|
|
|
| |
| | | |
Levensberichten
| | | |
Willem Andriessen
(Haarlem, 25 oktober 1887-Amsterdam, 29 maart 1964)
Hij stond nog midden in het actieve leven toen hij opgeroepen werd om heen te gaan. Tijdens een pianotentamen te Hilversum bemerkte hij een belemmering links, maar hij voerde het ten einde en liet zich naar huis brengen. Het was enige dagen voor Pasen en op de eerste Paasdag, 29 maart 1964, was hij niet meer. Hoe graag zijn vrienden hem ook behouden hadden, hoezeer ze hem ook missen, invalide had niemand hem willen zien en zo mag slechts de dankbaarheid resten dat Andriessen tot op de hoge leeftijd van 76 jaar, die overigens niemand hem gegeven zou hebben, in het volle bezit van zijn geestelijke gaven geheel zichzelf heeft mogen blijven, fleurig, werklustig, belangstellend en werkzaam.
Tot de derde generatie toonkunstenaars van zijn geslacht behoorde hij. Zijn grootvader Cornelis, leerling van Johannes van Bree, was muziekonderwijzer in het Gooi, diens zoon Nico vestigde zich te Haarlem als organist-directeur ener R-K-kerk en verwierf een zekere naam als componist van kerkelijke werken. Uit diens huwelijk met de als schilderes begaafde Gesina Vester werden o.a. drie zoons geboren die grote luister zouden bijzetten aan het kunstleven van Nederland: de musici Willem en Hendrik en de beeldhouwer Mari.
Willem, voluit: Willem Christiaan Nicolaas, geb. 25 okt. 1887, was de oudste van deze drie en zou het eerst de naam Andriessen beroemd maken. Hij werd opgeleid aan het Amsterdamsch Conservatorium, waar J.B. de Pauw zijn pianoleraar werd en Bernard Zweers de componist in hem stimuleerde. In 1906 behaalde hij zijn pianodiploma en in 1908 de Prix d'Excellence, waarbij hij o.a. zijn eigen Pianoconcert in Des voordroeg. Als componist trok hij in die eerste jaren evenzeer de aandacht, waartoe vooral zijn ver boven de gemiddelde kerkmuziekproductie uitstekende Mis in es en een aantal fraaie liederen aanleiding gaf. Spoedig echter werden zijn werkzaamheden zo veelzijdig en talrijk dat het componeren op de achtergrond geraakte.
In 1910 werd hij hoofdleraar voor piano aan het Koninklijk Conservatorium te den Haag en vestigde hij zich daar. Hij was inmiddels gehuwd met zijn studiegenote aan het Amsterdamsch Conservatorium, de eveneens in Haarlem geboren zangeres Marie Bies. Hun huis in de Nassau Odijkstraat werd een trefpunt van toonaangevende musici uit binnen- en
| | | |
buitenland (Dirk Schäfer, Johan Wagenaar, Van Anrooy, Adolf Busch, Carl Flesch, Frederic Lamond, Max Reger, Ravel e.a.).
In 1917 nam hij zijn ontslag aan het conservatorium om zich meer aan zijn particuliere lespraktijk te kunnen wijden. Het beroep dat het Amsterdamsch Conservatorium in 1923 op hem deed wilde hij echter niet afslaan en dit bracht een verhuizing naar de hoofdstad mee. Julius Röntgen, de toenmalige directeur - nog uit Andriessens studietijd - nam in 1929 zijn pensioen en werd opgevolgd door Sem Dresden, en toen deze in 1937 Wagenaars opvolger werd aan het Koninklijk Conservatorium, werd Andriessen in zijn plaats benoemd aan het hoofd van de Amsterdamse instelling, de best geoutilleerde en door de musici het hoogst gestelde in het land.
In de jaren tussen zijn heengaan uit den Haag en het aanvaarden van het directoraat te Amsterdam ligt het hoogtepunt van Andriessens loopbaan als uitvoerend kunstenaar. Een concertseizoen zonder het optreden van deze meest geliefde der Nederlandse artisten was ondenkbaar. Waarschijnlijk had hij het in Nederland te druk om veel werk te maken van een buitenlandse carrière.
Ofschoon zijn grote liefde uitging naar de grote klassieken en romantici verdiepte hij zich ook met toewijding in de voortbrengselen van de eigen tijd en het eigen land en stelde hij zich op de bres voor alle schoonheid, die hij daar vond.
Na 1937 werd zijn aandacht sterk in beslag genomen door de leiding van het Conservatorium, maar hij verwaarloosde zijn spel geenszins. Elke dag begon hij met Bach's Wohltemperiertes Klavier als met een muzikaal morgengebed. Bovendien begon hij een taak, die hij tot zijn overlijden zou voortzetten: de opvoeding van de Nederlandse jeugd door schoolconcerten (eerst onder de naam ‘Een uur muziek’ georganiseerd door Franz Aufrecht, later door Piet Pijnenborg als ‘Het Schoolconcert’).
De oorlog kwam, de joodse leerlingen moesten het Conservatorium verlaten, maar werden - tot ze gedeporteerd werden - op een schaduwconservatorium verder opgeleid. Vervolging wegens actie tegen de Kultuurkamer in oprichting kon worden afgewend, maar in 1942 werd Andriessen als gijzelaar vastgenomen en naar Haaren, later Sint Michielsgestel gebracht.
Door de wekelijkse pianovoordrachten met gesproken inleidingen is hij daar zijn medegijzelaars tot grote steun en troost geweest.
| | | |
Andriessen verstond als nauwelijks een ander de kunst om ook in woorden aan te duiden wat hij hoorde uit de muziek. Dit bewees hij ook na de oorlog met zijn schoolconcerten en voordrachten voor de K.R.O. Ook bijdragen die hij wekelijks schreef voor het Haarlems Dagblad dragen dat stempel van echte warme liefde voor de kunstenaars of de werken die hij besprak.
Toen hij de 65-jarige leeftijd had bereikt verliet hij het Conservatorium. Ter gelegenheid van zijn 70ste verjaardag, waarbij tevens zijn gouden podiumjubileum werd gevierd, werd hij feestelijk gehuldigd met een concert en geschenken en mocht hij ten volle ervaren welk een plaats hij in het hart van het Nederlandse muziekvolk veroverd had. Een jaar lang sloten zich hierbij jubileumconcerten in alle delen des lands aan.
Onnodig lijkt het erop te wijzen dat een figuur, die zozeer in het middelpunt van het Nederlandse muziekleven heeft gestaan ook nog talloze andere bemoeienissen gehad heeft als bv. voorzitter van examencommissies, adviseur in muzikale zaken, zoals rijksbeurzen e.d., als lid van de Raad voor de Kunst, bestuurslid van de Opera, Voorzitter van de Ver. v. muzikale ontwikkeling der Schooljeugd (de zg. ‘Mos’), Voorzitter van de R.K. Vereniging van Toonkunstenaars, lid van de Nederlandse Toonkunstenaarsraad, Voorzitter van de Ballotage-commissie en van de Ereraad der Koninklijke Nederlandsche Toonkunstenaars-Vereeniging, waarvan hij erelid was, en zelfs als lid van het kerkbestuur der Parochie O.L.V. v.d. hlg. Rozenkrans te Amsterdam.
Vóór alles zal Andriessen echter in herinnering blijven bij allen die hem gehoord hebben, als een groot pianist, die, wars van lege klingklang en klatergoud, zich nederig en met volle overgave in dienst stelde van het te vertolken werk. Een pianist, die zijn gave techniek geheel dienstbaar maakte aan de intenties van de componist, met wiens gevoelswereld hij zich al spelend geheel vereenzelvigde.
Onder zijn handen leek ook het gecompliceerde eenvoudig en vanzelfsprekend, omdat het werd weergegeven door een kunstenaar, die het zich geestelijk en technisch geheel eigen had gemaakt en tot in elk detail wist en begreep wat hij deed. Zijn rijke innerlijk stelde hem in staat zich in te leven in de zeer uiteenlopende mentaliteiten en gevoelssferen van de componisten, die hij vertolkte en die hij nimmer dwong zich te voegen naar de behoeften en beperkingen van de eigen psyche, zoals dat bij veel zg. ‘subjectieve’ vertolkers het geval is. Evenmin was van kille objec- | | | | tiviteit enige sprake: elk kunstwerk bloeide op uit zijn handen alsof de maker het zojuist geschapen en beleefd had.
Dadelijk na zijn heengaan kwam bij enige van zijn naaste vrienden de gedachte op zijn nagedachtenis te eren met een gedenkboek, dat nog in 1964 bij Krusemans' Uitgeversmaatschappij te den Haag verscheen: Willem Andriessen, 1887-1964 onder redactie van Prof. Dr. K. Ph. Bernet Kempers, Mr. J.A. Abbing, Dr. C.L. Walther Boer, Nelly Steuer-Wagenaar en Mr. Dr. P.J. Witteman.
Andriessen was Officier in de Orde van Oranje-Nassau en der Kroonorde van België.
K.Ph. BERNET KEMPERS
| |
Werken
| 1910 | Pianoconcert in Des. |
| 1910 | Ouverture, 1910 |
| 1910 | Liederen |
| 1910 | Gemengde koren. |
| 1911 | Muziek bij ‘Willem van Holland’. |
| 1912 | ‘Hei 't was in de Mei’ scherzo voor orkest. |
| 1916 | Missa in es (koor, soli, orgel en orkest). |
| 1942 | en '50 2 preludia. |
| 1944 | Sonatine. |
| 1944 | Sonate. |
| 1944 | Liederen met orgel of pianobegeleiding. |
| 1944 | Ave Maria. |
| 1944 | Sub tuum praesidium. |
| 1944 | Exsultate. |
| 1963/'64 | Missa voor koor en orgel (1963/'64) |
| |
Boeken
| z.j. | 100 Opstellen over muziek. (±1960) |
| 1962 | Mensen in de muziek. |
|
|
|