Raymond Brulez werd geboren te Blankenberge op 18 oktober 1895. Hij studeerde letteren en wijsbegeerte aan de vrije universiteit te Brussel. Op veertigjarige leeftijd kwam hij aan de radio (nir), maakte de grondige wijzigingen van deze instelling (bnro; tenslotte brt) mee, werd directeur van de Vlaamse Gesproken Uitzendingen en adjunct-directeur-generaal, tot in 1960. Vóór zijn twintigste heeft hij al voor een bestaan als schrijver gekozen en begint hij aan zijn eerste roman André Terval, of inleiding tot een leven van gelijkmoedigheid. Publicatie van dit debuut laat meer dan een decennium (1930) op zich wachten. Brulez had in dit debuut een soort van zelfontwerp neergelegd, doorkruist door Vermeylens Ene jeugd - het beeld van een individualistische generatie - en door de beschouwing van Watteau's schilderij L'indifférent. De ironische distantie waarmee hier een schijn van een zelfportret werd opgehangen vond in de jaren na de eerste wereldoorlog geen publiek. Evenmin in de crisisjaren die daarop volgden. Nochtans liggen in dit eerste werkje - door Vermeylen terecht als ‘een nieuwe Ernest Staas’ begroet - de kiemen van de uitgebreide autobiografische tetralogie van na de jongste oorlog, Mijn woningen. In de dertiger jaren vinden we hier en daar een aanzet voor dit latere werk, naast enkele geraffineerde vertellingen als De laatste verzoeking van Antonius (1932), Scheherazade of literatuur als losprijs (1932), Novellen en schetsen (1936). Ook een toneelwerk De schone slaapster (1936), waarin hij speelt met hetzelfde ironisch inzicht in de geschiedenis. Ook als criticus laat hij zich gelden, vooral dankzij zijn kronieken in Franse weekbladen over de Nederlandse letteren. Een aantal daarvan werden gebundeld in Ecrivains flamands d'aujourd'hui (1938). Hierin, zoals overigens in zijn hele oeuvre, vindt men de paradoxale kruising terug van een vlaamsgezindheid zonder engheid en milde spot om het aards bestel dat hem verwant maakt aan de Voltairiaanse achttiende eeuw. Wellicht was zijn grote voorbeeld in deze schijnbare tegenstrijdigheden Maurice Barrès, aan wiens ‘culte du moi’ hij eigenlijk meer te danken had dan aan diens later nationalisme.
Deze ‘culte du moi’, waarvan André Terval de veelbelovende aanloop was geweest, en die een milde begrijpende maar ook ironische belangstelling voor zijn eigen tijd helemaal niet in de weg stond, vinden wij later terug in
de reeds vermelde tetralogie Het huis te Borgen (1950; staatsprijs voor het proza), Het pakt der triumviren (1951), De haven (1952), en Het mirakel der rozen (1954). Het daartussen liggend jaar 1953 werd versierd met wat hijzelf waarschijnlijk als zijn beste werk beschouwde, de pseudohistorische ‘conte philosophique’ vertelling De verschijning te Kallista. Ook na de oorlog blijft hij het toneel trouw met De beste der werelden (1953) en Van Serajevo tot 4 augustus (1954; luisterspel). Daarnaast vertaalde hij nog een aantal luisterspelen voor de radio. Zijn bijdragen in kranten en tijdschriften mogen niet vergeten worden, evenmin als zijn stukjes - vooral in Critisch Bulletin en Het Boek Van Nu en last but not least in het Nieuw Vlaams Tijdschrift waarvan hij redacteur was. Van deze laatste stukjes werd een bloemlezing samengesteld onder de betekenisvolle titel Diogeentjes. Welke afstand er tenslotte toch nog blijft bestaan tussen het eigen leven en de geromanceerde versie die het oeuvre daarvan brengt wordt wel duidelijk in Brulez' laatste uitgebreide werk, zijn autobiografie in de reeks Open Kaart: De Toren van Lynkeus (1969). Een bundel korte verhalen Proefneming tot eenzaamheid (1969) rondt zijn oeuvre af. Het is ook een soort van testament: de humanist die gelijkmoedigheid als hoogste goed beschouwde, wist wel dat op het einde een stukje eenzaamheid zijn deel zou worden.
Niet de laatste paradox van dit schrijversleven is geweest, dat degene die reeds zeer vroeg geopteerd had voor een bestaan als schrijver, dit schrijven zelf altijd nadrukkelijk als een ‘liefhebberij’ wilde blijven beschouwen, ‘een begenadiging, die men evenmin zoeken kan als ontwijken.’ Hij behoort tot het grote ras van de Franse moralisten en memorialisten, die uit zelfkennis bescheidenheid hebben geleerd, en in de geschiedenis de voedingsbodem hebben gevonden van een mild sceptisme. Vlaanderen zoals hij het in zijn leven heeft gekend, was wel geen ideale ruimte voor deze soort van levensfilosofie. Dat wist hij zelf ook wel en het heeft zijn overtuigde liefde voor ons kleine land zelfs niet in de weg gestaan. Had Brulez ook veel weg van Voltaire, van Maurice Barrès, van Anatole France, van Marcel Proust en was hij - met zijn fransgetinte naam - wel zeer verwant aan de cultuur uit het zuiden, waarvan hij een uitzonderlijk kenner is gebleken, hij verwees ook gaarne naar de wijze Goethe en de laatromantische Wagner. ‘Tout tend vers son contraire’ en ‘het geluk is het andere’. Deze hem zeer geliefde spreuken leken hem de sleutel te geven van vele schijnbare contradicties in de wereld en in hemzelf. Zijn belezenheid was overigens indrukwekkend: samen met Marnix Gijsen is Brulez de meest gevatte ‘citateraar’ uit de Vlaamse letteren. Het juiste citaat, het flitsende aforisme, de paradox, en
vooral de metafoor waarvan hij zei dat hij er jarenlang door behekst was, zijn de meest opvallende kenmerken van zijn gevatte stijl. Het is de stijl van de volmaakte erudiete dilettant, de latere academicien. Met zijn dood werd de Vlaamse literatuur een stuk minder compleet, heel wat armer. Zijn bijdragen tot het verruimen van onze literaire horizon is groot geweest. Ook hierin was hij de geestelijke zoon van August Vermeylen, wiens woord hij, misschien met een dosis (zelf-)ironie tot het zijne maakte: ‘Vlaming zijn om Europeër te worden’. Europa was voor hem nauwelijks groot genoeg, maar Vlaanderen niet te klein. Niemand zal het mij ten kwade duiden dat ik hier als besluit ook hulde breng aan de oude minzame vriend waarvoor ik een oprechte genegenheid koesterde.1
b.f. van vlierden (bernard kemp)