Van het geslacht Verdenius, afkomstig uit Drachten, waar de vader hoofd ener school was, hebben vijf broers hun opleiding voor onderwijzer genoten aan de Rijkskweekschool te Groningen. De oudste en de derde eindigden hun loopbaan in Den Haag: de eerste, Th. A., als rector van het gemeentelijk Gymnasium op het Stokroosplein, dat tijdens de Duitse overheersing verdwenen is, de andere, J.A., als leraar Hoogduits bij het Middelbaar onderwijs.
De vierde, M.W., bleef het L. onderwijs trouw: zijn laatste betrekking was die van directeur der Rijkskweekschool te Groningen, met een anders samengestelde schoolbevolking dan die vóór ± 1920. De vijfde, A.W., verliet het onderwijs en werd accountant.
De tweede, A.A., die in de jaren 1892-'96 leerling der Rijkskweekschool was, diende het L.O. tot 1904, in hoofdzaak in Amsterdam, waar hij, na 't behalen der hoofdacte en een paar taalacten, zich bekwaamde voor het staatsexamen. Onder de leiding der hoogleraren Te Winkel, Boer en Brugmans studeerde hij Nederl. letteren en geschiedenis in de jaren 1901-'04, waarna hij het candidaatsexamen met lof aflegde. In September 1904 ging hij over naar het Middelbaar onderwijs in Amsterdam.
Als candidaat bleef hij nog twee jaar de colleges der hoogleraren Te Winkel en Boer volgen. In 1907 verwierf hij het doctorale diploma cum laude.
Na enkele jaren aan zijn gezondheid te hebben gewerkt, zette hij zich aan zijn proefschrift: een uitgave van Jacob van Maerlant's Heimelijkheid der Heimelijkheden, waarop hij in 1917 met lof promoveerde. - De taalstudie had zijn uitgesproken voorliefde. In 1919 verscheen van zijn hand de woordverklaring bij de dissertatie van D. de Man: de uitgave van Hier beginnen sommige stichtige punten van onsen oelden zusteren. Deze arbeid leidde tot een paar artikelen in het Ts. voor Ned. Taal- en Letterk. van 1921 en '24. - Zijn studies over de taal van Bredero en Vondel trokken weldra de aandacht der deskundigen: op uitnodiging van C.R. de Klerk, de geestelijke vader der grote Vondeluitgave, trad hij toe tot de staf der medewerkers. Zijn eerste daad was het voor de druk gereed maken van de proza- en de berijmde vertaling van Virgilius' gedichten, waarbij hij af en toe de zeer gewaardeerde hulp van Dr. J.D. Meerwaldt
genoot. In samenwerking met deze geleerde bezorgde Verdenius de uitgave van Sofokles' Koning Edipus, Euripides' Ifigenie in Tauren, Euripides' Feniciaansche of Gebroeders van Thebe, en Sofokles' Hercules in Trachin. Geen wonder, dat Prof. Stoett, toen deze in 1933 als hoogleraar aftrad, Verdenius als zijn opvolger aanwees, die in de voetsporen zou treden van zijn voorganger. Verdenius' inaugurele rede - 3 October 1933 - Bredero's dialectkunst als Hollandse reactie tegen Zuidnederlandse taalhegemonie - betekende een werkprogramma: er volgden verschillende artikelen betreffende Bredero's en Coster's kluchten.
Hoezeer de 17e-eeuwse taal zijn hart had, is af te lezen uit de bibliografie van zijn geschriften, afgedrukt in de bundel Studies over zeventiende eeuws: verspreide opstellen en aantekeningen, ‘aangeboden door vrienden, leerlingen en oud-leerlingen ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag op 7 Maart 1946’.
Van zijn medewerking aan de Vondeluitgave der W.B. spraken we reeds. In de Vondelkroniek (7e Jg.) schreef hij over Lucifer en Virgilius. Vondel's Faëton verscheen in 1939 bij Thieme te Zutphen, met een toelichting van zijn hand. Dat de Vereniging Het Vondelmuseum hem in haar jaarvergadering van 2 Juni 1938 tot haar voorzitter koos, toen Prof. Dr. de Vooys zich niet meer herkiesbaar stelde, lag voor de hand.
Als Amsterdams hoogleraar in de Nederlandse taal viel Verdenius de eer te beurt - op 27 Mei 1935 - de eredoctoren Willem Kloos en Lodewijk van Deyssel toe te spreken. En in 't Vondeljaar, 1937, had hij het genoegen, het eredoctoraat in de Nederlandse letteren te verlenen aan twee uitnemende Vondelkenners, zijn vriend C.R. de Klerk, en de Nijmeegse hoogleraar in Vondel, pater Molkenboer. De redevoeringen, gehouden bij deze erepromoties zijn afgedrukt in 't Gedenkboek van de Vondelherdenking der Universiteit van Amsterdam, 1938. - In 1940 verscheen bij W.J. Thieme te Zutphen P.C. Hooft, Granida, naar het Amsterdamsche handschrift uitgegeven en door hem toegelicht, met medewerking van ondergetekende.
Voor zijn werkzaamheid als hoogleraar moge ik verwijzen naar de lijst van artikelen, in verschillende tijdschriften verschenen, afgedrukt in de bovengenoemde bundel Studies.
Een afzonderlijke vermelding verdient de reeks artikelen, verschenen in het dagblad De Telegraaf, en in Onze Taal, het blad, geredigeerd door en voor zakenlieden. Het zijn ‘populair-wetenschappelijke beschouwingen, voornamelijk op het gebied van de Nederlandse taalkunde,
enkele van literair- of cultuurhistorische aard’, waarin Verdenius zijn gave toonde, in luchtige trant te kunnen schrijven over taalwetenschappelijke vragen van den dag. De vele brieven van lezers waren hem in die jaren - 1941 en '42 - een steun bij zijn werk. Vooral deed het hem goed, dat men prijs stelde op het blijvende bezit van zijn ‘taallessen’ en dat het verzoek tot hem kwam, ze in boekvorm uit te geven. In 1943 verschenen ze dan ook bij Elsevier te Amsterdam onder de titel: In de Nederlandse Taaltuin. Wandelingen en Waarnemingen. Opbeuring had hij wel nodig, want gelukkig was in die jaren zijn leven niet. En in de volgende werd dat nog zwaarder, toen een oogziekte hem verhinderde, zijn werk op normale wijze voort te zetten en waarin het operatief ingrijpen van prof. Zeeman geen verbetering bracht. Wel hield hij zich dapper en bleef hij in zijn werk met behulp der studenten, zodat hij op zijn zeventigste verjaardag nog genoot van de hartelijkheid van collega's, leerlingen en vrienden. Ook verheugde hij zich over 't huwelijk van zijn zoon; en al het leed scheen vergeten op de dag, toen zijn oudleerling Dirk Bax te Nijmegen cum laude promoveerde (Januari 1949) en de Nijmeegse hoogleraren hun Amsterdamse collega als volwaardig professor de plechtigheid deden meeleven. De autotocht naar Nijmegen en terug was voor hem een feestgang.
Maar er openbaarden zich ouderdomsverschijnselen, die hem zo afhankelijk maakten, dat opname in een ziekenverpleging gewenst geacht werd: hij genoot uitstekende zorg in de blindeninrichting te Wolfheze, maar slechts gedurende enkele maanden: toen oordeelde de medicus chirurgisch ingrijpen nodig; dit bracht evenwel geen baat: te Arnhem in 't St. Elisabeth's Gasthuis is hij overleden.
†A. Zijderveld