Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1905


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Handelingen en mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, over het jaar 1904-1905. E.J. Brill, Leiden 1905  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 48]

Levensbericht van D.C. Nijhoff.

Is het reeds meer dan drie jaren geleden, dat het graf zich sloot over D.C. Nijhoff, het is daarom nog niet te laat om zijn beeld te schetsen. Mogelijk is het zelfs zóo beter, nu de afstand ons den man met meer onbevangenheid doet zien, nu wij niet meer onder den invloed zijn van zijn dikwijls meeslepende persoonlijkheid.

Dirk Christiaan Nijhoff werd op 31 Augustus 1838 te Gouda geboren. Zijn vader, Dr. Louis Jacob, de halfbroeder van den bekenden Archivaris van Gelderland Mr. Is. A. Nijhoff, was daar predikant. Na de gewone voorbereiding werd hij op 11 Augustus 1856 theologisch student te Leiden en begon daarmede den ontwikkelingsgang, die zijn helder hoofd en zijn warm hart zou leiden tot allerlei vakken van wetenschap, tot bespiegeling over godsdienst en zedelijkheid, tot letterkundige studiën, geschiedenis en politiek.

Na zijn proponents-examen te hebben afgelegd, werd hij beroepen tot predikant te Drimmelen (in 1863), welke plaats hij in 1870 voor Culemborg verwisselde. In de dagen van zijn predikant-zijn schreef hij o.a. in 1870 over het Vaticaansch Concilie, en in 1872 eene handleiding bij het godsdienstonderwijs op de Zondagscholen.

[p. 49]

Spoedig echter werd hij lijdend en moest gedurende eenigen tijd volstrekte rust nemen, zoodat hij op 15 Februari 1875 ‘om redenen van voortdurende ongesteldheid’ zijn eervol emeritaat verzocht en verkreeg.

Die tijd van gedwongen rust was hem blijkbaar ten zegen; want na zijne herstelling zou hij een werkkracht, een geestkracht ontwikkelen, die zijne vrienden verbaasd deed staan.

Zich aan de letteren wijdend gaf hij in 1876 eene vertaling van Gladstone's De stroomingen van het godsdienstig denken, terwijl hij reeds in 1875 was begonnen in zijne Beroemde schrijvers uitstekende studiën te leveren over de werken van Goethe, Kingsley, Auerbach, Wagner, Bulwer, Ouida, George Sand e.a.

In 1876, na het overlijden van Koningin Sophie, schreef hij Bij den dood onzer vorstin. Betrekkelijk onbeteekenend, wanneer wij het nu nog eens inzien, is het dáarom merkwaardig, wijl het ons niet alleen Nijhoff's keurigen stijl doet kennen, maar ook het eigenaardig enthousiasme, dat hem bezielde voor wat groot was en edel, en dat hij moest uitspreken, de geestdrift, die hem bijbleef tot in een zijner laatste studiën, die over Willem van Haren en diens Leonidas, welke hij op het Congres te Nijmegen in 1901 uitsprak, en die daarna in Nederland verscheen.

Aangetrokken door staathuishoudkunde en politiek gaf hij in die dagen (1877-78) de Stemmen over staatkundige en maatschappelijke vraagstukken, een soort van Vragen des tijds, waaraan Dr. Coronel, Dr. Godefroy, Mr. van Gilse, Mr. A. Pijnacker Hordijk en vele anderen medewerkten. Hij zelf schreef daarin o.a.: Het zedelijk ideaal en het politieke leven van Nederland, dat hij begint met de woorden van Royer-Collard tot Sainte

[p. 50]

Beuve: ‘Vous ne vous occupez pas de politique, monsieur; je vous plains, car un jour la politique s'occupera de vous’. Dat Nijhoff zich zelven vrij wel kende, blijkt o.a. hieruit, dat hij in dat geschrift, van Mr. S. van Houten sprekend, zegt: ‘De ijdelheid speelt hem geene parten; doch, zoo ik mij niet vergis, wel de hartstochtelijkheid. Meer dan iemand begrijpen wij uit ons persoonlijk leven, wat het beteekent, een storm van kokende en bruischende driften aan ons hooger ik te onderwerpen’.

Op dit gebied gaf hij ook, in 1878, eene vertaling van Kalle's Aanleiding tot huiselijke en maatschappelijke welvaart.

Intusschen had hij het plan gevormd zich aan de studie der Nederlandsche letteren te wijden, en deed in 1884 zijn doctoraal. Spoedig werd hij benoemd tot leeraar aan de Kon. Militaire Akademie te Breda, om die plaats echter dra te verwisselen voor het leeraarschap aan de Haagsche Hoogere Burgerschool, waar hij Dr. Jan ten Brink opvolgde. Kort daarop, 19 Maart 1886, promoveerde hij te Utrecht op een proefschrift Vondel's Hecuba, Gebroeders en Maria Stuart.

Was Nijhoff wat zijn algemeene kennis betrof een waardig opvolger van ten Brink en stond hij bij dezen stellig niet achter in geestdrift, een docent als ten Brink was hij niet. Om welke reden dan ook, maar in zijn docente-jaren was Nijhoff's leven verre van aangenaam. Hij kon niet tegen den eigenaardigen, dikwijls goedgemeenden humor der Hoogere Burgers en hun plagerijen prikkelden hem bovenmate. In 1892 nam hij dan ook zijn ontslag en wijdde zich opnieuw, met al het plichtgevoel hem eigen, aan het predikambt, eerst te Vechel, in Maart 1893, later, van December 1895 af, te Meersen.

[p. 51]

Tijdens zijn verblijf in den Haag vond Nijhoff tijd en lust zijn twee uitgebreidste historische boeken te bewerken. Een verblijf te Brunswijk, waar hij ijverig archiefstudiën maakte, was aanleiding tot het schrijven van Lodewijk Ernst van Brunswijk, de eerste ernstige poging om deze invloedrijke persoonlijkheid in een juist licht te stellen, al was de schrijver zelf overtuigd, dat een langer verblijf te Brunswijk menig punt uit het leven van den ‘Dikken Hertog’ nog beter had kunnen toelichten. Daarna, in 1890, verscheen zijn Staatkundige geschiedenis van Nederland, een werk, dat, goed ontvangen, nog veel wordt gelezen en gebruikt, en dan ook steeds aantrekt door den vorm, waarin Nijhoff verreweg de meesten onzer historici de baas was. In 1889 had hij zijne studie over Henriette Anna van Engeland en Karel II in Nederland doen verschijnen.

Op het gebied der geschiedenis, bewerkte hij verder, in 1896, Miss Ruth Putnam's Willem de Zwijger, een werk, dat, met alle de fouten en tekortkomingen welke het werden verweten, toch nog de eenige grootere monografie over Prins Willem is, die aan de eischen der nieuwere historiografie eenigszins voldoet. In 1898 verschenen zijn Stadhouders en Koningen uit het Huis Oranje-Nassau, evenals zijn Het Huis van Oranje en het protestantisme, een klein doch warm gesteld gelegenheidsgeschriftje. Ook het huwelijk van Koningin Wilhelmina gaf hem een studie in de pen: Prinses Wilhelmina, echtgenoote van Willem V, 1751-1820, die met fraaie illustraties in het Gedenkboek Oranje-Nassau, Mecklenburg-Schwerin (Amst. 1901) verscheen.

Toch was het meer de politiek, in het bijzonder de democratie, die hem aantrok. Had hij reeds in 1894 eene vertaling gegeven van Thompson's De politiek eener

[p. 52]

democratie. Studie over Amerikaansche staatkundige toestanden, in 1901 verscheen zijn Democratie. Historische schetsen.

Behalve deze werken van meer blijvenden aard, schreef hij veel in Nederland, het weekblad De Amsterdammer, De Nederlandsche Spectator en, tijdens het redacteurschap van den heer Lamping, in de Nieuwe Rotterdamsche Courant.

Buitendien was hij een ijverig lezer in ‘Oefening kweekt kennis’, in verschillende Nutsdepartementen en in elke vereeniging, waar men een ernstig onderwerp degelijk en smaakvol behandeld wenschte te zien. En velerlei waren die onderwerpen.

Onder de door hem nagelaten lezingen vind ik o.a. vrij uitvoerige studies over Napoleon's jeugd, over Napoleon en de vrouw, over de Bornier's Mahomet, over het samengaan der modernen met Dr. A. Kuyper op politiek en sociaal terrein, over democratie in verband tot taal en letteren, over Juliana van Stolberg, enz. enz.

Nijhoff was een hartstochtelijk, militant man, die zijne meening steeds oprecht uitsprak. Als vurig protestant voerde hij vinnigen strijd tegen alles wat ultramontaansch was. Vinnigen strijd voerde hij ook over het begrip van objectiviteit en subjectiviteit van den geschiedschrijver. Hij helde tot de subjectiviteit over, wat geheel overeenkwam met zijn subjectief aangelegde natuur.

Toch - toen hij op 10 Februari 1902 in de rustige pastorie te Meersen het rustelooze hoofd had neergelegd - schreef een onzer eerste historici, met wien hij altijd had gestreden, aan Nijhoff's weduwe: ‘Het was een man van veel talent voor de beoefening van het vak der geschiedenis en gaarne erkennen wij allen, dat hij aan onze wetenschap werkelijk diensten heeft bewezen. Ik

[p. 53]

was het lang niet in alle opzichten met hem eens, maar heb steeds in hem zijn ijverige werkzaamheid met erkentelijkheid en belangstelling gewaardeerd’.

Deze woorden vereeren den schrijver ervan en den overledene beiden.

 

Het is op uitdrukkelijk verlangen van Nijhoff zelven, dat zijn particulier leven hier geheel onbesproken blijft.

Slechts wil ik vermelden - en Nijhoff zou het mij stellig toestaan -, dat, na veel leed, er een nieuwe levenszon voor hem opging, toen hij in 1886 zich verbond met Mejuffrouw F. Piekema, die, geheel voor en met hem levend, hem begrijpend en leidend, hem een onovertreffelijke gade was.

 

Maart 1905.

P.A.M. Boele van Hensbroek.