Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1930


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Handelingen en mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, over het jaar 1929-1930. E.J. Brill, Leiden 1930  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 63]

Levensbericht van Hendrik Dyserinck.
1872-1930.

Niettegenstaande een twintigtal jaren van vriendschappelijken omgang, in weerwil van schier twintig jaren met hem aan denzelfden disch te hebben gezeten, blijkt het mij geen gemakkelijke taak te zijn een levensbericht te schrijven van den op 12 April 1930 te Maastricht overleden gepensioneerden kolonel Hendrik Dyserinck.

Deze was toch een zeer bescheiden man; slechts zelden sprak hij over zich zelven; vragen, hem gesteld omtrent zijn verleden, omtrent zijn loopbaan, werden slechts zeer vaag of in het geheel niet beantwoord; niettemin was het zijn talrijken vrienden bekend, dat hij met fieren trots dat verleden mocht herdenken.

In de onmogelijkheid derhalve om uit eigen ervaring, uit eigen weten zijn levensschets voor de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te schrijven, heb ik mij tot zijn zusters, de dames Dyserinck moeten wenden met het verzoek mij de noodige inlichtingen te verstrekken, welke mij in staat konden stellen enkele bladzijden aan hun broeder te wijden. Met de meeste bereidwilligheid hebben zij aan mijn verzoek voldaan, mij inzage gegeven van het omvangrijke dossier, waaruit ik de gegevens mocht putten voor het schrijven dezer biografie.

Wijders hebben mij de kolonel directeur van het krijgskundig archief van den generalen staf en de luitenant-kolonel W. Roosenboom, commandant te Maastricht, mij voor dit doel hun zeer gewaardeerden steun verleend, waarvoor ik hun bij dezen mijn oprechten dank betuig.

 

Hendrik Dyserinck is geboren den 13den December 1872 te 's Gravenhage uit het huwelijk van den gepensioneerden schoutbij-nacht en oud-Minister van Marine Hendrik Dyserinck met Aletta Maria van der Willigen.

Hij bezocht in den Haag de lagere school van het Departement van het Nut, vervolgens de lagere school te Haarlem.

Van 1886-1888 was hij leerling van het instituut van den heer Vastenou, bij wien hij zijn opleiding genoot voor de Koninklijke

[p. 64]

Militaire Academie te Breda, waar hij in 1888 als cadet der infanterie mocht worden ingeschreven.

Oorspronkelijk was het niet zijn doel geweest dienst te nemen in de gelederen der Landmacht; 't was zijn wensch geweest de voetsporen te drukken van zijn vader, ook zijn toekomst te zoeken bij de Koninklijk Nederlandsche Marine.

't Mocht echter niet zijn: afgekeurd voor het zeewezen wegens bijziendheid op beide oogen, was hij gedwongen dit voornemen te laten varen.

Bij koninklijk besluit van 21 Juni 1892 wordt Dyserinck benoemd tot tweede-luitenant der infanterie en wordt Leiden hem als standplaats toegewezen bij het aldaar in garnizoen liggend 4de regiment.

13 December 1894 wordt hij bij koninklijk besluit gedetacheerd bij het leger in Nederlandsch-Indië; 23 Februari 1895 verlaat hij den vaderlandschen bodem op het stoomschip ‘Regentes’ en wordt bij aankomst geplaatst bij het 2de garnizoensbataljon van Atjèh en onderhoorigheden.

Hij heeft zich gedurende zijn detacheering bizonder onderscheiden, zooals blijkt uit een dagorder van het Indisch leger, waarbij werd bepaald, dat de eerste-luitenant der infanterie H. Dyserinck ter zake van zijn gedrag bij gelegenheid van de tuchtiging der V Moekims Mòn tasië en de gampöngs Sibrèë en Reuhat (Atjèh en onderhoorigheden) in de maand Juni bij afzonderlijke dagorders, zoo in Indië als in Nederland, alsnog eervol zou worden vermeld.

Den 28sten September 1896 werd hij benoemd tot eerste-luitenant.

In 1900 wordt hij van zijn detacheering in Indië ontheven, keert terug met het stoomschip Gedé naar het vaderland, waar hem na aankomst te Harderwijk wordt bericht, dat hij weder bij het leger hier te lande is ingedeeld bij het 2de regiment infanterie te Maastricht.

Den 15den October 1903 wordt hij werkzaam gesteld bij de Koninklijke Militaire Academie te Breda en in verband daarmede overgeplaatst bij den staf der infanterie.

Gedurende vijf jaren, tot zijn bevordering tot kapitein, 1 Mei 1908, heeft hij dezen werkkring op de meest eervolle wijze mogen vervullen.

Den 1sten November 1917 volgt zijn benoeming tot majoor bij het 13de regiment infanterie te Maastricht, den 1sten October 1923 tot luitenant-kolonel, commandant van dat regiment.

Enkele maanden later ziet hij, met het oog op zijn min gunstigen gezondheidstoestand, zich genoodzaakt zijn eervol ontslag uit den Militairen dienst aan te vragen, hetgeen hem op 1 April 1924 wordt verleend.

Den 14den September d.a.v. wordt hem als erkenning van zijn buitengewone verdiensten de titulaire rang van ‘Kolonel’ toegekend.

[p. 65]

Dyserinck was, zooals men mij van bevoegde zijde verzekerd heeft, ‘Soldat sans peur et sans reproche’.

Geacht, geëerd door zijn meerderen wegens zijn ijver en trouwe plichtsbetrachting, bemind door zijn minderen, wegens zijn strikte eerlijkheid.

‘Streng als het moest, goed als het mocht’ werd van hem getuigd.

Het heeft hem ontegenzeggelijk veel leed, veel smart gekost om, door een sleepende ziekte daartoe genoopt, zijn ontslag uit den Militairen dienst te moeten nemen, hem, voor wien ongetwijfeld nog luisterrijker toekomst openstond.

Niettemin bleef hij dat leger toegewijd met hart en ziel.

Schier niet meer in staat zich voort te bewegen, had hij toch het voornemen gekoesterd om deel te nemen aan de feesten, welke te Breda zouden gevierd worden ter herdenking van het honderdjarig bestaan der Koninklijk Militaire Academie, waar hij eenmaal leerling, later leeraar was geweest.

De gep. generaal van het Indische leger, Le Cocq d'Armandville, eveneens een oud-discipel der Academie, zou hem met zijn automobiel daarheen brengen.

Helaas, enkele dagen te voren ploft hij neer, en in stede van het jubileerend Breda is 't het Calvarieberg, het ziekenhuis te Maastricht, dat hem wacht.

Geen woord echter tegenover ons, zijn vrienden, over deze wreede teleurstelling; zwijgzaam als immer heeft hij ook dit leed gesmoord in eigen ziel.

Dyserinck was niet enkel militair, maar tevens ook militair geschiedvorscher.

Zijn werken waren echter uitsluitend gewijd aan de krijgskundige geschiedenis van Limburg en Maastricht, de stad zijner inwoning, aan welke hij gedurende zijn vijf en twintig jarig verblijf aldaar al zijn liefde had verpand.

Zoo ooit dan heeft ongetwijfeld het ‘le style c'est l'homme’ bij hem waarheid gevonden:

Evenals hij zelf, eenvoudig, degelijk, nauwgezet, was ook zijn pen; hij zocht geen sierlijken zinsbouw, geen woordkunst, maar enkel in korte zinnen, duidelijke oprechte weergave van historische feiten.

Al het door hem gewrochte staat als een breed, zwaarvast gebouw in stevige, rechte lijnen, zonder krullende versiersels, bloot van rococo-ornamenten.

Hij was geen dienaar van het schoone, maar van het ware.

Talrijk zijn de door hem nagelaten werken niet; 't zou ook een onmogelijkheid geweest zijn bij de uitgebreide studie, bij het langdurig zoeken en speuren, waarvan elk zijner werken het kenmerk draagt, buitendien nog in zijn arbeid belemmerd door den weinigen tijd, waarover hij, in verband met zijn dienst, kon beschikken.

[p. 66]

Er is ongetwijfeld geen enkele provincie in ons vaderland, welke aan zoo vele lotswisselingen en kenteringen heeft blootgestaan als ons tegenwoordig Limburg; geen enkele stad welke zooveel souvereinen heeft gekend als Maastricht.

Limburg heeft op zijn bodem de voetstappen zien drukken van Bourgondische, van Brabantsche, Spaansche, Fransche, Duitsche, Oostenrijksche en Staatsche legers. Maastricht heeft te verduren gehad de belegeringen in 1408 door de Luikenaren, in 1579 door de Spanjaarden, in 1673, 1748, 1793 en 1794 door de Franschen, om niet te gewagen van de tallooze aanslagen, waaraan onze veste heeft blootgestaan.

En al deze tijdperken met hun geschiedkundige feiten heeft Dyserinck te boek gesteld met bewonderenswaardige nauwgezetheid; hij heeft gezocht, gevorscht in tallooze Nederlandsche, Fransche, Duitsche bronnen.

Hij heeft in de Publications de la Societé Historique et Archéologique dans le Duché de Limbourg doen verschijnen ‘Het Beleg van Maastricht door Parma in 1579’.

Met stipte nauwkeurigheid geeft hij weer de maatregelen, door de belegeraars genomen om de stad te bemachtigen, de middelen tot welke de belegerden hun toevlucht hebben genomen om de verwoede aanvallen te weerstaan.

Door hem zelven saamgestelde teekeningen en kaarten geven een duidelijk overzicht van de legerplaatsen der belegeraars, van de forten, loopgraven, versterkte punten, zoowel binnen als buiten de muren der vesting, van de plaatsen, waar de gevechten tusschen belegeraars en belegerden hebben plaats gehad, tot op het oogenblik, dat het den vijand eindelijk mocht gelukken, den 29sten Juni 1579 na een belegering van ruim 3 1/2 maand en in weerwil van den onversaagden moed der Maastrichtenaren, de stad stormenderhand te veroveren.

Dyserinck stelt zich geen partij aan de een of andere zijde; Hij geeft slechts weer de feiten, zooals ze werkelijk gebeurd zijn.

Zijn werk is geen heldendicht, geen lofzang, maar geschiedenis.

 

Zijn voorliefde voor de stad zijner inwoning en voor hare geschiedenis blijft hem trouw, zelfs gedurende de dagen zijner reizen in buitenlandsche gewesten, gedurende de dagen van ontspanning.

Zoo schrijft hij in het van zijn hand verschenen ‘Een weinig bekend schilderij van de Belegering te Maastricht door de Luikenaren in 1408’, eveneens opgenomen in de Publications de la Societé Historique: ‘In de maand Augustus van het jaar 1907 bezocht ik het oude Beiersche stadje Rothenburg op den Tauber.

Onder de vele bezienswaardigheden van deze stad moet in de eerste plaats genoemd worden het Rathaus, een prachtig renaissance gebouw.

De groote zaal van dit gebouw, de zoogenaamde Kaisersaal,

[p. 67]

is versierd met een aantal groote schilderijen, die heldenfeiten voorstellen van Beiersche vorsten.

Deze schilderijen zijn afkomstig uit de Schleisheimer Gemäldegalerie.

Een dezer schilderijen trok bizonder mijn aandacht; het was een groot doek, naar schatting 3 bij 6 meter.

Op den achtergrond een brandende stad met links een berg, op den voorgrond strijdende ridders en een algemeen handgemeen.

Daar ik in de meening verkeerde, dat van deze schilderij reproducties zouden zijn te krijgen (ik had ze reeds van andere schilderijen op het raadhuis gezien) verzuimde ik de noodige aandacht aan het onderschrift te wijden en herinnerde ik er mij van, dat het een Beiersch Vorst was, die in Maastricht belegerd werd.

Mijn verblijf te Rothenburg duurde slechts kort; ik was dus niet in de gelegenheid om ter plaatse een onderzoek in te stellen.

In Holland teruggekomen stelde ik den heer A.J.A. Flament, Rijksarchivaris in Limburg, in kennis met het bestaan van het schilderstuk.

De heer Flament deelde mij mede, dat het bestaan er van hem en vermoedelijk ook aan vele Nederlanders onbekend was; uit mijne beschrijving meende hij te moeten opmaken dat het eene episode moest zijn uit het beleg van Maastricht in 1407 of 1408, toen de prins bisschop, de elect van Luik, Jan van Beieren, naar Maastricht de wijk had genomen.

En nu is in Dyserinck, de wensch, het vurig begeeren om zekerheid te verkrijgen van hetgeen tot op dit oogenblik slechts een vermoeden mocht heeten.

Hij richt zich met een schrijven tot den directeur der Schleissheimer Gemälde Galerie met verzoek om hem de gewenschte inlichtingen te verschaffen, waaraan deze bereidwillig voldoet met de mededeeling dat het bewuste schilderij een afbeelding is van de belegering te Maastricht, waar Jan van Beieren, jongste zoon van onzen Alverbeider Albrecht van Beieren en broer van onzen graaf Willem VI, na door de Luikenaren uit hun stad verjaagd te zijn, zijn toevlucht had genomen.

Hij stelt alle pogingen in het werk om een photographie van het schilderij te krijgen, doch is hierin niet mogen slagen, zooals blijkt uit zijn schrijven ‘ik ben dus tot mijn spijt niet in de gelegenheid aan de lezers van de Publications eene afbeelding van dit voor de Maastrichtsche geschiedenis zoo belangrijke schilderij aan te bieden’.

Zijn meest uitgebreide werk is geweest ‘De Militaire Gouverneurs van Maastricht van 1567-1794’.

Van niet minder dan 29 mannen, die gedurende deze twee honderd zeven en twintig jaren aan het hoofd onzer stede hebben gestaan geeft hij de levensberichten; hij vermeldt de

[p. 68]

namen der geslachten, waaruit zij zijn gesproten, hun geboorten, hun huwelijken, hun overlijden en begrafenissen, hun regeeringsdaden gedurende hun bewind, den toestand der stad, waarover zij het bevel voerden, het bedrijf, het leven der inwoners aan hun onderworpen enz. enz.

Het boek is versierd met tal van portretten dier mannen, waarvan enkele hem welwillend voor dit doel zijn afgestaan, andere, welke hij uit eigen beurs heeft betaald. In een bijgevoegde lijst geeft hij niet minder dan veertig werken aan, als bronnen, welke hij heeft moeten raadplegen om dit belangrijk en tevens belangwekkend opus in het licht te geven.

Nog kan ik de aandacht vestigen op zijn bijdrage: ‘Algemeen overzicht van de grondvesting van het Nederlandsch bestuur in de provincie Limburg in de jaren 1814 en 1815’ in het Historisch Gedenkboek der herstelling van Neerlands onafhankelijkheid’ in 1913 uitgegeven onder het patronaat der Commissie voor Geschied- en Oudheidkunde van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde onder leiding van den gep. Luitenant-Generaal G.J. Koolemans Beijnen. Ook dit werk getuigt van diepe, ijverige en omvangrijke studie.

In de Maasgouw, Limburgsch Jaarboek voor Geschiedenis, Taal en Kunst, prijken verscheidene kortere mededeelingen van zijn hand.

Hij was eveneens medewerker van ‘Gegevens voor het Nieuw Nederlandsch Biografisch woordenboek’ onder redactie van Dr P.C. Molhuijsen en Prof. Dr P.J. Blok.

In 1901 werd hij den eersten October door het krijgskundig archief van den generalen staf werkzaam gesteld tot het doen van krijgsgeschiedkundige nasporingen, voornamelijk betreffende het tijdvak 1795-1814.

In de volgende jaren heeft hij zijn onderzoek uitgebreid tot de Archieven van Weert en bovendien te Maastricht verschillende periodes 1665-66, 1672-78, 1697-1713, 1748-1787 aan een nadere beschouwing onderworpen. In October 1904 overgeplaatst naar Breda aan de Koninklijke Militaire Academie heeft hij sedert dien slechts in verloftijd te Maastricht kunnen arbeiden, tot hij in 1909 aldaar als kapitein is teruggekeerd.

Van dit oogenblik af tot 1914 heeft hij de raadsnotulen bewerkt, voor zooverre deze militaire bijzonderheden bevatten en wel van 1496-1787 (o.a. beleg door Parma 1579, Prins Maurits 1634) enz.

Na afloop der mobilisatie is hij (1925-1930) begonnen met een onderzoek der trouw- en doopregisters en het vervaardigen van genealogische fiches, een en ander betreffende het garnizoen Maastricht in den loop der tijden.

Op deze wijze werden vele waardevolle gegevens verkregen. Zijn arbeid mocht, zooals mij blijkt uit het mij toevertrouwd dossier, zich verheugen in bizondere waardeering van de zijde van het krijgskundig archief.

[p. 69]

Dyserinck heeft gewerkt met ontembare geestkracht. Hij heeft in zijn woning een lift laten maken, omdat hij na het verlaten van het ziekenhuis niet meer in staat was de enkele treden van den trap te bestijgen, die naar zijn kamer leidden.

Niettemin heeft hij elken dag het moede, afgetobde lichaam gestuwd, gesleept naar het slechts enkele minuten van zijn huis verwijderd Rijksarchief, elk oogenblik stilstaande, hijgend, naar adem snakkend om te voltooien de taak, die hem dierbaar was.

Eindelijk, eindelijk heeft zijn schier onverwinbre wil toch het hoofd moeten buigen voor het niet meer kunnen, voor de hem neervellende onmacht.

In October 1929 heeft hij weer de kalme rust moeten zoeken in het Maastrichtsch ziekenhuis, dat hij slechts enkele maanden te voren had verlaten.

Ditmaal zou hij er werkelijk vinden de rust, de eeuwige rust.

Den 12den April 1930 is hij overleden.

Den 16den April hebben zijn beide zusters, zijn hospita, tevens zijn trouwe, zorgvuldige verpleegster, Mej. Vaesen, zijn beide neven, de heeren Dyserinck, zijn stoffelijk omhulsel naar den doodenakker geleid, gevolgd door een talrijke schare van vrienden en vereerders.

De Majoor Motké heeft namens het leger in waardeerende woorden den braven, plichtgetrouwen, dapperen krijgsman herdacht, de adjudant-onderofficier Van der Kruchten heeft namens zijn kameraden een dankbare hulde gebracht aan den humanen, eerlijken chef; enkele vrienden hebben met van diepen weemoed getuigende woorden afscheid van hem genomen.

Treurend, in stille droefheid, nochtans gelenigd door dankbare herinnering, staarden allen na den met bloemen bedekten kist, die langzaam daalde in de diepe, donkere kuil.

Een soldaat, waarop het Nederlandsche leger trotsch mocht zijn, een bekwaam, kundig, nauwgezet geschiedschrijver, een trouwe vriend was heengegaan.

 

Dyserinck, ridder der Orde van Oranje Nassau, was gerechtigd tot het dragen van het eereteeken met gesp voor belangrijke krijgsbedrijven, en van het eereteeken voor langdurigen dienst als officier.

Hij was lid van het Genealogisch Heraldisch Genootschap de Nederlandsche Leeuw en bestuurslid van de Stichting van het Kasteel van Valkenburg, daartoe benoemd door den Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen.

 

L.H.J. Lamberts Hurrelbrinck.