|
|
|
| |
| | | |
| |
Hendrik Joseph Beckers
(Sittard, 23 augustus 1862 - Maastricht, 12 januari 1950)
In het ‘Besluit’ tot het grote, monumentale werk, dat Dr. H.J. Beckers in samenwerking met zijn zoon in 1940 heeft uitgegeven en dat getiteld is: ‘Voorgeschiedenis van Zuid-Limburg. Twintig jaren archaeologisch onderzoek’, zegt hij, dat het meer in het algemeen de bedoeling van dit werk is om in deze tijd van rationalisatie en industrialisatie belangstelling te wekken voor een vak, dat in onze geest wakker houdt ‘een gevoel voor de romantieke gevarieerdheid van de natuurlijk gegroeide landschappen en de cultuurhistorisch gevormde bevolkingsgroepen’. In dit, allerminst voor zijn eigen gevoelswereld onbeduidend getuigenis kan zeker de voornaamste beweegreden gevonden worden, die deze plattelandsmedicus gedreven heeft tot de beoefening van de archeologische wetenschap. Dat was zijn romantisch geaarde belangstelling en liefde voor het door de millennia heen eeuwig wisselende en groeiende landschap, dat nog niet geschonden was door industrialisatie en techniek. Weliswaar heeft Beckers later gezegd, dat hij door een toeval in de archeologie was terecht gekomen, zoals hij ook met een lichte zelfironie kon zeggen: ‘in mijn vrije tijd dokter ik’. Doch de geschiedenis, ook die van de individuele mens wordt niet bijster gegelukkig of adequaat met toevalsinterpretaties gemotiveerd, en zo was het toeval bij Beckers een klein samenstel van oorzaken en gevolgen. Doch vóórdat zijn omvangrijke bronnenpublikatie het licht zou zien, had hij reeds een drukke tot overbezette dokterspraktijk van meer dan twintig jaren achter de rug.
Hendrik Joseph Beckers werd te Sittard op 23 augustus 1862 geboren. Hij volgde het gymnasium te Rolduc, doch moest wegens ernstige ziekte zijn studie onderbreken. Na het afleggen van het staatsexamen voltooide hij zijn medische studie aan de Amsterdamse universiteit en vestigde zich in 1898 als arts te Beek (L.). De praktijk van de jonge medicus breidde zich al spoedig zeer uit, temeer daar op het platteland in die tijd bijna nog geen dokters gevestigd waren. In het bezit van een potentieel grote vitaliteit, die vooral gevoed werd door een sterk verantwoordelijkheidsgevoel, dat mede samenhing met zijn besef tot een oud Limburgs geslacht van korenkoningen te behoren met hun ‘noblesse oblige’ tegenover individu en dorpsgemeenschap, heeft Beckers zijn taak steeds meer in duur en omvang zien toenemen. En zo
| | | |
begon een praktijk, die om 8 uur 's morgens een aanvang nam en die vaak eerst om 1 uur 's nachts zou eindigen. Op zijn lange, dagelijkse tochten langs slechte wegen, waarbij wel twee voitures ter beschikking moesten staan, heeft hij met zijn scherp waarnemingsvermogen het landschap goed in zich opgenomen; vielen hem in het heuvelachtige terrein de kleine oneffenheden op en meende hij uit de min of meer snelle groei van het koren de mogelijke aanwezigheid af te kunnen leiden van ondergrondse bouwresten. Overigens had Beckers steeds een zwak voor de natuurwetenschappen gehad. Het begon met de geologie en de paleonthologie in samenwerking met zijn vriend, rector Cremers, de bedrijvige en actieve mede-oprichter van het Natuurhistorisch Genootschap in Limburg. De hierbij verworven kennis is hem later bij zijn archeologische opgravingen zeer van pas gekomen en ook bij hém zou blijken, wat Bijvanck heeft verklaard, nl. dat een bestudering van de geologie, archeologie en anthropologie, waartussen een zekere nauwe relatie bestaat, onmisbaar is voor een goed begrip van de prehistorische cultuur.
‘In mijn vrije tijd dokter ik!’ Deze uitspraak is wel het allerminst van toepassing op de eerste periode van zijn dokterspraktijk, die de jaren van 1898 tot 1918 omvat en waarin hij in de wijde omtrek van Beek zijn talrijke patiënten vaak als een vader met raad en daad bijstond. Doch ook in de periode, die begon in het jaar 1918, toen hij rust moest gaan nemen, omdat hij in de grieptijd zwaar overwerkt was en sedert welk jaar hij met zijn ‘liefhebberij’ ernst kon gaan maken, is hij zich als medicus steeds van zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid bewust gebleven, getuige ook zijn voorzitterschap der Gezondheidscommissie te Meerssen.
Het is niet te verwonderen, dat het eerste optreden van Dr. Beckers naar buiten als geoloog geschiedde. Dat was op het 19de Natuur- en Geneeskundig Congres te Maastricht in 1923, toen hij zijn theorie uiteenzette over het ontstaan van de kalkconcreties, de lösskindl, waarover hij gedeeltelijk in samenwerking met de toenmalige districtsgeoloog Dr. Klein artikelen heeft gepubliceerd in het Natuurhistorisch Maandblad, het orgaan van het gelijknamige genootschap in Limburg. De veelzijdig begaafde persoonlijkheid, die Beckers ongetwijfeld is geweest, openbaart zich als medicus onder meer door zijn onderzoek over de vroeger veel voorkomende mijnwormziekte; als paleontoloog door zijn onderzoekingen in oligocene lagen, waarin hij een twintigtal ver- | | | | schillende soorten haaientanden ontdekte, die materiaal hebben verstrekt voor diverse publikaties; als botanicus - met nog iets van het type van de oude kruidendokter in zich - door zijn voordrachten en mededelingen over planten en dergelijke in het reeds genoemde Natuurhistorisch Genootschap. Doch voor alles heeft Beckers zich bijzondere verdiensten verworven als archeoloog en prehistoricus. In zijn ongeveer drie decennia omvattende werkdadigheid van archeoloog heeft hij tientallen opgravingen geïnitieerd en geleid en de vele daaruit resulterende geologische en andere vondsten verzameld en geordend in zijn particuliere museum, dat ondergebracht werd in een afzonderlijk naast zijn vroegere woning te Beek gelegen gebouw.
Men moet niet licht denken in deze tijd van vaak grif verstrekte overheids- of andere subsidies voor duizend-en-een projecten over wat het betekende onder omstandigheden als die van Dr. Beckers te moeten werken. Het ‘payer de sa personne’ voor de door hem ondernomen lange reeks opgravingen gold niet alleen eigen tijd en arbeidskracht, doch ook de zelf te verstrekken financiële hulpmiddelen. Nu is het wel waar, dat Beckers een sterk onafhankelijkheidsgevoel bezat en dat hij, zoals Van Giffen in zijn Voorwoord tot diens werk heeft gezegd, niets in meerdere mate kon schuwen dan een ook maar vermoed ingrijpen in zijn onafhankelijkheid. Doch de materiële en geestelijke inspanningen die Beckers zich heeft getroost om eerst na zijn 56ste levensjaar, want na 1918, die vele opgravingen te ondernemen en te organiseren, betekent een eerbiedwekkende brok arbeid, welke door geen enkele archeoloog voor of na hem op dergelijke schaal en onder dergelijke omstandigheden in Limburg werd verzet. Misschien is hij ook wel in zoverre de juiste man op de juiste plaats en tijd geweest, dat hij met nooit aflatende energie en voor een groot deel geheel alleen heeft gepionierd en gewerkt in een periode, toen de bodem van Nederlands zuidelijkste provincie danig dubieus werd doorwoeld en ontgraven voor de aanleg van Julianakanaal en van verkeerswegen en door soms schennende afgravingen voor kalk- en mergelexploitaties.
De eerste belangrijke opgraving die Dr. Beckers heeft verricht, was die te Stein in 1925 in samenwerking met Dr. Holwerda. Hier werd een groot Romeins gebouw van 30 × 50 m blootgelegd, met hypocaustum en rijke wandversiering. Sindsdien hebben zich de vele door Beckers verrichte opgravingen in een ononderbroken reeks voortgezet, omvattende de millennia vanaf het neolothicum via de brons- en ijzertijd,
| | | |
alsmede de Romeinse periode tot en met het Merovingisch-Karolingische tijdperk. Zij hebben betrekking op de meest uiteenlopende overblijfselen van menselijke werkzaamheid en samenleving en omvatten prehistorische nederzettingen van paalwoningen en versterkingen evenzeer als Romeinse gebouwen, wegen en graven; evenzeer pottebakkersovens en putten als een Frankische curtis of Merovingische grafvelden. Met onverwoestbare werkkracht heeft Beckers zijn opgravingen voortgezet, totdat hij op 86-jarige leeftijd in het ziekenhuis te Maastricht moest worden opgenomen. De laatste belangrijke opgraving, waaraan hij met Van Giffen heeft medegewerkt, is die geweest van de Romeinse thermen te Heerlen; zijn laatste publikatie, waaraan hij nog op zijn ziekbed heeft gewerkt en die posthuum verschenen is, was die over het ontstaan van de Frankische dorpen in Zuid-Limburg; het was het laatste teken van zijn buitengewone energie.
Wanneer wij het archeologische werk van Dr. Beckers overzien, dan is als een van zijn eerste verdiensten te noemen het ontdekken en bijeenbrengen van zovele vondsten en cultuurschatten uit prehistorische en latere tijden, die voor het grootste gedeelte in het door hem gestichte museum zijn ondergebracht en op een zo verantwoord of wetenschappelijk mogelijke wijze zijn geordend en beschreven. Dan is vervolgens te noemen zijn enthousiasme en onverdroten ijveren om in bredere kringen belangstelling te wekken voor de prehistorie, zodat hem vondstberichten spoedig en geregeld gewerden in een tijd, dat zulks nog niet zo georganiseerd was als thans. Hierdoor zijn vele onherstelbare verliezen kunnen worden voorkomen. Doch zijn meest tastbare en voornaamste verdienste is wel de samenstelling van de omvangrijke bronnenpublikatie: Voorgeschiedenis van Zuid-Limburg, waarin hij de veelal uitnemende resultaten van twintig jaar archeologisch onderzoek heeft vastgelegd en geordend. De waarde van dat werk gaat ver uit boven die van streek en gewest. Het is mede van groot belang voor de kennis der oudste cultuurverschijnselen van Nederland en de aangrenzende gebieden. De nieuwe gegevens en inzichten, die Beckers ons schonk over de cultuur der bandceramische nederzettingen in Zuid-Limburg, verder het voor de eerste maal gegeven overzicht van de verschillende nederzettingen en vormtypen uit die tijd en van de plaats der Limburgse bandceramiek in het grote geheel; vervolgens zijn bewijzen voor de continuïteit in bewoning van deze streek, alsmede het verzamelen van gegevens voor de Romeinse weg langs de rechter Maasoever, die niet
| | | |
op de Peutinger kaart wordt vermeld; bovendien het voor het eerst gegeven samenvattend beeld van de Limburgse beschaving aan de hand van Merovingische en Karolingische archeologica, deze en nog vele andere inzichten en verworvenheden bepalen vooral de grote verdienste van het levenswerk van Dr. Beckers.
‘Lapides clamabunt’ is het citaat, dat Beckers' grote werk besluit. De taal der stenen kan ook getuigen van de vitaliteit en het enthousiasme van een plichtsgetrouw medicus, die naar beste vermogen en uiterste kracht een belangrijk archeoloog was.
A. Kessen
| |
Lijst van geschriften
| 1940 | H.J. Beckers Sr. en G.A.J. Beckers Jr., Voorgeschiedenis van Zuid-Limburg. Twintig jaren archaeologisch onderzoek (Maastricht), 396 blz., 4o, met 132 afb. en kaarten. |
Behalve verschillende artikelen, waaronder belangrijke vondstmededelingen over Stein in de Oudheidk. Mededelingen uit het Rijksmuseum te Leiden, o.a. in de Nieuwe Reeks IX (1928), alsmede artikelen in het Natuurhistorisch Maandblad (in Limburg) en de Maasgouw verschenen de volgende in de Publications de la Société hist. et arch. dans le Limbourg (Jaarboek v. Limburgs Geschied- en Oudheidk. Genootschap te Maastricht): De begraafplaats der Romeinse kolonie te Stein, dl. 62 (1926), blz. 361 vlg.
Elsloo of Asselt, dl. 78-82 (1942-1946), blz. 175 vlg.
Het ontstaan van de Frankische dorpen in Zuid-Limburg, dl. 85, 1e st. (1949), blz. 23 vlg.
|
|
|