Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1946


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, 1945-1946. E.J. Brill, Leiden 1947  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[XV.]

XV. Het voorstel om de jaarlijksche bijdrage te bepalen op ƒ 10.- wordt zonder bespreking goedgekeurd.

XV. Bij de rondvraag neemt de heer Van 's-Gravesande het woord en wijst erop, dat in de lijst met bijzonderheden betreffende de candidaten, voorgedragen voor het lidmaatschap, de werken van Dr G. Knuttel abusievelijk zijn aangevuld met enkele van Ir G. Knuttel. De voorzitter wijst in dit verband op den korten tijd, waarin de voorbereidingen voor de Jaarvergadering hebben moeten plaats vinden.

De Heer Diermanse wijst in verband met de nieuw benoemde candidaten en hun verdiensten voor het cultureele leven van Nederland op art. 1 van de wet, waarin als doel van de maatschappij de bevordering van de Nederlandsche taal- en letterkunde, geschied- en oudheidkunde en schoone letteren wordt genoemd. Deze strekking is bij de candidaatstelling niet voldoende in het oog gehouden, gezien bijv. de nummers 10, 12, 15. De Heer Diermanse vraagt zich af, of artikel 1 niet beter verruimd zou kunnen worden, als het bestuur meent op dezen weg voort te moeten gaan. Mevrouw Van Hille-Gaerthé beaamt deze zienswijze en vermeldt, dat b.v. Mej. Joh. Naber om deze reden als lid heeft bedankt. De voorzitter antwoordt, dat bij het stellen van candidaten meer aan de Nederlandsche cultuur in het algemeen is gedacht, terwijl

[p. 217]

de Heer P.J. Idenburg erop wijst, dat het bestuur in zake de candidaatstelling in zekeren zin passief is; de vergadering alleen kan een candidatuur weigeren. De Heer Byvanck besluit de discussie met de verzekering, dat deze kwestie in het bestuur ter sprake gebracht zal worden.

De Heer Geers brengt vervolgens ter sprake, dat de Afdeeling Onderwijs te 's-Gravenhage een schrijven aan de middelbare scholen heeft gericht, waarin een lijst van boeken is opgenomen, die uit de schoolbibliotheken verwijderd moeten worden. Hij vraagt zich af of het niet op den weg van de maatschappij ligt om hiertegen protest in te dienen.

De Heer Dominicus deelt mede, dat het hier geen bevel maar een raad betreft en is van meening, dat de maatschappij zich hiermee bezwaarlijk bemoeien kan.

Naar aanleiding van de lezing van Dr G.J. Hoogewerff over het onderwerp ‘Bataven en Friezen te Rome’, in de openbare bijeenkomst van de Commissie voor Geschied- en Oudheidkunde op den vooravond van de Jaarvergadering gehouden, wijst de Heer Cohen Stuart op de bijzonderheden door spreker vermeld over het cultuurmonument in Rome: de San Michele dei Frisoni. Hiervoor belangstelling te wekken, voor een betere restauratie zorg te dragen, opdat dit kerkje een centrum voor Nederlandsche bedevaarders naar Rome zou kunnen worden, lijkt hem een zaak, die de maatschappij ter harte zou moeten nemen. Dankbaar voor deze suggestie antwoordt de voorzitter, dat door het bestuur hierover een brief aan het nieuwe lid Zijne Eminentie Johannes Kardinaal de Jong geschreven zal worden.

Niets meer aan de orde zijnde, sluit de voorzitter te kwart over vier de vergadering.

Enkele leden begeven zich daarop naar het Legermuseum, waar de directeur, Kolonel N. van Houten, voor deskundige rondleiding heeft zorggedragen. De Heer Krieger toont enkele leden de schatten van het Museum voor Volkenkunde.

Aan den maaltijd in De Doelen namen 41 leden deel. Na een dronk op H.M. de Koningin, door den voorzitter ingesteld, en na een hartelijke toespraak van Dr Van Broekhuizen, neemt tenslotte de Heer Byvanck het woord om zijn uitlating, dat de maatschappij een vertegenwoordiging moet vormen van de Nederlandsche cultuur in het algemeen, nader uit te werken. Voor zijn betoog wordt de voorzitter met luid applaus bedankt. De avond wordt besloten met het opstellen van een telegram voor den Heer Van Ronkel, wiens afwezigheid door ernstige ziekte algemeen als een groot gemis gevoeld wordt.