lie Van het Reve was aanwezig om getuige te zijn van de uitreiking van de dr. Wijnaendts Francken-prijs aan Karel van het Reve.
Dr. H.H. Zwager, voorzitter van de commissie voor de prijs, voegde aan het jury-rapport (Bijlage ii) een woord van persoonlijke waardering toe. De stijl maakt iemand tot een blijvende schrijver, zo luidde zijn conclusie.
Met hartelijke gelukwensen werd de prijs door de voorzitter overhandigd aan Karel van het Reve, die in zijn dankwoord een analyse gaf van het eerbetoon dat hem ten deel viel.
‘In 1968,’ sprak Karel van het Reve, ‘ben ik in Moskou bevriend geraakt met een dichter. Het bleek dat wij allebei decennia lang hadden rondgelopen met de brandende begeerte om een Brokgauz-Efron te bezitten, de in Sint Petersburg tussen 1890 en 1907 verschenen Russische encyclopedie van 87 delen. In het voorjaar van 1968 lukte het ons allebei om antikwarisch zo'n encyclopedie te kopen, en toen we hem allebei in de kast hadden staan, bekenden wij elkaar, dat de gretigheid waarmee wij nu dingen in die 87 delen opzochten geringer was dan wanneer we die encyclopedie tien, twintig jaar eerder hadden kunnen kopen. Mijn vriend citeerde bij die gelegenheid twee regels van een collega:
Vse, prichodit sliskom pozdno:
Den ‘gi, slava i ljubov’.
1
Ik vertel u deze anecdote niet om daarmee te suggeren dat ik deze prijs eigenlijk veel eerder had moeten krijgen. Geenszins. Het onttrekt zich grotendeels aan mijn beoordeling of ik deze prijs verdien. Ik stel alleen met een zekere weemoed vast dat ik blijkbaar niet tot de mensen behoor die naarmate zij ouder worden het hun te beurt vallend eerbetoon met groter vreugde begroeten. Ik herinner mij hier in Leiden de uitreiking van een prijs aan Pieter Geyl, niet zo lang voor zijn dood. De oude, dove man straalde als een kind. Ik zag dat toen met een zekere minachting aan - nu voel ik meer een lichte afgunst: jammer dat ik nu niet zo blij ben als hij toen was. Ik weet nog hoe diep ik onder de indruk was toen twee mensen die ik kende, Annie Romein en Jacques Presser, deze zelfde prijs kregen. Je moet wel ontzettend geleerd zijn en ontzettend goed kunnen schrijven en ontzettend beroemd zijn, wil zo'n prijs je ten deel vallen, dacht ik toen. Helaas denk ik dat nu niet meer.
‘Niet dat ik geen redenen heb tot vreugde en dankbaarheid. Ten eerste