Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1943


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Handelingen en levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, 1942-1943. E.J. Brill, Leiden 1944  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Levensberichten]

[p. 2]

J.H. van den Bosch
Zwolle, 26 Jan. 1862 - Wageningen, 18 Nov. 1941

Een buitengewone persoonlijkheid als Van den Bosch moet men van nabij gekend hebben om hem ten volle te waarderen. Gelukkig is dat het voorrecht van velen geweest. In breder kring zal hij bekend blijven door zijn geschriften. De kunst van schrijven verstond hij als weinigen, maar in de eerste plaats was hij de man van het levende, bezielende woord, dat hij meesterlijk wist te gebruiken. In zijn lange leven vergaarde hij een schat van kennis en wijsheid, die voor een groot deel met hem ten grave gegaan is. Hoeveel plannen onuitgevoerd bleven, hoeveel materiaal daarvoor in losse aantekeningen bijeengebracht werd, weten alleen zijn vrienden. Dat hun aansporingen al te vaak vergeefs bleken, moge teleurstellend zijn, nu dit veelbewogen leven afgesloten is, en dus als geheel te overzien, stemt het tot dankbaarheid dat het zo rijke vruchten gedragen heeft.

Jan Hendrik van den Bosch werd 26 Januari 1862 te Zwolle geboren. Zijn vader was daar procuratiehouder op een effectenkantoor, een man met talent voor wiskunde, maar ook met gevoel voor poëzie, met streng gereformeerde levensbeschouwing. Hij koos dus voor de opleiding van zijn zoon de school met de bijbel, gevolgd door de burgeravondschool; later ook door de H.B.S., waar de ijverige leerling vooral de lessen van W.A. Elberts, leraar in het Nederlands en de Geschiedenis waardeerde. Met het oog op mogelijke theologische studie ging hij over naar het gymnasium. Men zou verwachten dat een zo begaafde jongen, met een levendige belangstelling en een goed geheugen, gemakkelijk de eindpaal bereikt zou hebben, maar tot het eindexamen is hij niet gekomen. Als geboren individualist geneigd tot vrije studie, zal hij zich in het schoolgareel misplaatst gevoeld hebben. Een eigenaardig getuigenis, tevens een bewijs van zijn liefde voor zijn vaderstad, vond ik in een veel latere aantekening: ‘Mijn geboortestad is Zwolle en ik ben er ook geheel opgegroeid. Stad en wijde omgeving zijn mij als een persoonlijk eigendom. Die rijke omgeving met die machtige IJseldijken met hun machtige flanken en reuzige voet, waar ik (tot in de zesde klas van het Gymnasium spijbelend) hele morgens en middagen te studeren lag met het wijde verre uitzicht op de Gelderse heuvelen, op de woudrijke Triezelenberg, waarnaar mijn overgrootvader die daar woonde, in het naburige Hattem z'n naam kreeg, op het stadje zelf dat ik zo goed kende, het stadje, de rivier, de

[p. 3]

uiterwaarden en hoge oevers, allemaal door de schilder Voerman ver eeuwigd.’

Overeenkomstig de wens van zijn ouders bracht hij een jaar door aan de theologische school te Kampen. Vermoedelijk was dit een periode van innerlijke strijd. Volgens een mededeling van zijn jeugdvriend, de latere hoogleraar Hugo Visscher, was hij een vroegrijpe jongen, die zich gaarne verdiepte in bespiegelingen over geloofsvragen, waarin zijn vrienden hem niet konden volgen. Een dogmatisch gefundeerd geloof heeft hem op den duur onbevredigd gelaten, en hem verhinderd een predikantsambt te aanvaarden, al heeft hij zijn diep-religieuse aard nooit verloochend. Het pleit voor de ruime opvatting van zijn vader, voor wie hij grote verering koesterde, dat hem de gelegenheid geschonken werd om thuis zich aan vrije studie te wijden: in het biezonder trok de studie van de letterkunde en de wijsbegeerte hem aan. Toen hij echter begreep, dat hij zonder diploma moeielijk een werkkring zou kunnen vinden, besloot hij zich voor te bereiden voor het examen M.O. Nederlands. Na een grondige voorbereiding, zonder privaatlessen, deed hij in 1887 een schitterend examen. De examinatoren, de hoogleraren Verdam en Moltzer, hoorden met verbazing dat de begaafde 25-jarige jongeman geheel zelfstandig zijn kennis en inzicht verworven had, en zeiden hem gaarne verdere steun toe, maar aanvankelijk was hij niet voornemens een leraarsbetrekking te zoeken. Liever wilde hij zich wijden aan letterkundig werk: op de brieven die hij in deze tijd te Zwolle ontving, wordt hij betiteld als ‘letterkundige’. Hij had de voldoening dat zijn eerste proeve, een studie over de ‘Nightthoughts’, van Young, in De Gids van 1888 opgenomen werd, terwijl hij gelijktijdig in de Gids voor den Onderwijzer en in het onderwijs-tijdschrift Noord en Zuid opstellen over Van der Palm en over Van Lennep's Roos van Dekama geplaatst kreeg, getuigend van degelijke studie en zelfstandig inzicht.

Van biezonder belang was in deze jaren de kennismaking met F. Buitenrust Hettema, leraar aan het Zwolse gymnasium, die in de veelbelovende autodidakt een welkome bondgenoot zag voor zijn ver strekkende plannen. Hij moedigde hem aan om mee te werken aan de Zwolse Herdrukken, en met sukses: als tweede deeltje verscheen in 1890 de bekende uitgave van Hooft's Granida, voortreffelijk evenzeer door de diepgaande letterkundige inleiding over de renaissance als door de nauwgezette en kundige tekstverklaring. In dit zelfde jaar was Hettema vervuld van zijn voornemen om het onderwijzerstijdschrift Noord en

[p. 4]

Zuid te verdringen door een nieuw tijdschrift, vrij van dilettantische medewerkers, in modern-taalkundige geest, en van hoger wetenschappelijk gehalte. Daarvoor wilde hij Van den Bosch winnen. Zonder veel moeite gelukte dit, omdat hij Hettema's inzichten omtrent noodzakelijke hervorming van het taalonderwijs deelde. Vergeefs trachtte de redakteur van Noord en Zuid, C.H. den Hertog, de gewaardeerde medewerker te behouden. In een brief van 22 Oktober 1890 schreef hij: ‘Zoo geloof ik ook niet, dat er een geheele omkeering in het taalonderwijs noodig is. Zoo twijfel ik, of het goed voor u is, dat uw hoofd zoo vol hervormingsplannen zit’, terwijl hij hem de raad geeft ‘populair te zijn, als dit betere resultaten geeft dan het offeren aan de wetenschap’.

Intusschen was er in het leven van de jonge geleerde een grote verandering gekomen, namelijk door zijn huwelijk in 1889 met Hendrika Bokkers, waardoor hij genoodzaakt was, naar vaste inkomsten uit te zien. Een tijdelijke werkkring aan het Zwolse Rijksarchief had niet geleid tot een vaste aanstelling, al was de archivaris Mr Telting hem zeer goed gezind. Hij besloot dus naar een betrekking bij het onderwijs te solliciteren. Na een mislukte sollicitatie te Winschoten werd hij nog in 1890 benoemd tot leraar aan de H.B.S. te Zierikzee. In dit afgelegen stadje begon voor hem een tijd van ingespannen studie en enthousiaste werkzaamheid. Hij bezat nu een eigen orgaan in het tijdschrift Taal en Letteren, waarvan hij, naast Buitenrust Hettema, in 1891 als redakteur optrad. De beide eerste jaargangen werden geopend met bijdragen van zijn hand, terwijl hij vol strijdlust te velde trekt tegen de verouderde taalstudie van de onderwijzers, blijkende uit hun studieboeken voor de hoofdakte. Met woord en daad wijst hij aan, hoe de letterkunde kan en moet bestudeerd worden, betoogt hij dat aan het ‘onkundig en gewetenloos geknoei’ bij tekstuitgaven een einde gemaakt moet worden. Als voorbeeld geeft hij uitstekende aantekeningen en parafrasen, o.a. bij gedichten van Staring, van Da Costa, van De Genestet.

Terwijl het nieuwe tijdschrift slechts een beperkte lezerskring bereikte, trok het streven van Van den Bosch in de gehele onderwijswereld de aandacht door zijn gerucht makend Pleidooi voor de Moedertaal, de Jeugd en de Onderwijzers (Groningen - 1893). In een geharnast betoog, getuigend van veel belezenheid, formuleerde hij zijn felle aanklacht aldus: ‘Ons Taalonderwijs is in alle opzichten bedorven; is een en al abstractie; zit vol oncritisch dogmatisme; is miskenning van den aard van alle taal; vol misplaatste geleerdheid; negeert de Levende Taal: is in zijn

[p. 5]

geheel een uitvloeisel van wanbegrippen omtrent taal in 't algemeen en de moedertaal in 't bijzonder. - Resultaat: Wij vervreemden den knaap van zijn eigen taal.’

Dit geschrift, nog altijd lezenswaard, is van historisch belang, als het eigenlijke manifest van de nieuwe richting in taalbeschouwing en taalonderwijs: het heeft in vele richtingen bevruchtend gewerkt.

Opmerkelijk is de snelle ontplooiing van zijn stijl, als afspiegeling van zijn geestesgesteldheid, in deze jaren. Wie zijn Gids-essay van 1888 leest, in de gedegen stijl van de voorafgaande periode, aan Busken Huet herinnerend, zou daarin de latere Van den Bosch niet herkennen. In dezelfde toon is nog het Staring-opstel in de eerste jaargang van Taal en Letteren. Maar weldra klinkt zijn eigen stem in de opstellen over De Genestet (T. en L. III) en vooral over Da Costa (T. en L. IV). Stellig zal hier ook de vrijmakende invloed van de Nieuwe-Gids-beweging gewerkt hebben.

Ondertussen zag hij uit naar verbetering van positie. Nadat een sollicitatie te Dordrecht in 1892, en naar een leraarsbetrekking aan de R.H.B.S. te Assen, ondanks de steun van Prof. Sijmons, mislukt was, werd hij in 1894 benoemd tot leraar aan R.H.B.S. en het Gymnasium te Gouda. Daar heeft hij zijn levenstaak gevonden: hij is er volledig ingeburgerd. ‘Na Zwolle - zei hij later - is Gouda mijn stad, de tweede stad van mijn leven, er gaat niets af. Ik had nooit gedacht dat het dat zó zeer worden zou. 't Is natuurlijk iets van gevoel en verbeelding.’ Ook het Hollandse landschap had veel bekoring voor hem. Levendig herinner ik mij nog onze wandelingen langs de IJseldijken en de Reeuwijkse plassen, waar hij zo volop kon genieten.

De behoefte aan gemeenschap, waarnaar zijn expansieve geest snakte, en die hij na de afzondering te Zierikzee dubbel gevoelde, werd gedurende zijn eerste jaren te Gouda bevredigd door tweeërlei vriendschap. In zijn medeleraar Dr. B.J.H. Ovink bewonderde hij de artistieke en wijsgerige begaafdheid: aan menig uur van vruchtbare gedachtenwisseling en wederzijdse sympathie bewaarde hij dankbare herinnering. Maar van groter betekenis in zijn leven werd de omgang met J. Koopmans, destijds schoolhoofd te Dubbeldam. Aanleiding tot de kennismaking was een uitvoerige korrespondentie, die grotendeels bewaard gebleven is1. Koop-

[p. 6]

mans, bekoord door de geestdrift van Van den Bosch voor een verbeterd moedertaalonderwijs, kwam tot hem met lof en verering. Van den Bosch begreep dat hij in hem een geestverwant en bondgenoot vond, met wie hij op voet van gelijkheid om wilde gaan. Hij moedigde hem aan, verschafte hem boeken en raad, en won hem als medewerker van Taal en Letteren. De grote verwachting werd bevestigd door de originele Hooft-en Vondelstudies van Koopmans, door Van den Bosch zeer op prijs gesteld. Weldra ontwikkelde zich een innige vriendschap. Telkens lezen wij in de brieven een uitnodiging om vrije dagen samen huiselijk of op wandelingen door te brengen, en allerlei belangen te bespreken. Dat zullen voor beiden genotvolle uren geweest zijn. Van den Bosch nam dan gewoonlijk de leiding: hij had een sterke behoefte om al sprekend zijn gedachten te ordenen en tot helderheid te komen. Bij zijn Friese vriend, met meer gesloten karakter, maar tevens grote fijngevoeligheid, vond hij weerklank en opbouwende aanvulling. Naarmate Van den Bosch z'n vriendschap voor Buitenrust Hettema verkoelde, nam die voor Koopmans toe. Zonder afgunst is hij er getuige van geweest, dat de werkkracht van Koopmans onverzwakt bleef, terwijl de zijne niet meer tot zichtbare uitkomsten voerde. Tot de dood van Koopmans is deze vriendschap in stand gebleven.

In Gouda had hij gelegenheid aan de beide scholen met velerlei klassen zijn taalonderwijs uit te bouwen, met hartstochtelijke overgave en inspanning van zijn beste krachten. ‘Er was ‘hoogspanning’ bij Van den Bosch in die dagen’, schrijft Dr H.J. de Vos terecht; ‘hij drijft en drijft door, beleeft een radicale verandering in zijn denkwijze omtrent vele dingen’. Hij voert strijd voor zijn ideeën over taal en taalonderwijs: ‘Als een kruistochter voor de goede zaak reisde hij gansch Nederland door om lezingen te houden, meestal op uitnoodiging van onderwijzersvereenigingen en studentenbonden’. Een diep teleurstellende ervaring deed hij op, toen hij, uitgenodigd door de Maatschappij der Ned. Letterkunde, in 1897 te Leiden een voordracht hield over zijn geliefd thema: ‘Ontwikkeling van de Individualiteit het innigst bedoelen van het Moedertaalonderwijs’. De koele ontvangst - alleen Dr Byvanck gaf blijken van waardering - werkte ontgoochelend, te meer toen de Leidse Maatschappij niet lang daarna een rede van zijn tegenstander C.H. den Hertog (Onvrede in taal- en letterwereld) liet drukken, terwijl zijn eigen rede niet in de Handelingen verscheen. Nog vele jaren later sprak hij telkens met ergernis over de destijds gebleken ‘Leidse geborneerdheid’.

[p. 7]

Al wat in deze jaren van zijn hand verscheen, getuigde van ernstige studie en toewijding. De toeneming van zijn gezin en de daarmee gepaard gaande geldelijke zorgen maakten bijverdiensten onmisbaar, doch steeds heeft hij de verleiding weerstaan om ter wille van het geld minderwaardig werk te leveren: voor boekjesfabrikanten toonde hij een onoverwinnelijke afkeer. De latere voortreffelijke Zwolse Herdrukken: Da Costa's gedichten, Potgieter's proza (Jan Jannetje) staan op een hoog peil, dat sindsdien nog niet overtroffen is. Elke herdruk van zijn Staring- uitgaven werd met pijnlijke nauwkeurigheid verzorgd.

Zijn leesboeken, die in 1896 begonnen te verschijnen, berusten op langdurige studie en ervaring. In zijn Prozastukken voor de hoogste klassen van het Gymnasium, zijn Oud-Nederlandsch Leesboek is de keuze zowel letterkundig als paedagogisch ten volle verantwoord. Vooral het te weinig gewaardeerde Lees- en Taalboek, in samenwerking met J.L.C.A. Meyer uitgegeven, was een belangrijk stuk werk, ‘gegroeid uit de dagelijksche praktijk van een beginselvast onderwijs’ (De Vos). Elke bladzijde was met zorg bewerkt, met het oog op de ‘leeskunst, als grondslag van taalkennis’. Daarbij diende het ritme beluisterd te worden en de interpunktie overwogen. Ook aan dit boek werd bij elke herdruk opnieuw gewerkt. Dat het desondanks later heeft moeten wijken voor veel minder verzorgde ‘bloemlezingen’ en ten slotte geen herdruk meer verkreeg, was een teleurstelling in zijn ouderdom.

De grote inspanning in deze jaren en drukkende zorgen gingen soms boven zijn krachten: tijden van inzinking waren het gevolg, maar zijn veerkrachtige aard kwam ze te boven. De medewerking aan Taal en Letteren verslapte; daarentegen had de toenemende strijd voor spellingvereenvoudiging zijn volle belangstelling. Dat bleek o.a. door de beide lezingen over Taal en Spelling in 1900 te Gouda gehouden, in Taal en Letteren afgedrukt, en daarna in brochure-vorm verspreid. Ze behoren tot het beste wat over dit onderwerp gezegd is, voornamelijk door de diepgaande beschouwing. Ondertussen werkte hij onvermoeid experimenterend door aan zijn onderwijs. Daarover hield hij op het Groninger Filologenkongres van 1902 een rede, die in 1903 in druk verscheen.

In 1904 trad Van den Bosch uit de redaktie van Taal en Letteren, dat aan verval van krachten leed. Toen Buitenrust Hettema niet tot reorganisatie geneigd bleek, en door J. Koopmans en mij de stichting van een nieuw, verjongd tijdschrift overwogen werd, lag het voor de hand, hulp en raad te zoeken bij Van den Bosch, die daartoe onmiddellijk bereid was.

[p. 8]

Als derde redakteur van De Nieuwe Taalgids wilde hij niet openlijk optreden, omdat hij, vaak oververmoeid en soms overwerkt, een voorgevoel had dat van medewerking niet veel zou komen. Aan de redaktievergaderingen, meestal te Gouda, aan korrespondentie over ingekomen bijdragen nam hij trouw deel, en tot het einde had ons tijdschrift zijn volle belangstelling. Schaars en vaak onvoltooid bleven zijn eigen bijdragen, ondanks herhaalde aandrang mijnerzijds; enkele malen bewerkte ik oude aantekeningen van zijn hand tot een artikel, onder het pseudoniem K. Veenenbos. Dat hij tot zelfstandig werk van groter omvang de volharding miste is dus begrijpelijk. Een ontworpen breed opgezette geschiedenis van de letterkunde in de negentiende eeuw, waarvoor hij een kontrakt getekend had, bleef onvoltooid, nadat reeds vijf vellen afgedrukt waren. Een bijna afgewerkte uitgave van Langendijk's Spiegel der Vaderlandsche Kooplieden bleef in handschrift bewaard. Tussen zijn drukke schooldagen hield hij alleen tijd over om de vele herdrukken te verzorgen. Daartoe behoorde niet het door mij zeer gewaardeerde Oud-Nederlandsch Leesboek. Toen ik in 1917 door de firma J.B. Wolters uitgenodigd werd, een Letterkundig Leesboek samen te stellen, besloot ik mijn vriend Van den Bosch voor te stellen, gezamenlijk zijn vroeger boek om te werken en uit te breiden. Met grote toewijding heeft hij zich van die taak gekweten: ieder deskundige zal zijn voortreffelijke aantekeningen weten te waarderen.

In 1923 hertrouwde hij met zijn oud-leerlinge S. Schouten, die in Den Haag aan de Koninklijke Bibliotheek werkzaam was. In verband daarmee vestigde hij zich te Voorburg. Na zijn pensionering, in 1927, genoot hij daar een welverdiende rust, en kon hij zich aan vrije studie wijden, o.a. van Deense taal- en letterkunde. Toen ook zijn vrouw haar ambt neerlegde, verhuisden ze naar Wageningen, waar Van den Bosch zijn laatste levensjaren gelukkig en onbezorgd doorbracht. Lichamelijk gezond, betreurde hij alleen de verzwakking van zijn geheugen. Een langdurige ziekte bleef hem gespaard: nog onverwacht is hij, vóór zijn tachtigste verjaardag, heengegaan.

De betekenis van Van den Bosch als geleerde zou beter ten volle gebleken zijn, als hem rust en tijd geschonken waren om zijn krachten te concentreren en zijn vele plannen tot uitvoering te brengen. Al vroeg beschikte hij over een uitgebreide belezenheid, verworven met echt wetenschappelijke belangstelling, en beheerst met kritische zin en juist inzicht. Als hartstochtelijk verzamelaar en liefhebber van boeken, ver-

[p. 9]

meerderde hij zijn rijke bibliotheek met de nieuwste uitgaven. Aan privaatleerlingen voor de acte-studie M.O. verschafte hij voortreffelijke leiding, waarbij hij tijd noch moeite spaarde. Toen ik als Leids candidaat in 1896 te Gouda kennis met hem maakte, op aansporing van mijn vroegere leraar Dr B.J.H. Ovink, en menig uur op zijn studeerkamer doorbracht, kreeg ik onmiddellijk bewondering voor zijn grote gaven en zijn uitgebreide kennis. Ik ben mij bewust dat ik voor mijn vorming meer aan hem te danken heb dan aan mijn Leidse leermeesters. In de kracht van zijn leven zou hij een voortreffelijk hoogleraar geweest zijn, en grote invloed op zijn studenten verworven hebben. De wetenschap zou er ongetwijfeld mee gebaat geweest zijn, en zijn wetenschappelijk werk verdiept en uitgebreid. Toch is het niet te betreuren dat dit lot hem niet ten deel gevallen is. Immers, zijn eigenlijke roeping lag elders: als onderwijshervormer, als opvoeder van een jong geslacht op H.B.S. en Gymnasium is hij volkomen geslaagd.

Een aantrekkelijke taak zou het zijn, dit in den brede uiteen te zetten. Voorzover het ons moedertaalonderwijs betreft, is dit reeds geschied door Dr Hendrik J. de Vos, in zijn bekroonde stude over Moedertaalonderwijs in de Nederlanden (Turnhout - 1939). Vol bewondering wijdde deze Vlaming een uitvoerig hoofdstuk (deel I blz. 205-265; vlg. deel II, blz. 436-506), toegelicht met uitgebreide aanhalingen, aan het werk en de denkbeelden van Van den Bosch.

Samenvattend getuigt deze schrijver: ‘Hij trad op als Zuiveraar en Ziener in een tijd waarin het zuivere begrip was verloren gegaan. We noemden hem al om de onstuimigheid van zijn critiek, den Van Deyssel van de taalpedagogiek. Om de vooropstelling van zijn onderwijsprincipe kon hij ook de Nederlandsche Sokrates heeten, die aan den niet-wetende wil leeren dat werkelijk te weten, waarvan hij niet wist, dat hij het weet. Als Sokrates beoefende hij de ‘maïeutiek’: het kind in zijn Individualiteit los te maken, te ‘verlossen’. Dan: de Individualiteit van het kind aan zijn taal, zijn Moedertaal ontwikkelen, het kind rijp maken. En rijp zal de leerling zijn, aldus Van den Bosch, als hij vatbaar is voor, vanzelf luistert naar, behoefte heeft aan critisch onderwijs. In de synthese van het algemeen leven, het Leven der dingen blijvende, waaruit het menschelijk leven in laatsten aanleg resulteert, kwam hij tot een analyse, waarbij het eene het andere belicht. Dat onderwijs was een levenwekkend bezig zijn met de dingen, een voortbouwen op 't geen er is. Eerst feiten juist waarnemen, dan die naar den aard van de feiten zelf, zonder be-

[p. 10]

vooroordeeldheid, samenvatten en zuivere conclusies daaruit trekken, waarbij telkens de proef op de som kan gemaakt. Een propedeusis ook voor verdere studie, van welk soort wetenschap ook’ (blz. 257-258).

Een van de lievelingsplannen van Van den Bosch in zijn latere levensjaren was, een boek samen te stellen met opstellen van zijn leerlingen, om aan te tonen hoe men schrijven kan leren. Daarvoor had hij een rijk materiaal verzameld. Dat dit boek, met de nodige toelichting niet tot stand gekomen is, valt voor ons onderwijs te betreuren. Een gedeeltelijke vergoeding gaf Dr De Vos, door in een Bijlage een aantal van deze opstellen af te drukken. Van dit onderwijs in het schrijven zegt hij: ‘Altijd gaf Van den Bosch leiding aan de rijke verscheidenheid van in vrijheid rijpende jonge geesten. En deze zijn leiding was vooral stilistisch en pedagogisch, den opvoedeling geleidelijk brengend tot een nauwkeuriger uiting van de waargenomen en aanschouwde dingen om zich heen en in zich zelf’ (blz. 253). Hoeveel tijd en zorg Van den Bosch aan zulk werk besteedde, blijkt uit de vaak uitvoerige, menskundige kanttekeningen. Geen wonder dat zulke werkstukken, meestal van intieme aard, op prijs gesteld en dus niet vernietigd werden. Twee van mijn ambtgenoten, oud-leerlingen van Van den Bosch, gaven mij hun met zorg en piëteit bewaarde schoolopstellen ter inzage. Een van hen, bij wie Van den Bosch artistieke aanleg ontdekte, kreeg o.a. onder een geslaagd opstel het bijschrift: ‘Suprema lex: doe niet na, word altijd meer je zelf. Ik zal er niet voor geven 't gewone schoolcijfer. Hou je bij de kunst. Word wat je wilt, 't zij ‘dominee’, 't zij ‘predikant’, 't zij evangeliedienaar, 't zij vredebode, 't zij Knecht des Allerhoogsten en der Menschen - maar wees het door kunstenaar en poëet te zijn.’

De beste beloning die Van den Bosch voor zijn grote toewijding bij het onderwijs, voor de levendige belangstelling in lot en leven van zijn leerlingen kon verkrijgen, was de bewondering en de aanhankelijkheid, die hem bij twee gelegenheden zeer duidelijk gebleken is: bij zijn vijfen twintig-jarig jubileum in 1919, en bij zijn afscheid als leraar in 1927, toen grote scharen van oud-leerlingen hem dankbaar kwamen huldigen. Onder zijn nagelaten papieren vond ik daarvan een treffend getuigenis. Na het jubileum schreef een oud-leerling hem: Wat de kracht van uw onderwijs was? Uw persoonlijkheid, die aan al uw woorden kracht en leven gaf, en door deze bezieling liefde wekte in het jonge gemoed voor al wat waar, schoon en goed is. U leerde ons daarbij zien, voelen en denken van uit ons zèlf! - Uw onderwijs is voor mij de eerste wegwijzer geweest op de weg naar zelfkennis; het heeft mij ontvankelijk

[p. 11]

gemaakt voor zoveel andere dingen die een mensenleven kunnen veraangenamen en verheffen boven de sleur.’

Zelf dacht hij, nog veel later, met aandoening terug aan dit jaar 1919: ‘Ik wist niet, dat ik voor zóvele jonge mensen zóveel geweest was. Ik had enkel maar mijn werk met liefde gedaan, zonder daar ooit verder over na te denken. Het kwàm dat gedenkjaar, als een koesterende Junimaand in mijn leven. En op eens was het mij duidelijk: ik kreeg terug wat ik gegeven had, het straalde terug. 't Is ontzaglijk veel voor me geweest, want ik had het zo nodig eens te weten, eens het te aanschouwen als buiten mij, dat ik goede dingen had gedaan, dat ik niet voor niets mij aan de school gegeven had. Want al werd mijn werk op en voor school gedragen door een geloof in de Mens, al werd het gestuwd door een altijd werkende kracht van Liefde en Geloof, ik ben meer en meer zelve gaan weten hoe onvolkomen dit werk was (ik had trouwens ook zoveel te doen daarbuiten). Nee, aan iets als 1919 had ik nooit kunnen denken, en ik ben ook geen mens die aan zo iets behoefte heeft, ik heb niet veel eerzucht. Maar toen in October 1919 die gezegende Junidagen op eens over mij daalden, toen wist ik op eens, dat dit 'n Hemels Geschenk en een Teken was, iets van Hoger Orde, dat ik mocht aannemen, moest aannemen, 'n Teken waarin ik te geloven had.’1.

Deze voor hem zo karakteristieke woorden heeft hij gesproken bij zijn afscheid in 1927. Opnieuw ontving hij toen treffende bewijzen van dankbaarheid, van een jongere generatie. Alle oud-leerlingen waren uitgenodigd om op een kaart òf hun naam òf hun herinneringen aan het onderwijs van Van den Bosch op te schrijven. Velen hadden daaraan gevolg gegeven. Wegens de beperkte omvang van dit Levensbericht, moet ik de verleiding weerstaan om daaruit tal van aardige biezonderheden te putten: duidelijk blijkt er uit, dat hij in de herinnering van zeer velen een blijvende plaats verworven heeft, niet alleen als leraar, maar ook als opvoeder, leidsman en vriend. Hij heeft, na veel inspanning en zorg, op hoge leeftijd de voldoening genoten, terug te kunnen zien op een rijk en welbesteed leven.

 

De gebruikelijke bibliografie laten wij achterwege, omdat men die, met zorg opgesteld, reeds kan vinden in het boven genoemde boek van Dr. H.J. de Vos, deel 2, blz. 436-442.

 

C.G.N. de Vooys