Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1924


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Handelingen en mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, over het jaar 1923-1924. E.J. Brill, Leiden 1924  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 17]

Levensbericht van A.W. Weissman.

Door de Mij. der Nederlandsche Letterkunde ertoe uitgenoodigd, ben ik gaarne bereid een beknopt levensbericht samen te stellen ter nagedachtenis van den architect A.W. Weissman, dien ik alleen in zijn rijpere levensdagen gekend heb. Toch zijn de gegevens omtrent de jeugd van Weissman niet verkregen uit inlichtingen van anderen, omdat hij zoo gaarne vertelde van het verleden.

A.W. Weissman werd in 1858 geboren en ontving zijn eerste schoolopleiding bij meester Heinsius aan den O.Z. Voorburgwal. In de in druk verschenen lezing ‘Amsterdam zooals het in mijn jeugd was’, gepubliceerd in het jaarverslag 1922 van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, vertelt hij zoo aardig zijn wandeling van huis naar school. Toen in 1920 door schrijver dezes de restauratie van de Agnietenkapel en inrichting tot Universiteitsgebouw onderhanden genomen werd en Weissman als lid van een van Gemeentewege ingestelde restauratiecommissie het gebouw bezocht, vertelde hij hoe in zijn jeugd de Agnietenschool was ingericht; op den zolder komende onder het houten kapgewelf van de kapel van St. Agnes, waar ook nog eens meer dan twee eeuwen lang de Amsterdamsche Stadsbibliotheek gehuisvest was geweest, zeide Weissman rondwarende: ‘Ja, en hier hadden wij gymnastiek’.

Na de H.B.S. doorloopen te hebben kwam de jongeman, die zich reeds zeer vroeg tot de bouwkunst aangetrokken gevoelde, in de leer op een architectenkantoor. Dit was geheel in overeenstemming met zijn latere zienswijze n.l. dat de practijk en niet de school de leerschool voor het leven is. Hij ging dus niet naar Delft, doch ontving zijn opleiding van de toenmalige grootheden, den stadsarchitect W. Springer en den architect B. de Greef die later ook weer stadsarchitect werd om te zijner tijd te worden opgevolgd door Weissman. Zoo bereikte de jeugdige bouwkunstenaar reeds op jongen leeftijd dat hem belangrijke werkzaam-

[p. 18]

heden werden toevertrouwd. Bovendien was hij in de gelegenheid door te dringen tot de archieven van de Gemeente, wat hem den weg opende tot zijn omvangrijke studiën betreffende de geschiedenis der bouwkunst, speciaal van de Amsterdamsche, en van de grootmeesters, Hendrick de Keyser en Jacob van Campen. Tot zijn levensavond heeft hij die studiën voortgezet en hij was de aangewezen man om bij den 300sten gedenkdag van het overlijden van Hendrick de Keyser in de Zuiderkerk een redevoering te houden waarbij een door hem ontworpen gedenksteen werd geplaatst. De belangrijkste bouwwerken door hem in Amsterdamschen Gemeentedienst gemaakt zijn de gebouwen op de Oosterbegraafplaats en het Stedelijk Museum. De eerstgenoemde gebouwen zijn, gezien van het standpunt der toenmalige architectuur, zeer goed geslaagd. Het is baksteenbouw met toepassing van terra cotta, zulks naar het voorbeeld der oude Italianen wier kunst hij zoo hoog waardeerde. Het Stedelijk Museum is nog steeds een voor het doel uitnemend geschikt gebouw. De jongeren waardeeren de architectuur nu niet meer, doch zij dienen te erkennen, dat dit bouwwerk is gemaakt in de periode van stijlnavolging en dat het als zoodanig een van de best geslaagde gebouwen van Amsterdam is.

Door een meeningsverschil bij dezen bouw ontstaan, raakte Weissman uit den Gemeentedienst. Niet vrij van sarcasme zijn de versieringen op het eind van den bouw aangebracht, hoog aan den topgevel, waar men een kater naar beneden ziet kijken en in de balustrade van het trappenhuis waar de ledige geldzak gesymboliseerd is en de kop van den zondebok om den hoek kijkt.

Na de Amsterdamsche periode ging hij naar Nijmegen waar o.a. een Concertgebouw van zijn hand staat. Weer terug in Amsterdam, is naar zijn ontwerp gebouwd een villa aan de Jan Luykenstraat en eenige woningcomplexen in de Staatsliedenbuurt. Ook kennen wij van hem een woonhuis aan den Willemsparkweg.

Weissman was een veelzijdig kunstenaar. Hij beoefende de muziek, en de letterkunde had eveneens zijn volle aandacht. Toen er eens bij een officieel bezoek geen beiaardier beschikbaar was voor den Zuiderkerkstoren klom de Amsterdamsche stadsarchitect koelbloedig naar boven en bespeelde het carillon. In het Weekblad Architectura verschenen jaren achtereen, soms hekelige, soms stekelige gedichten van Candidus, later tot een apart bundeltje vereenigd. Deze gedichtjes geven voor den ingewijde een aardig overzicht van de gebeurtenissen op architectonisch gebied.

Weissman beheerschte buitengewoon goed zijn talen, hoewel zijn schoolopleiding slechts matig was geweest. Rustig leidde hij den Engelschen koning langs een tentoonstelling van het werk van Nederlandsche architecten, zonder tevoren gelegenheid te hebben gehad zelf het geëxposeerde te zien.

De strijd tegen het bederven van de schoonheid van stad en

[p. 19]

land werd door hem onvermoeid gevoerd. Hij was een van de stichters van Heemschut. Als Secretaris van den Bond Heemschut deed hij vele jaren achtereen zeer nuttig werk.

Als redacteur van de Bouwwereld gaf hij zijn hart lucht wanneer weer ergens een stadsgracht werd gedempt of een oude stadspoort dreigde gesloopt te worden.

Bij de verschijning van het standaardwerk ‘Geschiedenis der Nederlandsche Bouwkunst’, feitelijk het eerste behoorlijke studieboek op dit gebied, ontving hij van de Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst de gouden medaille van verdienste.

Zijn publicatiën over de Heringa State en het Popta-gasthuis te Marssum leveren het bewijs van zijn vernuft als architectuurkenner en archiefonderzoeker.

Toen het de aandacht trok dat zooveel oude bouwwerken geleidelijk verdwenen, maakte hij voor het Kon. Oudheidkundig Genootschap in samenwerking met G. van Arkel een beschrijving van de Noord-Hollandsche Oudheden. De tallooze illustratiën in dit boek zijn eigenhandig vervaardigde penteekeningen. Wanneer iemand hem probeerde lof toe te zwaaien over zulk een geweldig uitgebreiden arbeid, was zijn eenvoudig antwoord dat de fotographische reproductie toen nog niet was uitgevonden.

Het oude Amsterdamsche Stadhuis, 's Waerelts Achtste Wonder, had zijn bijzondere belangstelling. Onvermoeid leidde hij groepen belangstellenden rond en wist van elk onderdeel iets te vertellen, alsof hij in zijn ouderlijk huis rondwandelde. Verschillende publicatiën in boekvorm en als tijdschriftartikel verschenen van zijn hand over dit onderwerp.

Als docent was Weissman een aangenaam causeur. Ongetwijfeld heeft hij een deel van zijn carrière misgeloopen. Hij had lector in de geschiedenis der bouwkunst moeten worden. Niettemin hebben velen van zijn voordrachten en lessen kunnen profiteeren.

Toen de zoo algemeen bekende man plotseling overleed en den 17den September 1923 te Haarlem de begrafenis plaats had, bleek wel duidelijk door het groote aantal afgevaardigden van openbare besturen en vereenigingen in welk een uitgebreiden kring hij bekendheid had verworven.

Velen zullen dan ook met erkentelijkheid terugdenken aan deze veelzijdige en merkwaardige figuur onder de Amsterdamsche architecten.

 

Amsterdam, Februari 1924.

A.A. Kok.