Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1919


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Handelingen en levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, over het jaar 1918-1919. E.J. Brill, Leiden 1919  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 1]

[Levensberichten]

Levensbericht van G. van Arkel.

Toen de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde den architect G. van Arkel de eer aandeed, hem tot lid te benoemen, was het haar, natuurlijk, bekend, dat de eenige lettervrucht, welke van hem het licht zag, namelijk de ‘Noord-Hollandsche Oudheden’, die hij met mij van 1890 tot 1905 bewerkte, kwalijk als tot de schoone letteren behoorend kon worden aangemerkt.

Een boek als dit, wat dan ook overigens zijn waarde moge zijn, is niets dan een droge opsomming van allerlei, dat voor den oudheidkundige van belang is, doch dat niemand tot lezen zal lokken. Veel schoons en merkwaardigs hebben wij beschreven; de beste beschrijving geeft echter van die schoonheid maar een zeer vaag begrip. Daarom namen wij dan ook de teekenstift ter hand, die beter in staat is, een denkbeeld van wat ons belangrijk voorkwam, te geven.

In den tijd, dat wij onzen arbeid begonnen, was het vermenigvuldigen van fotografiën nog even bezwaarlijk als kostbaar. Slechts penteekeningen konden worden vermenigvuldigd en dus was het vervaardigen daarvan een eisch. Pas toen de laatste deelen verschenen kon de fotograaf onze taak overnemen. Die penteekeningen nu zijn voor het grootste deel door Van Arkel gemaakt; hij heeft daardoor aan de ‘Noord-Hollandsche Oudheden’ een groote waarde gegeven. Die waarde is, helaas, reeds dikwijls gebleken, als, wat Van Arkel nog had gezien en afgebeeld, soms door een ongeluk, soms door den moedwil of het onverstand der menschen te niet ging.

Van Arkel heeft begrepen en gewaardeerd, dat de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde hem in haar kring opnam om hem een bewijs van erkentelijkheid te geven voor wat hij in de ‘Noord-Hollandsche Oudheden’ tot stand bracht.

Voor zooveel ik weet heeft hij nimmer een vergadering bijgewoond. Zijn drukke werkkring als welbeklant bouwmeester te Amsterdam liet hem geen tijd daarvoor. Als ik dan ook, volgens het verlangen der Maatschappij, hier een kort levensbericht van

[p. 2]

den afgestorvene geef, dan is het dat van een bouwmeester, niet dat van een letterkundige.

Gerrit van Arkel werd geboren te Loenen aan de Vecht, den 3den April 1858. Hij ging daar op school en leerde er ook het timmeren. Gelukkig de bouwmeester, die in zijn jeugd de practijk van het vak bij een goed meester heeft mogen leeren, want hij legt daardoor den stevigen grondslag, die op lateren leeftijd door geen studie meer te verkrijgen is. In den ‘goeden’ ouden tijd waagde niemand het, als bouwmeester op te treden, wanneer hij niet eerst bewezen had, het ambacht machtig te zijn. Pas in de tweede helft der negentiende eeuw ging men meenen, dat het stevig fundament der ambachtspractijk voor den bouwmeester niet meer noodig was, doch door het bestudeeren van velerlei theoretische wetenschap kon worden vervangen. Ingewijden weten, hoeveel teleurstelling daarvan het gevolg is geweest.

De jonge Van Arkel begreep echter, dat hij te Loenen aan de Vecht niet moest blijven. Hij vertrok naar Amsterdam, waar hij de helper werd van den in zijn tijd vermaarden Jan Galman, die een brug over het IJ wilde slaan ter plaatse van het tegenwoordig Centraal Station. Destijds wilde men van zulk een stout plan niet weten; thans duikt het weder op. Iedereen betreurt nu de plaatsing van het Centraal Station in het open IJ voor Amsterdam.

In 1877 maakte ik kennis met Van Arkel. Hij werkte toen op het bureau van den architect G.B. Salm, die zijn vak uitnemend verstond, daar hij, naar goede aloude zede, uit de practijk was voortgekomen. Zijn esthetische idealen leert men kennen uit het Aquariumgebouw, in klassieken trant ontworpen en uit het gebouw der Vrije Gemeente, waar de romantiek, zooals het midden der negentiende eeuw haar opvatte, aan het woord is.

Van Arkel heeft bij den ‘ouden’ Salm, - zooals hij, om hem van zijn later als architect bekend geworden, thans reeds overleden zoon Abraham Salm te onderscheiden, genoemd placht te worden -, een goede leerschool doorloopen. Maar met de esthetische idealen van zijn meester had hij niet op. Hij voelde zich aangetrokken tot de Nederlandsche bouwkunst der 16de en 17de eeuw, die in Isaac Gosschalk destijds een geestdriftig bewonderaar vond.

Te Amsterdam was den 23sten Augustus 1855 de vereeniging ‘Architectura et Amicitia’ opgericht, die, als genootschap, nog bestaat en steeds het lichaam was, waarin de jonge beoefenaars der bouwkunst elkander ontmoetten. Als, later, de geschiedenis van dit genootschap zal worden geschreven, zal blijken hoe groot zijn beteekenis voor de Nederlandsche bouwkunst geweest is.

Van Arkel was, natuurlijk, lid van de vereeniging, die des winters om de veertien dagen des avonds haar bijeenkomsten hield in de kleine zijkamer van de ‘Eensgezindheid’ op den hoek van den nog ongedempten Nieuwe Zijds Voorburgwal en het eveneens ongedempte Spui. Voordrachten heeft Van Arkel er

[p. 3]

niet gehouden, maar met zijn vaardige teekenpen was hij een zeer gewaardeerd medewerker aan de tijdschriften, die werden uitgegeven.

Het jaar 1880 zag een groote beroering in de Nederlandsche bouwkunst ontstaan. De Maatschappij tot bevordering der Bouwkunst, in 1842 opgericht, beantwoordde niet meer aan de behoeften en de idealen van de jonge beoefenaars der bouwkunst. Zij brachten het hoofdbestuur ten val en kozen een nieuw, waarvan zij de beste verwachtingen hadden. Maas toen dit aan hun verwachtingen niet voldeed, keerden zij der Maatschappij den rug toe, en maakten van ‘Architectura et Amicitia’ het genootschap, dat sedert van zoo groote beteekenis geworden is.

Van Arkel heeft aan die hervorming een werkzaam aandeel gehad. Het was toen de tijd der schitterende feesten, der geestige architectonische blijspelen, waaraan de herinnering nog altijd voortleeft. Velerlei kunstenaars sloten zich bij de jonge bouwmeesters aan, J.A. Alberdingk Thijm dichtte een ‘Bondslied’, H. Brandts Buys maakte de wijs, die door geestdriftige kelen telkens met vuur werd gezongen. Het was een tijd van onbezorgde vreugde. Des zomers werden met een ‘havenboot’ tochten gemaakt naar oude schilderachtige steden om haar schoonheid te leeren kennen en de ‘vriendschap’ aan te kweeken.

Van Arkel was steeds van de partij, doch arbeidde tevens met ijver. In 1883 vestigde hij zich als architect te Amsterdam, eerst verbonden met W. Wilkens, die echter reeds in 1884 overleed.

Toen Van Arkel zijn werkzaamheid als architect begon was de verandering, die de afschaffing der gilden voor de bouwkunst ten gevolge had gehad, voltrokken. Behoefde, zoolang die gilden bestonden, de architect alleen de ontwerpteekeningen te maken en kon hij de uitvoering geheel aan de meesters der gilden overlaten, langzamerhand was na 1798, toen de gilden werden opgeheven, het gebruik in zwang gekomen, dat de werken aan één aannemer werden aanbesteed, volgens een bestek met voorwaarden, door den architect opgemaakt. De architect moest nu zorgen, dat de aannemer, wiens belang natuurlijk medebracht, alles zoo goedkoop mogelijk uit te voeren, zich aan het bestek en de voorwaarden hield. Zijn werkzaamheid werd dus van de teekenkamer naar het bouwterrein verplaatst, vooral, wanneer hij veel te doen had.

In den eersten tijd kon Van Arkel nog in den ouden trant werken; voornamelijk winkelhuizen werden hem toen besteld en de ontwerpen daarvoor maakte hij nog zelf. Hij toonde daarbij zijn bewondering voor de Nederlandsche bouwkunst der 16de en 17de eeuw en schiep die aardige geveltjes, die zoo goed in de Amsterdamsche stadsgezichten passen en waarvan die, welke de bekende sigarenwinkel op den hoek van de Kalverstraat en den Heiligeweg heeft, een kenmerkend voorbeeld is.

In 1893 trad Berlage in onze bouwkunst als hervormer op en verwierp den rijkdom van den Oud-Hollandschen stijl, waarin ook

[p. 4]

hij tot dusver behagen had gehad. Van Arkel was een van de eersten, die naar den profeet luisterden en wij zien na dien tijd zijn bouwkunst een ander karakter aannemen. Soms volgde hij Berlage zoozeer, dat zijn werk slechts door den kenner van dat, door dien meester gemaakt, kan worden onderscheiden. Een voorbeeld hiervan is het gebouw van de Buitenlandsche Bankvereeniging aan het Damrak te Amsterdam, hetwelk met het door Berlage gestichte gebouw der ‘Algemeene’ daarnaast één geheel schijnt te vormen.

Later, toen de groote bestellingen kwamen, was Van Arkel, als zoovele architecten, genoodzaakt veel werk aan helpers over te laten. Dit verklaart de verscheidenheid, die in dit tijdperk zijn werk kenmerkt. En toen de Amsterdamsche burgerij hem een plaats in den gemeenteraad gaf, nam de openbare zaak zijn tijd meer in beslag, dan voor hem als kunstenaar goed was. De bovenmatige drukte, de vele beslommeringen, die zijn steeds zich uitbreidende werkkring met zich bracht, leverde ook voor zijn gezondheid ernstige bezwaren op. Uit dit tijdperk dagteekenen bankgebouwen, de beurs voor den Diamanthandel, koffiehuizen, fabrieken, diamantslijperijen en andere belangrijke werken.

Maar bij al deze drukte bleef toch bij Van Arkel de liefde voor de oude schoonheid levendig. Het huis, dat hij te Abcoude ging bewonen, toen hij zijn lidmaatschap van den gemeenteraad had nedergelegd, vulde hij met de fraaiste voorwerpen, die hij had kunnen verkrijgen. En ook in het belang van Amsterdam's schoonheid bleef hij werkzaam. Hij behoorde tot de oprichters van het Genootschap ‘Amstelodamum’, welks jaarboeken eenige bijdragen van hem bevatten. Ook nam hij zitting in de Amsterdamsche ‘Commissie voor het Stadsschoon’, die met lofwaardigen ijver poogt, het schilderachtige karakter der Amstelstad te behouden. Eindelijk behoorde hij ook tot de stichters van de Vereeniging ‘Niftarlake’, welke belangstelling wil wekken voor de geschiedenis en de schoonheid van de Vechtstreek.

In den zomer van 1914 werd Van Arkel ernstig ziek. Wel herstelde hij, doch zijn gezondheid gaf sinds dien tijd tot groote bezorgdheid aanleiding. Hij hervatte echter zijn werkzaamheden en het was nog onverwacht, dat hij den 11den Juli 1918 overleed.

Op het stille kerkhof te Baambrugge is Van Arkel ter aarde besteld.

 

A.W. Weissman.