|
|
|
| |
| | | |
| |
Dr. Rudolf van Oppenraay s.j.
(Bemmel 17 October 1856-'s-Gravenhage 2 Januari 1936)
Rudolphus Martinus Vincentius van Oppenraay werd 17 October 1859 geboren te Bemmel in Gelderland. Hij bezocht de lagere school aldaar en ontving van den kapelaan ter plaatse het eerste Latijnsche onderricht. In het najaar van 1869 werd hij in de tweede klassen van het Gymnasium der R.K. Kostschool te Rolduc geplaatst, doorliep deze school tot en met de vijfd klasse en trad 26 September 1873 in de Societeit van Jezus. In het novicenhuis der orde te Mariëndaal bij Grave verbleef hij zes jaar, waarvan de eerste drie jaren werden besteed aan de ascetische vorming en de voortgezette studie der humaniora, de laatste drie aan wijsbegeerte, natuur- en wiskunde. In aansluiting hieraan was hij van 1879-1883 leeraar aan het toen nog onder leiding der Jezuieten staande Aartsbisschoppelijk seminarie te Culemborg, waarna hij voor zijn theologische studiën naar Maastricht vertrok en aldaar drie jaren later, op 8 September 1886 tot priester werd gewijd. Na de voltooiïng zijner theologische studiën in 1887 ging hij naar het toenmalige Gymnasium der Jezuieten te Katwijk en werd vandaaruit student te Leiden, waar hij na één jaar het candidaats- en twee jaren later het doctoraal examen in de klassieke letteren aflegde. In 1890 begaf hij zich naar Roehampton College (London) voor het doorloopen van den derden ascetischen cursus, om in het najaar van 1891 naar Katwijk terug te keeren als praefectus studiorum en leeraar der hoogste klasse. In December 1893 promoveerde hij ‘cum laude’ te Leiden op een dissertatie: ‘Libri de Republica Atheniensium c.c. I-IV’ en werd drie weken later tot rector van het Katwijksche Gymnasium benoemd. Na zeven jaren deze functie te hebben vervuld verwisselde hij haar in Juli 1899 voor het rectoraat van het in 1895 gestichte R.K. Gymnasium te Amsterdam, destijds gevestigd in de oude patricierhuizen aan de Heerengracht. Acht jaren later, in Juli 1907, keerde hij weder naar Katwijk terug, niet als rector, doch andermaal als praefectus studiorum en leeraar der hoogste klasse. In Augustus 1914 nam de werkzaamheid bij het gymnasiaal onderwijs voor goed een einde door zijn benoeming tot Provinciaal, dat is bestuurder van de Nederlandsche Provincie der Jezuieten. Korten tijd daarna overleed de Generaal der Jezuietenorde en werd van Oppenraay naar Rome geroepen tot het deelnemen aan de groote Congregatie voor de keuze van een opvolger. Hij zou vandaar niet weerkeerten. De nieuwe Generaal der orde, p. Ledochowsky, benoemde hem onmiddelijk tot zijn assistent voor een der vijf assistenties, de Germaansche, omvattend Duitschland, Oostenrijk-Hongarije, Polen, België en Nederland. Dez zware post van administratie en bestuur bekleedde van Oppenraay tot Maart 1934, toen een beginnende verzwakking van zijn gezichsvermogen hem dwong den arbeid neer te leggen. Slechts eenmaal in de twintig jaren van zijn verblijf te Rome heeft hij zijn vaderland teruggezien. Het was tijdens
| | | |
den werelddoorlog bij gelegenheid van zijn onderhandelingen met Generaal von Bissing, den commandant der Duitsche bezettingstroepen in België. In Juni 1934 keerde hij huiswaarts en nam zijn intrek in Huize Katwijk aan den Raamweg te 's-Gravenhage, de voortzetting van het oude Katwijksche Gymnasium, waar hij in vroeger tijd zoovele jaren gewerkt had. Hij overleed aldaar op 2 Januari 1936 in zijn tachtigste levensjaar.
Weinig openbaart dit ‘curriculum longae vitae’ het buitengewone, ja geheel uitzonderlijke in van Oppenraay's persoonlijkheid, die voor het openbare leven, zooals zich dit in de groote pers weerspiegelt, vrijwel geheel verborgen bleef.
Toch beschikte hij voor talrijke carrières met groot éclat over een rijkdom van superieure gaven als maar heel zelden in één persoon vereenigd zijn. Het leek zelfs teveel voor één menschenbestaan.
In een leven van wetenschappelijken arbeid zou hij als classicus, wijsgeer of theoloog aan elk onzer Universiteiten als decus academiae hebben geschitterd. Zijn bestuursgaven zouden hem bij onwankelbare beginselvastheid naast levendigen werkelijkheidszin, nooit falende zelfbeheersching, diepe menschenkennis, steeds paraten humor en allerbeminnelijkste omgangsvormen tot een staatsman van de eerste grootte hebben gemaakt. En bij dit alles zou zijn geheel bijzondere en eigene welsprekendheid hem macht over talloos velen en zeker over iederen intellectueel gegeven hebben. Van al dezen rijkdom is de wereld nauwelijks iets gewaar geworden. Omdat hij zijn roeping gemist heeft? Integendeel, omdat hij zijn roeping gevolgd heeft, met heel zijn ziel, met brandenden hartstocht, met ijzeren wil en een glimlach op de lippen ten einde toe.
Niets van al hetgeen de verscheidenheid zijner gaven hem aan mondain succes vermocht voor te spiegelen heeft hem verlokt. Hij heeft verkozen, - naar hij zelf getuigde, al heel, heel jong - een schamel en nederig priester te zijn in de Societeit van Jezus, indachtig, dat wie zijn leven verliest om 's Meesters wil, het zal redden.
Wie geneigd mocht zijn, om de weelde, die zoodoende aan de openbaarheid der samenleving onttrokken werd, dit besluit te betreuren, heeft hem niet gekend, zooals hij zich gegeven heeft aan allen, die tot hem kwamen en aan alles wat hem door zijn oversten werd opgedragen. De strenge ascese van St. Ignatius, waarin hij zijn persoonlijkheid in tot het einde voortgezette zelfcultuur heeft opgebouwd, deed zijn natuur uitgroeien tot die zeldzame harmonie, die alleen in de hiërarchie der christelijke waarden gedijt. Juist deze heel bijzondere harmonie was het, die meer dan elk zijner groote gaven afzonderlijk, meer zelfs dan de veelheid dezer gaven tezamen, aan zijn wezen het fascineerende gaf, dat zich in al zijn werken en doen openbaarde. Wie van ascese gewagen hoort, is licht geneigd te denken aan zwaarmoedige ingetogenheid en sombere wereldverzaking. Hoezeer deze voorstelling het wezen der ascese miskent, daarvan getuigde de in al zijn vezelen tintelende figuur van van Oppenraay.
| | | |
Ik meen dat het Roessingh was, die eens neerschreef, dat de harmonische mensch hem niet imponeerde. Hoe grondig zou hij zijn meening hebben herzien na één diepgaand gesprek met van Oppenraay.
Zij was zeldzaam deze harmonie. Zij was van het edelste en gaafste, dat ons hier ter bewondering geboden wordt. Niet slechts de schittering der hoogste geestegaven was het in geordend verband, het was ook, het was mede - en hier was het wonder, hier was het mysterie van zijn betooverend wezend - het was evenzeer een schier onuitputtelijke rijkdom van gemoed en warme menschelijkheid, van gracelijke levenskunst en beminnelijk verkeer. Hij proefde en genoot van alle schoonheid en weelde in natuur en kunst en was aan alles onthecht. Geen enkele ontroering van de menschenziel was hem vreemd. Humor en luim, scherts en ironie, ernst en bezorgdheid, vertrouwen, medelijden en smart, het kwam alles naar omstandigheden met gelijke spontaniteit naar buiten en dezelfde, die in ijzeren zelftucht zijn fel bewogen innerlijk te beheerschen wist, kende den open schaterlach en liet bij het sterfbed van een geliefd leerling zijn tranen den vrijen loop. Waarlijk, in hem werd bevestigd, dat niet hij de sterke man is, die het gevoel heeft uitgeroeid en een licht zonder warmte geworden is, maar wel degene, die over de weelde van een intens gemoedsleven het waarachtig meesterschap heeft verworven. Geen, die hem heeft gekend zal dan ook in deze onvergelijkelijke synthese van geweld des geestes en lieflijkheid van gemoed, niet den geur van het heilige hebben gespeurd.
Dat al zijn werk door het eigene van zijn vehemente ziel werd gedragen en doorlicht en zijn persoonlijkheid, zonder ooit het wezen der dingen te misvormen, door letterlijk alles heenbrak, behoeft na het bovenstaande geen nadere toelichting.
Wat hij, in een leidende functie, of als gewoon pater voor zijn medeleden in de Societeit heeft beteekend, laat zich slechts gissen.
Wie het geluk hadden hun laatste gymnasiumjaren onder zijn directe leiding te beleven, hebben nimmer vergeten, dat het ook binnen het enge keurs van het voorschreven program mogelijk bleek, boven grammatica en syntaxis uit de onsterfelijke schoonheid van Hellas en Rome te proeven. Zij bleven klassiek gevormden voor het leven.
Hoezeer hij onder zijn vakgenooten als classicus en als mensch beide geschat werd, kunnen zij getuigen, die hem, wegens plotselinge ontstentenis van den voorzitter geheel onvoorbereid, het in 1904 te Utrecht gehouden Philologencongres zagen presideeren. Niemand minder dan zijn oud-leermeester Hartman richtte, toen van Oppenraay in 1915 zijn post te Rome aanvaarden ging, in de Nieuwe Rotterdammer met innige warmte een woord van afscheid aan den met goud bekroonden dichter van ‘Amor’.
‘O, wij gunnen hem zijn eer en het hooge ambt, waaraan hij met de hem eigen geestdrift zijn groote gaven wijdt’, schreef Hartman o.a., ‘maar aan Rome gunnen wij hem niet, wij hadden hem bij ons
| | | |
willen houden, wij treuren om zijn heengaan, zijn verdwijnen uit onzen gezichtskring, waarin hij zulk een helder, zulk een bij uitstek liefelijk licht verspreidde’.
Dit was het oordeel van allen, die hem ooit ontmoetten. Zelfs degenen, die slechts éénmaal, in de meest ongunstige omstandigheden, als examinandus tegenover hem zaten op het Staatsexamen, hebben hem nooit vergeten. Zij getuigen nog vandaag met geestdrift van de weldadige sfeer, waarin hij zonder aan den ernst van het oogenblik ook maar iets te kort te doen, het gevreesde spel der pijnlijke ondervraging in een opgewekte gedachtenwisseling verkeeren liet.
Zij, die het meest van hem kunnen getuigen, zwijgen. Het zijn de door het leven geslagenen, de afgepijnde zielen en de zoekers naar het groote Licht.
Ook om hunnentwille zal hij aan geen enkele verplichting, die zijn staat of stand hem oplegden, hebben verzaakt, maar wat hem restte aan vrijheid heeft hij hun gegeven, doodelijke vermoeidheid naar lichaam en geest ten spijt, geheel en onvoorwaardelijk.
Hoeveel ellende zou zijn diep in de menschenziel schouwend oog hebben blootgelegd en verstaan. Met hoe weldadigen troost, met hoe preciezen raad vooral, heeft hij steeds gediend. Hoe groot vertrouwen wist hij in te storten. Hoeveel licht heeft hij ontstoken, hoeveel levenswil vernieuwd. Het geeft geen pas aan dit intieme te raken. Al die velen hebben hem, die steeds dezelfde was, op hun eigen wijze gezien. Zij bewaren zwijgend maar dankbaar dit eigen beeld hunner herinnering als een tastbare genade Gods.
Het aantal zijner uitgegeven geschriften is niet groot geweest. Hoeveel boekdeelen echter zouden zijn brieven hebben gevuld, die altijd persklaar vloeiden uit zijn pen in dat sobere, beheerschte handschrift. ‘Wat hij u ooit geschreven heeft’, verklaarde Hartman, ‘zelfs het eenvoudigste briefje over zaken, bewaart gij als een kostbaar kleinood’.
Met hoeveel geestdrift en succes zou hij als philoloog hebben gepubliceerd. Het is hem niet mogelijk geweest. Een mensch in zielenood was hem dierbaarder dan philologie en alle wetenschap, en geen, die hem heeft gekend, zou gewild hebben, dat hij den een voor de ander verwisseld had.
Voor het allermooiste, dat de mensch in zijn leven ontmoet, blijft hij eeuwig dankbaar. Voor zijn vrienden behoort daartoe de ziel van van Oppenraay.
J.A.J. Barge.
| | | |
| |
Lijst der geschriften
| 1882 | Wis- en werktuigkunde in de natuur. Studiën XV. p. 395-418. |
| 1889 | (Bespreking van) W. Jaspar. Grieksche spraakkunst. Studiën XXXIII, p. 283-288. |
| 1890 | Amor, carmen eligiacum. Met goud bekroonde Hoeufft-prijsvraag. |
| 1893 | Libri de republica Atheniensium c.c. I-IV Leiden, G.F. Theonville (115 blz. 8o). |
| 1895 | (Bespreking van) M. Annaei Lucani Pharsalia cum Commentarijs edidit C.M. Francken. Mus. 174-176. |
| 1895 | (Bespreking van) Anthologiae Latinae Supplementa. Vol. I. Damasi Epigrammata. Mus. 300. |
| 1898 | Ontwikkeling of dressuur. Hand. 1e Ned. Philologencongres. Stud. LI. 403-415. |
| 1901 | Art. 370 bis van het wetboek van strafrecht. Tijdschr. v. Strafrecht XIV 241-245. |
| 1901 | Het levensrecht der ongeboren vrucht. Strijdschr. v. Prof. H. Treub, Dr. R. van Oppenraay en Prof. Dr. Th. Vlaming 11-16. |
| 1901 | ΤΥΠΑΝΝΙΚΑ Sertum Nabericum 295-302. |
| 1906 | (Bespreking van) Jacob Sitzler. Ein aesthetischer Kommentar zu Homer's Odyssee. Mus. 124-126. |
| 1906 | Schaepman's blijgeestigheid. Mgr. Dr. H.J.A.M. Schaepman herdacht in de hoofdstad, 63-68. |
| 1918 | Het godsdienstig leven; onderrichtingen, raadgevingen en gebeden, omgewerkt n.h. Duitsch van Tilman Pesch S.J. 7-11 duizendtal. Bussum. Paul Brandt. |
| 1919 | Grieksche spraakkunst; 6e druk. Leiden J.W. van Leeuwen. |
| 1919 | Apologie van het Christendom. 4e druk. Nijmegen L.C.G. Malmberg (430 blz. 8o). |
|
|
|