terug  begin  verder

[p. 90]

Levensbericht van David Henriquez de Castro Mz.

In vriendschappelijken kout stonden we Maandagmiddag 3 October 1898 in het Park te Amsterdam, om straks getuigen te zijn van eene plechtigheid, die ons beiden belang inboezemde.

Aan de nagedachtenis van den onvergetelijken A.C. Wertheim, omtrent wiens werkzaam leven de Heer de Castro zoo vaak met mij gesproken had, zoude dien middag in tegenwoordigheid eener aanzienlijke schare van vereerders hulde worden gebracht. In het naar Wertheim genoemde park zou een gedenkteeken worden onthuld, dat de Castro had gehoopt van uit zijne woning nog tal van jaren te kunnen aanschouwen; een gedenkteeken, dat tot in verre nageslachten zoude getuigen van den zegenrijken werkkring van den te vroeg ontslapen, bezielden en bezielenden Amsterdamschen burger, van den eertijds zoo nuttig werkzamen menschenvriend en staatsburger.

Had weleer de Heer D. Henriquez de Castro evenals A.C. Wertheim aan de groeve van Dr. Sarphati in gevoelvolle woorden het groote verlies voor Amsterdam geschetst van dien energieken, liefdevollen en kundigen man, thans stond de reeds bejaarde Heer de Castro daar, den guren noordenwind trotseerende, te midden

[p. 91]

der menigte op het open terrein, om ook door zijne tegenwoordigheid van eerbiedige hulde en oprechte waardeering blijk te geven jegens den man, wiens streven en werken hij zoo dikwerf van nabij had kunnen gadeslaan.

Met liefde volbracht onze Heer de C. eene daad van piëteit ter eere van de nagedachtenis van den ook door hem bewonderden filanthroop .... weinig kunnende beseffen, dat spoediger dan hij en anderen zulks hadden kunnen bevroeden, de dag zou aanbreken, waarop ook zijn veelomvattende taak hier op aarde afgesponnen zou zijn.

Te huis gekomen met een gevoel van zelfvoldoening, dat den Heer de C. steeds bezielde, zoo vaak hij liefdeplichten tegenover mannen van eer en talent volbracht had, werd hij op het ziekbed geworpen, dat helaas spoedig bleek zijn stervenssponde te moeten worden - na eene ongesteldheid van slechts enkele dagen gaf de man, op dien dag mijner ontmoeting in ‘het park’ blijkbaar nog krachtig en opgewekt, den geest - Amsterdam verloor een bescheiden burger van den ouden stempel, vol belangstelling voor al wat goed en nuttig was, de wetenschap miste een onvermoeid, nauwgezet beoefenaar, verwanten en vrienden betreurden den gemoedelijken verzorger en trouwen raadsman.

Naar gelang de beteekenis was van hem, die uit ons midden verdween, bevatten de nieuwsbladen woorden van hulde en weemoed en berichten omtrent de wijze, waarop het stoffelijk overblijfsel aan den schoot der aarde werd toevertrouwd. De rouwtijd gaat geleidelijk voorbij, familieleden staren weemoedig op de ledige plaats binnen den kring hunner omgeving, maar de wereld gaat voort en in het algemeen volgt op den traan een zucht en daarop weer later in gelatenheid en kalmte eene herinnering. Maar er zijn uitverkorenen, wier streven en werken hun

[p. 92]

eene plaats in de onvergankelijke historiebladen verzekeren, omdat de waardeering voor de door hen nagelaten geestesproducten van dien aard kan zijn, dat de belangstelling in hun arbeid niet beperkt blijft tot den engeren kring, waarbinnen de overledene zich dagelijks bewogen heeft, maar zich als het ware opdringt aan allen, die oor en oog hebben voor met heerlijke resultaten bekroonde inspanning en arbeidzaamheid, die, in haar geheel genomen, kunnen geacht worden te zijn in het belang van kennis en wetenschap en daardoor ten nutte van het algemeen.

Zulk een uitverkorene was in mijn oogen de eenvoudige, goedige Heer de Castro. Die hem van nabij hebben gekend, zullen het ongetwijfeld met mij van hem getuigen.

Wanneer ik mij nu nederzet, om eenige woorden te wijden aan zijne nagedachtenis, dan verricht ik hiermede een daad van erkentelijkheid en plicht. Erkentelijkheid jegens den man, dien ik het voorrecht had, gedurende vele jaren in zijne uitgebreide studiën te volgen en aan wiens rijke bron van ontwikkeling des geestes en ervaring des levens ik mij menigmaal heb mogen laven; plicht tegenover den kundigen, exacten onderzoeker en navorscher, die gedurende een onafgebroken reeks van jaren met onnoemelijk vele opofferingen en met groote toewijding in den dienst der wetenschap vooral op het gebied van historie en oudheidkunde heeft gearbeid, en die niet gerust heeft, voordat hij de vruchten zijner nasporingen ook ten nutte van het nageslacht heeft kunnen achterlaten.

Zette ik mij dus met liefde aan den arbeid, bemoedigd werd ik nog bij mijn streven, toen allen, tot wie ik mij om inlichtingen wendde, mij deze welwillend verstrekten, voor welke welwillendheid allereerst mijn besten dank.

[p. 93]

Wanneer ons oordeel omtrent de verdiensten van den Heer de Castro afhankelijk zou moeten gesteld worden van het aantal werken, waarin hij de resultaten zijner veelvuldige onderzoekingen en nasporingen heeft nedergelegd, dan zoude, daar de kwantiteit van volledige boekwerken, door de C. geschreven, niet groot is, dit oordeel voor menigeen zeer zeker teleurstellend moeten worden.

Ons voorbehoudend op die werken, weinig in aantal, maar groot in waarde, nader terug te komen, merken wij intusschen al dadelijk op, dat de Heer de Castro noch door de omgeving in zijn prilste jeugd, noch door zijn physieke gesteldheid in een volgend levenstijdperk er aanvankelijk toe gebracht werd, eene zóódanige roeping te vervullen, dat blijvende monumenten van zijn waarlijk grootschen arbeid lang na zijn verscheiden zijn roem zouden kunnen verbreiden. De Castro was van nature leer- en weetgierig, onderzoeker op elk gebied, dat binnen zijn bereik kwam, een man met zekere conservatieve neigingen, gehecht aan het oude, het reeds bestaande en het vroeger gestichte, en vooral vol bewondering en belangstelling voor het verleden van zijn stam, vol piëteitsgevoel voor de imposante figuren, die het martelaarsleven op het Iberische schiereiland hadden ondergaan of de herinnering aan hun ‘tranendal op aarde’ door hun meesterlijke, hartroerende geschriften vereeuwigd hadden. In het gemoed van de C. zetelde evenzeer innige waardeering jegens allen, die tot de verbetering van het levenslot zijner stamgenooten in verschillende landen hadden medegewerkt, en al, wat zijn weetgierigheid op dit gebied bevredigen kon, zocht hij met eigen oog, gemoed en verstand te doorgronden; geen hinderpaal was hem te groot - eens met een onderzoek begonnen, scheidde hij niet van de zaak, voordat hij volkomen meester was

[p. 94]

van het terrein. Met een hart en gemoed, zoo ontvankelijk voor verheven indrukken, was de Castro jaren achtereen, als ronddolend in gaarden van wetenschap en kennis, bezig een schat van heerlijke planten, die hem het meest bekoorlijk voorkwamen, aan te kweeken, aan wier heilzamen invloed hij een harmonisch samenwerkend geheel van overleggen en handelen te danken had, dat getuigde van groot exactheid.

De bijzondere belangstelling voor boeken1, de lust tot het verzamelen van zeldzame werken, zelfs tot het aanschaffen van schijnbaar nietswaardige kleinigheden,2 welke zucht hij door de gezegende omstandigheden zijns levens gemakkelijk kon bevredigen, dit alles, het moet ongetwijfeld beaamd worden - baande hem den weg, om eerder dan anderen tot het gewenschte resultaat te komen. Bekende archivarissen en bibliothecarissen kunnen het getuigen, hoe de C. zijn bibliotheek voortdurend heeft uitgebreid, en hoe deze meermalen door mannen van naam geraadpleegd werd3.

[p. 95]

David Henriquez de Castro werd 22 Januari 1826 geboren uit aanzienlijke brave ouders van adellijke afkomst,1 wier hoogste idealen bestonden in het streng vasthouden aan het geloof der vaderen, het onbekrompen helpen en schragen van nooddruftigen, en last not least in het bevorderen der joodsche wetenschap en het steunen van hare voortplanters. Het is naar mijne innige overtuiging niet te veel gezegd, als ik durf veronderstellen, dat de Castro aan die innige vroomheid, aan die onopgeschroefde, aan die gemoedelijke liefde zijner ouders voor den medemensch dankte den hem eigen karakteristieken eenvoud, den vriendschappelijken omgang met allen, die met hem in aanraking kwamen, de bewondering voor Israëls roemvol verleden, zijne gehechtheid aan sommige joodsche ceremoniën.

De dagen van toenmaals waren intusschen niet die van heden, waarin ontwikkeling op profaan gebied meer algemeen als een onvoorwaardelijke eisch aan het komende geslacht moet worden gesteld. Toch lag het in de bedoeling der ouders om dezen zoon, die blijkbaar niet zonder aanleg was, wat verder te doen ontwikkelen. De goede plannen der ouders werden echter spoedig verijdeld, daar de jonge man door zwakke gezondheid zijne studiën weldra moest afbreken.

Werd dus het gymnasium maar al te spoedig verlaten, de dorst naar kennis brandde te zeer in het gemoed van den tengeren, jongen man, dan dat hij zich kon verge-

[p. 96]

noegen met het weinigje kennis, door hem tot nu toe opgedaan; de boeken bleven zijn vrienden, leeren, nasporen en onderzoeken zijn lievelingsbezigheid.

Vooral aan de nuttige lessen van den bekenden geneesheer Dr. E.B. Asscher1 was de Castro veel van zijn vorming verschuldigd. In de laatste jaren van zijn studiën en in de eerste jaren na zijne promotie hield deze algemeen ontwikkelde medicus zich onledig met het verstrekken van onderricht in de ‘humaniora’ en wiskunde, en het repeteeren met studenten, die examen wenschten af te leggen. Zoo was Dr. Asscher ook de man, die ten huize van den Heer de C. onderricht gaf in Latijn, Grieksch en wiskunde, op welke vakken de jonge de C. zich zooveel mogelijk met de borst toelegde.

Dr. Asscher volgde met belangstelling de leergierigheid van zijn discipel, en vorderde deze misschien wat langzaam, bij het eindigen der studiën moest getuigd worden, dat de C. niet alleen flinke vorderingen had gemaakt in het Latijn en in de wiskunde, maar ook van het Grieksch wel eenige kennis had opgedaan. Ook de Hebreeuw-

[p. 97]

sche, Portugeesche en Spaansche talen waren hem niet vreemd gebleven; het was n.l. voorheen geen zeldzaam voorkomend gebruik, de jongelieden behalve met de gewijde taal en de joodsche wetenschappen ook met de kennis der andere genoemde talen goed bekend te maken.

Door zijn onverzadigbaren lust tot lezen en navorschen, door zijn omgang en correspondentie met mannen van naam en beteekenis zoowel in het buiten- als in het binnenland vormde de Castro allengskens zich zelf en was hij een autodidact van niet geringe beteekenis.

Bij mijn informatiën, ingesteld bij ouderen van dagen, die meer dan ik in staat waren te oordeelen over vroegere levensbijzonderheden van de Castro, trof het mij te vernemen, dat hij zeer lang moet hebben doorgegaan voor een hoogst eenvoudig persoon, bijna zoude ik zeggen voor een onbekende op het gebied van wetenschap. Men kan uit dien tijd van hem slechts het volgende zeggen.

Na zijn huwelijk met Jonkvrouw R. Suasso nam hij deel aan het leven binnen zijn kerkelijke gemeente als lid van het Collegie van Parnassynen, als ouderling en als lid van den kerkeraad. Ook verleende hij zijn hulp bij het oprichten van een leenfonds binnen zijn gemeente, welk fonds hij op onbekrompen wijze heeft gesteund. Medegearbeid heeft hij tot wering van bedelarij en tot het oprichten van het zoogenaamde patronaat over de Port. Isr. weesjongens, met het doel deze jongens twee jaar na het verlaten van het weeshuis onder behoorlijk toezicht te houden.

 

Omstreeks het jaar 1860 zien wij de Castro zich meer en meer bewegen buiten den kring zijner dagelijksche omgeving; hij bezoekt zoowel in het binnen- als in het

[p. 98]

buitenland de bibliotheken1 en toont een bijzondere neiging tot het onderzoek op oudheidkundig gebied2. Niet minder ging hem het algemeen belang ter harte, getuige de reeks artikelen van zijn hand in de bladen over allerlei onderwerpen en in het bijzonder het aandeel dat hij in 1864 had genomen in de oprichting van ‘het Vondelpark.’ Toch moet ik, der waarheid getrouw, constateeren, dat niets de Castro meer aantrok, dan het stil, rustig en kalm voortarbeiden binnen de wanden van het hem dierbare studeervertrek, zich in het algemeen goed rekenschap gevende van de vraagstukken van den dag, maar bovenal zich ernstig verdiepende in de historiebladen des voorgeslachts, of in de geschiedenis der oude kunst.

In zijn gemeente trad de Castro nagenoeg niet meer naar den voorgrond dan ieder ander, maar in de geleerde wereld, zoowel in het buiten- als in het binnenland, werd zijn naam bekend en steeds met eere genoemd.

Vooral door hetgeen de Castro in betrekking tot de begraafplaats te Ouderkerk a.d. Amstel heeft volbracht, heeft hij zich een eerezuil gesticht zoowel voor binnen als buiten den kring zijner kerkelijke gemeente. Zonder ophef, sober, zonder onnutten woordenpraal, maar in eenvoudige en duidelijke bewoordingen met kritischen tact zijn geschriften samenstellende, heeft hij de kennis

[p. 99]

der geschiedenis verrijkt en ons vergund een diepen blik te werpen in het kerkelijk, wereldlijk en gemeentelijk leven van een vermaard voorgeslacht. In betrekking tot deze niet genoeg te prijzen arbeid, waarvan de resultaten o.a. ten opzichte van de levensbijzonderheden van Spinoza1 steeds blijvende waardeering zullen behouden, ontwikkelde de Castro al de kracht van zijn uitgebreide historische kennis, van zijn verbazend groote belezenheid, van zijn degelijke bronnenstudie, conscientieuse exactheid in het nagaan van feiten, data, namen en van allerlei andere wetenswaardigheden. Hij was daarbij de waardige navolger van mannen als Luzatto, Rapoport, Lewyssohn, Finn en anderen.

Ik mag er van getuigen, met hoeveel vlijt, liefde, inspanning en opoffering de Castro zich aan deze studiën heeft gewijd. De verrassende resultaten van zijn arbeid bleven geen geheim meer, de waardeering voor zijn streven bereikte hem spoedig van ver over de grenzen. De geleerde Dr. Munk2 gewaagde met bijzonderen lof van zijn arbeid, terwijl de Redactie van het N.I.W. in no. 21 van den tweeden jaargang terecht schreef: ‘de C. behoort tot de helaas weinigen, die, eene hooge sport van den maatschappelijken ladder innemende, evenwel hun tijd, hun krachten en hun geld in ruime mate veil hebben voor de beoefening van een of ander vak der joodsche wetenschap.’

 

‘Ook mij maakte genoemde bewaarder (de Heer D.

[p. 100]

Fidanque, bewaarder der Isr. Ouderkerker begraafpl.) eens opmerkzaam op die fraaie zerken. Hij nam bij die gelegenheid een scherf of spaander van den grond, legde daarmede een der zerken bloot en gaf ze mij ter beschouwing. Ik zag .... en de lust tot verder onderzoek was bij mij ten volle ontwaakt.’

Aldus in de voorrede van de Castro's bekend werk ‘Keur van Grafsteenen’ enz. Er is in betrekking tot den arbeid, door de C. op die begraafplaats verricht, reeds veel geschreven; er is eenigszins recht gedaan aan den bewonderenswaardigen geest van volharding, aan de inspanning, den rusteloozen ijver en de arbeidzaamheid, door de C. op deze beroemde begraafplaats ontwikkeld1: ‘Aan zijn stalen ijver is het te danken, dat tal van opschriften op grafzerken, door ouderdom bijna geheel onleesbaar geworden, zijn ontraadseld en menige verrassende historische of andere ontdekkingen werden verkregen. Een bijna vergeten begraafplaats is door dien reuzenarbeid tot haar recht gekomen, zoodat zij nu veilig tot de voornaamste onzer joodsche begraafplaatsen mag worden gerekend.’

De kunstschatten uit den tijd van Quellinus, Verhulst en van de van Luchterens werden frisch en gaaf van uit den bodem, waarin zij verzonken waren, te voorschijn gebracht, en door opmetseling2 steeds binnen het bereik der grafbezoekers gehouden.

[p. 101]

Al de zich op de ‘oude afdeeling’ bevindende zerken werden blootgelegd en de opschriften zeer zorgvuldig

[p. 102]

verzameld. Met inbegrip der zerken op een aangrenzend terrein werden zes duizend grafsteenen te voorschijn gebracht, waaronder ongeveer tweehonderd, die deels om de opschriften, deels om hun bijzonder fraai beeldhouwwerk uitmunten.

De geheele plattegrond of atlas der begraafplaats werd vervaardigd op 31 cartons op de schaal van 26 streep per meter. De merkwaardige grafsteenen werd daarop in rood, de overige in blauw getint.

Ongeveer 14 jaren achtereen heeft de C. zich in deze studiën verdiept, steeds grafschriften ontcijferende, opsporende allerlei biografische aanteekeningen en zich in den breede rekenschap gevende van alle bijzonderheden, op het somwijlen na weken of maanden van inspanning ontcijferde grafschrift voorkomende, totdat hij eindelijk in den jare 1883 bij den uitgever E.J. Brill te Leiden zijn meergenoemd werk ‘Keur van Grafsteenen’ (1e bundel) deed verschijnen, een groot standaardwerk van blijvende waarde, welke bundel van grafschriften de beschrijving bevat van een ruim 30-tal grafsteenen, die òf uit een historisch oogpunt of om hunne kunstwaarde de bijzondere aandacht verdienen, meerendeels vergezeld van levensbijzonderheden omtrent de personen in de op-

[p. 103]

schriften vermeld, zoomede van photo-lithografische afbeeldingen voorzien.

Dit werk zag het licht in het Hollandsch, maar ook in het Hoogduitsch, als blijk van eerbiedige hulde jegens Dr. Kayserling, den kloeken man, die van de geschiedenis en letterkunde der Sefardische Joden een bijzondere studie had gemaakt.

Door de verschijning van dit werk was de Castro's roem gevestigd1. Ontelbaar groot was het aantal zijner onderzoekingen naar oude grafsteenen, die zich uitstrekten ook tot de graven van groote steden in Europa, waardoor hij met corypheën der wetenschap meer en meer in onophoudelijke correspondentie stond.

Maar bij dezen grootschen arbeid heeft de C. het geenszins gelaten. Tijdens zijne studiën op de begraafplaats, vierde de Port. Israël. gemeente met grooten luister het 200-jarig bestaan harer beroemde Synagoge. De Castro was er weder, niet slechts als Penningmeester der feestcommissie, maar bovenal als auteur van ‘de Synagoge’ een degelijk bearbeid feestboek, met photografie van de Synagoge2, waarin een schat van tot dusverre geheel onbekende bijzonderheden in betrekking tot de geschiedenis van de Port. Isr. Synagoge werden opgenomen, benevens eenige historische aanteekeningen betreffende de vroegere bedehuizen der Port. Israël. gemeente te Amsterdam. Reeds vroeger mochten wij opmerken, dat de geschriften van de Castro uitstekende bijdragen zijn

[p. 104]

tot de kennis van de geschiedenis der Joden in Nederland, welke geschiedenis, om met den eminenten bibliograaf Roest te spreken, nog geschreven moet worden. Het is de Castro ook bij zijn nasporingen gelukt, menige bijzonderheid in betrekking tot het leven en de familie van Spinoza op te sporen1. Niet minder mogen met eere vermeld worden zijn belangrijke ontdekkingen op de Middelburger Israël. begraafplaats2, bij welken arbeid de C. werd ter zijde gestaan door den Heer H. van Beem, Isr. Leeraar dezer gemeente. Die ontdekkingen zijn van niet geringe beteekenis, daar zij betrekking hebben op de nakomelingen van den beroemden Menasseh Ben Israël. Op diezelfde begraafplaats liet de C. vele grafsteenen voor zijne rekening restaureeren.

Ten einde zijne kerkelijke gemeente de vruchten te doen genieten van zijn uitgebreide studiën liet de C. alle grafschriften der door hem te Ouderkerk onderzochte afdeelingen behoorlijk in schrift brengen, voorzag een en ander van alphabetische registers en gaf dit alles met de boven reeds vermelde cartons van den platten grond successievelijk aan de Port. Israël. gemeente te Amsterdam voor het archief ten geschenke, voor welke daad van piëteit de Heer de C. meermalen vanwege den kerkeraad den rechtmatig hem toekomenden dank en de hulde mocht erlangen.

Zijn verdienste voor de geschiedenis van het Portugeesche Rijk en de Nederl. letter- en oudheidkunde werden openlijk erkend door de hem vanwege den koning van Por-

[p. 105]

tugal toegekende ridderorde, door zijne benoeming tot lid van de Maatschappij der Nederl. letterkunde te Leiden in 1885, en, bij besluit van eene vergadering in 1894, tot lid van het Zeeuwsch Genootschap der wetenschappen te Middelburg.

Ook binnen den kring van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, welks medestichter de Castro was, naar mij werd verzekerd, was hij een welkome verschijning en met belangstelling hebben sommige leden van dit Genootschap, gebruik makende van eene vriendelijke uitnoodiging van den Heer de C., met eigen oogen te Ouderkerk den arbeid van hun gewaardeerd medelid bewonderd en zijn geest van humaniteit en verdraagzaamheid gehuldigd.

 

Ziedaar het leven van den Heer de C. naar mijne overtuiging, zonder opsmukking van woorden te boek gesteld. Zooals hij zelf de waarheid lief had en haar onvermoeid nastreefde, heb ik getracht feiten uit zijn arbeidzaam leven te releveeren, die onomstootelijk vast staan. Dat leven .... het was voor het meerendeel als met rozen bezaaid, totdat vooral in de laatste jaren de bittere slagen van het wreede noodlot door telkens opvolgende verliezen binnen den kring zijner dierbare verwanten hem beangstigden, inzonderheid toen zijne geliefde gade van zijne zijde werd weggerukt. Bleef de C. er nog naar streven zijn geest te verzadigen, door lezen en herlezen, door besprekingen of enkele onderzoekingen nog steeds kennis en wetenschap te vergaren - van ernstige studiën, tot een bepaald doel leidende, thans geen sprake meer. Hij achtte het zaak, zich wegens zijn hoogen leeftijd meer in acht te nemen, en zocht slechts door ontspanning van lichaam en geest, door ge-

[p. 106]

trouwe voortzetting van zijn werk der liefdadigheid op bescheiden, maar doeltreffende wijze, de door hem zoo zeer gewenschte levensopgewektheid te behouden.

Tot aan den laatsten dag zijns levens bleef hij zich intusschen nog met inspanning wijden aan het hem sedert den dood van Mr. I.L. de Leão Laguna opgedragen Voorzitterschap van de Hoofdcommissie van de Portug. Israëlieten in Nederland. Volbloed vereerder van het roemruchtig huis van Oranje, als dankbare nazaat der natie, die eenmaal in ons gezegend vaderland een veilig toevluchtsoord heeft gevonden, was het hem, den gevorderden in jaren, nog een groot genoegen als Penningmeester der Commissie voor de versiering der N. Heerengracht alhier tijdens de Kroningsfeesten actief te kunnen zijn. Met ernst en liefde begaf hij zich 6 Sept 1898, vergezeld van den Secretaris, den WelEd. Heer I.H. Mendes da Costa als vertegenwoordigers van de Portugeesche Israëlieten in Nederland ter Nieuwe kerk om getuigen te zijn van de plechtige inhuldiging van onze geëerbiedigde Vorstin Koningin Wilhelmina.

Nog op één enkele bijzonderheid wil ik aan het eind van deze levensschets wijzen. Het was Februari 1897; wijlen de Opperrabbijn Tal, die met de bewerking van het laatst door Z.W. Eerw. geschreven werk ‘Oranjebloesems’ enz. was begonnen, vroeg mij om aanwijzing van personen, die hem bij zijn arbeid ter zijde zouden kunnen staan. Ik verwees Z.W. Eerw. in de eerste plaats naar den historicus de Castro, en mocht binnen enkele dagen van den Opperrabbijn Tal vernemen, dat de Heer de C. hem gaarne zeer belangrijke aanwijzingen en mededeelingen had verstrekt. Een gedeelte van de resultaten van Tal's alom geprezen arbeid durf ik gerustelijk op rekening van de inlichtingen en mededeelingen des Heeren de C. stellen.

[p. 107]

Met den Heer M. Henriquez de Castro, zoon van den door mij geschetsten historicus, aan wiens bereidwilligheid ik vele mijner inlichtingen te danken heb, bevond ik mij eenige weken na het verscheiden zijns dierbaren vaders in het studeervertrek, de plaats, waar de C. zooveel gedacht, gesproken, gelezen en gearbeid had. Alles, alles was nog onaangeroerd als voorheen! Bij den eersten indruk wekte de aanblik van een en ander de gedachte in mij op, dat de onvermoeid werkzame en zoo weetgierige de C. slechts voor enkele minuten die kamer had verlaten. . . . . O speling van het toeval, het werk ‘Oranjebloesems’ lag daar nog opengeslagen op zijn schrijftafel .... de man moest dus nog terugkomen? Zoo geleek het mij; helaas, het heeft zoo niet mogen zijn! De Castro was den geleerden bewerker van ‘Oranjebloesems’, welks schrijver juist op dien avond met den naderenden dood worstelde, slechts enkele weken in den dood voorgegaan (20 October 1898). De Castro's arbeid hier op aarde was volbracht! Laat ons er aan toevoegen: tot roem voor zijn naam, tot eer van de zijnen, tot nut van zijn kerkelijke gemeente en van allen, die belang stellen in en leering willen putten uit heerlijke producten van nauwgezette studiën.

Amsterdam, Januari 1899.

A. van Creveld Mz.

1De grond tot zijn ruim voorziene bibliotheek op het gebied der profane wetenschappen alsook op Hebraisch en Judaisch gebied werd gelegd door eene erfenis van een zijner verwanten, den Heer Aron Henriquez z.g.
2In het onlangs verschenen werk van Prof. Freudenthal ‘die Lebensgeschichte Spinoza's’ maakt de geleerde schrijver melding van het in de verzameling van de Castro opgemerkt briefje van Baruch Spinoza, wegens verschuldigde offergelden aan de Port. Isr. gemeente. Hierbij teekent Fr. aan, dat dit briefje van groote beteekenis is; het is een bewijs, dat, in strijd met de bewering van Meinsma, Spinoza zich nog tot het jaar 1656 als lid van de Port. Isr. gemeente beschouwde.
3Vooral op het gebied der Joodsch-Spaansche geschriften heeft de Castro's bibliotheek groote beteekenis. Toen Dr. M. Kayserlings werk: ‘Bibliotheca Espagnola’ verscheen, vestigde de C. de aandacht van den geleerden vriend op eene lange lijst van werken, die in zijn bibliotheek voorhanden waren, doch niet in Kayserlings werk voorkwamen. In de ‘Revue des études Juives’ kwam Kayserling toen later op die belangrijke boekenlijst terug. In het straks genoemde werk van Prof. Freudenthal wordt met waardeering van de Castro's bibliotheek melding gemaakt.
1Het stamhuis der familie de Castro wordt in Spanje gevonden en dagteekent reeds van het midden der 12e eeuw. Door vermaagschapping ontstonden verschillende takken, waaronder die der Henriquez de Castro's. Deze tak wordt voor het eerst aangetroffen in de Zuidelijke Nederlanden ter gelegenheid van de verheffing der heerlijkheid van Etterbeek tot Baronnie door Koning Karel van Spanje (20 Nov. 1673) ten behoeve van Don Diego Henriquez de Castro.
1In een welwillend mij verleend persoonlijk onderhoud deelde mij Dr. Asscher mede, dat ook in latere jaren steeds een band van vriendschap bleef bestaan tusschen voormalig leeraar en leerling en dat, ofschoon ze niet dikwijls bij elkaar kwamen, het toch opvallend was, hoe de heer de C. bij iedere samenkomst blijken gaf van groote algemeene kennis, zooals die niet vaak wordt aangetroffen. In de laatste jaren van het leven des Heeren de C. had Dr. Asscher nog bijzondere gelegenheid, omdat hij toen zijn medicus was, zijn liefde voor oudheidkunde op te merken in de eerste plaats en alle andere wetenschappen in het algemeen, daar vooral bij lichte ongesteldheden na afloop der medische verzorging een onderhoud volgde van meer dan een uur soms, waarin de Heer de C. blijkbaar groot genoegen schepte en waarin wederkeerig van beide zijden werd genoten.
Denzelfden indruk had ook de Heer D. da Costa Gomes, arts alhier, van den overledene; ik mocht dit als oorgetuige van vele belangrijke gesprekken zelf meermalen opmerken.
1De koninklijke bibliotheek te 's-Gravenhage ontving eens, naar aanleiding van eenige genotvolle uren door de C. daar doorgebracht, een serie kostbare boekwerken ten geschenke.
2Zoo was de C.o.a. in het bezit gekomen van de studietafel met hare verschillende accessoren van den beroemden Alexander Humboldt, welke voorwerpen hij 16 April 1861 bij een bezoek van Z.M. wijlen koning Willem III in Artis ter bezichtiging stelde en in 1865 aan het Institut Impérial de France te Parijs ten geschenke gaf. Van dit geleerd lichaam was Humboldt eertijds lid.
1O.a. met eere gereleveerd door Meinsma, Freudenthal e.a.
2In het N.I.W. van 11 Febr. 1867 wijdde de C. eene zaakrijke necrologie aan de nagedachtenis van Munk. Evenzeer heeft de C. krachtig geijverd voor het plaatsen van een monument op het graf van dieu geleerde, in welk streven hij steun vond bij den Opperrabbijn Gerzon en het Centr. Consistorie van de All. Israel. Univ.
1cfm. Isr. Nieuwsbode 21 Juni 1887.
2Hieronder de namen van eenige door den Heer de Castro gerestaureerde en door hem aan de vergetelheid ontrukte grafsteden.
Gerestaureerde grafsteden.
Het eerste lijk te Ouderkerk begraven (een kind van David Senior).
Don Manuel Teixeira de Mattos, resident van koningin Christine van Zweden alhier.
Diego Teixeira de Mattos, zijn zoon, edelman aan het hof van genoemde koningin.
Moses bar Jehudah Bebri, gezant van sultan Mahomed IV bij het hof van Zweden.
Docter Abraham Gomes de Sossa, lijfarts van den infant Ferdinand, zoon van koning Filippus III van Spanje.
Haham Moses Raphael de Aguilar.
Docter Benjamin Musaphia, lijfarts van koning Christiaan IV van Denemarken, bekend lexicograaf enz.
Moses Machado, provisor generaal bij het Statenleger onder prins Willem III.
Baron Don Manuel de Belmonte, resident van den koning van Spanje in Holland.
Haham Menasseh Ben-Israel.
Haham Abraham Cohen Herera bekend kabbalist, vroeger Spaansch resident te Cadix.
Haham Saul Levi Morteira, bekend prediker en schrijver, leermeester van den wijsgeer Spinoza.
David Salom de Azevedo, resident van den Dey van Algiers te Amsterdam.
Docter Isaac Oroblo de Castro, lijfarts van den Hertog van Medina-Celi, leeraar aan de universiteit te Salamanca, later professor aan de hoogeschool te Toulouse, beroemd apologetisch schrijver.
Haham Joseph Pardo, eerste opperrabbijn der eerste gemeente Beth-Jahacob.
Haham Jacob Sasportas, resident van den keizer van Marokko alhier.
Haham David Pardo, eerste opperrabbijn der derde gemeente Beth-Israel.
Don Samuel Palacha, gezant van den keizer van Marokko bij de Staten van Holland in Den Haag en een der grondvesters der Port. gemeente alhier.
Haham Isaac Aboab, opperrabbijn der in 1639 vereenigde drie gemeenten.
Docter Ephraim Bueno, bekwaam arts.
Docter Joseph Bueno, arts bij Prins Maurits.
Daniel Levi de Barrios, kapitein in 't Spaansche leger, beroemd Spaansch dichter en oudste geschiedschrijver der Port. gemeente.
Docter Eliau Montalto, lijfarts van koningin Maria de Medicis.
Joseph Penso Felix, uitstekend nieuw-hebr. dichter.
Jacob Juda Leon (Templo), bekend door zijn afbeelding van en werk ver den Tempel van Salomo. Ook door zijne Spaansche vertaling der Psalmen.
Jacob de Pina, beroemd Spaansch dichter.
Dona Mayor Rodrigues en Francesco Nunes Homem, eerste Port. Israëliet, die te Amsterdam voet aan wal zetten.
David Franco Mendes, bekwaam Hebr. dichter en schrijver van hoogst belangrijke geschriften over de geschiedenis der Port. gemeente alhier.
Jacob Israel Belmonte, die hier het eerste minjan bijeenbracht.
Isaac de Pinedo, bekend door zijn beroemde gecommentarieerde vertaling van het werk van Stephanus ‘de Urbibus.’
Docter Isaac de Rocamora, vroeger Dominicaner monnik, later voornaam arts en dichter.
Uri Alevi, kleinzoon van den bekenden Moses Uri Alevi, voornaam Hebr. drukker.
1De binnen- en buitenlandsche bladen maakten met grooten lof van de kostbare pennevrucht melding wegens de breede opvatting, de heerlijke uitvoering en den bewonderenswaardigen onderzoekingsgeest, reeds bij den eersten oogopslag in dit geschrift merkbaar.
2Enkele afdrukken verschenen met meerdere photografiën en op zwaar papier.
1Oud-Holland, 6e jaargang bevat een zeer belangrijke bijdrage van de hand des Heeren de C. getiteld ‘ad Spinozam.’
2Vergelijk het hieromtrent voorkomende in het Centraalbl. v. Israel. in Nederl. van 3 Nov. 1893.

terug  begin  verder