tusschen Loman en den Jesuïetenpater Eygenraam, van beide zijden met hoffelijkheid gevoerd, welke leidde tot een gedeeltelijke herroeping in het Nieuws van den den Dag van 1o Mei. Misverstand ten gevolge van het eigenaardig Latijn der Constitutiones der Jesuïetenorde bleek Loman, gelijk reeds vele mannen van naam vóór hem, op het dwaalspoor te hebben geleid. De schuldige

[p. 54]

aarzelde niet dit openlijk te bekennen. Evenwel uit den aard der zaak niet met zoo hooge waardeering van de Jesuïetische zedeleer als haren vrienden wenschelijk scheen. De polemiek kwam er niet door tot bedaren. De Maasbode van 2, 8, 11 en 13 Mei zette haar voort. De Jesuïet G. van Heyst kwam tot de conclusie ‘dat Dr. Loman wel onwetend genoeg was om te dwalen, maar niet ridderlijk genoeg om zonder draaierij, de eer, die hij door ‘onjuistheid’ of ‘misstelling’ krenkte, te herstellen’ en loofde een som van drieduizend gulden uit, ja, beloofde ex-jesuïet en predikant te worden, zoo men na een jaar zoeken in de Constitutiën der Orde ééne plaats wist aan te wijzen, waaruit afgeleid kon worden, dat de praepositi of superieuren ooit een lid der Sociëteit kunnen verplichten of bevelen een zonde te doen1. Ook pater Eygenraam verklaarde zich in een minzaam briefje onbevredigd. Slechts de Katholieke Stemmen van 8 Mei wijdden hem een woord van lof, verklaarden in elk geval, dat hij gunstig afstak bij ... de orthodoxe Standaard. Zoo had dit muisje een staartje. Als gewoonlijk bij dergelijke debatten behield de rechterzijde het laatste woord. Vermoedelijk was men er niet ontevreden over de munt, die voor de goede zaak uit het incident geslagen was.

Evenwel zijn deze schermutselingen van ondergeschikt belang. Meer interesseert ons de vraag, wat Loman op het hoofdterrein van zijn theologische werkzaamheid, de studie van het Nieuwe Testament en de daaraan verwante litteratuur, geleverd heeft.

Slecht éénmaal heeft hij een afzonderlijk werk uitgegeven en zelfs dat heet ‘Bijdragen’: Bijdragen ter inleiding op de Johanneïsche Schriften des N.T., en behelst

[p. 55]

daarvan een 1e Stuk, onder den titel: Het getuigenis aangaande Johannes in het Fragment van Muratori. Het verscheen in 1865 en levert een proeve van accurate, scherpzinnige litterarische critiek. Reeds lang vóór Scholten was Loman, dank zij zijn bezoek aan Tubingen, het licht over het Vierde evangelie opgegaan, maar minder voortvarend dan Scholten had hij zijn eindoordeel eerst later voor de pers gereed. Vandaar zijn fragmentarische behandeling van het onderwerp. Vandaar ook in de reeds vermelde aankondiging van Scholten's boek in Nieuw en Oud1 een vergelijkende waardeering van de vroeger en de later door den auteur gevolgde methode en de daaruit voortvloeiende resultaten, die den indruk kon maken van hooghartigheid, en in het Gids-artikel Het evangelie der toekomst2 de opmerking, dat het door Scholten medegedeelde ‘in de hoofdzaak reeds door anderen, door sommigen zelfs’ - hij dacht aan Baur's epoquemakende verhandeling van 1847 - ‘in sommige opzigten beter gezegd’ was3. Verder dan tot een eerste bijdrage kwam het bij Loman dan ook niet. Wel bleef hij met belangstelling de Muratori-studie volgen. In 1868 besprak hij in het Theologisch Tijdschrift Een nieuwe uitgaaf van den canon Muratorius, die van Tregelles, en in 1874 het onderzoek van Hesse, schrijvende over Het zoogenaamde Fragment van Muratori opnieuw onderzocht. Ook wekte hij in 1877 de verbazing der deskundigen door een ontleding van wat genoemd werd De bouw van het Vierde evangelie, als die men slechts van heldere, scherpziende oogen zou hebben mogelijk geacht. Maar overigens beschouwde hij de quaestie als afgedaan en ging hij bij

[p. 56]

latere betoogen van den jongeren oorsprong van het merkwaardig geschrift als van een axioma uit.

Langer heeft de Synoptische quaestie zijn scherpzinnigheid getart. Ook hier waren het weer ‘Bijdragen’ tot de critiek der Synoptische evangeliën, die het Theologisch Tijdschrift van zijn hand ontving. Onder dien algemeenen titel opende hij in den jaargang van 1869 een serie artikelen over het onderwerp, nadat hij reeds in den eersten een over De Apostrophe aan Jeruzalem, Matth. XXIII : 37 vgg. gegeven had. Bleek uit dit begin reeds zijn bevoegdheid om mee te spreken op dit gebied, ook de volgende waren van zoodanig gehalte, dat wie in de stof zich verdiepen wil niet straffeloos wat Loman schreef verwaarloozen zal. Ik noem hier De gelijkenis van het onkruid, Matth. XIII : 24-301; De vijf spreukengroepen in het Mattheus-evangelie2; De gelijkenis van het gastmaal bij Mattheus en Lukas3; Het mysterie der gelijkenissen4. Ik noem vooral De samenstelling van het Mattheus-evangelie in verband beschouwd met het vraagstuk omtrent het ontstaan der Kanonische Evangeliën in het algemeen. Was hij door het Vierde evangelie gekomen tot de studie der Synoptici, zijn critiek ondervond er de goede gevolgen van, gelijk omgekeerd de kwade, wie de diepten van het ‘geestelijk evangelie’ niet eerst hadden gepeild. Daaraan voor een deel en voor een ander deel aan de Tubingsche school, die hij doorliep, dankte hij het, dat hij niet behoorde tot de ‘Markus-Löwen’. Ook aan de Zwitsersche Marcus-vergoding deed hij niet mee, blijkens zijn artikel: Het evangelische epos en de Markushypothese van Volkmar. Straks zal hij mede zich keeren tegen Pierson, als deze wat hij noemt ‘stans pede in

[p. 57]

uno’ de stof bewerkt. In den jaargang 1879 schreef hij in twee gedeelten over De synoptische quaestie en de methode harer behandeling naar aanleiding van Dr. A. Piersons geschrift over de bergrede. Ook dit muisje had een staartje, dat intusschen niet onder de oogen gekomen is van het publiek. Pierson, wiens consciëntie ten opzichte van de theologie en hare beoefenaren misschien niet geheel zuiver en daardoor allicht wat prikkelbaar was, toonde zich gebelgd over Loman's critiek, achtte zich verongelijkt en als 't ware vogelvrij verklaard en antwoordde op de toezending van het artikel: ‘De onaangename, ja hatelijke toon van uw stuk - allerminst aan u verdiend, dien ik met opzet onaangetast liet - maakt tot mijn spijt verdere discussie onmogelijk’. Geen toelichting van Loman's zijde kon meer baten. Het ‘Geachte collega!’ bleef door een ‘Hooggeleerde Heer!’ vervangen. Het duistere ‘onaangetast’ werd niet nader verklaard. Toen Loman zijn troost zocht bij zijn Leidsche vrienden, schreef Kuenen: ‘Pierson lijkt wel een ijdel kind, dat terecht knorren heeft gehad en zich nu aanstelt als ware het verongelijkt.’ Ik waag het deze bijzonderheid openbaar te maken, niet duchtend dat dit enkele vlekje de glans der zon verduisteren zal.

Op den weg dezer synoptische studiën lagen natuurlijk allerlei andere quaestiën, waarvan Loman zich gedrongen voelde nu en dan eene onder de oogen te zien. Zoo behandelde hij Het getuigenis van Papias over Schrift en Overlevering1 en Het bericht van Flavius Josephus aangaande de oorzaak en het datum der executie van Johannes den Dooper2, beide in het Theologisch Tijdschrift. Ter zelfder plaatse beproefde hij uit De Apocalypse van Bar-

[p. 58]

nabas te tijdsbepaling van den brief af te leiden, welke poging hem in debat bracht met zijn collega Van Manen en hem noopte achter diens critiek ‘een vraagteeken’ te plaatsen1. Ook boekaankondigingen in dezelfde richting nam hij op zich. Toen het befaamde ‘Antiqua Mater’ verschenen was, schreef hij: Een Engelsche anonymus over den oorsprong des Christendoms2. Als De jongste uitgave der Agrapha besprak hij de ‘Aussercanonische Evangelienfragmente’ van Alfred Resch3. En toen Brandt zijn lijvig boek over de Evangelische geschiedenis geschreven had, kondigde hij dat aan in de Gids4 als Een nieuwe ontdekkingstocht. Hij had tot dit laatste een bijzondere aanleiding, omdat hij zelf op het punt dier geschiedenis meende nieuwe ontdekkingen te hebben gedaan en begeerig uitzag naar meer licht. Dit noopt ons met ons verhaal eenige jaren terug te gaan en melding te maken van wat als de zoogenaamde hypothese-Loman tal van hoofden heeft warm gemaakt en menigte van pennen in beweging gebracht.

In de maand December van het jaar 1881 hield Loman op uitnoodiging van het bestuur in het locaal der Vrije gemeente te Amsterdam een voordracht, die onder den titel Het oudste Christendom in de Stemmen dier gemeente openbaar geworden is. Daarin werd gezegd: ‘Volgens de voorgestelde hypothese is deze Jezus van Nazareth niets anders dan de ideëele zoon der Joodsche natie zelve, met haar taai geduld, met haar onverzettelijk geloof, met hare volharding bij de geloften Gods, met haar profetisch enthousiasme; der Joodsche natie, die haar kruis heeft gedragen en dus door de wereld is vertrapt geworden. Niets anders dan de lijdende Messias, dan de knecht Gods,

[p. 59]

die ook is opgestaan uit zijn vernedering en gekroond is met heerlijkheid’. Dit ‘niets anders’ moest niet al te letterlijk worden verstaan, want toen de auteur er op gevat werd, schreef hij in het Theologisch Tijdschrift Ter verdediging en verduidelijking1, ‘dat enkele eigenschappen en bijzonderheden, door de evangelisten aan Jezus van Nazareth toegekend, zich hebben vereenigd in een destijds in Palaestina levenden persoon’, met bijvoeging evenwel van de verzekering: ‘Wat in dien persoon op goede gronden historisch kan genoemd worden, is niet voldoende om hem tot aanvanger eener nieuwe religieuze wereldbeschouwing te stempelen’. Ook deze laatste woorden bleken nog voor misverstand vatbaar, vonden althans, zoo niet beperking, dan toch toelichting in het Gidsartikel van 1888, De oorsprong van het geloof aan Jezus' opstanding, waarin gesproken werd van een ‘religieuze beweging’ in Galilea, met een ‘reformatorische grondgedachte’ en een ‘leeraar van Nazareth’, zich kenmerkende door ‘grootere intensiteit’ en ‘meerdere genialiteit’ dan zijn medebloedgetuigen Johannes de Dooper en Jacobus; vervuld van ‘een levensplan’, dat onafscheidelijk was van de idealen, die de joodsche natie vervulden, en zelfs met een ‘universalistisch, cosmopolitisch ideaal van vroomheid’ voor den geest. De zaak was, dat Loman het onder de mannen der moderne critiek algemeen erkend symbolisch karakter ook der Synoptische evangeliën wat breeder opvatte dan anderen en ook voor de oudste bestanddeelen van het evangelisch materiaal bij dichterlijke plastiek meer dan bij historische herinneringen den oorsprong zocht. Intusschen verging het hem daarbij als Strauss, die evenals hij de resultaten der

[p. 60]

wetenschap van zijn tijd te zamen vatte. Men schrikte van wat men te hooren kreeg, omdat men er door verrast werd, en verloor daardoor de bezadigdheid. In een vergadering van moderne theologen, waarin het onderwerp aan de orde was gesteld1, werden stemmen vernomen als van die zich ‘de kroon van het hoofd’ voelden nemen, en werd Loman geprest tot de vraag, of Leiden soms het monopolie had van de nieuw-testamentische critiek. Naïeve verbazing en ongemotiveerde verslagenheid ontmoetten er elkaar. Zoo werd dan de ‘symbolische opvatting’, als ware zij iets nieuws en niet sinds jaren in zwang, ter wille van de nuance, die zij aannam, en de consequentie, waarmede zij optrad, de bête noire der theologen en allerwege onderwerp van debat. Loman zelf liet zich daarbij niet onbetuigd. Toen prof. J. Cramer in zijn inaugureele oratie de ‘nieuwe hypothese’ in afkeurenden zin had ter sprake gebracht, liet hij een brochure verschijnen, die hij betitelde: De zoogenaamde symbolische opvatting van de Evangelische geschiedenis en hare jongste bestrijding, en in het straks genoemde Gidsartikel trachtte hij aan te toonen, hoe geheel de voorstelling van een herrezen Christus in de evangelische overlevering in stede van aan visioenen de herinnering te bewaren, berust op symboliek, zich daarbij betoonende als een scherpzienden gids in het nevelig donker van den vóórhistorischen christelijken tijd. Den gevonden draad liet hij niet meer los. Zijn wetenschappelijke geloofsverzekerdheid was onverstoorbaar. Schoon bijna aan het einde van zijn professorale loopbaan en menschelijker wijze gesproken daarmee ook van zijn leven, doorvorschte hij het geheimzinnig terrein in alle richtingen. Waren hem meer jaren en

[p. 61]

jonger krachten gegund, hij hadde zeker op allerlei onderdeelen van de quaestie zijn aandacht gevestigd. Toch zal, als deze bladzijden onder de oogen der lezers komen, misschien reeds verschenen zijn een studie onder den titel: De vijandige mensch in de evangeliën en in de oud-christelijke letterkunde en een verhandeling over Apostelen van God en van menschen, voorgedragen in een theologenkrans, beide bij uitnemendheid geschikt om een denkbeeld te geven van de wijze, waarop hij de oplossing beproefd zou willen zien van het duistere vraagstuk betreffende den oorsprong van het Christendom. Als bijdrage tot de kennis van zijn persoonlijkheid mag in dit verband nog herinnerd worden, hoe hij van consequenter toepassing der symbolische opvatting bij de studie der oudchristelijke letterkunde niet alleen meer licht voor den historicus verwachtte, maar ook meer toenadering tusschen de richtingen, naardien immers een allegorisch verklaard beeld van den Jezus der modernen op een haar gelijkt op den metaphysischen Christus der orthodoxen en mitsdien aanvaarding van zijn dusgenaamd nieuwe hypothese beiden in staat zou stellen tot elkander te spreken in over en weer verstaanbare taal.

Een der bezwaren, die volgens Dr. Cramer drukten op Lomans verklaring van den oorsprong der Christusvoorstelling, was dat zij gepaard moest gaan met verschuiving der Paulinische litteratuur naar een jongere periode der oud-christelijke kerk. Inderdaad viel de voordracht in de Vrije gemeente ongeveer samen met de behandeling der Quaestiones Paulinae door Loman in het Theologisch Tijdschrift. Ook vroeger had hij zich herhaaldelijk op dat gebied bewogen. Zoo gaf hij in 1862 in de Godgeleerde Bijdragen een Proeve van psychologische exegese, verklaring van 1 Cor. 15 : 1, 2. Een jaar vroeger

[p. 62]

had hij de studie van den Hoogleeraar Prins over ‘de realiteit van 's Heeren opstanding uit de dooden’ in de Gids gekarakteriseerd als Een nieuw middel tot verzoening van geloof en wetenschap, en daarbij, gelijk ook elders terloops, het Paulinisch opstandingsbericht ter sprake gebracht. Een jaar later gold het Straatman's polemiek daartegen onder den titel Een kritisch onderzoek kritisch onderzocht. Maar sinds was hij bij toeneming meer vervuld van de gedachte, dat in een zoo vroege periode van het Christendom, als waarheen bij onderstelde echtheid de Paulinische brieven zouden wijzen, een zoo ontwikkelde dogmatiek kwalijk denkbaar is. Eindelijk werd dit bezwaar hem te machtig en kwam hij er toe de lijnen der Tubingsche critiek wat verder door te trekken, en gelijk anderen reeds vóór hem, maar nu op meer historische gronden, al de dusgenaamde brieven van Paulus onecht te verklaren. Vandaar gedurende de jaren 1882-86 in het Theologisch Tijdschrift een reeks gerucht- zoo niet epoquemakende artikelen. Zij begonnen met Prolegomena, aantoonende de Noodzakelijkheid eener herziening van de grondslagen onzer kennis van het oorspronkelijk Paulinisme en openden vervolgens een Onderzoek naar de echtheid van den brief aan de Galatiërs. Eerst werden in een drietal nummers De uitwendige bewijsmiddelen getoetst en daarna werd op den afgelegden weg een Terugblik geslagen en de Overgang tot het tweede hoofdstuk gebaand. Dit tweede hoofdstuk evenwel, dat de inwendige bewijsmiddelen zou moeten behandelen, is onvoltooid gebleven. Althans bij Loman's leven is het niet in druk verschenen. Ook werd de studie afgebroken door het onderzoek naar de beteekenis van den term ‘vijandige mensch’, boven genoemd. Vermoedelijk zou de auteur na voltooiing dezer laatste studie tot zijn brief aan de

[p. 63]

Galaten zijn teruggekeerd. Wij zouden dan voor zoover niet andere praealabele quaesties zich hadden opgedrongen, het eindoordeel verkregen hebben van zijn eigen hand. Ongelukkig kwam de dood tusschenbeide, en zoo wij dus al niet namens hem resultaten hebben te boeken, wij zullen allicht met zijn nalatenschap ons voordeel kunnen doen, en hebben minstens hem dank te zeggen voor de prikkels tot vernieuwd onderzoek, die van hem zijn uitgegaan. Immers zijn radicaal optreden was zoozeer de vrucht van een welgevestigde overtuiging, berustte op zoo ernstige en veelomvattende studie en ging daarenboven gepaard met zooveel volharding, dat zijn gissing over den inhoud der oudste christelijke overlevering en den oorsprong der paulinische litteratuur onmogelijk kon worden aangemerkt als een onbekookte inval en evenmin als een waan van den dag. Dit optreden kon niet anders dan den stoot geven tot een krachtige beweging. En zoo is men dan allerwege aan den arbeid gegaan om de traditioneele resultaten te herzien. Aan oppositie heeft het Loman niet ontbroken. In zijn Verdediging en verduidelijking1 moest hij zich tegen den oud-Hoogleeraar Scholten verweren en in zijn Paulus en de Kanon2 tegen Dr. van Manen. Ook met Dr. Rovers geraakte hij in debat3. Het was al veel, dat Harnack aanvankelijk een afwachtende houding aannam. In het buitenland was men allicht geneigd de schouders over hem op te halen. Prof. Buhl beklaagde zich in ‘Danska Dagbladet’, en ‘Skänska Aftonbladet’ van 10 Oct. 1883 nam de verzuchting over4. Een jeugdig theoloog5 uit Kopenhagen, zich noemende J.L.M., die Loman persoonlijk bezocht, gaf op eigen wijze

[p. 64]

verslag van wat hem een curiosum scheen. Een gansche geschiedenis zou geschreven kunnen worden van den loop, dien de ‘hypothese-Loman’ nam door de wereld. Maar hoe ook zijn actie reactie baarde, zijn woord vond tevens weerklank bij mannen van naam. Onafhankelijk van hem kwam Rudolf Steck in Zwitserland tot gelijksoortige resultaten, en Prof. van Manen zelf werd al spoedig een der krachtigste pleiters voor zijn zaak. Allerwege is het vernieuwde onderzoek in vollen gang. En moge het dan leiden tot een reconstructie der oud-christelijke geschiedenis of tot een nadere bevestiging van reeds vroeger verworven resultaten, in elk geval zal de winst voor geen gering deel te danken zijn aan den blinden Loman, die in het schemerig duister der eerste christelijke eeuwen zijn licht ontstak.

 

Zoo voortvertellende hebben wij ten naastenbij een overzicht gegeven van Loman's geheele professorale en theologische werkzaamheid. Wij zouden het tafereel nog kunnen aanvullen met niet weinige trekken, aan zijn schriftelijke nalatenschap ontleend. De excerpten uit de gelezen boeken werden niet zelden met op- en aanmerkingen verrijkt. Behalve wat reeds in openbare artikelen verwerkt werd liet hij nog enkele min of meer afgewerkte verhandelingen in manuscript na, die ten deele in zijn theologischen krans werden voorgedragen. Eene over Sulpicius Severus zal vermoedelijk het licht zien. Titels als Materiaal voor een beschouwing van het oorspronkelijk Christendom in verband met het leven van Jezus, Onze kennis van den oorsprong des Christendoms, Nieuwe paden, of Een nieuw uitgangspunt voor de evangeliëncritiek herinneren aan het bekende onderwerp. Denken in tonen is het opschrift van een fragment van anderen

[p. 65]

aard. Een begin werd gemaakt over Een levenstaak, een onderwerp waarvan de voltooide behandeling door dezen auteur zeker aandoenlijk welsprekend zou geweest zijn. Een rubriek Tiresiana behelsde producten van dichterlijken of souvenirs van meer intiemen aard. Voorts onderhield hij briefwisseling met tal van buitenlandsche en binnenlandsche geleerden, soms over zoo belangrijke quaesties, dat hij het de moeite waard achtte copieën van het door hem zelf geschrevene te bewaren. In 1888 schijnt hij een artikel geplaatst te hebben in de Protestantische Kirchenzeitung, dat tot gedachtenwisseling aanleiding gaf. Tot correspondentie met vakgenooten in het vaderland noopte hem het mede-redacteurschap van het Theologisch Tijdschrift. Het In memoriam, Ph. R. Hugenholtz, in den jaargang 1889, ging hem daarbij als van zelf van het hart. Het geheel maakt den indruk van een onvermoeide, veelomvattende werkzaamheid, die te meer ontzag moet wekken, als men bedenkt, dat lezen zoowel als schrijven door bemiddeling van helpers moest geschieden. Eerst kort vóór zijn dood begon hij door oefening op een type-writer zich zoo mogelijk den arbeid wat te vereenvoudigen, maar het genot van het succes mocht hij niet meer smaken. Het werktuig strekt sedert een hulpbehoevende lotgenoote tot kostbare bezitting en tot troost.

Loman's theologische werkzaamheid is van langeren duur geweest dan zijn professorale. Toen hij als zeventigjarige zijn emeritaat moest nemen en bij die gelegenheid, evenals op den dag zijner vijfentwintigjarige ambtsbediening door vrienden en vereerders met geschenken en toespraken gehuldigd werd, was er nog geen zweem van geestelijke vermoeidheid bij hem te bespeuren en verklaarde hij integendeel, dat de taak, die hij op zijn schouderen voelde rusten, grooter was, dan die hij reeds had afgewerkt.

[p. 66]

Vóór zich zag hij geheel dat veelledige detailonderzoek, waartoe zijn nieuwe kijk op de aanvangsperiode der Christelijke kerk hem verplichtte, en de gedachte aan dat reuzenwerk, in stede van hem te overweldigen, vervulde hem met jeugdige kracht. Het was als loste geheel zijn persoonlijkheid zich op in de wetenschap, die hij beoefende en liefhad. Deze liefde is niet bekoeld, die kracht niet gebroken, maar na een aanvankelijk weinig verontrustende ziekte nam de dood hem weg. Hij overleed den 17den April 1897. Eenige dagen later werd de droevige tocht ondernomen naar Zorgvlied aan den Amstel, waar onder toevloed van talrijke scharen uit vele oorden en onder warme woorden van waardeering en dank, met een requiescat in pace de eerwaarde grijsaard ter laatste rustplaats werd neergelegd.

 

En nu zou hier nog voegen een karakteristiek van Loman's persoonlijkheid. Indien ik over een onbeperkt aantal bladzijden in deze uitgave te beschikken had, zou ik niets liever doen dan door een rijke bloemlezing uit zijn geschriften die persoonlijkheid te doen kennen. De geleerde zou dan voor den dag komen met een levendigen historischen zin en volstrekten eerbied voor de waarheid; de criticus, die kloeker dan iemand het ontleedmes der critiek wist te hanteeren en tevens behoedzamer dan iemand met het gevaarlijk wapen vermocht om te gaan; de polemicus of de apologeet, de strijder voor wat hem goed en waar dunkte, met zijn onverstoorbare blijmoedigheid, nooit gepiqueerd en niemand kwetsend, fier en onbuigzaam in het besef van zijn goed recht en tevens altijd bescheiden, bereid om te leeren en zich te laten gezeggen. En de mensch zou voor den dag komen, humaan en religieus. Ja deze laatste vooral.

[p. 67]

‘Boven ons Christendom sta het Humanisme!’ zoo vermaande hij als Eere-voorzitter van den Protestantendag te Deventer. Het beteekende in zijn mond, dat wij behalve de Christenen ook de belijders van alle andere religies in onze liefderijke waardeering hebben op te nemen. Zoo stelde hij ook het Christendom boven het Protestantisme om geen Catholieken uit te sluiten en het Protestantisme boven den Protestantenbond om geen onbillijkheid te begaan jegens de orthodoxie. Bij hem steeds meer gevaar van overwaardeering dan van tegeringschatting, ten opzichte van individuen zoowel als van richtingen. Humaniteit was in den vollen zin van het woord een kenmerk van zijn persoonlijkheid. En daarmee gepaard ging warme religieusiteit. ‘Uw godsdienst, wat is ze anders dan de grond uwer geestdrift voor al wat goed en schoon, voor al wat edel en rein mag heeten? uw godsdienst, wat is ze anders dan de stille, maar onweerstaanbare macht die u drijft naar een hoogheerlijk en hoogheilig ideaal?’ zoo vroeg hij, en ‘de veerkracht van den godsdienstigen mensch’ speurde hij hierin, dat deze juist dan, als hij onder de overmacht van het lot, onder de slaande hand van den tegenspoed, onder de zeisen des maaiers, die zelfs het allerdierbaarste niet sparen, onder verdrukkingen en kwellingen van den dwingeland in eigen lusten en hartstochten, als niets schijnt, juist dan zich orgaan gevoelt van een hoogere levensorde, juist dan in zich het vreugdelied hoort weerklinken van ‘het zalig kind, in wien de Allerhoogste een welbehagen heeft’. In het derde zijner artikelen over het Onuitsprekelijke verklaarde hij: ‘Al ons denken en gevoelen, al ons zedelijk willen en streven ontleent zijn eigenaardig menschelijk cachet aan den godsdienst, dat is, aan die centrale macht in den mensch, die hem tot een

[p. 68]

levend deel van het groot geheel maakt en hem met de onbedriegelijkheid van het instinct doet gevoelen, dat de pols van het Oneindige, van het Al-leven in hem slaat, dat hij met al zijn genietingen en ontberingen, met al zijn zoeken en strijden, met al zijn weten en willen, met al zijn denken en peinzen gedragen wordt door den grooten stroom, die als de adem des levens het al vervult’. En van zoo hooge waarde achtte hij dit gevoel, dat hij het bekende distichon van Goethe zou willen aanvullen met dit andere:

‘Wie godsdienst heeft, hij kan desnoods èn kunst èn wetenschap ontberen; Wie godsdienst niet bezit, wat baat hem alle wetenschap en kunst?’

Van hem dan ook in den Bundel van den Protestantenbond het lied Een kind gelijk, waarin de woorden: ‘In den nacht van zorg en smart, Klopt zoo stil en kalm mijn hart’ en: ‘Liefde omstraalt mij uit den hoogen, Als uit zachte moederoogen’. Ik wijs hierop, omdat een zoo werkzaam leven onder zoo bezwarende omstandigheden, gesierd door zooveel eenvoud en vriendelijkheid, een verklaring eischt en die vindt in de werking juist van die ‘centrale macht’, zonder welker aanwezigheid geen personen gevormd worden in den vollen zin van het woord. Die Loman van nabij hebben gekend paren aan vereering dankbaarheid voor wat zij in hem hebben bezeten.

 

Groningen.

H.U. Meyboom.

[p. 69]

Lijst der geschriften van A.D. Loman.

1850.Driestemmige bewerking der Evang. Luth. gezangen, Amsterdam.
1852-54.Vierstemmig koraalboek der Evang. Luth. gezangen, Amsterdam.
1853.Zouden wij ook wel doen ons de pauselijke benoeming van bisschoppen hier te lande wat minder aan te trekken? Een woord naar aanleiding van Hand. 18 : 12-17. Deventer.
1854.Het huisgezin van Isak en Rebekka, Leerredenen voor evangelische christenen no. 7.
1855.Muziek bij de oude Hebraeën, Algemeene konst- en letterbode no. 9.
1855.Jes. VII: 14-16, in betrekking tot hetgeen daarover door Dr. van Oosterzee in zijne Christologie (I, pag. 256-268) wordt gezegd, Godgeleerde Bijdragen.
1856.Oratio de Germani theologi humilitate, Amsterdam.
1857.Paulus en de zuilen-apostelen, Evangeliespiegel.
1858.Het lied van Jacob, Gen. XLIX, Godgeleerde Bijdragen.
1859.Het evangelie en de levensbeschrijvingen van Jezus Christus, Evangeliespiegel.
1860.Een alleenstaand strijder, De Gids.
1861.Psalm VIII, Nieuw en Oud.
1861.Een nieuw middel tot verzoening van geloof en wetenschap, De Gids.
1861.Een inleidend woord voor: De menschelijke ontwikkeling van Jezus Christus, uit het Hoogduitsch van Th. Keim, Amsterdam.
1862.Rome en het Italiaansche vraagstuk, Evangeliespiegel.
1862.Wat zoekt gij den levende bij de dooden? Paaschpreek, voorafgegaan door een antwoord aan den Weleerw. Zeergel. Heer Ludw. C. Lentz, Amsterdam.
1862.Proeve van psychologische exegese (1 Cor. 15 : 1-2), Godgeleerde Bijdragen.
1862.Aan Dr. Fr. W. Bornscheuer, Kerkelijke Courant, 12 Juli.
1863.Geloof en kritiek, Evangeliespiegel.
1863.Een kritisch onderzoek kritisch onderzocht, Godgeleerde Bijdragen.

[p. 70]

1864.Het vierde evangelie, Nieuw en Oud.
1865.Het Middelbaar onderwijs in de hoofdstad, Amsterdam.
1865.Bijdragen ter inleiding op de Johannëische Schriften des N.T. 1ste stuk: Het getuigenis aangaande Johannes in het fragment van Muratori, Amsterdam.
1866.Een apologetisch kunststuk, De Gids.
1866.Het evangelie van Johannes naar oorsprong, bestemming en gebruik in de oudheid (Voorlezingen over de bijbelsche berichten aangaande het leven van Jezus, bl. 227 vgg.) Amsterdam.
1866.Feestrede ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan der Maatschappij Caecilia, Amsterdam.
1867.De apostrophe aan Jeruzalem, Matth. XXIII : 37 vgg., Theologisch Tijdschrift.
1868.Een paar woorden naar aanleiding van de rede tot opening der 50ste algemeene vergadering van de Evangelisch-Luthersche Synode door Ds. A.J. Schröder, Amsterdam.
1868.Protestantisme en kerkgezag, toespraak bij den aanvang der lessen aan het Luthersch Seminarium, Amsterdam.
1868.Een nieuwe uitgaaf van den Canon Muratorius, Theologisch Tijdschrift.
1869.Bijdragen tot de critiek der synoptische evangeliën: De gelijkenis van het onkruid, Matth. XIII : 24-30, Theologisch Tijdschrift.
1869.De godsdienst voor onzen tijd, een pleitrede voor denkenden, De Gids.
1869.Kerstpreek in: Stuiverspreeken van woordvoerders der nieuwe richting.
1870.De oorlog en de beschaving, Tijdvragen XXXIV, 1.
1870.Bijdragen enz. De vijf spreukengroepen in het Mattheus-evangelie, Theologisch Tijdschrift.
1870.Bijdragen enz. Het evangelische epos en de Markushypothese van Volkmar, ib.
1870.Bijdragen enz. De samenstelling van het Mattheus-evangelie, in verband beschouwd met het vraagstuk omtrent het ontstaan der kanonische evangeliën in het algemeen, ib.
1870.Ferdinand Christian Baur, De Gids.
1871.Tijdbeschouwing, Oud en Nieuw.
1871.De veerkracht van den godsdienstigen mensch, Taal des geloofs.
1871.Gedenckclanck. - Oud-Nederlandsche liederen uit den Nederlandtschen Gedenckclanck van Adrianus Valerius (1626), uitgegeven door de Vereeniging voor N. Nederlands Muziekgeschiedenis.
1871.Een paar aanteekeningen bij Dr. van Vlotens nalezingen in de Nederl. Spectator van 2 Dec., Nederl. Spectator no. 50.
1872.Twaalf Geuzenliedjes, voor zang en klavier bewerkt en kortelijk toegelicht, Amsterdam. Uitgave van de Vereeniging voor N. Nederlands Muziekgeschiedenis.
1872.Bijdragen enz. De gelijkenis van het gastmaal bij Mattheus en Lukas, Theologisch Tijdschrift.

[p. 71]

1873.De modernen als middenpartij, eene voorlezing ter beantwoording der vraag: wie zijn de bestrijders der moderne richting en wat leggen zij haar ten laste? Amsterdam.
1873.Bijdragen enz. Het mysterie der gelijkenissen, Theologisch Tijdschrift.
1874.Het zoogenaamde fragment van Muratori opnieuw onderzocht, Theologisch Tijdschrift.
1874.Een evangelie voor den vierden stand, De Gids.
1875.Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, 7 April.
1875.Het getuigenis van Papias over Schrift en Overlevering, Theologisch Tijdschrift.
1876.Het onuitsprekelijke I, De Gids.
1877.De bouw van het Vierde evangelie, Theologisch Tijdschrift.
1877.Spraakverwarring, De Gids.
1878.Het onuitsprekelijke II, De Gids.
1879.Het onuitsprekelijke III, De Gids.
1879.Bijdragen enz. De synoptische quaestie en de methode harer behandeling naar aanleiding van Dr. A. Piersons geschrift over de Bergrede, Theologisch Tijdschrift.
1879.Bijdragen enz. De methode der synoptische kritiek naar aanleiding van Dr. A. Piersons geschrift over de Bergrede, ib.
1879.Uit het reisverhaal van een réfugié, Nederland.
1880.Antiek en modern Christendom, De Gids.
1880.Redevoering gehouden door Prof. A.D. Loman, 28 Oct. 1880, Beschrijving van den zeventienden Protestantendag.
1882.Het oudste Christendom, Stemmen uit de Vrije Gcmeente.
1882.Correspondentie, ib.
1882.Quaestiones Paulinae. Prolegomena. Noodzakelijkheid eener herziening van de grondslagen onzer kennis van het oorspronkelijk Paulinisme, Theologisch Tijdschrift.
1882.Quaestiones Paulinae. Onderzoek naar de echtheid van den brief aan de Galatiërs, 1ste hoofdstuk, De uitwendige bewijsmiddelen, ib.
1882.Quaestiones Paulinae. Vervolg. De uitwendige bewijzen enz. ib.
1882.Quaestiones Paulinae. Verdediging en verduidelijking, ib.
1883.Quaestiones Paulinae. Tweede vervolg en slot van het eerste hoofdstuk, ib.
1883.Luther 1483-1883, De Gids.
1884.Symbool en werkelijkheid in de evangelische geschiedenis, De Gids. Separatim, Amsterdam 1884.
1884.De zoogenaamde symbolische opvatting der evangelische geschiedenis en hare jongste bestrijding in de inaugureele oratie van Dr. J. Cramer, Amsterdam.
1884.De Apocalypse van Barnabas, Theologisch Tijdschrift.
1884.Een vraagteeken bij Dr. van Manens critiek, ib.
1886.Paulus en de Kanon, ib.
1886.Quaestiones Paulinae II, § 1. Terugblik en overgang tot het tweede hoofdstuk, ib.

[p. 72]

1887.Een Engelsche anonymus over den oorsprong des Christendoms, ib.
1888.De oorsprong van het geloof aan Jezus' opstanding, De Gids.
1889.In memoriam. Ph. R. Hugenholtz, Theologisch Tijdschrift.
1889.Het Hooglied als Oratorium.
1890.De jongste uitgave der Agrapha, ib.
1891.Het bericht van Flavius Josephus aangaande de oorzaak en het datum der executie van Johannes den Dooper, ib.
1891.Over een bedorven plaats van Flavius Josephus (Antiq. XVIII, 5. 1), Verslagen en meded. Kon. Akad. d. Wet. afd. Lett., 3e reeks, 8e dl., 1892, blz. 120 vv.
1893.Oratio pro domo, De Gids.
1894.Een nieuwe ontdekkingstocht, De Gids.
1895.De melodie van het Wilhelmus, Tijdschrift voor Noord-Nederl. Muziekgeschiedenis.
1895.Ter nagedachtenis van Jhr. Mr. J.C.M. van Riemsdijk, ib.
1896.Twee inaugureele oraties, De Gids.

Daarenboven verschenen in Dag- of Weekbladen artikelen van meerdere of mindere belangrijkheid ter zake van persoonlijke feiten of quaesties van politiek, litteratuur of kunst. Zoo in het Nieuws van den Dag van 31 Jan. 1871; 2 Maart 1876; 20 April en 1 Mei 1880; in het Weekblad van het Noorden van 31 Jan. 1870; in het Handelsblad van 22 Dec. 1872; in den Nederlandschen Spectator 1875 no. 32 en in het Nieuw Kerkelijk Weekblad van 25 Juli 1872. Van eenige andere artikelen is de tijd- en plaatsbepaling kwalijk meer te geven; vgl. boven bl. 38, 39, 45. Evenmin van een verhandeling onder den titel: Een hard woord van den zachtmoedige.