Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1928


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Handelingen en mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, over het jaar 1927-1928. E.J. Brill, Leiden 1928  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 31]

Levensbericht van F.B. Löhnis.

Op 12 Augustus 1927 werd te 's Gravenhage onder buitenge wone groote belangstelling en nadat de groote verdiensten van den overledene van verschillende zijden waren herdacht, aan den schoot der aarde toevertrouwd het stoffelijk overschot van den heer F.B. Löhnis, die na een kort ziekbed, den 7den Augustus te Baden-Baden overleden was.

De heer Löhnis is 24 Januari 1851 te Rotterdam geboren. Na aldaar de Hoogere Burgerschool te hebben afgeloopen en in Delft eenige studies te hebben gemaakt, voelde hij zich het meest aangetrokken tot den landbouw. Ten einde daarvan eenige meerdere kennis op te doen, volgde hij verschillende colleges aan de Landbouwhoogeschool te Halle en bekwaamde hij zich verder practisch op groote bedrijven hier te lande en in Engeland.

Reeds op jeugdigen leeftijd, in 1876, werd hij benoemd tot Directeur der Maatschappij van Weldadigheid te Frederiksoord. Zestien jaren was hij daar werkzaam en in deze jaren, toen het slecht ging met den landbouw in ons land, heeft hij de nooden en behoeften daarvan leeren kennen en tevens in zijn eigen Maatschappij den weg aangewezen om tot verbetering te komen. Het was aan zijn initiatief te danken, dat te Frederiksoord scholen werden opgericht voor opleiding in landbouw, in tuinbouw en in boschbouw. De Maatschappij van Weldadigheid werd daartoe in staat gesteld door het belangrijke bedrag, dat Majoor F.H.L. van Swieten en diens echtgenoote beschikbaar stelden. Op de G.A. van Swieten landbouwschool en de G.A. van Swieten boschbouwschool hebben tal van jonge lieden kennis van land- en boschbouw kunnen opdoen, toen er in ons land overigens nog weinig gelegenheid daarvoor bestond. Toen later de Rijkslandbouwwinterscholen, de Middelbare Landbouwschool en de Cursussen der Ned. Heidemaatschappij zich begonnen te ontwikkelen, waren deze inrichtingen minder noodig geworden en werden zij dan ook opgeheven. De G.A. van Swieten tuinbouwschool neemt ook thans nog haar plaats onder de tuinbouwscholen met eere in.

De heer Löhnis gevoelde, dat het vóór alles noodig was, te zorgen voor een goede opleiding in den landbouw en hij was dan

[p. 32]

ook de aangewezen man, om van Rijkswege dit onderwijs te organiseeren en te leiden. In 1892 werd hij benoemd tot Inspecteur van het Middelbaar Onderwijs, belast met het toezicht op de Landbouwscholen en tot 1901 vervulde hij met groote toewijding deze betrekking. Van hem is de eerste stoot uitgegaan voor de latere ontwikkeling van het land- en tuinbouwonderwijs in ons land.

De heer Löhnis voelde echter niet alleen voor de onderwijsbelangen; hij wist, dat onze landbouw ook nog op andere wijze hulp en voorlichting noodig had. Toen dan ook in 1901 zijn benoeming volgde tot Inspecteur van den Landbouw, was hij eerst recht in zijn element. Door zijn rijke kennis en ervaring op het gebied van den landbouw en op sociaal gebied, door de groote vriendelijkheid van zijn persoon, die altijd bereid was iemand met raad en daad terzijde te staan, door zijn toegankelijkheid voor nieuwe ideeën, ook van jongeren, heeft hij een richting gegeven aan het gedeelte van de Staatszorg voor den landbouw, dat voor zijn rekening kwam, die van onschatbare waarde is geworden voor den Nederlandschen landbouw. Bij zijn aftreden in 1916, toen hij den 65-jarigen leeftijd bereikt had, werd hij dan ook algemeen gehuldigd. Het huldeblijk, dat hem bij die gelegenheid werd aangeboden en dat bijeengebracht was door zijn vrienden en vereerders, wenschte hij te bestemmen voor een fonds, naar hem genoemd het Löhnisfonds, welks rente strekt tot bevordering van de wetenschappelijke teelt.

De belangstelling van den heer Löhnis betrof niet enkel de hem van Rijkswege opgedragen taak. Talrijke functies vervulde hij naast zijn inspecteurschap en na het verlaten van den Rijksdienst bleef hij in tal van vereenigingen en commissies op het gebied van den landbouw werkzaam.

Hij was lid van de Staatscommissie voor de herziening van de Jachtwet; Voorzitter van de Commissie ‘Ontginning’ van het Ned. Landbouw-Comité, welke commissie ook een ontwerp van wet op de Ruilverkaveling heeft samengesteld; lid van de Commissie van Advies voor de Landbouwproefstations; curator der Landbouwhoogeschool; lid van het Dagelijksch Bestuur der Nederlandsche Heidemaatschappij; lid van het Bestuur der Hoofdafdeeling Ruilverkaveling der Nederlandsche Heidemaatschappij; lid van het Bestuur der Kon. Ned. Landbouwvereeniging; lid van het Bestuur der Nederl. Vereeniging voor Economische Geographie; Regeeringsadviseur van het Kon. Ned. Landbouw-Comité; Voorzitter van de Centrale Vereeniging van Botercontrôlestations en van de Vereenigde Kaascontrôlestations Zuid-Holland-Brabant; Voorzitter van den Nederlandschen Bond voor Werkverschaffing; Tweede-Voorzitter der Nederl. Vereeniging voor Koeltechniek; onder-Voorzitter der Nederlandsche Vereeniging voor Geneeskruidtuinen; onder-Voorzitter van de Vereeniging ‘Een Nationaal Belang’; onder-Voorzitter van de Commissie van Beheer der

[p. 33]

Volkstuinen te 's Gravenhage; lid van het Bestuur der Zuiderzee-Vereeniging; lid van de Commissie voor het Landbouwcrediet, van die voor het Pachtwezen, van die voor het Tiendrecht; lid van de Commissie inzake Vee-arbitrage en van de Commissie tot Reorganisatie van het Centraal Bureau van het Ned. Landbouw-Comité; lid van de Kunstmestcommissie (crisiscommissie), lid van de Commissie van Toezicht der Vereeniging ‘Molest-Risico’.

Ondanks zijn zeer drukke werkzaamheden - de heer Löhnis vatte het lidmaatschap van de vele vereenigingen en commissies ernstig op - wist hij nog tijd te vinden voor het samenstellen van talrijke werken, rapporten en artikelen. Hij had een belangrijk aandeel in de rapporten, welke door de Commissie ‘Ontginning’ van het Nederlandsch Landbouw-Comité werden ingediend, nl. ‘Heideontginning en Grondverbetering als middel tot verbetering der sociale toestanden’; ‘Rijkslandbouw-ingenieurs’; ‘Het bosch in de huishouding van den Staat’; ‘Bosschen voor grondverbetering’; ‘Slibbemesting’; ‘Maatregelen tot het verkrijgen van beter afgeronde eigendommen’. In 1896 verscheen van zijn hand een uitvoerig overzicht van de Organisatie der Landbouwbelangen in Pruisen, Frankrijk, België en Nederland. In het tijdschrift ‘De Economist’ verscheen in 1880 van hem eene verhandeling over ‘De Boschcultuur in Nederland’ en in 1886 over ‘De Deensche Heide-Maatschappij’. Als gevolg van laatstgenoemde publicatie en zijn verdere bemoeiingen werd in 1888 de Nederlandsche Heide-Maatschappij opgericht. Als mederedacteur van het Tijdschrift der Nederl. Heide-Maatschappij leverde hij, naast tal van kleinere o.a. de volgende meer uitgebreide artikelen: ‘Boschvennootschappen op de Veluwe’; ‘De Cultuurtechnische dienst van het Groot-Hertogdom Baden, in verband gebracht met den provincialen Waterstaatsdienst in Nederland’; ‘Het Haagsche Bosch’; ‘De Boschbouwschool te Gross-Schönebeck’; ‘Reorganisatie van het Boschwezen in Nederl.-Indië’ en ‘Gemeene Heiden en Weiden in Gooiland’. Eene verhandeling van den heer Löhnis over de ‘Houtcultuur en de Bosschen in Drenthe’ werd in 1884 door de ‘Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van Nijverheid’ met goud bekroond en bij de Erven Loosjes in 1885 gepubliceerd.

In 1885 gaf hij, in samenwerking met Mr. Sickesz, een overzicht van de geschiedenis van den Nederlandschen Landbouw en Veeteelt gedurende het tijdvak 1848-1898, verschenen in het gedenkboek ‘Een halve Eeuw’, uitgegeven door ‘Het Nieuws van den Dag’.

Een overzicht over de Regeeringszorg ten behoeve van den Landbouw in het tijdvak 1813-1913 verscheen van zijn hand in het in 1913 door de Directie van den Landbouw uitgegeven gedenkboek ‘De Nederlandsche Landbouw’.

In ‘De Economist’ van 1890 schreef hij een artikel over ‘de Rentabiliteit van het Landbouwbedrijf’; in 1891 over ‘De Regeeringsmaatregelen ten behoeve van den landbouw in Belgie’; in 1895

[p. 34]

over ‘De werking der Agricultural Holdings Act’ en in 1903 over het ‘Verval van Engelands Landbouw’, terwijl in 1904 in het ‘Tijdschrift voor Economische Geographie’ een artikel over ‘Agrarische toestanden in Noorwegen’ uitkwam.

In het Gedenkboek der Nederlandsche Heide-Maatschappij, uitgegeven in 1913 bij het 25-jarig bestaan dier Maatschappij, schreef hij een artikel over ‘de Agrarische Wetgeving in Nederland gedurende de laatste 25 jaren’.

Over het landbouwonderwijs schreef hij o.a. ‘Regeling van het Hooger Landbouwonderwijs in Pruisen, Frankrijk en België (Landbouwkundig Tijdschrift 1893)’, ‘Lager Landbouwonderwijs’ en ‘Hooger Landbouwonderwijs,’ (Tuinbouwkundig Tijdschrift 1893) en ‘Lager Landbouwonderwijs in de Tweede Kamer’ (Nederlandsch Landbouwweekblad 1900).

Ook over veefokkerij en zuivelindustrie schreef hij artikelen. In ‘De Economist’ verscheen in 1886 een artikel over ‘Rundveestamboeken in Nederland’ en in het ‘Landbouwkundig Tijdschrift’ van 1901 ‘Veefokkerij in Nederland en het Nederlandsch Rundveestamboek’. In de serie ‘Verslagen en Mededeelingen van de Directie van den Landbouw’ verschenen van zijn hand ‘Rundveefokkerij’ (1905); ‘Varkenshouderij in Nederland’ (1906); ‘Schapenhouderij’ (1908); ‘Veefokkerij’ (1911).

In de ‘Economist’ schreef hij in 1882 over ‘Onze Zuivelindustrie’. In ‘Het Landbouwkundig Tijdschrift’ in 1894 schreef hij ‘Iets over Coöperatie op het gebied van den Landbouw en Tuinbouw in Nederland’ en in 1899 over: ‘Landbouw-coöperatie in Nederland’; in 1903 verscheen in dat tijdschrift van hem een overzicht over ‘De verschillende stelsels van landbouwverzekering’.

Verder verschenen van zijn hand artikelen over ‘Kamers van Landbouw in Pruisen’ (Economist 1895); over ‘de Agrarische partij in Duitschland, Bund der Landwirte und Deutsche Bauernbund’ (Economist 1911) en over ‘De Rechtskundige vormen der landbouwvereenigingen in Nederland’ (Landbouwkundig Tijdschrift 1903).

In 1893 werd de heer Löhnis tot medelid van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde verkozen.

 

Arnhem.

J.P. van Lonkhuyzen.