Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1946


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, 1945-1946. E.J. Brill, Leiden 1947  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 70]

Anton Gerard van Hamel
(Hilversum, 5 Juli 1886-Utrecht, 23 November 1945)

Toen ik Professor van Hamel in het begin van November 1945 voor het laatst sprak, zei hij terloops: ‘Ik ben veel zieker dan de mensen denken.’ Hoe ziek hij was, wist niemand; ook hijzelf niet. Op de 23ste November stierf hij, plotseling, en volkomen onverwacht zelfs voor zijn vrienden. Bijna iedereen meende, dat hij aan de beterende hand was na een ongevaarlijke ongesteldheid, maar op de avond van de 22ste adviseerde de te rade geroepen chirurg een spoedoperatie, en uit de narcose is Van Hamel niet meer ontwaakt. Een zware slag voor de velen met wie hij in vriendschap verbonden was - ik reken hiertoe o.a. al zijn leerlingen - en voor de Nederlandse wetenschap.

In zijn nagelaten papieren bevond zich nog ongepubliceerd werk en de meeste Nederlanders zullen verwonderd zijn over de omvang en de verscheidenheid van zijn oeuvre wanneer de volledige bibliographie verschijnt. Toch zou als motto voor het levensbericht van de geleerde en de mens Van Hamel kunnen dienen: ‘Want zijn invloed is groter door zijn voorbeeld dan door zijn woorden’, eer zinsnede die mij trof in aantekeningen welke hij moet hebben neergeschreven voor een inleidende beschouwing waarmee hij zijn colleges na de bevrijding heeft hervat, of hoopte te hervatten.

Van Hamel was een bezielend leermeester, leidend door zijn voorgaan, te gener tijd autoritair, ieder, ook de onervarenste, latend in diens persoonlijke waarde.

Toen ‘de zin om te onderrichten’ hem ‘niet losliet’1, begon in Utrecht een werkzaamheid waaraan degenen die er in nauw contact mee kwamen, nooit dankbaar genoeg kunnen terugdenken. Velen zullen hebben ervaren dat Van Hamel hun leven richting gaf, juist doordat hij hen zèlf de weg liet vinden. Hij vormde geen satellieten, decreteerde nimmer en was in zijn wetenschap zo waarachtig, zo ‘single of mind’ in de zin van Charles Morgan, dat men zich slechts kon voornemen hem daarin -misschien op bescheidener gebied maar steeds op eigen grond - gelijk te worden.

De leerlingen kwamen uit verschillende richtingen en zochten bij Van Hamel ook zeer verschillend onderricht, want hij was een bijzonder veelzijdig begaafde persoonlijkheid. Neerlandicus van oorsprong en later

[p. 71]

Germanist van betekenis, terwijl hij bovendien op dit uitgestrekte terrein uitblonk als linguist niet minder dan als literatuur-historicus, gaf hij zijn liefde steeds sterker aan de Keltologie en publiceerde daarover in de laatste tijd weer bij voorkeur.

Reeds als student in Amsterdam, had hij langs een wat vreemde omweg - die voorbij de ‘Poems of Ossian’ - het Keltische toverland betreden waarvan hij in 1917 getuigde dat men er zich niet meer uit kan losmaken. ‘Op één ding moet hij echter voorbereid zijn: hij zit daar voor zijn leven gevangen. Want hij die eenmaal de bekoring der Keltische geesteswereld heeft ondergaan, ontkomt er nooit meer aan.’2.

Niemand kende de verlokking van die magische omgeving beter dan hij en wij kunnen zijn tocht volgen in zijn geschriften. Hij was hier de Nederlandse baanbreker, nieuwe velden ontginnend en telkens weer in bezinning en synthese de waarde van het gewonnene overwegend. Wanneer wij afzien van enige kleinere publicaties gedurende zijn studententijd - bijv. ‘Land en Volk van Wales’ in jg. 19 van Propria Cures en een bespreking van Hyde's ‘Love Songs of Connacht’ in jg. 20 van dat tijdschrift - begint de lange reeks in 1911 met zijn proefschrift De oudste Keltische en Angelsaksische geschiedbronnen om te eindigen met twee artikelen die in zijn nalatenschap werden gevonden. Daarvan is het ene, Primitieve Ierse taalstudie, inmiddels verschenen, het andere, Keltische beeldspraak, nog niet. Daartussen liggen linguistische, folkloristische, motief vergelijkende, mythologie beschouwende en andere studies, onder welke er niet weinige zijn waarin de gevonden resultaten gerangschikt worden tot gegevens van een dieper verband of een hogere orde.

Wat zocht en wat vond Van Hamel in de Keltische wereld?

Ongetwijfeld óók de intellectuele bevrediging die er ligt in het uitwerken en tot oplossing brengen van ingewikkelde philologische problemen, daar immers de moeilijkheden bij de Keltische talen en hun overlevering (nog) opvallend groot zijn. Aan dit aspect van aantrekkelijkheid danken m.i. het bestaan: On Lebor Gabála (een zeer omvangrijke studie in 1914 over het Ierse ‘Boek der Veroveringen’, een wonderlijk werk van pseudo-historie); Ueber die vorpatricianischen irischen Annalen (1928); in 1932 de uitgave - naar alle handschriften - van Lebor Bretnach (de Ierse bewerking van Nennius' Historia Britonum).

Toch zijn wij hier aan de buitenkant van de betovering en raken niet

[p. 72]

haar kern. Laten wij - om die te ontdekken - naar Van Hamel zelf luisteren zoals hij in 1938 voor de Maatschappij der Ned. Letterkunde over Het Geheim der Kelten sprak, daarmee ook voor zichzelf verantwoording afleggend van zijn bevindingen. Hij betoogde ‘dat het Keltendom een geestesgesteldheid vertegenwoordigt, die tegenover die van de overheersende culturen van Europa primitief mag heten, omdat zij door haar complex wereldbeeld de weg der verstandelijke analyse niet zoekt’ (overdruk p. 31).

De Romaanse en Germaanse volken zijn de weg van het analytische denken ingeslagen. Maar zij/wij roepen ‘om synthese, te luider naar mate het analytisch onderzoek in een juist voorafgegane periode groter vorderingen gemaakt heeft. Deze roep kan niet anders zijn dan de uiting van een in de diepte van onze geest aanwezig eenheidsbesef, dat in de jeugd van ons geslacht het leven onbeperkt beheerste, maar op den duur zich bij tijden verborg achter de vele bijzonderheden, die ons voortdurend graven als afzonderlijke grootheden aan het licht bracht. Niets sterft af, dat ooit een essentiëel element van onze groei was, ook niet de herinnering aan het verloren paradijs van de complexe wereldbeschouwing. Naar de eenheid, die zij inhield, en naar de bevrediging, die van dit eenheidsbesef van het bestaande het uitvloeisel was, voelen wij ons getrokken. Door de analyse heen willen wij naar een synthese toe, waarin de eenheidsgedachte, verdiept nu en verheven tegelijk, zal terugkeren’ (p. 26).

Wij moeten vooruit, wij kunnen niet terug naar de ‘complexe wereldbeschouwing’. Evenwel: aan de ‘nimmer verstikte stem der complexiteit van ons oorspronkelijk wezen hebben wij het te danken, dat de verscheurdheid van ons wereldbeeld nooit onherstelbaar is geworden’ (p. 27).

De ‘Keltische gebieden van ons werelddeel’ zijn ‘een cultureel relictgebied.’ Op het vasteland verdween de ‘denkvorm’ die is ‘een rest uit oude tijden en van een vroeger stadium in de groei van de menselijke geest’. - ‘Op de Eilanden, en vooral in Ierland handhaafde zich het oude. Daaraan heeft Europa het te danken, dat het in tijden van dreigende ontrafeling een stem kan vernemen, die aan de diepste eenheid van het menselijk wezen blijft herinneren’ (p. 32).

Verschillende malen heeft Van Hamel dat ‘complexe’, dat irrationele denken - dat bij de Kelten zo uiterst belangwekkend is, omdat het samengaat met een hoge beschavingstrap, niet met een lage - belicht. Nergens suggestiever dan in Aspects of Celtic Mythology (1934), de sleutelpublicatie van al zijn mythologische geschriften.

[p. 73]

Wij kunnen Ierse teksten - zij mogen dan voor ons op mythologisch, historisch (zie: Mythe en historie in het oude Ierland, 1942) of taalkundig (: Primitieve Ierse taalstudie, 1946) terrein liggen - namelijk niet naderen met een analytische geest. Als wij niet de gezichtscorrectie aanbrengen van het ‘complexe wereldbeeld’, ontgaat ons elk verband en elke diepere betekenis. Voor de Ieren op het hoogtepunt van hun beschaving waren, ondanks een in sommige kringen welhaast hartstochtelijk beleefde Christelijke vroomheid, de in taal verankerde overleveringen die wij zouden willen onderscheiden in literatuur, rechtskennis, godsdienst, enz., één grote ongedifferentieerde wetenschap van enorm practische waarde. Het kennen en het beoefenen daarvan hield de samenleving in stand.

Van Hamel blijkt geen dwaallicht gevolgd te hebben op zijn tocht door de Keltische landen. Hij vond iets dat waar en van waarde is omdat het resultaten geeft als werkhypothese. Allerlei stukken legkaart schuiven plotseling in elkaar en er wordt inzicht gewonnen niet alleen tot interpretatie van raadselachtige kanten der Ierse teksten, maar ook tot de gronden waarom bepaalde facetten der Keltische literaturen in bepaalde tijden inspiratief kunnen werken.

Wat dit laatste betreft: Van Hamel noemde het Arthurianisme en het Ossianisme. Het verwondert mij eigenlijk dat hij niet wees op de poëzie van A. Roland Holst. Daarbij is Het geheim der Kelten natuurlijk eveneens tekenend voor Van Hamel zèlf. Hij behoorde niet tot de ‘vermoeide geesten’ die ‘luide de roep van het verloren paradijs der complexiteit’ horen, die ‘het zekere voor het onzekere’ verlangen, en die ‘begeren de met zorg door geslachten van zoekers en werkers behaalde winsten weg te werpen’ (op. cit., p. 26). Bovendien was hij veel te scherp-ziende om niet te weten, ‘dat hetgeen zij nu eenmaal als een paradijs willen zien, onverbiddelijk verloren is. Al de gedane ontledende arbeid kan nu eenmaal niet ongedaan gemaakt worden.’

Toch was hij juist gedesillusionneerd genoeg om graag te luisteren naar de stem ‘die aan de diepste eenheid van het menselijk wezen blijft herinneren’ en is het geen toeval dat hij in 1938 doelde op ‘tijden van dreigende ontrafeling’ (slot van Het Geheim der Kelten; vgl. hierboven pag. 72).

Had het, in 1938, nog wel zin de letterkundige wetenschap te beoefenen? Van Hamel moet in dat dreigende jaar geworsteld hebben om een bevestigend, bevrijdend antwoord. Het resultaat, het ‘credo’ geeft

[p. 74]

Ons zelf-onderzoek, waaruit ik twee relevante passages overneem. ‘Zoals de wetenschap der geschiedenis dient om de tradities der mensheid te bewaren en daardoor onze macht over ons woongebied te schragen of ons bestaan op aarde te beveiligen (in de wetenschappen van de geest is de magische inslag nu eenmaal altijd nog veel sterker dan in die van de stof), zo heeft die der letterkunde ten doel de vervoeringen der mensheid of, anders gezegd, haar intuïtieve inzichten van alle bereikbare eeuwen op te zoeken, te zuiveren en over te leveren, ook weer tot meerdere verzekering van het heil van ons geslacht’. - ‘Ons denken heeft veel gewonnen, maar één ding heeft het bij het primitieve denken vergeleken tegen, namelijk dat het de directe aanraking, de beleving, de vervoering mist. Het zal die eenmaal willen herwinnen, bewust of onbewust, en wanneer het die dan ontvangen zal, zal een intuïtie ontstaan, die niet meer als in de oertijd complex, maar thans synthetisch is, doordien ze de weg der verstandelijke analyse heeft afgelegd. Het is dit geloof in een toekomstig inderdaad dieper verstaan, dat ons in onze letterkundige wetenschap staande en gaande houdt. Want is dit geloof geen vergissing, dan is meteen het doel van het bewaren en zuiveren van onze ganse reeks van intuïtieve ervaringen en vervoeringen duidelijk. Zij zullen in het beslissende tijdsgewricht ons houvast blijken; zonder haar zouden wij in den blinde tasten’3.

 

Anton Gerard van Hamel werd 5 Juli 1886 geboren als tweede zoon van de bekende Amsterdamse hoogleraar in het strafrecht, G.A. van Hamel. Dat hij dezelfde voornamen kreeg als de tweelingbroer van zijn vader, die Frans doceerde aan de Universiteit te Groningen, heeft mij als groen studentje meer dan eens in verwarring gebracht: bibliografische vergissingen begaat men op de beste universiteitsbibliotheken! Dat de neef evenwel speciaal de invloed van zijn oom zou hebben ondervonden - verder dan de algemene sfeer van het culturele milieu waarin hij opgroeide - bleek mij niet.

De jonge Van Hamel volgde het Openbare Gymnasium te Amsterdam en was reeds toen een jongen die niet ongaarne alleen was, zich bezighoudend met verschillende studieliefhebberijen. Aanvankelijk voelde hij zich getrokken tot de sterrenkunde, later tot talen. Ook had hij reeds zeer jong een grote en trouwe liefde voor de muziek; hij speelde viool en musiceerde geregeld.

[p. 75]

Als student nam hij deel aan het toneel- en muziekleven, behoorde tussen 1907 en 1909 tot de redactie van Propria Cures en moet - volgens tijdgenoten - een uitmuntende creatie hebben gegeven van de ‘Kellner’ in Shaw's You Never Can Tell.

Ik kan mij de student-Van Hamel voorstellen en herleiden uit de docent die ik gekend heb: zéér intelligent, gezag hebbend in zijn kring, echter nooit polemisch; van een ontwapenende (zelf) ironie; idealistisch; vriendelijk en belangstellend maar niet uitbundig; waarschijnlijk in vriendschappen steeds de gevende partij: zowel door zijn grotere rijkdom van gemoed, als door een innerlijke reserve, voortkomend uit een vreemde versmelting van bescheidenheid en trots. Vrolijker en luchthartiger was hij dan later, toen het leven hem een strenge beheersing had geleerd, met niet weinig resignatie ondermengd.

In deze tijd begon de belangstelling in Keltische onderwerpen zich tot daden om te zetten: hij volgde in 1908 een semester aan de School of Irish Leaming te Dublin, en van dit tijdstip dateert ook de drang om belangstellenden bùiten de vakstudie deelgenoot te maken van de dingen die hem troffen op dit voor Nederland zo onbekende gebied. Wij danken hieraan een aantal publicaties waarop ik straks nader inga.

Vanaf 1910 was Van Hamel leraar in het Nederlands te Middelburg, waar hij veel plezier had in de kleine klassen - er kon nu waarlijk contact ontstaan tussen hem en zijn leerlingen. In 1911 promoveerde hij te Amsterdam bij R.C. Boer; in 1913 werd hij tot leraar benoemd aan het Erasmiaans Gymnasium te Rotterdam, terwijl hij bovendien in dat jaar een semester in Berlijn studeerde onder Kuno Meyer, de toenmalige grootmeester der Keltistiek.

De jaren als buitengewoon hoogleraar in het Nederlands en Nederduits aan de Universiteit te Bonn doorgebracht (1915-1917), schijnen niet gelukkig voor hem te zijn geweest, al moest het toch veel voor hem betekenen in nauwe aanraking te kunnen zijn met Rudolf Thurneysen. Ik heb Van Hamel over de jaren in Bonn nooit iets horen vertellen behalve het verhaal van zijn mislukte vlucht - in vermomming van blauw boezeroen etc.! - toen hij, ‘ex officio’ Pruisisch staatsburger, onder de dreiging geraakte gemobiliseerd te worden voor het Duitse leger, naar Nederland trachtte te ontkomen en vlak bij de grens werd aangehouden.

Daarna volgden jaren te Rotterdam als bibliothecaris van de Handelshogeschool (1917-1921) en te Den Haag in dezelfde functie aan het

[p. 76]

Vredespaleis (1921-1923). In 1923 gaf Van Hamel gehoor aan de roepstem der Universiteit van Utrecht, waar hij Oud-Germaans zou doceren. Op zijn verzoek werd de opdracht uitgebreid met het onderwijs in het Keltisch, zodat hij een werkzaamheid kon voortzetten die hij drie jaar eerder had aangevangen als privaat-docent te Leiden.

 

Op dit punt past het een streep te zetten onder het chronologische verslag. In 1923 had Van Hamel de plaats bereikt waar zijn gaven zo volledig mogelijk tot hun recht zouden komen. Het voorafgaande was de weg daarheen, was voorbereiding; nu stond de lamp op haar luchter.

Van Hamel's formaat als leermeester heb ik al probeeren te schetsen; over zijn wetenschappelijke verdiensten verder uit te weiden, zou mij welhaast een impertinentie lijken. Rest mij iets te zeggen over de kunstzinnige Van Hamel, de schrijver van belangrijke essays en enkele verzen.

Omstreeks 1923 komt er ook een nieuwe toon in Van Hamel's nietwetenschappelijke publicaties: waren deze voordien wel eens wat àl te geacheveerd-correct van stijl en daarmee wat onpersoonlijk, ze worden nu leniger, bewogener en Van Hamel durft zich meer te laten gaan. Dit lijkt mij te verklaren uit de veranderde (literaire) criteria na de jaren van de eerste wereldoorlog èn uit het gezag dat Van Hamel's nieuwe positie meebracht: dit moet bij belangrijke figuren nog tot een innerlijke verdieping voeren. Zeer lief zijn mij daarom zijn bijdragen in De Witte Mier en daarvan in het bijzonder Iersche Lente en Elvenmuziek, beide van 1924. ‘En als het in Holland een grijze dag van Maart is, met nog geen enkel groen lenteblaadje aan boom en heester - ja, het komt voor -, terwijl we toch meenen evenveel recht op het schoon ontwaken te hebben als onze Iersche vrienden, die op 18 Maart St. Patrick vieren en den klaver plukken, dan weet ik niet beter dan het wondermooie boekje van Pádraig O'Conaire dat ‘De Vertakte Boom’ (An Crann Géagach) heet, voor den dag te halen en de lokkende muziek van zijn rijk genuanceerde woorden te volgen naar het land, waar het zelden winter, vroeg voorjaar en lang zomer is’4, aldus begint Van Hamel op zijn beurt de lezers mee te ‘lokken’. Een verblijdend aantal hebben hem blijkbaar willen vergezellen, want in 1925 verscheen zijn vertaling van O'Conaire's werk.

Elvenmuziek zou niet dan in zijn geheel geciteerd kunnen worden deze bladzijden ‘over den bovenmenschelijken zin der muziek’ zijn wel

[p. 77]

heel kenmerkend voor de man die in de zeventiende jaargang van Onze Eeuw schreef over Muziek en Dichtkunst, en die in de tweede wereldoorlog de opdracht gaf om - als hij er niet mocht zijn - vòor alles twee van zijn bezittingen te redden: zijn beide violen.

Ik zou nog kunnen spreken over de sterke bewogenheid die de ‘subjectieve’ hoofdstukken over de natuur in het begin van IJsland Oud en Nieuw (1933) kleurt; het evocatieve proza nadert verskunst. - Inderdaad heeft Van Hamel enige gedichten gepubliceerd (Verzen in De Nieuwe Gids, 1920), doch er meer in portefeuille gehouden, en dit - naar het mij wil voorkomen - terecht. Want zeker getuigen Van Hamel's strophen van een vers-gevoelige begaafdheid, echter niet van de noodwendigheid zich als dichter te uiten.

Er was ongetwijfeld een kunstenaarskant aan zijn wezen; dit blijkt reeds uit de taalbeheersing, uit de harmonische bouw van al zijn geschriften. Het spreekt ook uit het geluk dat de schoonheid van (literaire) kunstwerken bij hem wekte, een geluk dat hij anderen kon ‘mee-delen’. Maar aesthetische appreciatie allèèn was hem niet genoeg - men zie bijvoorbeeld zijn uiteenzettingen in Bredero (De Gids, 1920).

Van Hamel valt te vergelijken met een modern-georiënteerd archaeoloog, die opgravingen leidt met alle kennis en met al het geduld van een geschakeerd vakmanschap. Enkele tientallen jaren geleden werden nog vaak oudheidkundige expedities uitgerust met geen ander doel dan om éen of ander museum te verrijken met een aantal opmerkelijke kunstschatten; om die reden zou men ze even goed wetenschappelijke plundertochten kunnen noemen. Dit betekent niet dat er roof werd bedreven in materiële zin, maar bij het graven naar ‘museumstukken’ werd zoveel onschatbaars vernield aan toekomstige kennis en mogelijk inzicht, dat de term niet te sterk is. De moderne archaeoloog is er niet op uit aesthetischbevredigende vondsten te doen (al zal hij vreugde voelen wanneer er iets bijzonder moois aan de dag komt); hij legt beschavingen bloot en bewaart voor het nageslacht alles wat relevant zou kunnen zijn: is het niet mogelijk ‘in natura’, dan in schetsen (foto's, films) en aantekeningen.

Zo speurde Van Hamel met het vakmanschap van zijn filologische en linguistische kennis o zo geduldig en voorzichtig naar de oorspronkelijke staat van (oude) teksten, om te geraken tot het zinvolle verband àchter deze uitingen van de menselijke geest. Zijn vondsten bewaarde hij voor het nageslacht en bood ze onbaatzuchtig aan ieder die ze maar gebruiken

[p. 78]

kon. Polemiek was hem daarbij vreemd; hij zag dat zeker als tijdverspilling: er viel nog zòveel te graven!

Zijn zoeken naar zinvol verband kwam voort uit een in wezen pessimistische levensbeschouwing; hij wilde ‘in den oogst geloven’ waarvoor hij diende5. Hij leed bovendien onder het achteruitgaan van zijn gehoor, hetgeen hem dwong zich hoe langer hoe meer terug te trekken op een innerlijke wereld - en dat terwijl hij door zijn aangeboren hoffelijkheid, zijn eerbied voor menselijke waarden en zijn gave om, door zijn tegenwoordigheid alleen al, verhitte gemoederen te kalmeren, een ideale persoonlijkheid was in de omgang.

Meen niet dat ik hem zelfs maar in een enkel opzicht zou willen beklagen. Zùlk een man beklaagt men niet. Zijn pessimisme en zijn eenzaamheid verklaren mij slechts zijn grote liefde voor IJsland, waar hij zich door de stilte van een geweldige en onherbergzame natuur opgenomen voelde in een boven-wereldse gemeenschap.

 

Maartje Draak

Lijst der belangrijkste geschriften

(Gebruikte afkortingen: Acta Philologica Scandinavica = A. Ph. Sc.; Arkiv för Nordisk Filologi = A.N.F.; Études Celtiques = Ét. C.; Mededeelingen der Koninklijke Nederlandsche Akademie van Wetenschappen = Med. Ak. v.W.; Neophilologus = Neoph.; Onze Eeuw = O.E.; Revue Celtique = R.C.; Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde = Tds. N.T.L.; Witte Mier = W.M.; Zeitschrift für Celtische Philologie = Z.C. Ph.).

1911De oudste Keltische en Angelsaksische geschiedbronnen. Middelburg (diss.).
1912Eene nieuwe gedachte in Wales (De Nieuwe Gids, jg. 27); De sage van koning Lear (O.E. jg. 12); On Anglo-Irish Syntax (Englische Studien 45).
1914Iersche indrukken (O.E. jg. 14); On Lebor Gabála (Z.C. Ph. bd. 10).
1915-16E.M. Post en Hirschfeld (Tds. N.T.L. dl. 34); The foreign notes in the three Fragments of Irish Annals (R.C. vol. 36).
1916Romantiek en wetenschap (O.E. jg. 16); Een episode van den Torec (Tds. N.T.L. dl. 35); Gotica (Neoph. dl. 1).
1917Inleiding tot de Keltische Taal- en Letterkunde. Groningen-den Haag; Muziek en dichtkunst (O.E. jg. 17); Anlautendes v im as., mnd., mnl. (Paul en Braune Beiträge, bd. 42).
1918Zeventiende-eeuwsche opvattingen en theorieën over litteratuur in Nederland. 's-Gravenhage.
1917-'19A Poem on Crimthann (R.C. vol. 37); Poems from Brussels MS. 5100-4 (R.C. vol. 37).
1919Het keltische vraagstuk in het Britsche rijk (T. gesch., land- en volkenk. jg. 34); Tondalus' Visioen en Patricius' Vagevuur (Neoph. dl. 4).

[p. 79]

1920Verzen (De Nieuwe Gids, jg. 35); Isolement en Gemeenschap. 's-Gravenhage, (openbare les); Herleefd Bretagne (O.E. jg. 20); Bredero (De Gids jg. 84).
1921Over Ossian (Neoph. dl. 6).
1922Taldir, bard van Bretagne (O.E. jg. 22).
1923Gotisch handboek. Haarlem; Lijnen in de Germaansche Oudheid. Utrecht (inaugurele rede).
1924Tristan's Combat with the Dragon (R.C. vol. 41); De ziel van Ierland's strijd (O.E. jg. 24); Yan Kalloc'k (W.M. jg. 1); Geschiedenis van Bretagne (W.M. jg. 1); Iersche Lente (W.M. jg. 1); Elvenmuziek (W.M. jg. 1).
1925De vertakte boom, door Padraic O'Conaire - uit het Iersch-Gaelisch vertaald door A.G. van Hamel. Lochem; Norse History in Hanes Gruffydd ap Cynan (R.C. vol. 42); Vluspá 27-29 (A.N.F. dl. 41); Een praehistorische roman (W.M. jg. 2).
1926De accentuatie van het Munster-Iersch (Med. Ak. v.W., 1926); De klanken van het Iersch-Gaelisch (Neoph. dl. 11); De Scandinavische Hamletsage (Neoph. dl. 11); Wales en zijn Const van Retoriken (W.M. jg. 3); Ierland's heldendrama (W.M. jg. 3).
1927Een Iersch kettingsprookje (Med. Ak. v.W., 1927); The battle of Leitir Ruide (R.C. vol. 44); Over den logischen zinsbouw (Neoph. dl. 12); Koning Arthur's: vader (Neoph. dl.12).
1927-'28Jan te Winkel (Levensberichten Mij. der Ned. Letterk.); The Nominatives áer, kýr, sýr (A. Ph. Sc. jg. 2).
1928Über die vorpatricianischen irischen Annalen (Z.C. Ph. bd. 17); Ons conservatieve klankstelsel (Tds. N.T.L. dl. 47).
1929On Vlundarkviđa (A.N.F. dl. 45); The Prose-frame of Lokasenna (Neoph. dl. 14).
1930The Celtic Grail (R.C. vol. 47); De Frankische dichtstijl (Neoph. dl. 15).
1931On Ari's Chronology (A.N.F. dl. 47); Het eerste Internationaal Arthuriaansch Congres (Neoph. dl. 16); De samenhang der Vluspá (Neoph. dl. 16); De jongste studiën over IJsland (Neoph. dl. 16).
1932Lebor Bretnach, The Irish Version of the Historia Britonum ascribed to Nennius, ed. from all the Manuscripts. Dublin, [1932]; Gambanteinn (Neoph. dl. 17).
1932-'33Ođin Hanging on the Tree (A. Ph. Sc. jg. 7).
1933Compert ConCulainn and other stories (ed.). Dublin; IJsland Oud en Nieuw. Zutphen; Partholon (R.C. vol. 50); Prae-litteraire typologie (Neoph. dl. 18).
1934Aspects of Celtic Mythology (The Sir John Rhys Memorial Lecture, British Academy, 1934); The Game of the Gods (A.N.F. dl. 50); The Mastering of the Mead (Studia Germanica tillägnade E.A. Kock).
1935De Iersche reis van Olaf de Pauw (Neoph. dl. 20); De IJslandse gang tegen de zou (Neoph. jg. 20).
1935-'36The Saga of Sorli the Strong (A. Ph. Sc. jg. 10); Gods, Skalds and Magic (Sagabook of the Viking Society, vol. 11); The Conception of Fate in Early Teutonic and Celtic Religion (Sagabook of the Viking Society, vol. 11).
1936IJslands Odinsgeloof (Med. Ak. v.W., 1936); The Old-Norse Version of the Historia Regum Britanniae and the Text of Geoffrey of Monmouth (Ét. C. vol. 1).
1937La racine uen- en celtique et en germanique (Mélanges Pedersen).
1938The Text of Immram Curaig Mailduin (Ét. C. vol. 3); Het Geheim der Kelten (Jaarboek Mij. der Ned. Letterk.); Ons zelf-onderzoek (Neoph. dl. 23).
1940De emphatische zinsbouw in het Keltisch (Neoph. dl. 25); Mythen der Scandinaviërs en Kelten, in De Tuin der Goden I. Utrecht; De Godsdienst der Kelten.

[p. 80]

 in De Godsdiensten der wereld, door G.v.d. Leeuw e.a. Amsterdam; De Studie der Ierse handschriften (Opstellen G.A. Evers).
1941Immrama (ed.). Dublin.
1942Mythe en historie in het oude Ierland (Med. Ak. v.W., 1942).
1943Arthur van Brittannië en Aneirin (Neoph. dl. 28); Een IJslandse Longinuslegende (Neoph. dl. 28); De Legende van Sint Brandaen en Maeldúin's Zeereis (Album René Verdeyen).
1944Keltische Letterkunde, in Algemene Literatuurgeschiedenis II. Utrecht.
1945Geschiedenis der Taalwetenschap. Den Haag.
1946† Primitieve Ierse taalstudie (Med. Ak. v.W., 1946).

Nog niet verschenen:

Keltische beeldspraak (art.).

Uit de wereld der Edda. Amsterdam, - .

Keltische Beschaving. Amsterdam, - .

IJslandse Letterkunde. Den Haag, - .

Het Germaans. Den Haag, - .