Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1959


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, 1958-1959. E.J. Brill, Leiden 1959  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 109]

Albertus Welcker
(Alkmaar, 11 januari 1884 - Amsterdam, 11 juli 1957)

De familie Welcker is afkomstig uit Neuwied (Duitsland). De grootvader van ons medelid, dat hier wordt herdacht, vestigde zich als jong expediteur in Arnhem en vernederlandse geheel. Diens zoon, Ir. Johan Wilhelm Welcker, hoofdinspecteur-generaal van de Rijkswaterstaat, huwde Clara Albertina de Wit, die zich zeer actief heeft bezig gehouden met het bevorderen van het nijverheids- en huishoudonderwijs voor meisjes.

Albertus, het vierde kind uit een gezin van 5 kinderen (2 meisjes en 3 jongens) bezocht de gymnasia te Zwolle en 's-Gravenhage en ging in 1903 in Leiden medicijnen studeren. Zijn studie verdiende hij ten dele als repetitor en als academisch correspondent van de Nieuwe Courant (1906-1910) en vaak heeft hij ondergetekende verteld hoeveel hij voor zijn latere publicistische werkzaamheden te danken had aan de routine, opgedaan bij het journalistieke werk.

Toch moet er van eerste aanleg wel een grote belangstelling voor het historische en het litteraire in hem aanwezig zijn geweest (ook zijn vader had een ‘historische knobbel’ en zijn zuster, Clara Johanna Welcker werd stadsarchivaris van Kampen). Waarschijnlijk via zijn liefde voor de Nederlandse taal kwam hij tot een levendige - en dat wilde bij Welcker steeds zeggen: daadwerkelijke - belangstelling voor het lot der Zuid-Afrikaners. Ter bevordering van hun studie in ons land stelde hij de studiegidsen samen, die uitgegeven werden door de studenten-afdeling Leiden van de Nederlands-Zuid-Afrikaanse Vereniging, welke afdeling hij zelf had helpen oprichten1; later werd hij lid van het hoofdbestuur. Ook de Vlamingen hadden zijn sympathie; als secretaris-penningmeester vormde hij, samen met Prof. C.P. Burger, gedurende de

[p. 110]

eerste wereldoorlog het dagelijks bestuur van het Studiefonds voor Vlaamse studenten; met Julius Peter Hoste, de niet-activistisch gezinde flamingant, onderhield hij ook na zijn ‘stamverwante’ periode nog enig contact. Van het Algemeen Nederlands Verbond was hij enige tijd bestuurslid.

Na zijn artsexamen in 1911 werd hij verbonden aan de chirurgische afdeling van het Wilhelmina Gasthuis te Amsterdam en specialiseerde zich als chirurg onder leiding van Dr. J. van Campen. Zijn assistententijd in Amsterdam werd in 1912 onderbroken door het verblijf van een jaar in Bulgarije en Turkije met de Nederlandse Rode Kruisambulance in de eerste Balkanoorlog. In 1915 vestigde hij zich als chirurg te Amsterdam; in datzelfde jaar werd hij chef de clinique en wnd. hoofd van de chirurgische afdeling van het Wilhelmina Gasthuis. In 1916 promoveerde hij cum laude op een proefschrift, gebaseerd op zijn ervaringen in Bulgarije.

In 1919 huwde hij met Johanna Maria van Wessem, uit welk huwelijk vier kinderen zijn geboren. Van 1928-1937 was hij hoofd van de chirurgische afdeling van het W.G., september 1937 werd hij hoofd van de chirurgische afdeling B van het W.G. en eerste chirurg van het Juliana Ziekenhuis. In de oorlog gaf hij na de sluiting van de universiteit van Amsterdam clandestien chirurgische colleges. Na zijn pensionering (1948) kreeg hij meer tijd; toen werd hij lid van het Consilium Chirurgicum, was voorzitter van de Commissie Beroepsbelangen en kreeg van de Vereniging voor Heelkunde de zilveren penning. Verder was hij nog lid van de Adviescommissie van de Rijksverzekeringsbank. Zijn particuliere praktijk legde hij in 1953 neer. In september 1955 bleek het dat hij aan een ernstige ziekte leed, waaraan hij 11 juli 1957 zou overlijden.

Als mens was hij niet gemakkelijk in de omgang, temeer daar hij gewoon was rechtuit voor zijn mening uit te komen en scherp kritiek te leveren als dat z.i. in het belang van de zaak was. Daarnaast bezat hij een sterk gevoel voor humor, een eigenschap die met zijn natuurlijke eenvoud er de oorzaak van was, dat hij met de Amsterdammers goed kon opschieten.

Welcker behoort tot die reeks van medici, die ondanks (of wellicht moet men zeggen dank zij) hun drukke werkkring de gelegenheid vonden, zich tevens in een geheel ander terrein te verdiepen. In de toespraak naar aanleiding van het hem in het Rembrandtjaar door de Leidse universiteit verleende eredoctoraat (27 april 1956) heb ik gelegenheid

[p. 111]

gehad, uiteen te zetten waarom een combinatie tussen medicijnen en de kunstgeschiedenis minder vreemd is dan ze op het eerste gezicht kan schijnen1. De werkzaamheid van een speurend oog, geoefend in de registratie van minieme verschillen in kleur en vorm is de allereerste gemeenschappelijke factor in deze verwantschap van overigens zo ver uiteengelegen takken van wetenschap.

Welcker begon in de eerste wereldoorlog zijn kunsthistorische loopbaan als verzamelaar van contemporaine grafiek. Deze liefhebberij bracht hem in nauw contact met levende kunstenaars en hij heeft me wel eens gezegd, dat hij veel van zijn begrip voor de omstandigheden waarin het kunstwerk ontstaat, dankte aan de geregelde atelierbezoeken uit die periode. Maar al groeide de doorgaans in complete series aangekochte verzameling van oeuvres onzer bekendste levende grafici aan tot een collectie van vele duizenden stuks, een dergelijke verzamelaarsactiviteit moest diverse facetten van Welckers levendige en actieve geest onbevredigd laten2. In 1932 kocht hij zijn eerste oude tekeningen. Nu verhoudt zich het verzamelen van moderne prenten tot het verzamelen van oude tekeningen ongeveer als het maken van een uitstapje per tandradbaan tot het deelnemen aan een Himalaya-expeditie. Welcker bleek uit exploratorshout gesneden! De vergelijking moge niet voor de hand liggen; ik ken geen beter beeld dan die van een wetenschappelijke expeditie om de werkzaamheden te karakteriseren waaraan Welcker zich dagelijks na een inspannende dagtaak overgaf.

Taaie volharding was nodig, alleen al om de ruim vijfduizend tekeningen wetenschappelijk te beschrijven, na ze eigenhandig te hebben opgezet op hun cartons en er eigenhandig de passepartouts voor te hebben gesneden. Soortgelijk uithoudingsvermogen was nodig om, jaar na jaar, de litteratuuropgaven bij te werken, de verwante exemplaren in andere collecties te signaleren, de ruim 25 duizend stuks omvattende reproductiecollectie op peil te houden. Wat alleen dat laatste betekent wil ik met enkele woorden toelichten: wanneer men een week na een grote tekeningenveiling bij Welcker kwam, kon men er zeker van zijn, dat al het voor zijn doel belangrijke materiaal dat de catalogus bevatte,

[p. 112]

was geëxcerpeerd, geschift, opgeplakt en ingevoegd in zijn dagelijks groeiende reproductiecollectie. Gelijk ik in de bovengenoemde rede uitvoeriger heb uiteengezet, was die reproductiecollectie de operatiebasis van waaruit hij zijn wetenschappelijke onderzoekingen kon voeren. Deze reproductiecollectie legt ook een onmiskenbaar getuigenis af van de wetenschappelijke zin, die de verzamelaar Welcker bezielde. Het doel dat hem gaandeweg duidelijker voor ogen was gekomen luidde: een verzameling aan te leggen waaring zo mogelijk alle Nederlandse tekenaars, van de vroegste tijden tot heden, vertegenwoordigd zijn met ten miste één tekening, welke liefst gesigneerd en zo mogelijk ook nog gedateerd moest wezen.

Deze wetenschappelijke doelstelling maakte, dat Welckers aandacht zich weldra ook uitstrekte tot de minder bekende gebieden van onze kunstgeschiedenis: de 18de eeuw en het begin van de 19de en tot minder vooraanstaande meesters. De aldus ontstane verzameling biedt, juist door de aanwezigheid van de secundaire naast de primaire kwaliteit, unieke mogelijkheden voor vergelijkend stijlkritisch onderzoek.

Maar ook met deze opsomming zou de aard van zijn kunsthistorische arbeid onvoldoende zijn gekarakteriseerd. In de wereld der tekeningkunde zijn er nu eenmaal heel wat onzekerheden. Welcker werd van nature aangetrokken tot het pionieren in deze nog niet in kaart gebrachte gebieden. Kwaliteitsgevoel is hierbij de leidster, historische flair het kompas. Want ook dit dient nog vermeld, dat een goed oog, toewijding en ijver alleen, niemand voeren tot de opmerkelijke resultaten die Welcker heeft bereikt; de onderzoeker op dit gebied moet begiftigd zijn met een uitgesproken historisch gevoel, een grote parate historische kennis en moet tenslotte niet terugschrikken voor praktisch onderzoek in archieven en andere bronnenverzamelingen.

Welcker bezat deze unieke combinatie van kundigheden. Wanneer men een zwakke plek wil aanwijzen in zijn methode, zou het zijn, dat hij wel eens in de belijning van een tekening onopvallende, verborgen signaturen meende te kunnen aanwijzen. Maar hieraan moet direct worden toegevoegd, dat hij in vele gevallen inderdaad scherper bleek te hebben gezien dan anderen, en voorts dat hij welhaast nooit tot publikaties is overgegaan wanneer hij voor zijn vermoedens niet andere, en steviger gefundeerde bewijzen kon aanvoeren.

Het is hier niet de plaats, over te gaan tot een bespreking van zijn geschriften. Zij nemen vrijwel alle hun uitgangspunt in een tekening

[p. 113]

die dan in de eerste plaats aan een bepaalde meester wordt toegeschreven. Deze determinering leidt er vervolgens toe, dat het bekende oeuvre van de betrokken kunstenaar kritisch wordt bezien en in een helderder licht wordt gesteld. In dit ruimere onderzoek worden dan vaak ook werken van andere aard betrokken: schilderijen, beeldhouwwerk, voorwerpen van kunstnijverheid. Deze stijlkritische onderzoekingen worden doorgaans ondersteund door een scherpzinnige interpretatie van de gedrukte bronnen, soms door nieuw feitenmateriaal, berustend op eigen speurwerk in archieven.

Het is in overeenstemming met zijn wensen dat zijn collectie, een studie-collectie in de ware zin des woords, nog tijdens zijn leven verworven kon worden door het Prentenkabinet van zijn geliefde universiteit.

 

H. van de Waal

Lijst van geschriften

Medische publikaties

1916Acuut symmetrisch gangreen en verwante ziektebeelden na infectieziekten. Diss. G.U.Amsterdam.
1925Cursus over de verpleging van chirurgische patienten. Gehouden in het Wilhelminagasthuis. (2de dr. 1935; 3de dr. 1947)
Verder kleinere publikaties en artikelen o.m. in het Ned. Tijdschr. v. Geneeskunde, voordrachten in de verslagen van de Ver. voor Heelkunde en het Genootschap ter bevordering van Natuur-, Genees- en Heelkunde.
1940Praktische kleine chirurgie voor huisartsen en studenten (2de dr. 1948)

Kunsthistorische publikaties (O.H.= Oud-Holland)

1932Johannes Ruyscher alias Jonge Hercules, Jan Ruischer of Johann(es) Raus(s)cher. O.H. 49 (1932) 241-258.
1933Johannes Ruyscher alias Jonge Hercules, Jan Ruischer of Johann(es) Raus(s)cher, II.III. O.H. 50 (1933) 12-34; 118-131.
1934Johannes Ruyscher alias Jonge Hercules, Jan Ruischer of Johann(es) Raus(s)cher, IV. O.H. 51 (1934) 73-96.
1936Johannes Ruyscher alias Jonge Hercules. Ruischer of Johann(es) Raus(s)cher, V (Slot) O.H. 53(1936) 161-181.
1936Simon Wynhoutsz Frisius Konstryck Plaetsnyder.
I. Zijn Leven O.H. 53 (1936) 219-240.
II. Zijn Werk als Illustrator. O.H. 53 (1936) 241-256.
1936A Wedding-gift by Jan van der Straet, also called Johannes Stradanus, to Christina of Lorraine in the year 1589: the retreat of the Turks from Vienna after the siege in the year 1529.
Die Graphischen Künste, Neue Folge 1 (1936) 103-106.
1937Jan Steen's Simson en Delila. Een bijdrage tot de wordingsgeschiedenis van het schilderij en tot Steen's teekenkunst? O.H. 54 (1937) 254-262.
1938Die Zeichnungen von Egbert van Heemskerck Sr. und Jr. Die Graphischen Künste, Neue Folge 3 (1938) 122-124.

[p. 114]

1938Adrianus de Vries Hagiensis, Pictor et Statuarius. O.H. 55 (1938) 193-201.
1938Titus van Rhijn als Teekenaar. O.H. 55 (1938) 268-273.
1940Johannes Ruyscher alias Jonge Hercules, VI.
O.H. 57 (1940) 28-39
1940Schildersportretten. I. Govaert Flinck. Tevens een bijdrage tot het probleem van Rembrandt's veronderstelde reis naar Engeland in 1640.
O.H. 57 (1940) 115-122.
1940Jan de Groot, Leerling en navolger van Adriaen van Ostade. O.H. 57 (1940) 149-159.
1942P. Boddink alias Pieter van Laer, Orlando Bodding alias Roeland of Orlando van Laer, Nicolaes Bodding alias N. Boddingh van Laer of Ds. Nicolaes Boddingius. O.H. 59 (1942) 80-89
1942Naar aanleiding van de aan Adriaen de Vries toegeschreven teekeningen. O.H. 59 (1942) 123-127.
1946Emanuel Murant als teekenaar. O.H. 61 (1946) 43-47.
1946Johannes Vermeer of Jan Casteleyn? Is de ‘Lezende Man’ een werk van Johannes Vermeer? O.H. 61 (1946) 150-154.
1947Bijdrage tot Lissiana I.O.H. 62 (1947) 135-137.
1947Pieter Lastman als teekenaar van landschap en figuur. O.H. 62 (1947) 165-176.
1947Pieter Boddink alias Pieter van Laer. O.H. 62 (1947) 206-208.
1947Goltzius tekeningen: de Scheppingsdagen.
Ned. Kunsthistorisch Jaarboek 1 (1947)61.
1948De Stamouders van een schildersgeslacht, Harmen Ter Borch en Catharina van Colen. O.H. 63 (1948) 112-120.
1950Goltzius, niet Spranger. O.H. 65 (1950) 119-120.
1950Hendrick Avercamp of Arent Arentsz? O.H. 65 (1950) 206.
1951Nicolaes Voy, een onbekend Hollands landschaptekenaar (en schilder?) uit de eerste helft der 17de eeuw. O.H. 66(1951) 189-190.
1951Het rondleiden van de Paasos te Amsterdam [naar aanleiding van tekeningen door L. Doomer en Gerard Terborch d.J. en een schilderij van Jan Steen]. Amstelodamum, Maandblad voor de kennis van Amsterdam. 38 (1951) 73.
1951Aesculapius en Hygieia. Onbekende aesculaap-voorstellingen uit het cinquecento naar aanleiding van een tekening toegeschreven aan Jan Stephan van Calcar. Ned. Tijdschr. voor Geneeskunde 95 (1951) 1373-1377.
1953Gerryt (Gerard) van der Horst of Gerhard Horst, 1581/2 - Rheinbach-Kampen - 1629. O.H. 68 (1953) 24-48.
1953Karel van Mander als ontwerper voor zilversmeden. O.H. 68 (1953) 127-135.
1954Een onbekend eerste ontwerp voor Rembrandt's ets van Jan Cornelius Sylvius (B 280). O.H. 69 (1954) 229-234.
1955Karel van Mander als ontwerper voor zilversmeden. II. O.H. 70 (1955) 46-49

Tentoonstellingscatalogi van de tekeningenverzameling

1934Amsterdam, Museum Fodor, 20 okt.-16 dec.
1949Leiden, Stedelijk Museum ‘de Lakenhal’, dec. 1948- jan.
1954Leiden, Prentenkabinet der Rijksuniversiteit, 12 maart-1 mei Nederlanders te Rome (gecombineerd met tekeningen uit bezit van deze instelling)
1956Amsterdam, 's Rijks Prentenkabinet, 14 april-13 mei