Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1935


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Handelingen en Levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden Jaarboek, 1934-1935. E.J. Brill, Leiden 1935  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 99]

Levensberichten

[p. 101]

Mr. J. Acquoy
Zaltbommel 10 September 1866 - Gorssel 11 Januari 1935

Jacobus Acquoy, zoon van den predikant Dr. Johannes Gerardus Rijk Acquoy (later hoogleeraar aan de Leidsche Universiteit) en Alida Regina Margaretha Schreiner, geboren te Zaltbommel 10 September 1866, overleden te Gorssel 11 Januari 1935 en begraven op de Algemeene Begraafplaats te Dorp-Diepenveen 15 Januari d.o.v., huwde te Lochem 21 November 1895 met Elisabeth Adriana Antonia Nairac, dochter van Mr. Carel August N. en jonkvrouw Elisabeth Cornelia van Bossele. Zijn echt was kinderloos. (Zie omtrent het geslacht Acquoy ‘Nederland's Patriciaat’, 4e jaargang, 1913).

Hij studeerde te Leiden in de rechten. Dat hij als student zijne studiën niet enkel beperkt heeft tot de rechtswetenschappen, maar zich ook bekwaamd heeft in de Nederlandsche taal en geschiedenis, is gebleken uit zijne publicaties. In de Inleiding van ‘De intocht van Keizer Karel V binnen Nijmegen, op 9 Februari 1546. Geschiedkundige aanteekeningen tot toelichting der Maskerade te houden door Leden van het Leidsche Studentencorps op 24 Juni 1890, bijeenverzameld door R.C. Six en J. Acquoy, Leiden. P. Somerwil. 1890.’ staat op bl. VII: ‘De heer Six had zich aanvankelijk belast met het opstellen eener historische toelichting van het programma. In Januari 1890 verklaarde de heer J. Acquoy, jur. cand. te Leiden, zich bereid hiertoe mede te werken. Zijne belangeloosheid en den grooten ijver, waarmede hij zijne taak volbracht, heeft de commissie ten zeerste op prijs gesteld’.

Hij promoveerde te Leiden Vrijdag 8 December 1893 tot Doctor in de Rechtswetenschap op zijn proefschrift (met 17 Stellingen), getiteld ‘Rechtsgeschiedenis van den adel in Nederland. Eerste stuk’. Een vervolg is niet verschenen.

Hij is ter aarde besteld in hetzelfde graf, waarin zijne nobele echtgenoote, officier d'Académie française en ijverige behartigster der Inwendige Zending, onder groote belangstelling begraven is. Ook bij zijne begrafenis waren tal van belangstellenden tegenwoordig, onder welke vele oude vrienden, de loco-burgemeester van Deventer, de drie andere wethouders, de gemeente-secretaris, de curatoren, rector en oud-rector van het gymnasium en vele anderen.

[p. 102]

Den 30sten Augustus 1929 is hij geëerd door de benoeming tot Officier der Orde van Oranje-Nassau. Bij raadsbesluit, genomen 21 Augustus 1899, werd hij in plaats van Dr. J. de Hullu aangesteld tot Archivaris van Deventer; hij ontving als zoodanig met ingang van 1 Februari 1930 eervol ontslag. Zijn opvolger, Mr. B. van 't Hoff, schreef in het Nederlandsche Archievenblad, No. 2 van 1929-'30 een kort overzicht in waardeerende bewoordingen over hetgeen zijn voorganger voor het archief verricht heeft, o.a.: Daar ook aan den materieelen toestand door Mr. Acquoy zeer veel zorg besteed is, kon de Rijksarchivaris in Overijssel zonder eenig gevaar voor tegenspraak in zijn verslag over 1927 schrrijven, dat het ‘oude archief der gemeente Deventer zich in uitstekenden staat bevindt’, waarop Mr. van 't Hoff laat volgen, dat zulks niet in de laatste plaats aan Mr. Acquoy te danken is. Ook in het Deventer Dagblad van 31 Januari 1930 wijdt hij een uitvoerig artikel aan hem, en zegt hierin o.a., dat zijne werkzaamheden onder leiding van den rijksarchivaris Mr. S. Muller grooten invloed op hem gehad moeten hebben en dat hij aan deze jaren van scholing te danken zal hebben den streng wetenschappelijken zin, die in al zijn werk tot uiting komt, terwill de aangeboren fijnheid van zijnen klassiek gevormden geest het overige zal hebben gedaan om te maken, dat al hetgeen uit zijne handen kwam ‘af’ was en wel verzorgd van vorm en inhoud.

Omtrent Acquoy's afscheid van zijne betrekking vindt men in het Deventer Dagblad van 1 Februari 1930, dat de heeren gemeentesecretaris en gemeente-ontvanger naar hem toegingen om afscheid te nemen mede namens den opzichter der landerijen, de ambtenaren van de secretarie en het ontvangerskantoor en de boden. Met eene hartelijke toespraak bood de secretaris hem drie deelen aan van het prachtige werk van Mr. A. Loosjes, waaraan de nieuw archivaris een deel bijvoegde. Des namiddags ontvingen hem B. en W. in hunne vergadering in de burgemeesterskamer, alwaar de burgemeester in zijne toespraak hem o.a. toevoegde, dat voor den scheidende deze dag weemoedig en toch mooi was, omdat hij met voldoening op zijne volbrachte taak kon terugzien, dat hij als mensch en als mede-ambtenaar om zijne hoffelijkheid en behulpzamen geest zeer gezien was en men hem met leede oogen zag vertrekken. Als blijk van waardeering overhandigde hij hem den zilveren legpenning der gemeente, waarin gegrift staat: ‘Als blijk van waardeering aangeboden aan mr. J. Acquoy, 31 Januari 1930’.

Bij resolutie van 6 Februari 1902 werd zijn academievriend Mr. H. Philips tot adjunct-archivaris benoemd, die met ingang van 15 Februari 1904 eervol ontslag ontving en zich elders metterwoon vestigde. Deze heeft aan het archief een te Berlijn vervaardigden zegelstempel geschonken, vertoonende het met de keizerskroon gedekte wapen van Deventer met randschrift ‘Archief der Stad Deventer’, door hem in overleg met Acquoy en den architect W. te Riele Gzn. ontworpen (zie de jaarverslagen van den archivaris van 1902 en 1904).

[p. 103]

In April 1901 werd aan Mr. Acquoy opgedragen een onderzoek naar de geschiedenis der Stadsweiden en de hiermede samenhangende rechten in te stellen. Het ‘Rapport over de Weiderechten te Deventer’, onderteekend ‘7 Sept. 1901. De Archivaris J. Acquoy’, is in druk verschenen in het Raadsverslag over 1902, bl. 70 seqq en afzonderlijk.

Bij besluit van B. en W.d.d. 17 Nov. 1908 werd aan eene commissie, bestaande uit de heeren Mr. H.G. Jordens, voorzitter, Mr. J. Nanninga Uitterdijk, Mr. J. Acquoy en Mr. H. Kronenberg, secretaris, opgedragen ‘om een onderzoek in te stellen naar de tegenwoordige rechtspositie van de gemeente tegenover de grootburgers in verband met de mogelijkheid eener regeling, ten doel hebbend de jaarlijksche uitkeeringen door de gemeente aan de grootburgers te vervangen’. Het rapport van dit onderzoek werd, gedateerd Juli 1909, ingediend aan het adres van B. en W. en in het gemeenteverslag afgedrukt en herdrukt in de Verslagen en Mededeelingen van het genootschap Overijsselsch Regt en Geschiedenis, 26e stuk, 1910, bl. 195 seqq.

Verschillende functies door Mr. J. Acquoy waargenomen:

Benoemingen door den Gemeenteraad of Burgemeester en Wethouders van Deventer:

a. Lid van de Commissie van Toezicht op het M.O. 24 Sept. 1900; op verzoek eervol ontslag onder dankbetuiging verleend 19 Aug. 1930.

b. Lid van de Commissie voor de Muziekschool 2 Dec. 1901; op verzoek eervol ontslag verleend onder dankbetuiging 23 Sept. 1912.

c. Lid van het Bestuur der Vereenigde Gestichten 22 Jan. 1906; op verzoek eervol ontslag verleend onder dankbetuiging 29 Jan. 1929.

d. Lid van het College van Curatoren van het Gymnasium 30 Dec. 1907, sedert 1908 voorzitter hiervan; op verzoek eervol ontslagen onder dankbetuiging met ingang van 1 Jan. 1932.

e. Ambtshalve als Archivaris lid van de Commissie van advies omtrent de plaatsing van gebouwen op de lijst van monumenten te Deventer 8 Juni 1922, en bij besluit van B. en W. plaatsvervangend lid 3 Oct. 1930.

Nederlandsch Taal- en Letterkundig Congres. In eene vergadering, gehouden in de Raadzaal te Deventer, onder voorzitterschap van den burgemeester van een zestigtal ingezetenen, die uitgenoodigd waren ter bespreking van de wenschelijkheid en mogelijkheid, te berde gebracht door Mr. J. Acquoy, Ds. J.C. van Slee en Dr. M.E. Houck, om het 28ste Nederlandsche Taal- en Letterkundig Congres te Deventer te houden, werd Mr. J. Acquoy aangewezen als tweede voorzitter, welke functie hij na het tot stand komen van dit plan is blijven vervullen, toen Professor Dr. J. te Winkel de uitnoodiging van de Regelings-Commissie om als eerste voorzitter aan haar hoofd te staan had aangenomen. Zie ‘Handelingen van het 28ste Nederlandsch Taal- en Letterkundig Congres gehouden te Deventer op 30 en 31 Augustus en 1 September 1904, Deventer (Deventer Boek- en Steendrukkerij 1905).

[p. 104]

Overijsselsch Regt en Geschiedenis. Lid van het Bestuur 3 Juni 1902 (zie Verslag van de handelingen der 89e vergadering); als zoodanig bedankt 1905 (idem 96e vergadering).

Kantongerecht. Benoemd tot plaatsvervangend Kantonrechter 21 Maart 1903, als zoodanig in functie gebleven tot 1914.

N.V. Overijselsche Hypotheekbank te Deventer. Commissaris 2 April 1912 tot 1 Januari 1933.

Waterschap Salland. Lid van het Bestuur 1913-1929 in qualiteit van Voorzitter der Vereenigde Gestichten te Deventer.

Vereeniging ‘De Waag’. Lid van het Bestuur sedert de oprichting 14 Mei 1913 tot zijn overlijden. Bij testamentaire beschikking heeft hij aan het museum dezer Vereeniging een groot aantal zijner fraaie meubelen vermaakt.

Commissie tot restauratie der Sint Lebuinuskerk alias Groote kerk te Deventer. Voorzitter der Commissie tot uitwendige restauratie, begonnen in 1905 en geëindigd in 1921, onder toezicht van de Nederlandsche Regeering. Bij de onthulling van den gedenksteen in deze kerk op 8 Juni 1921 heeft hij de officieele redevoering gehouden, waarvan uitvoerig verslag heeft gestaan in het Deventer Dagblad, op dien datum verschenen. De uitwendige restauratie van de kerk bij den toren, welke niet in het oorspronkelijk plan was opgenomen, werd door hem en den secretaris der Commissie, Dr. M.E. Houck, voortgezet onder hetzelfde toezicht en voltooid in 1926, waarvoor door Z.E. den Minister van O.K. en W. bij missive van 6 Januari 1927 dank betuigd werd. Ook was hij lid van de Commissie der inwendige restauratie dier kerk.

Commissie van Toezicht op het Beheer der Kerkelijke Fondsen der Nederduitsch Hervormde Gemeente Deventer. Tot lid van dit college gekozen bij stemming van 26 Nov. 1906 en als zoodanig in functie gebleven tot einde van 1932.

Acquoy-Houck-fonds, gesticht 30 Dec. 1929 door Mr. J. Acquoy en Dr. M.E. Houck met bepaling, dat ten bate van de Nederduitsch Hervormd Gemeente Deventer 2/3 van de rente gebruikt mag worden voor alle kerkelijke doeleinden en 1/3 gekapitaliseerd moet worden.

Acquoy-Nairac Stichting, opgericht 13 Maart 1928, met het doel financieelen steun te verleenen aan de Vereeniging tot Behoud van natuurmonumenten in Nederland, de Vereeniging Rembrandt, de Vereeniging Hendrick de Keyser en den Centraal Bond voor Inwendige Zending en Christelijk Philanthropische Inrichtingen.

Uit hetgeen omtrent Acquoy's wetenschappelijk en maatschappelijk leven hier is medegedeeld, kan men voldoende opmaken, wat hij gepresteerd heeft en hoe hij gewaardeerd is. Hij vermeed steeds de kans opgehemeld te worden, vervulde zijne taak met bescheidenheid en plichtsgevoel en gaf zijnen medehelpers altijd den lof, die hun toekwam. Hij was een aristocraat in den goeden zin des woords. Hij bewoog zich gaarne in het society-leven, was minzaam jegens eenvoudige lieden, wars van snobbistische nederbuigzaamheid, maar als hij het eene enkele keer noodig vond zich te laten gelden, wist hij

[p. 105]

iemand op fijne, ironische wijze op zijn nummer te zetten, zonder dezen de kans te geven op te stuiven. Hij had diplomatieken aanleg en wist daardoor in zijne verschillende betrekkingen dreigende conflicten en moeilijkheden op geschikte wijze op te lossen.

 

M.E. Houck

Geschriften

Onder de rubriek ‘Oud-Archief van Deventer’ verschenen op kosten der gemeente gedrukt (niet in den handel):

‘De Achten-, Ostage- en Nieuwe Kamer, door Mr. J. Acquoy, Archivaris der Gemeente.’, gedrukt bij N.V. Stoomdrukkerij ‘Trio’, Graven 15 Deventer. 1917.

‘De Cameraar, door Mr. J. Acquoy, Archivaris der Gemeente.’, gedrukt bij N.V. Stoomdrukkerij ‘Trio’, Graven 19 Deventer. 1921.

‘Deventer's participatie in de West-Indische Compagnie, door Mr. J. Acquoy, Archivaris der Gemeente.’, gedrukt bij N.V. Electr. Drukkerij ‘Trio’, Veenweg 5 Deventer. 1922.

‘De Timmermeesters, Weidegraven, Hoofd-, Brug-, Straat-, Wegen- en Artilleriemeesters, door Mr. J. Acquoy, Archivaris der Gemeente.’, gedrukt bij N.V. Stoomdrukkerij ‘Trio’, Veenweg 65 Deventer. 1924.

‘Instellingen van Weldadigheid te Deventer, door Mr. J. Acquoy, Archivaris der Gemeente.’, gedrukt bij Drukkerij ‘Davo’, Deventer. 1929.

Verder verschenen op kosten der gemeente gedrukt (niet in den handel):

‘De Cameraarsrekeningen van Deventer’, uitgegeven in 1900 door ‘Dr. J. de Hullu en Mr. J. Acquoy, Archivaris der Gemeente’, het vijfde deel 1377-1381, en eveneens uitgegeven in 1908 door Mr. J. Acquoy, Archivaris der Gemeente’, het zesde deel 1382-1387, en in 1914 door hem uitgegeven het zevende deel 1388-1393, allen gedrukt bij Deventer Boek- en Steendrukkerij, vroeger firma J. de Lange.

Van hem verschenen ook deze publicaties:

‘Eene vraag betreffende het recht van opstal’, in ‘Themis’ 1903, no. 2.

‘De admissie in de Ridderschap van Overijsel gedurende de Republiek’, in de Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde, 4e reeks deel VI (1907).

‘Een geschil over een gestoelte in de kerk van Diepenveen’, in de Verslagen en Mededeelingen van Overijsselsch Regt en Geschiedenis, 32e druk, 1916.

‘Kort overzicht van de geschiedenis der stad Deventer en hare bezienswaardigheden.’ (niet door hem onderteekend), in het feestprogramma van den Nederlandschen Bond van Gemeente-Ambtenaren tijdens de Bondsdagen, gehouden te Deventer 5, 6, 7 en September 1922.

‘Een bijdrage tot de geschiedenis der geestelijke goederen na de hervorming in de stad Utrecht.’, in Archief voor Nederlandsche Kerkgeschiedenis, dl. VI (1897).

‘Een koninklijk bezoek aan Deventer’ (Dev. cour. 4 Mei 1900).

‘De inbewaargeving van de rechterlijke archieven der stad Deventer door het Rijk aan de Gemeente Deventer’ (Dev. Dagbl. 1 en 4 Maart 1901).

‘De Tentoonstelling van Oude Kunst en Kunstnijverheid te Deventer’ (Dev. Dagbl. 13 en 17 Juni 1901).

‘Het ontstaan der Hoven over den IJssel’ (Dev. Dagbl. 14 Sept. 1905).

‘Een merkwaardig contract van 14 Juli 1486’ (Dev. Dagbl. 13 Nov. 1905).

‘Het ontstaan van Het Klooster’ (Buyskens-klooster) (Dev. Dagbl. 24 Mei 1906).

‘Een bezoek aan een Nederlandsche stad in de 14e eeuw’ (anoniem) (N. Rott. cour. 23 Oct. 1906, eerste blad A).

[p. 106]

‘De Keizer’ (rondeel De Keizer) (Dev. Dagbl. 23 en 25 Dec. 1908 en 1 Jan. 1909).

‘Het Gemeentebestuur der stad Deventer 1795-1810’ (Dev. Dagbl. 26 en 29 Jan. 1910).

‘Het bedanken van Thomas Verwer als Schepen der stad Deventer in 1630’ (Dev. Dagbl. 7 en 9 Jan. 1911).

‘Een voorval op den 15den April 1747 op het Groote Kerkhof te Deventer’ met 21 annotaties, waarvan hij in de overdrukken in no. 11 het cijfer 10 met inkt verbeterd heeft in 17 (Dev. Dagbl. 4 en 5 April 1924).