terug  begin  verder
[p. 71]

Hendrik Arnold Höweler
Amsterdam 27 november 1899 - Laren (N.H.) 7 oktober 1976

Vermoedelijk zullen slechts weinig mensen Höweler nog in zijn publieke activiteiten gekend hebben. De laatste dertig jaar van zijn leven immers leed hij aan een progressieve spierdystrophie, die hem sedert 1960 tot huiszittend invalide maakte en op den duur bijna elk direct contact met de buitenwereld belette. Höweler was bovendien iemand, die slechts zelden door publikaties naar voren trad. Frappant genoeg kan hij desondanks gelden als degene die - meer dan wie ook in Nederland - kennis en kundigheid bezat op het gebied van de achttiende eeuw in de ruimste zin. Vanaf zijn ziekbed onderhield hij tot vlak voor zijn dood een wereldwijde correspondentie met uiteenlopende onderzoekers. Terecht noemde Jean-Daniel Candaux hem onlangs ‘le doyen des dix-huitiémistes néerlandais’.

Het is mij niet mogelijk om over deze bijzondere man op een onpersoonlijke toon te schrijven. Daarvoor heeft hij te zeer zijn stempel gedrukt op mijn eigen leven en werk. Allicht zal in dit levensbericht dus ook het accent vallen op Höwelers verborgen werkzaamheid als explorator van het achttiende-eeuwse maatschappelijke en intellectuele leven. Daarin toch ligt, naar het mij voorkomt, zijn grote en blijvende wetenschappelijke betekenis.

Hendrik Arnold Höweler stamt uit een echt gereformeerd geslacht. Hij werd 27 november 1899 te Amsterdam geboren als oudste van twee zoons van Caspar Andries Höweler en Catharina Johanna Wormser. Zijn vader bewoog zich in het zakenleven; op het laatst was hij makelaar. Maar door een chronische ziekte was hij niet in staat veel te doen. Hij overleed in december 1934. Höwelers moeder was de oudste dochter van de in gereformeerde kring bekende uitgever J.A. Wormser jr. Via haar kwam hij later in het bezit van het uitgebreide Höveker-Wormser-archief (circa dertienhonderd brieven en andere documenten), dat zulk een schat aan gegevens bevat over de beginperiode van de Afscheiding en dat in 1951 door hem in bruikleen werd gegeven aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.

Met die Vrije Universiteit voelde Henk Höweler zich langs allerlei draden verbonden. Het lag dus voor de hand dat hij, na voltooiing van zijn middelbare opleiding (1917 eindexamen hbs; 1919 staatsexamen), daar ging studeren. Hij werd er een van de eerste studenten Nederlands met als

[p. 72]

voornaamste leermeester de fameuze hoogleraar (en bibliothecaris) J. Wille. Onder diens leiding ontplooide Höweler zich in een richting die wel als typerend voor zijn studiemethode mag gelden: veelzijdige interesse gecombineerd met aandacht voor ook het kleinste detail.

Omdat Wille op zijn eentje al een hele faculteit aan leeropdrachten waarnam, verwierf Höweler vanzelf een soortgelijke brede eruditie, die overigens nooit tot oppervlakkige veelweterij ontaardde. Aanvankelijk ging zijn belangstelling vooral uit naar het Oudnoors, waarvoor de liefde hem altijd is bijgebleven. Geleidelijk aan echter verplaatste zijn studieactiviteit zich meer in moderne richting, om ten slotte definitief bepaald te blijven bij de achttiende-eeuwse literatuurgeschiedenis. Dat was overigens een terrein, waar de neerlandistiek van toen liefst met een flinke boog omheen liep. Een sterk door de romantiek en het estheticisme van Tachtig beïnvloede literatuurbeschouwing kon weinig waardering opbrengen voor onze achttiende-eeuwse erflaters, die op enkele uitzonderingen na (Betje Wolff!) als slappe epigonen werden gedoodverfd.

Alleen een onafhankelijk man als Wille ging zijn eigen weg. Voor hem vormde die verguisde achttiende eeuw niet louter een periode van stilstand, maar eerder een tijdvak waarin allerlei nieuwe tendenties in wetenschap, kunst, religie en maatschappelijk denken zich begonnen te manifesteren. Om die te onderkennen was bovenal onderzoek van de bronnen nodig. Bibliotheken en archieven moesten het materiaal leveren, op basis waarvan pas een werkelijk gefundeerde alles omvattende visie op onze achttiende eeuw mogelijk zou zijn. Daarbij sprak het voor Wille vanzelf, dat een dergelijke herwaardering voortdurend rekening moest houden met de Europese context waarbinnen Nederlandse figuren en verschijnselen hun specifieke betekenis konden krijgen.

Het was stellig een ambitieus programma en het hoeft waarachtig geen verwondering te wekken, dat een overbelast, tot perfectionisme geneigd man als Wille er niet in geslaagd is om zijn levenswerk te realiseren. Zijn magnum opus over Rijklof Michaël van Goens - centrale figuur op het kruispunt der ideeën - is helaas een torso gebleven, tot Willes eigen diepe teleurstelling. In Höweler evenwel mocht hij met recht menen een leerling gevonden te hebben, die vanuit dezelfde beginselen werkend de grote leemte in onze nationale cultuurgeschiedenis eindelijk zou gaan opvullen.

Als student zocht en vond Höweler van begin af aan aansluiting bij zijn leermeester. Tegelijk nam hij ook actief deel aan het traditionele corpsleven; in 1923 werd hij zelfs rector van de studentenvereniging aan de

[p. 73]

Vrije Universiteit. Maar een gezelligheidsmens zou hij nooit worden (societybezoeken waren hem een gruwel). Eerder was het zijn zakelijk-organisatorisch talent en zijn natuurlijk leiderschap die hem telkens op verantwoordelijke posten brachten.

In 1923 legde Höweler zijn kandidaatsexamen in de Nederlandse taal- en letterkunde aan de Vrije Universiteit af. Onmiddellijk daarna trad wegens familieomstandigheden ernstige vertraging op in zijn studie. Hij moest die studie nu vier jaar lang combineren met diverse tijdelijke leraarsfuncties: aan het Baarns Lyceum (1923), de Godelinde School te Hilversum (1924-1930) en aan het Gereformeerd Gymnasium te Amsterdam, waar hij in 1924 een paar uur ging lesgeven en waar hij later, in 1930, zijn vaste aanstelling als neerlandicus zou krijgen. Zo komt het dat Höweler pas in 1927 aan de Vrije Universiteit zijn doctoraal examen aflegde.

Hoezeer de studie ook lokte, voorlopig eiste het leraarschap alle energie op. Het verdient aandacht dat Höweler, nimmer begerig naar bestuurlijke functies, toch ook binnen de schoolgemeenschap als vanzelf op een verantwoordelijke post terecht kwam. In 1935 werd hij benoemd tot rector aan het Gereformeerd Gymnasium. In dat zelfde jaar trad hij, op 25 juli, in het huwelijk met de classica Margaretha Annetje de Bruyn uit Apeldoorn. De jonggetrouwden vestigden zich in Amsterdam aan de Botticellistraat 7.

Intussen was Höweler aan het begin van de jaren dertig intens betrokken geraakt bij de spellingstrijd, die toen niet alleen de onderwijswereld maar ook het politieke leven in Nederland in twee kampen verdeelde. Evenals Wille verzette hij zich met kracht tegen het Taalbederf door de school van Kollewijn (titel van Willes rectorale oratie uit 1934). Het betrof hier de pogingen van de ‘vereenvoudigers’ om de taalkundige geslacht-aanduiding meer in overeenstemming te brengen met de actuele spreektaal, hetgeen in de praktijk vooral neerkwam op afschaffing van de buigings-n. Hierin nu zagen Wille cum suis een regelrechte aanslag op de geschreven taal als ‘draagster bij uitnemendheid van de eenheidsgedachte voor heel ons Nederlandsche volk’. In hun ogen ging het allerminst om een strikt linguistisch probleem, maar - in diepste zin - om een levensbeschouwelijke kwestie. Wie het door God gegeven taalinstrument eigenmachtig moderniseerde, vervreemdde daarmee het volk van de geestelijke schatten (statenbijbel, de ‘oude schrijvers’) waaruit het eeuwenlang had kunnen putten. Historisch besef en christelijke vroomheid beide drongen Wille met de zijnen tot het tegenoffensief.

[p. 74]

Zo trad Höweler naar voren als secretaris van het door hem in 1933 opgerichte Comité voor Eenheid in de Schrijfwijze van het Nederlands, waarvan verder onder anderen de hoogleraren G.S. Overdiep (voorzitter), Wille, Jos. Schrijnen, J.W. Muller en Aug. Vermeylen deel uitmaakten. In oktober 1934 richtte Höweler met dezelfde intentie een Nationale Vereeniging voor Orde en Eenheid in de Schrijftaal op onder voorzitterschap van prof. mr. B.M. Taverne. Zelf fungeerde hij opnieuw als secretaris, terwijl hij tevens jarenlang het op onregelmatige tijden verschijnende verenigingsorgaan Taal en Spelling redigeerde.

Men kent de afloop. De spellingswet van 1947 betekende op bijna alle fronten een overwinning voor de Kollewijnianen. Höwelers Nationale Vereeniging hield in 1948 op te bestaan. Achteraf bezien betreurde de initiatiefnemer binnenskamers dikwijls, dat hij zoveel kostbare tijd aan deze vergeefse strijd gespendeerd had. Wel bewaarde hij hieraan tal van interessante contacten, onder meer met Schrijnen, Overdiep, Huizinga, Frans Bastiaanse en met Vlamingen als Lode Opdebeek, August Vermeylen en Julius Hoste.

Die spijt, waarvan ik sprak, had haar speciale reden. In 1931, aan de vooravond dus van de spellingsoorlog, deed Höweler - zoekend naar gegevens over Johannes Lublink den Jongen (zijn aanvankelijke promotieonderwerp) - de vondst van zijn leven. In het huisarchief der familie Six te Amsterdam ontdekte hij honderden brieven van Lucretia van Merken en haar echtgenoot Nicolaas Simon van Winter, die - gevoegd bij de talrijke brieven van personen uit hun kring - op het eerste gezicht reeds een ongemeen compleet beeld beloofden te geven van het dagelijks leven in de achttiende eeuw. Het materiaal was echter ongeordend. Slechts weinigen hadden er incidenteel gebruik van kunnen maken.

Höweler slaagde erin het volledig vertrouwen van de familie Six te verwerven en met grote voortvarendheid zette hij zich aan het werk. In 1932 sloot hij de eerste fase van zijn onderzoek af met de samenstelling van een Catalogus van handschriften in het archief der familie Six (83 pagina's, folio; getypt). Toen de ergste spelling-perikelen achter de rug waren, begon Höweler met het kopiëren van alle brieven. Dit moeizame karwei duurde van zomer 1936 tot zomer 1942! Aanvankelijk bestond het plan om het totaal (circa dertienhonderd stuks!) integraal uit te geven met inleiding en commentaar. Daartoe ondernam Höweler een gigantische speurtocht in allerlei, vooral notariële archieven. Speciaal de Leidse en Amsterdamse notariaatsarchieven werden uitgekamd. Niets werd aan het toeval over-

[p. 75]

gelaten. Het ene dossier na het andere vulde zich met stapels aantekeningen over personen of zaken die in de uit te geven correspondentie aan de orde kwamen. Was Wille al een perfectionist in het kwadraat, bij Höweler vergeleken mocht hij welhaast een sloddervos heten. Op den duur nam het werk aan wat in eerste instantie toch een dissertatie over Lucretia van Merken en haar kring moest worden beangstigende vormen aan. Höweler zag dat zelf scherp in, maar hij kon eenvoudig geen genoegen nemen met stukwerk. Voor hem gold de lijfspreuk van Petrus Camper: aut bene aut non.

Intussen werd het onderzoek in binnen- en buitenlandse archieven tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 danig belemmerd. Als rector van een school had Höweler toen trouwens nog wel andere zorgen aan het hoofd. Volgens de getuigenis van oud-collega's uit die periode wist hij tijdens de bezetting door persoonlijke gesprekken en door zijn rectorale toespraken voor de hele schoolgemeenschap leerlingen zowel als docenten telkens weer te bezielen door zijn vast geloof in de overwinning van de humaniteit op de barbarij.

Onmiddellijk na de oorlog gaf Höweler uitvoering aan zijn reeds eerder kenbaar gemaakte voornemen om zich geheel op zijn omvangrijke archiefstudie te concentreren. Ondanks sterke aandrang van zijn docenten om te blijven nam hij in 1945 vrijwillig ontslag. Kinderen hadden de Höwelers niet. Sober levend in oudhollandse stijl konden zij het zich goed permitteren om samen, meest in verband met historisch onderzoek, verre reizen te maken naar Scandinavië en Polen onder andere (alles nog vóór 1940). Nu, na de oorlog, bezochten zij tot tweemaal toe (in 1949 en 1951) de Verenigde Staten van Amerika, het land dat mèt Zuid-Afrika zijn bijzondere interesse en warme sympathie opwekte. Voor Höweler was Amerika het symbool van de ware vrijheid. Daarbij speelde zijn familiale verbondenheid met dat land een grote rol. Onder de Amsterdamse Afgescheidenen die zich in 1846 en volgende jaren te Iowa gevestigd hadden, bevonden zich vele vrienden en relaties van zijn overgrootvader Johan Adam Wormser (1807-1862). Het is altijd zijn wens geweest om de brieven van die landverhuizers uit het familiearchief in het licht te geven, een plan dat pas recentelijk tot uitvoering is gebracht door dr. J. Stellingwerff met zijn Amsterdamse emigranten (1975). Ook met Zuid-Afrika waren er familiale banden. Zijn grootvader had er in Pretoria een boekhandel gesticht. In 1955 bezochten Höweler en zijn vrouw het land van Verwoerd.

Nu Höweler de handen geheel vrij had voor zijn studie scheen niets een snelle afronding van zijn dissertatie meer in de weg te staan. Eind 1946 was

[p. 76]

de kopij vrijwel gereed. In overleg met zijn promotor Wille had Höweler uiteindelijk besloten ‘slechts’ een paar honderd van de belangrijkste brieven uit de Six-collectie te publiceren, uiteraard met een uitvoerige algemene inleiding. Het op twee banden begrote werk zou de titel dragen: Dagelijksch leven in de achttiende eeuw. Proefdrukken lagen al op tafel. Telkens echter werd de promotiedatum verschoven. Zelfs Wille vond dat zijn geliefdste leerling er nu een punt achter moest zetten. Hij hoopte namelijk dat deze, eenmaal gepromoveerd, hem voor een deel zou kunnen ontlasten van zijn veelvoudige universitaire taak. Het heeft niet zo mogen zijn. Op een gegeven moment was het onderwerp van de baan.

Het zou onjuist zijn te concluderen, dat Höweler een fantastisch projectenmaker was die ten slotte in zijn hoog opgestapelde papiermassa's verward raakte. In werkelijkheid beheerste hij zijn uitgebreide materie tot in de finesses. Ook het neerschrijven van zijn bevindingen ging hem goed af. Zijn stijl was helder, zakelijk, zaakrijk, heus maar met een lichte ondertoon van Amsterdamse humor. Vanwaar dan die onmacht op het beslissende moment? Was het faalangst? Stellig drukte op Höweler de last van hooggespannen verwachtingen. In 1937 had hij aan het ‘Leidse tijdschrift’ een bijdrage geleverd van bijna honderd bladzijden over het Haagse dichtgenootschap Kunstliefde Spaart Geen Vlijt, zò perfect dat hij zichzelf al vast een norm had gesteld. Voor het overige publiceerde hij (behoudens dan zijn veelal anonieme stukken in Taal en Spelling) slechts enkele kleine artikelen. Insiders evenwel wisten van het grote werk dat op stapel stond en erkenden zijn kwaliteiten. In 1948 benoemde de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde hem tot lid, terwijl hem in dat zelfde jaar ook het lidmaatschap werd aangeboden van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap.

In oktober 1949 volgde Höweler Wille toch op, zij het in een andere kwaliteit dan aanvankelijk was bedoeld. Hij werd nu de eerste full time bibliothecaris aan de Vrije Universiteit, een baan waarvoor hij - geleerde, diplomaat en zakenman in één persoon - geknipt was. Zijn periodieke verslagen in het Jaarboek van de Vrije Universiteit (1950-1951 tot en met 1958-1959) getuigen opnieuw van zijn organisatorisch inzicht en van zijn oog voor het menselijk detail. Zowel de bemoeienissen van hooggeplaatsten als de dagelijkse bezigheden van de poetsjuffrouw worden op hun juiste merites gewaardeerd.

Het was in die periode (1958) dat ik Höweler leerde kennen, toen de bibliotheek nog, gelijk de hele Vrije Universiteit gehuisvest was aan de

[p. 77]

Keizersgracht in Amsterdam in een labyrint van kleine vertrekken, die toch hun eigen intimiteit bezaten. Wat mij bij die eerste ontmoeting vooral trof was Höwelers belangstelling voor en hulpbereidheid aan vakgenoten, ook wanneer het zoals in mijn geval om een aankomende student ging. Over de manier waarop de (literatuur-)studie moest worden aangepakt had hij heel duidelijke ideeën. Volgens hem lag de sleutel van succes ter zake in archiefonderzoek. Al te veel stelden wetenschappelijke onderzoekers zich tevreden met het herkauwen van ‘de oude stamppot’. Waar het om ging was iets nieuws te voorschijn te brengen: nieuwe feiten die tot nieuwe inzichten konden leiden. Daarvoor was bovenal geduld nodig. Men moest jaren uittrekken om zich in een periode in te lezen. Met klem ried Höweler mij aan om, als het mij ernst was met de achttiende eeuw, mij daarin te specialiseren. Zelf had hij in de loop van de jaren een omvangrijke vakbibliotheek op het gebied van de achttiende eeuw bijeen gebracht.

Archiefstudie dus! Wat hij bedoelde bleek onder andere uit zijn in eigen beheer uitgegeven Archivalia betreffende Aagje Deken, Betje Wolff en personen uit haar kring (1949), het enige boekwerk dat Höweler in het licht gaf. Het bracht inderdaad een groot aantal belangwekkende, nog onbekende gegevens omtrent de jeugd van Aagje Deken en het vermogensverlies van Wolff en Deken - om slechts deze punten te noemen. Maar het boekje miste toch innerlijke samenhang. Feitelijk bestond het uit een vijftal afzonderlijke detailstudies. Wille toonde zich bij alle waardering voor het minutieuze onderzoek lichtelijk teleurgesteld. Niettemin bleef hij nog altijd hopen op een dissertatie, desnoods in bescheidener opzet. Maar weldra werd het uitzicht op een voltooiing van het grote werk dat Höweler in 1931 begonnen was voorgoed verduisterd.

In juni 1952 verhuisden de Höwelers van Amsterdam naar Laren in Noord-Holland, waar zij een fraai gelegen bungalow betrokken die - naar het thans verdwenen buitentje van het echtpaar Van Winter-Van Merken - de naam Bydorp kreeg. Omstreeks die tijd manifesteerde zich bij Höweler al de sluipende ziekte, waardoor hij langzaam maar zeker fysiek tot een wrak zou worden. Speciaal het schrijven ging hem steeds meer moeite kosten. Toch bleef hij voorlopig op zijn post als bibliothecaris aan de Vrije Universiteit, totdat in 1960 het lopen hem dermate moeilijk ging vallen, dat hij met vervroegd pensioen moest gaan. Vanaf dat tijdstip begon zijn leven-in-afzondering.

Höweler reageerde op deze noodlottige wending in zijn leven met grote waardigheid en zakelijke kalmte. Hij verafschuwde zelfbeklag en jammer-

[p. 78]

praat van anderen. Toen hij begreep voortaan zonder hulp van publieke boekerijen te moeten studeren, maakte hij van zijn eigen huis een bibliotheek. Want de studie moest doorgaan: daarin lag zijn levenstaak. Ze was trouwens zijn beste medicijn. Zo verstreken de jaren. Wat ook zijn vrouw bij dit alles aan innerlijke kracht moest opbrengen laat zich gemakkelijk raden. Zij was steeds zijn belangstellende metgezel in de studie geweest; thans werd ze wetenschappelijk medewerkster en verpleegster tegelijk.

Nu het grote boek onvoltooid dreigde te blijven, ging Höweler makkelijker dan voorheen toegeven aan de verleiding tot digressies. Allerlei van het hoofdwerk afgeleide publikatieplannen hielden hem bezig: over Petrus Camper, over Belle van Zuylen, over Henri Rieu vooral, de Franse vertaler van Sara Burgerhart. Ik had het voorrecht door herhaald bezoek aan Bydorp en frequente briefwisseling getuige te zijn van dit heroïsch gevecht tegen de tijd. Merkwaardig genoeg had men dan zelden het gevoel met een zieke te doen te hebben. Höweler beschikte namelijk over een zeldzame geestkracht. Hij bleef uiterst beminnelijk en... uiterst kritisch. Kritisch ook met betrekking tot het politieke en maatschappelijke leven in Nederland. De anarchie aan sommige universiteiten - met name de verlinksing aan zijn Vrije Universiteit - trof hem bitter. Daarover schreef hij, die dagen over een halve bladzijde deed, lange, geharnaste (en goed gedocumenteerde) brieven aan de verantwoordelijke personen. Zonder zichtbaar effect natuurlijk!

Ik nader nu een punt waarover ik uiterst voorzichtig moet zijn. Bij zijn jarenlange studie van de achttiende eeuw was Höweler grote affiniteit gaan voelen voor Voltaire. Diens werken besloegen een hele wand van zijn studeerkamer. Wat hem in de lachende wijsgeer uit Ferney aantrok reikte dieper dan de literatuur alleen. Het was Voltaires levenshouding die hij bewonderde: zijn opgewektheid en vernuft, zijn financieel genie (ook dat!), zijn vasthoudende strijd tegen intolerantie, zijn wijs pragmatisme bovenal dat mensen leerde om eerst in de eigen concrete werkkring orde op zaken te stellen: ‘Il faut cultiver notre jardin’. Geleidelijk deed dit verlichte denken hem losser staan tegenover zijn gereformeerde verleden, al bewaarde hij altijd een volledig respect voor authentiek gelovige christenen. Zelf echter - zo is althans mijn indruk - vond hij ten laatste meer houvast in een Voltairiaanse scepsis dan in kerkelijke dogmata. Wie de marteling gadesloeg waaraan hij onderworpen was, zal er alle begrip voor hebben dat hem de zin van dit alles volstrekt onverklaarbaar voorkwam.

In 1973 was Höwelers gezondheidstoestand dusdanig verslechterd dat

[p. 79]

verzorging thuis niet meer mogelijk bleek. Hij betrok toen een kamer in het Johanuiter verpleeghuis Theodotion te Laren, die aanstonds als studeervertrek moest worden ingericht. Elke dag liet hij zich voor enkele uren achter zijn schrijfbureau plaatsen, in een wanhopige poging om met zijn weigerachtige hand tenminste een paar regels op papier te zetten. Bezoek ontving hij nu vrijwel niet meer.

Het laatste levensjaar leek er duidelijk iets in hem gebroken. Hij verlangde nog enkel naar de dood, die hem op 7 oktober 1976 uit een bijna dertigjarig lijden verloste. De crematie vond in alle stilte te Utrecht plaats op dinsdag 12 oktober.

 

Kort vóór zijn opneming in het Theodotion had hij mij verzocht om na zijn overlijden zijn levenswerk voort te zetten en naar best vermogen te voltooien. Toen ik al zijn aantekeningen onder ogen kreeg, werd me pas recht duidelijk wat een monnikenwerk Henk Höweler verricht had. Wat meer zegt: hij heeft inderdaad een schat aan kleine en grote (maar steeds onbekende) gegevens over binnen- en buitenlandse figuren, instellingen en teksten tevoorschijn gebracht: ‘Rijkdom van het onvoltooide’. Wie zou menen, dat het hier om louter extra-literair peuterwerk ging, slaat de plank volledig mis. Wars van alle getheoretiseer toonde Höweler zich ook een subtiel interpretator, die bijvoorbeeld de Franse vertaling van Sara Burgerhart woord voor woord met het Nederlandse origineel vergeleek, alvorens tot een waardebepaling te komen.

Zolang dit materiaal nog ongepubliceerd ligt kan het nageslacht geen definitief oordeel uitspreken over Höwelers wetenschappelijke betekenis. Slechts enkele publikaties tonen hem in zijn ware kracht. Ik noemde al zijn monografie over het Haagse Kunstliefde. Zijn voorkeur ging uit naar auteurs die ook als persoonlijkheid bewondering afdwongen. Zo iemand was Frans van Lelyveld, oprichter van onze Maatschappij, aan wie hij een afgewogen opstel wijdde, waarin deze vergeten pionier met al zijn ambities en beperktheden voor ons leven gaat. Ook Betje Wolff stond in het centrum van zijn aandacht, getuige nog zijn uitvoerige bijdrage aan de herdenkingsbundel van 1954, die werkelijk nieuw licht werpt op haar relatie met Lucretia van Merken. Zijn laatste grote liefde was ongetwijfeld Henri Rieu, vriend van Voltaire, en naar Höweler onweerlegbaar aantoonde de Franse vertaler van Sara Burgerhart. Ook van het grote boek over Rieu zijn tot dusver slechts enkele fragmenten gepubliceerd, genoeg echter om althans een indruk te geven van Höwelers brede comparatistische oriëntatie.

[p. 80]

Eén kwaliteit mag tenslotte nu reeds definitief aan deze markante persoonlijkheid worden toegekend: hij was voor allen die hem van nabij gekend hebben ‘maître de conscience’ en inspirerend voorbeeld. Zijn nagedachtenis moge in ere blijven!

 

Nijmegen, mei 1977

p.j. buijnsters

Voornaamste geschriften

Bliktri-Bliktriaansch in Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 50, 1931, p.27-28.

Lucretia Wilhelmina van Merken en George Washington in Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 52, 1933, p.70-77.

Een copie (door Jacob Baeck?) van twee gedichten betreffende Scheybeeck in Vondelkroniek 4, 1933, p.69-76.

Wat ooggetuigen over de ramp te Leiden in 1807 vertellen in Jaarboekje voor Geschiedenis en Oudheidkunde van Leiden en Rijnland 25, 1933, p.1-13 (met verbetering in het jaarboekje van 1944, p.215).

Het doodsbericht van Frans van Lelyveld in Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 53, 1934 p.79-80.

Uit de geschiedenis van het Haagsche dichtgenootschap Kunstliefde Spaart Geen Vlijt 1772-1818 in Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 56, 1937, p.97-184 (iets gewijzigd herdrukt in Jaarboek Die Haghe 1937, p.81-169; met illustraties).

Trekschuit-genoegens in 1773 in Jaarboekje voor Geschiedenis en Oudheidkunde van Leiden en Omstreken 39, 1947, p.127-129.

Punch op de zuil van Pompeius in Hermeneus 17:8, 1946, p.95-96.

De schrijvers van het vervolg op Wagenaars Amsterdam in Jaarboek Amstelodamum 41, 1947, p.122-134.

Archivalia betreffende Aagje Deken, Betje Wolff en personen uit haar kring. Amsterdam, in eigen beheer, 1949.

Een ervaring van Bilderdijk als advocaat in Jaarboekje voor Geschiedenis en Oudheidkunde van Leiden en Omstreken 41, 1949, p.102-105.

Betje Wolff en Lucretia van Merken in Boeket voor Betje en Aagje. Van en over de schrijfsters Wolff en Deken. Amsterdam-Antwerpen, Wereldbibliotheek, 1954, p.73-109.

Het graf van Frans van Lelyveld in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1962-1963, Leiden 1963, p.77-78.

Een moordplan tegen Willem v? De aanklacht tegen Catharina van der Meulen-Taan in 1784 in Jaarboekje voor Geschiedenis en Oudheidkunde van Leiden en Omstreken 56, 1964, p.103-124.

Mr. Alexander le Breton van Doeswerff in Jaarboekje voor Geschiedenis en Oudheidkunde van Leiden en Omstreken 57, 1965, p.106-114.

De lakenfabrikeur Frans van Lelyveld in Gedenkboek bij het 200-jarig bestaan van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden. Leiden, E.J. Brill, 1966, p.1-44.

De Franse vertaling van Sara Burgerhart in Documentatieblad Werkgroep 18e Eeuw nummer 9, november 1970, p.18-26 (met enige wijzigingen en aanvullingen in nummer 10, februari 1971, p.23-24; ook separaat in 1971 uitgegeven in eigen beheer).

[p. 81]

Een onbekende vriendin van Aagje Deken in Documentatieblad Werkgroep 18e Eeuw nummer 18, januari 1973, p.17-20.

Voorwoord in J. Stellingwerff, Amsterdamse emigranten. Onbekende brieven uit de prairie van Iowa 1846-1873. Amsterdam, Buijten en Schipperheijn, 1975, p.7-9.

Een Amsterdammer naar Parijs 1779. Reisverslag van de koopman Jacob Muhl in Jubileumuitgave van de Werkgroep 18e Eeuw bij het tienjarig bestaan. Zutphen, De Walburg Pers, 1978 (postuum verschenen).

Voorts diverse, dikwijls ongesigneerde bijdragen in het tijdschrift Taal en Spelling van 1934 tot en met 1948, en ambtelijke verslagen in het Jaarboek van de Vrije Universiteit te Amsterdam van 1950-1951 tot en met 1958-1959.

terug  begin  verder