|
|
|
| |
| | | |
Levensberichten
| | | |
Hendrik Gerard Beyen
(Utrecht, 17 augustus 1901-Leiden, 15 november 1965)
Het is niet zo gemakkelijk te schrijven over leven en dood van iemand die men heel goed gekend heeft, ja, met wie men jarenlang samen in hetzelfde huis gewerkt heeft. Het is zelfs de vraag of de overledene zelf niet een andere biograaf zou hebben gekozen. Een dergelijk portret immers kan moeilijk objectief tot stand komen. De peinture verraadt een al te persoonlijke toets. Er ontstaat als het ware een dubbel beeld: door de keuze van het materiaal schrijft men, als men niet oppast, tegelijkertijd zijn zelfportret. En dat is hier zeker niet de bedoeling.
Ik ontmoette Beyen voor het eerst in 1954 op een afscheidsreceptie ter ere van zijn Leidse voorganger die hem zou overleven, Prof. Dr. A.W. Byvanck. Zelf nog student, was ik om meer dan één reden benieuwd wie de man zou zijn bij wie ik binnenkort moest afstuderen. Ik had een scriptie geschreven over antieke wandschilderingen en het ongeluk - zo meende ik toen - trof, dat Beyen op dat terrein een specialist was. Wat zou hij er van vinden? Zijn machtig opus deel I had ik met ontzag doorgewerkt. Ik stelde mij hem voor als een rijzige, veeleisende geleerde van ijzeren wilskracht en discipline. Vermoedelijk kwam het hierdoor, dat ik nauwelijks merkte hoe een kleine, in het zwart geklede man, die mij van achter dunne brilleglazen levendig opnam en wiens lange grijzende haren eigenlijk meer een wat ouderwetse schilder of dichter deden veronderstellen, vergeefs mijn aandacht probeerde te trekken, nadat hij blijkbaar door iemand op mij gewezen was. Maar tenslotte maakten wij dan toch kennis, en alsof er helemaal geen receptie aan de gang was nam hij gedurende een half uur intensief de problemen van de Casa dei Vetti met mij door, alsof ik een volwaardige collega was, besprak een belangrijke publicatie van Maiuri die wij beiden pas gelezen hadden, en wij werden tenslotte als de beste vrienden gescheiden door mensen die uiteraard meer recht op zijn gezelschap hadden dan ik. ‘Over die scriptie zou ik mij maar niet al te ongerust maken,’ zei hij nog. Later kon ik hem slechts met enige moeite mijnerzijds ontwringen, dat het inderdaad niet bepaald een volwassen werkstuk was. Hij vond dat blijkbaar vervelend en een beetje gênant ...!
Hendrik Gerard Beyen werd op 17 augustus 1901 te Utrecht geboren. Hij toonde al vroeg een uitgesproken tekentalent, dat hem zeer te stade zou komen bij zijn Pompeiaanse studiën. Mede door zijn zwakke gezond- | | | | heid ontwikkelde zich een bizondere gehechtheid aan zijn moeder, wier eigen artistieke geest - zij was een goed pianiste - zich in hem gemetamorfoseerd leek te hebben. Tekeningen uit zijn kindertijd bleven bewaard en liet hij soms trots bewonderen. Ook met enige zelfspot, want die gave bezat hij in ruime mate. Over zijn jeugd vertelde hij hoofdzakelijk komische verhalen, die hier niet ter zake doen, maar waarin ook zijn broers - onder wie de latere minister en ambassadeur, tevens een enthousiast cellist - een belangrijke rol speelden. Hij stelde zichzelf daarbij graag voor als een veelgeplaagd jongetje, dat echter over onnavolgbare imitatietalenten beschikte. (Van deze aanleg ben ik zelf trouwens eens op een onverwacht moment de dupe geworden, maar hij voegde er toen haastig aan toe: ‘Nu mag jij mij ook eens nadoen, één keer wel te verstaan!’).
Na de eerste wereldoorlog wijdde hij zich gedurende een heel jaar aan tekenen en schilderen. In 1920 echter ging hij in Utrecht klassieke letteren en archeologie studeren. Deze periode sloot hij af met een dissertatie over het antieke stilleven, een boek dat nog altijd veel geciteerd wordt en dat niet alleen een voortreffelijk wetenschappelijk werk is, maar tevens aantrekkelijk blijft door de tekeningen die hij er zelf als illustraties aan toevoegde. Beyen was leerling van Vollgraff en Van Hoorn en heeft bovendien in Bonn enige tijd bij Richard Delbrueck gestudeerd. Van de laatste citeerde hij graag de woorden, dat een dissertatie pas goed wordt als men er een ware hartstocht voor ontwikkelt: ‘Man muss ja für die Familie völlig ungeniessbar werden!’
In die tijd reeds ondernam hij vele reizen naar Italië, waar hij vooral in Pompeii en Napels werkte en materiaal verzamelde voor het eerste deel van zijn grote boek over de wandschilderingen, dat een synthese van de huidige wetenschappelijke stand van zaken moest worden. Hij ging dan meestal samen met zijn moeder. Niet zo lang voor zijn dood, toen ik eens naar Como reisde, zei hij: ‘Daar ben ik ook wel met vacantie geweest. Wij lieten ons dan het meer op roeien, en mijn moeder heeft daar op het water nog eens een romance gezongen.’ Bij dergelijke opmerkingen begaf hij zich in een vreemd grensgebied tussen weemoed, geluk en de satyre daarop. Er werd op die reizen overigens hard gewerkt. In zijn nalatenschap bevinden zich duizenden aantekeningen, gemaakt op kleine papiertjes, in schriften, achter op hotelrekeningen, dit alles steeds aangevuld met krabbels die het geheugen moesten steunen. Daarnaast ontstonden de schetsboeken met reisherinneringen van luchtiger aard: land- | | | | schappen, boeren en vooral paarden, want dat waren de dieren waarnaar zijn voorkeur uitging.
Hij placht graag te zeggen, dat hij Pompeii beter kende dan welke moderne stad ook. En dat was zeker waar, want op dit terrein beschikte hij over een geweldig geheugen. Beyen maakte dikwijls de indruk verstrooid te zijn. In werkelijkheid verzamelde hij zoveel in zijn hoofd en was hij daarmee voortdurend zo intensief bezig, dat er voor andere dingen nauwelijks plaats overbleef. De voornaamste materiële beslommeringen moesten op anderen overgedragen worden. Anders kwam er niets van terecht. Dat was nu eenmaal zo, en hij vond het zelf eigenlijk ook wel vanzelfsprekend. Daardoor kon hij zich volledig inzetten voor de dingen die werkelijk belangrijk waren. Die betroffen niet alleen de wandschilderingen, want Beyens publicaties bewegen zich op zeer veelzijdige gebieden. Ik denk hierbij vooral aan zijn boek over Andrea Mantegna, aan zijn studies over het bronzen beeld van Kaap Artemision en de Strenge Stijl in het algemeen, aan artikelen over hellenistische plastiek, lezingen over Rembrandt en wat niet al.
In 1938 werd hij privaat-docent aan de Universiteit van Utrecht, met als leeropdracht de geschiedenis van de antieke schilderkunst. Het verschijnen van Die pompejanische Wanddekoration I vestigde internationaal zijn naam als specialist op dit gebied. Ook uit dit werk spreekt zijn hele karakter. In een wat ouderwetse stijl geschreven - en zelfs uitgegeven - bevat het desalniettemin een schat aan nieuwe gegevens. Zijn grote opmerkingsgave en visueel geheugen werden in dienst gesteld van een gigantische taak, teveel eigenlijk voor deze niet sterke man, die onder de vrijwillig op zich genomen lasten eerlang bezwijken zou. Het boek bevat eveneens weer veel tekeningen van eigen hand. Maar het uitbreken van de oorlog betekende ook hier een ramp: Italië werd onbereikbaar, en het verschijnen van deel II moest voor lange tijd uitgesteld worden.
Ongetwijfeld ervoer hij het als een bekroning van zijn werk, dat hij in 1951 te Groningen tot buitengewoon hoogleraar in de archeologie werd benoemd, en natuurlijk was juist hij deze benoeming meer dan waardig. Dit neemt niet weg, dat men, terugblikkend, deze voortschrijdende maatschappelijke carrière eigenlijk zou moeten betreuren. Want gewend als Beyen was nooit half werk te verrichten, zette hij zich, naast het wetenschappelijk onderzoek, ook nu geheel in voor de docerende en leidende functie. Hij deed dit met veel plezier, maar het eiste tijd en energie en ging ten koste van het onvoltooide boek dat hij zelf zijn levenswerk
| | | |
noemde. In 1954 werd hij tenslotte gewoon hoogleraar in Leiden. Daarmee brak een nog veel drukkere, tijdrovende en zich naar buiten kerende periode in zijn leven aan.
Dat hij al dit werk aan kon, is voor een groot deel te danken aan de steun die hij, na het overlijden van zijn moeder, niet alleen kreeg van zijn vrienden, maar vooral van zijn vrouw. Want, na intussen getrouwd te zijn, brak opnieuw een zeer gelukkige tijd voor hem aan. Het echtpaar vestigde zich spoedig te Oegstgeest. In Leiden nam Beyen vol ijver het directeurschap van het Archaeologisch Instituut op zich. Met groot élan wijdde hij zich aan zijn nieuwe taak. Het is, zoals ik al aanstipte, uitsluitend uit deze periode, dat ik zelf herinneringen aan hem bewaar.
In de eerste plaats leerde ik hem vanuit Rome, waarheen ik mij na mijn studie begeven had, kennen in zijn kwaliteit als promotor. Ook op een afstand werd ik geïnspireerd door zijn stuwende werklust. Hij vermoedde natuurlijk wel dat de eeuwige stad naast antieke wetenschappelijke bekoringen ook eigentijdse verleidingen kende, en stuurde daarom op gezette tijden lange brieven met raadgevingen: wat ik zien moest, wie ik kon raadplegen, en vooral wat ik allemaal diende te lezen. Hij had een sierlijk, stevig handschrift en ik vermeld dit niet zonder reden. Immers, van jaar tot jaar zou ik het spoedig zien degenereren, naarmate zijn ziekte hem langzaam maar zeker begon te slopen.
De eerste tekenen daarvan manifesteerden zich al in 1959, toen het manuscript van deel II persklaar gemaakt moest worden. Hier was veel naslagwerk aan verbonden, dat hij zelf niet allemaal kon doen. Zo goed en zo kwaad als het ging liet hij zich daarbij dus helpen, maar dit ging moeizaam doordat hij voortdurend de draad leek kwijt te raken. Wat aanvankelijk echter nog op toenemende verstrooidheid en een zekere mate van overwerktheid had geleken, manifesteerde zich toen plotseling als een ernstige ziekte. Het boek verscheen in 1960: deel II, maar het plan was, dat er nog drie delen op zouden volgen. Helaas, wij zullen ze nooit zien verschijnen, ondanks de overweldigende hoeveelheid aantekeningen die Beyen zijn leven lang verzameld heeft. Het is daarmee als met de motieven van een ontzaglijke partituur: alles lijkt voorhanden, maar de componist die er een schepping van had kunnen maken - hemzelf nog niet duidelijk - is er niet meer en de symfonie zal nooit klinken.
Een trieste tijd van voortschrijdend verval brak aan. Doktoren, ziekenhuizen, steeds weer nieuwe medicamenten en eigenlijk nooit hoop op blijvend herstel. Beyen leed aan wit zijn artsen als diagnose de ziekte van
| | | |
Parkinson noemden. In werkelijkheid leed hij aan veel meer; aan de angst zijn werk misschien niet meer te kunnen voortzetten, aan de moedeloosheid die daar weer het gevolg van was, aan paniek, wantrouwen en een gevoel van volstrekte hulpeloosheid. Het schrijven ging steeds moeilijker, het spreken tenslotte ook. Rusteloos probeerde hij toch nog wat te werken. Het ging niet. De dag kwam dat hij niet meer streed en zeggen moest: ‘Ik heb er nu in berust, ik leg het werk aan mijn boek neer.’ Voor hem betekende dit eigenlijk afstand doen van alles. Zelfs de grote liefde en eindeloze zorg waarmee zijn vrouw hem in die tijd omringde, konden het verdriet slechts lenigen, niet wegnemen.
Zijn functie, die hij in wezen al enige tijd niet meer vervulde, moest hij overgeven. Toen vervolgens ook zijn vrouw ernstig ziek werd en hem niet meer verzorgen kon, moest hij in Groningen in een rusthuis worden opgenomen. Daar heb ik hem nog eenmaal gezien, in een sombere kleine kamer. Hij was bijna geheel verstijfd en sprak moeilijk: ‘Ik kan me niet eens meer omdraaien in bed,’ zei hij. De dokter ried hem aan, een gladde zijden pijama te laten kopen. Maar wat had het nog voor zin? Hij kon zich toch niet bewegen.
Toen ging het dat najaar plotseling zeer snel slechter. Na lange weken van onuitsprekelijk lijden stierf hij op maandag 15 november 1965. Drie dagen later werd hij te Bilthoven begraven. Het was een zeer koude dag, het had al gevroren. Heel veel vrienden en collega's hebben hem daar uitgeleide gedaan. Zij droegen niet alleen een groot en algemeen gewaardeerd geleerde ten grave, wiens werk nog lang een vruchtbare invloed op andere onderzoekers zal blijven uitoefenen. Zij begroeven vooral een man van grote hartelijkheid, innemendheid en bescheidenheid. Een dier weinigen, van wie men zeggen kan: het was onmogelijk hem zijn vergissingen aan te rekenen. Wie hem iets kwalijk nam, nam het zichzelf kwalijk.
Hij ruste in vrede.
F.L. BASTET
Een volledige bibliografie van H.G. Beyen is reeds verschenen in het Bulletin Antieke Beschaving, XLI, 1966, pag. 4 e.v. (samengesteld door A. Kooreman). Een verwijzing daarnaar moge hier volstaan.
In hetzelfde nummer treft men op pag. 3 een portret aan, en op pag. 5 en 6 twee kleine schetsen van zijn hand.
|
|
|