Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1935


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Handelingen en Levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden Jaarboek, 1934-1935. E.J. Brill, Leiden 1935  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 123]

Eduard Brom
Amsterdam 20 Juli 1862 - 24 April 1935

Dichters, ook die van het nieuwste cultuurtype, zijn niet altijd beminnelijke menschen, en heel zelden gebeurt het, dat eene hoogere soort van wellevendheid dan waarover de algemeene beschavingsmensch beschikt, zóó een is met een dichternatuur, dat zij een aesthetische karaktereigenschap, een aangeboren schoonheid gelijkt. Met den bescheiden dichter en fijnen mensch Eduard Brom was dit het geval. Hij bezocht geregeld de jaarvergaderingen van ‘Letterkunde’ en hij kwam er steeds opgetogen vandaan. Hij had altijd prettige ontmoetingen en aardige gesprekken gehad, en hij wist nooit de diversiteit der pluimage's van het literatuur-gevogelte, waaronder hij zoo pleizierig verkeerd had, uit elkaar te houden. Zijn geestig causeeren en leuk gekeuvel bekoorden er blijkbaar bejaarde en jongere dames en de meest erentfeste meneeren praatte hij er vroolijk uit de plooi.

Zijn goedheid - spontane humaniteit, die met geen enkelen vorm van modern humanisme iets had uit te staan - was te Amsterdam in 't gezelschaps- en 't openbare leven spreekwoordelijk. Wie Eduard Brom kende, hield van hem levenslang. Bij zijn graf treurden dan ook niet alleen geloofsgenooten en beursvrienden uit de assurantie-wereld, maar menschen uit velerlei kring; het was een gemengd gezelschap als soms bijeenkomt op een jaarvergadering van ‘Letterkunde’.

Eduard Brom, geboren 20 Juli 1862 is levenslang Amsterdammer geweest; hij overleed op 24 April 1935 te zijnen huize in de Vondelstraat.

Het ridderschap der orde van Oranje Nassau heeft hij hoog op prijs gesteld, en met vreugde schreef hij den tekst voor de kinderaubade op den Dam ter eere van de Prinses, uitgevoerd onder leiding van den componist J.H. den Hertog.

Ook in de wereld van het litteraire verkeer was hij, wèl gesitueerd. Aan een rustig zijpad, dat aan 't eene eind uitliep op de groote baan der Beweging van Tachtig en aan 't andere op den aanvankelijk saaien hoofdweg der katholieke actie van deze eeuw, had Eduard Brom zijn eigen geestelijke behuizingen. Zag zijn voorgevel met hooge en ruime vensters op dien hoofdweg uit, hij toonde u ook gaarne zijn mooi achteruitzicht. Vooreerst lagen aan dien kant zijn groote

[p. 124]

bewonderingen, zijn tijdgenooten van ‘De Nieuwe Gids’, maar bovendien had hem van dien kant de wijsheid bereikt der zelfkritiek: ‘Laat ik mijn vers herzien en niet doorgaan in den trant van mijn eerstelig, al is die verwelkomd door Joseph Alberdingk Thijm, laat ik mij zelf worden!’

Die eersteling, ‘Een bundel Gedichten’ was verschenen in 1886. Van die sterk rhetorische verzen tot ‘Felice en andere gedichten’ van 1892 - 't was een overgang als zonder beheerschenden invloed van Tachtig niet denkbaar ware geweest. Eerst evenwel met ‘Opgang’ van 1895 bereikte Brom het hoogland, waarop hij zich zal bewegen, vrijwel zichzelf gelijkblijvend, tot aan zijn dood.

Word u zelf! beteekende voor hem: streef naar het persoonlijke, het eigene, het individueele, het uwe dus; het beteekende allerminst: volg het individualisme van ‘De Nieuwe Gids’. Dat immers verdroeg zich niet met een katholieke levensbeschouwing, met een geloof, dat zoo duidelijk spreekt in deze ééne strofe uit ‘Opgang’:

 
'k Zal in devotie zangen samenrijgen
 
Opgaand tot U als één aanbiddingsketen...
 
Hoog-Heilge, doe Uw aanschijn teeder nijgen,
 
Sterk mij in reinen wil en zelfvergeten!

In 1909 volgen ‘Verzen’, waaronder er zijn van zijn teederste en vroomste. Vrucht van zijn eersten ouderdom is de gevoelige romantiek in ‘Dante's Opgang’ van 1923. In 1926 komt ‘Grootstad’ uit, ondanks den ondichterlijken titel, werkelijk poëtische bespiegeling van het moderne nerveuze city-leven.

Brom's verzen, grootendeels sonnetten, zijn bij niet-katholieken zeer weinig bekend; ze zijn ook bij zijn geloofsgenooten nooit populair geworden: alleen ‘Opgang’ beleefde een herdruk, en dit zonder uitverkocht te zijn.

Ook enkele prozastukken en kritieken staan op zijn naam; hij heeft medegewerkt aan den Volksalmanak van J.A. Alberdingk Thijm, de Kath. Illustratie, de Dietsche Warande, De Kath. Gids, De Katholiek, Van onzen Tijd, De Beiaard, Nederland en De Gids. Ook schreef hij soms in de dagbladen: De Tijd, Het Centrum, De Maasbode.

Ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaring heeft Anton van Duinkerken een ‘Bloemlezing’ uit zijn werken samengesteld en uitgegeven bij ‘De Gemeenschap’ te Utrecht; hij schreef daarbij een inleiding, die een voortreffelijke karakteristiek mag heeten.

Een hoofdbron voor de kennis en waardeering van Eduard Brom's dichterbestaan zijn de Jaarboeken van De Violier. Met het Thijmsche streven van dien kunstkring heeft Brom zijn leven vijfendertig jaren vereenzelvigd. 't Jaarboek van 1935, verschijnend na zijn dood, herdenkt den dichter, die Thijm vereerde minder om zijn verzen dan om zijn schoone leven, en van wiens eigen wezen zooveel Thijmsche gracie uitging.

 

C.R. de Klerk