Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1983


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, 1982-1983. E.J. Brill, Leiden 1984  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 116]

Harm van Riel
Hoofddorp 18 februari 1907 - 's-Gravenhage 13 december 1980

 
Nine hundred and ninety-nine depend
 
On what the world sees in you,
 
But the Thousandth Man will stand your friend
 
With the whole round world agin you.
 
 
 
Rudyard Kipling

Vanouds hebben tussen de staatkunde en de bonae litterae, in de ruime zin en dus met inbegrip ook van de geschiedenis, hechte banden bestaan. Ons eigen land heeft in dit opzicht echter nooit uitgeblonken. Wij Nederlanders zijn geen welsprekend volk. We kunnen preken, maar niet spreken. We hebben enkele welsprekende en belezen staatslieden gekend, die soms ook nog goed schreven, maar zij zijn toch altijd uitzondering geweest. Aan een van die uitzonderingen, aan een heel bijzonder, hoogbegaafd man van brede belangstelling en grote eruditie, enige tientallen jaren lang een van de markantste figuren in de Nederlandse politiek, is dit levensbericht gewijd.

Maar niet alleen in die bij ons zeldzame combinatie van politicus en ‘man of letters’ was mr. Harm van Riel een opmerkelijke figuur. Hij was dat al meteen in zijn uiterlijke verschijning: kort van stuk, met die breed-ronde kop boven de gedrongen gestalte, traditioneel en correct maar vaak wat morsig gekleed; met zijn bolhoed, de eeuwige sigaar. Hij was dat met zijn rustig-zware stem, de Drentse tongval, het heel eigen, niet steeds volkomen zuiver, taalgebruik. Bovenal was hij dat echter in de wijze waarop hij stelling nam in het leven en de politiek van zijn tijd: loyaal aan zijn liberale partij, aan zijn vrienden en geestverwanten, maar zich zelfstandig een oordeel vormend, vrij en open van geest; niemand ooit naar de mond pratend. Behoudend, in sommig opzicht, nochtans opvallend modern soms in zijn smaak; modern ook in zijn grote interesse voor de nieuwe ontwikkelingen in onze maatschappij, die hij - anders dan men dikwijls meende - geenszins volledig afwees; zo, naar het oordeel van een socialistische collega, op het stuk van milieubescherming zijn partij ver vooruit. Gematigd in zijn denkbeelden en, ofschoon begiftigd met een diepgeworteld normbesef, als kenner van de historie en misschien al van nature sterk tot relativering geneigd. Niet afkerig evenwel van vinnige kritiek of provocatie, als hij die nodig vond - of niet kon

[p. 117]

onderdrukken. Afkerig namelijk wèl van hypocrisie, van zelfverheffend moralisme dat vooral anderen de wet voorschrijft. Weinig kleins in zijn geest.

Een man met veel ‘public spirit’ en, al gunde hij zich ook zelf veel goeds, een warm sociaal gevoel. Strijdbaar, zij het niet tot het uiterste; misschien soms al te gemakkelijk zijn beperkingen aanvaardend, en dan resignerend. Speler, krachtig speler, maar tegelijk toeschouwer, bespiegelaar. Een zekere afstandelijkheid, melancholie zelfs. Een vleug Hamlet, met begrip wel voor diens scherpste zelfkritiek: ‘thus conscience does make cowards of us all.’ Want in weerwil van een grote welwillendheid, van volstrekt onpartijdig ontzag voor elke echte prestatie, had Harm van Riel niet zo'n hoge dunk van zijn medemens en in laatste instantie, zou ik menen, ook niet van zichzelf.

 

Harm van Riel werd op 18 februari 1907 te Hoofddorp in de gemeente Haarlemmermeer geboren als eerste kind uit het huwelijk van Willem Hendrik van Riel, toen directeur van het postkantoor in Hoofddorp, en Henderika Alberdina Smeenge. Zijn vader, in 1874 in Alblasserdam geboren, was ook zelf zoon van een postdirecteur; hij was een zeer intelligent en ontwikkeld man, die als nummer twee van zijn jaar voor het ptt-examen was geslaagd. Over het voorgeslacht van zijn vader heeft Van Riel nooit veel meegedeeld; uit nagelaten papieren blijkt dat het, hoogstwaarschijnlijk, via Delft uit het gehucht Riel nabij Geldrop stamde en zeker tot na 1800 rooms-katholiek moet zijn geweest. Van Riels moeder, in 1879 te Assen geboren en tot onderwijzeres opgeleid, was een dochter van de bekende liberale politicus mr. Harm Smeenge, jarenlang lid van de Tweede, later van de Eerste Kamer. Zij was remonstrants maar in feite net als haar man onkerkelijk, zij het zonder diens nogal scherp anticlericalisme. Anders dan haar man, politiek geïnteresseerd maar een nogal passieve natuur, was mevrouw Van Riel - evenals haar vader en later weer haar oudste zoon - zeer actief in tal van organisaties op politiek, maatschappelijk en cultureel terrein, onder meer als bestuurslid van de Vrijheidsbond en de Vereeniging voor Volksonderwijs. Zo was, met Van Riels eigen woorden, het hele leven in zijn ouderlijk huis door de politiek, te weten de liberale politiek, geïmpregneerd. Misschien moet men de sleutel tot ieders leven wel in zijn kindertijd zoeken, maar voor Van Riel lijkt dat in heel sterke mate het geval te zijn. Ik sta daarom, zonder mij overigens in orthodox-freudiaan-

[p. 118]

se ‘duidingen’ te begeven, met relatief grote uitvoerigheid bij zijn jonge jaren stil.

Net als Johan Huizinga - met wie hij nog wel enkele andere trekken van overeenkomst vertoonde, al liepen hun karakters sterk uiteen - was Harm van Riel het type van wat men ‘een knappe jongen’ noemt. In verstandelijk opzicht was hij zeer vroegrijp. Aan sport heeft hij, afgezien van een kort lidmaatschap van een korfbalclub, Nausicaa genaamd, nooit gedaan, maar hij was toch geen jongen die met geen stok van huis was te slaan. Voor iets wat hem boeide, trok hij er - zoals ook later, hoewel liever niet te voet - graag op uit en zo zat hij in 1914-1916 ‘iedere vrije minuut’ in het fort Hoofddorp, waar hij, acht jaar oud, voor de bezetting de slag aan de Marne uit de doeken deed: het begin van zijn grote interesse voor militaire en strategische vraagstukken. Ook manifesteerde zich toen al zijn fenomenale geheugen en concentratievermogen. Op zijn vierde jaar leerde hij van zijn moeder lezen, op zijn zesde las hij de krant, niet veel later, ook weer met hulp van zijn moeder, Duitse romans en op de lagere school in Hoofddorp stootte hij meteen door naar de tweede klas. In Emmen, waarheen zijn vader in 1916 werd overgeplaatst, sprong hij nog van de vierde klas naar de zesde en zo kon hij al op zijn elfde jaar naar het gymnasium, eerst het Barlaeus in Amsterdam, waar hij drie jaar bij zijn grootouders Smeenge in huis was. Teruggekeerd in Emmen ging hij van daar naar de vierde klas van het Asser gymnasium, waarna ir. G. Lindeijer, directeur van de Rijks-hbs in Ter Apel, en de latere Leidse hoogleraar in de kerkgeschiedenis prof. dr. J.N. Bakhuizen van den Brink, toen hervormd predikant in Nieuw Dordrecht nabij Emmen, hem in één jaar verder opleidden voor het staatsexamen. In 1923, zestien jaar oud, kon Harm zich toen laten inschrijven als student aan de Leidse universiteit.

Ook voor onderwijs en vorming, een woord dat hij graag bezigde, heeft Van Riel zich levendig geïnteresseerd. Wat zijn eigen jeugd betreft zag hij zelf drie formatieve invloeden van blijvende waarde. Allereerst die van zijn moeder en grootvader, waarop verderop iets meer. In de tweede plaats de Amsterdamse jaren: eensdeels wegens het goede onderwijs op het Barlaeusgymnasium; anderdeels, in nog sterker mate, wegens de frequente omgang met zijn schoolvriend Jaap Jessurun de Mesquita en diens ouders. In dit zeer ontwikkeld Portugees-Joodse gezin, waar Freud werd gelezen, een soort edel-communisme beleden - Pannekoek en Gorter waren er de grote mannen - en de moderne kunst

[p. 119]

in hoog aanzien stond, ging voor Harm een nieuwe wereld open. Hij verdiepte zich - twaalf, dertien jaar oud! - zelf in Freud en trok geregeld naar het Rijks- en het Stedelijk Museum, waar hij naakten van Breitner, Jan Sluyters en anderen bewonderde, een en ander tot schrik en ongenoegen van zijn brave grootouders. Van enige neiging tot het socialisme was echter ook toen al geen sprake. Te opmerkelijker was dat gezien de derde invloed, ‘waaraan ik, naast mijn moeder en grootvader, het meest heb te danken,’ te weten die van een jonge Duitse gouvernante, in 1922 door Van Riels moeder in Emmen voor haar drie zoons in dienst genomen. Deze Minna Mannsz was bijzonder intelligent en had een hoogstaand karakter. Zij was, en bleef, overtuigd communiste, maar dat was voor de liberale Van Riels geen bezwaar. Zij studeerde later nog rechten in Duitsland en trouwde met een fysicus, dr. R. Döpel, die na 1945 zou zijn gaan werken aan de ontwikkeling van de Russische atoombom; zelf kwam zij begin 1945 om bij een bombardement op Leipzig. Tot de wereldoorlog is Van Riel haar blijven bezoeken. Zij deelde zijn grote belangstelling voor de geschiedenis en de indogermanistiek en heeft vele uren aan zijn vorming besteed. Zij bracht hem iets bij over Schopenhauer en Nietzsche en las met hem het boek van Wilamowitz over Plato, dat hem is blijven imponeren. Maar het meest bewonderde hij Minna Mannsz om haar volstrekt integere persoonlijkheid. Nog in 1970 getuigde hij dat zij een onvergetelijke indruk op hem had gemaakt: ‘zij blijft de meest bijzondere vrouw, niemand uitgezonderd, die ik in mijn leven mocht ontmoeten.’

Het geletterd en parmantig ventje dat in 1923 in Leiden aankwam, was de trots van zijn moeder en grootvader Smeenge, die stellig een mooie toekomst voor hem zagen weggelegd. Vergist hebben zij zich daarin niet, althans niet helemaal. Men kan zeggen dat Van Riel het ver heeft gebracht en van zijn leven wel ongeveer heeft gemaakt wat er, gegeven zijn jeugd, van viel te verwachten; misschien zelfs meer dan dat. Toch klopte er iets niet en dat kwam, naar ik meen, doordat er iets scheef was gelopen in die jeugd. Scherper dan zijn moeder en grootvader zag Van Riels vader, die enige bezorgdheid over de eenzijdige wijze waarop zijn oudste zoon opgroeide niet kon onderdrukken en meermalen moet hebben verzucht, zonder echter over de kracht tot ingrijpen te beschikken: ‘lieve vrouw, beste vader, jullie verknoeien dit kind!’ Maar wat moet een kind met een vader die zijn wil niet doorzet, die, achter een glas maar wat praat. Zeer terecht greep dit kind het

[p. 120]

enig echte houvast dat hem werd geboden: een energieke moeder, een karaktervaste grootvader, beiden weliswaar wat kortzichtig maar hoe moet een kind dat begrijpen; beiden zich metterdaad inzettend voor hun ideaal van een vrije en welvarende maatschappij.

‘Mijn vader was een man die buitengewoon goed op de hoogte was van alles wat er in de wereld gebeurde [...] maar vrij van elke neiging om zich met iets te bemoeien. Mijn moeder was het tegengestelde van mijn vader: van een ijzeren energie en van een ijzeren wilsleven, gecombineerd met een mateloze werkkracht [...] Ik vond het voorbeeld van mijn moeder aanbevelenswaardiger.

De levenshouding van mijn moeder werd weer geheel overschaduwd door de persoonlijkheid van mijn grootvader [...] De grote moeilijkheid was dat mijn grootvader in abstracte intelligentie en belezenheid beneden mijn vader stond, maar qua karakter hoog boven deze uittorende. Mijn vader leefde voor zichzelf, zonder ooit iemand kwaad te doen, maar mijn grootvader leefde voor anderen, voor het geluk van zijn dochter en dier kinderen [...].

Ik heb sindsdien [...] weinig sympathie voor mensen die capabel zijn, maar niets uitvoeren.’

So far so good. Harm van Riel heeft een heel behoorlijke weg gevonden, niet zonder menselijk gevoel voor zijn vader, van wie hij wel de scherpe intelligentie, een beschouwelijke nuchterheid, denkelijk ook een zeker gebrek aan doortastendheid erfde, maar in het voetspoor van zijn moeder en grootvader - met achter hen Thorbecke, ‘aan wien ik op ruime afstand achter hem blijvend steeds een voorbeeld nam.’ Hoewel lichamelijk van vergaande gemakzucht heeft Van Riel een zeer werkzaam leven geleid, met naast zijn vaste posities talrijke bestuursen nevenfuncties, commissariaten, publicaties, spreekbeurten, voordrachten, cursussen, doorgaans grondig voorbereid, en enorme correspondentie, andere besognes, te veel om op te noemen. Daarnevens nog de verwerking van misschien wel letterlijk een kilometer aan boeken, waaronder flink wat Latijn. De façade van een rustig en genoeglijk leven was als bij Couperus misleidend: Van Riel verzette bergen en was, althans in zijn goede jaren, onvermoeibaar van geest. Dat hij daarbij voor een goed deel voor eigen glorie opereerde, dat ijdelheid hem niet vreemd was: bij wie van ons is dat wezenlijk anders? Op grote deugdzaamheid en zelfverloochening heeft Van Riel zich evenmin als Erasmus, die schutspatroon van het liberalisme, ooit laten voorstaan.

[p. 121]

Nochtans was er, onmiskenbaar, een tekort, en wel aan gevoelsmatige binding in de diepste regionen, dat als ik het goed zie zeker deels op dat ontbreken van een krachtige vaderfiguur - met de prikkel tot weerstand èn navolging die daarvan uitgaat - moet worden teruggeleid. Aldus is Van Riel - ongehuwd, maar allerminst eenzelvig, zich integendeel goede vrienden en (typerende trek) nog beter vriendinnen makend - in wezen toch een Einzelgänger gebleven, wat terzijde van het leven, nooit ten diepste gecommitteerd. Vandaar die melancholie, naar mij wil voorkomen. Vandaar ook dat Van Riel, met heel zijn eervolle loopbaan, toch nooit zijn hoogste top heeft bereikt; nooit ook, meen ik, ten volle gelukkig is geweest. Hoe het zij, een levensbericht dient zich te richten op wat iemand is geweest en wat hij gedaan heeft. Men zou anders aan enige Churchilliaanse trekken kunnen denken die men - zeker niet gehéél ten onrechte - bij Van Riel heeft menen te onderkennen. Keren wij terug naar zijn studententijd.

Na het voorgaande zal wellicht minder verbazen dat Van Riels Leidse jaren weinig opwindend zijn geweest. Geen spoor van ‘Sturm und Drang’: geen grote liefde, geen wanhoop, geen ontluikend dichterschap, geen intellectuele hemelbestorming. Zelfs niets van ‘vormende importantie’. Rustig voortkabbelende jaren: studieus, gezellig en erg braaf. Men moet dit zeker niet wijten aan het arme Leiden; in Parijs zou het dunkt mij weinig anders zijn gegaan. Van Riels eigen terugblik, van jaren later, op zichzelf wel juist, lijkt mij de kern niet te raken. In het Corps was hij, toch al niet gesteld op massaal vermaak, te jong en intellectueel te geavanceerd voor echt contact met de overwegend oudere jaargenoten. En wat de liefde aangaat: vriendinnen bij de vleet, maar ten gunste van het ene lieve meisje had hij het andere niet kunnen kwetsen; bovendien was er ook toen al de ‘hekel aan een bepaalde regelmaat en het domesticatie-element.’ Met professoren wèl veel omgang, net als met de meisjes, maar grote inspiratie kwam blijkbaar ook daar niet uit voort (terwijl toen toch Huizinga, Van Vollenhoven, ook nog Snouck Hurgronje in Leiden doceerden). Vooropgesteld een wel krachtig maar niet heftig temperament lijkt mij de verklaring deze, dat de jonge Van Riel psychisch te ingekapseld was geraakt voor riskant-dramatische ontplooiing. Vroeg rijp, vroeg rot! zeiden in Amsterdam de vriendinnen van zijn grootmoeder. Nee, niet vroeg rot, maar wèl wat vroegwijs! En helemaal valt dat nooit meer goed te maken, te minder als men daar ook niet erg krachtig naar streeft. Daar kwam bij dat - secundaire factor,

[p. 122]

maar niet te veronachtzamen - Van Riel in fysieke zin bepaald geen durfal kon heten. Van Parijs gesproken: aan de journalist J. van Tijn liet hij in 1970 zonder gêne weten dat hij zich daar vóór 1940 nooit had gewaagd: hij had gehoord dat er geen verkeerslichten waren en men er zo vlug de straat moest oversteken! Een koene sprong in het nat, dat was niets voor Van Riel: zwemmen was gevaarlijk, vond men bij hem thuis. Men begrijpe mij goed. Van Riel was zeker geen doetje, om geen ander woord te gebruiken en, al werd er jong iets in hem afgesneden, ook niet vergaand gefrustreerd. Maar de grote kracht die in hem was, werd zorgvuldig zo niet een beetje angstig in bedwang gehouden. Hij ging nu eenmaal, zoals een van zijn oudste vrienden heeft opgemerkt, met een pantsering door het leven. Ruimte was er zo alleen voor langzame, geleidelijke, beheerste ontplooiing. Schoksgewijs kon het niet gaan.

Over de feiten kunnen wij verder kort zijn. De eerste studierichting, klassieke letteren, werd al na zeven maanden opgegeven. Na een even reëel als vermakelijk advies van zijn hoogleraar in het Grieks, Vürtheim, die hem te eerzuchtig, en détail te weinig ijverig, en vooral ook te lucullisch vond voor het bescheiden leraarschap: ‘je kunt het met een kwart van de inspanning in elk ander vak verder brengen!’, zwaaide Van Riel naar de rechten om. De rechtenstudie, met daarbij nog colleges in onder meer wijsbegeerte en archeologie (ook een levenslange interesse) liep vlot. Ze werd onderbroken door drie maanden militaire dienst, als aspirant-vaandrig bij de luchtdoelartillerie, formeel eindigend met afkeuring wegens een hartkwaal, maar denkelijk was de ware reden van afkeuring dat men de jongen, met zijn gruwelijke afkeer van marsen enzovoorts, totaal onbruikbaar vond. De wapenrok was voor Van Riel meer iets om op afstand te bewonderen, gelijk hij later in de Eerste Kamer zelf eens ruiterlijk toegaf, uiteraard niet zonder koketterie. Na zijn candidaatsexamen verzorgde hij, onder leiding van de hoogleraar, De Blécourt een bronnenuitgave, Drentse goorspraken uit de zestiende eeuw, die onder zijn eigen naam verscheen. Eenentwintig jaar oud slaagde hij in 1928 voor zijn doctoraalexamen, niet cum laude, maar als ik het wel heb gaf men in de jurisdische faculteit dat judicium nooit meer sedert men het aan de grote Meijers had onthouden.

De juridische studie was vooral gekozen met het oog op een loopbaan bij het archiefwezen; maar om mij onbekende redenen zag Van Riel daarvan af, wellicht wegens de beperkte financiële perspectieven.

[p. 123]

Na een korte periode als repetitor in Leiden kwam hij als adjunct-secretaris bij de Kamer van Koophandel in Dordrecht. Daar beviel het hem slecht en in 1930 trad hij in dienst van de firma R. Mees & Zoonen in Rotterdam, gekozen uit circa tweehonderd candidaten mede op grond van een gunstig grafologisch rapport. Hij bleef bij Mees tot 1954: tot 1941 in Rotterdam, waar hij het tot procuratiehouder bracht, zich vooral met financieel-juridische zaken bezighoudend, waarvoor hij veel naar Duitsland moest reizen, later ook met assurantiezaken; van 1941 tot 1954 als directeur van het kantoor in den Haag, met de leiding van de assurantieafdeling de eerste positie bij Mees na die der firmanten. In 1954 verliet Van Riel de firma Mees, maar hij bleef nog enige jaren adviseur.

Ik beschik over onvoldoende gegevens voor een afgewogen oordeel over Van Riels carrière bij Mees. Meer misschien ook een onderwerp voor een psychologisch-sociologische roman. In een beschouwing van Van Riel zelf, opgenomen in Mr. H. van Riel in gesprek met Joop van Tijn, wordt het kritisch beeld geschetst van een bankiershuis dat door zijn nog sterk negentiende-eeuws karakter niet meer up-to-date zou zijn geweest, met grote distantie tussen de firmanten en het personeel, met ‘het meest geantikeerde personeelsbeleid’ dat men zich kon voorstellen en waar het vooral ook aan echte leiding, stimulerende kritiek en iedere poging tot vorming had ontbroken. Zo had Van Riel er niet tot zijn recht kunnen komen, en hadden zich ook wel conflicten voorgedaan. ‘Achteraf gezien is het een volmaakt verkeerde keuze geweest [...] een beschermd geheel, er werd eigenlijk niets van je verlangd [...] ik ben er keurig behandeld [...] maar het was er steriel.’ Nogal anders liggen de accenten in enige zuinig-afgemeten uitspraken van mr. G.H. Hintzen, oud-firmant van Mees, opgetekend in het alleraardigst boekje van W. Jungman: Harm van Riel. Een heer in de politiek. Volgens de heer Hintzen had Van Riel inderdaad een scherp kritisch inzicht, grote capaciteiten, in menig opzicht heel nuttig voor Mees, maar was hij eigenlijk, als te beschouwelijk van aard, niet echt geschikt voor het vak van bankier. In Den Haag toonde hij zich wenig dynamisch; dat zijn ambitie om in de firma te worden opgenomen, toentertijd alleen al onmogelijk wegens onvoldoende eigen vermogen, niet werd vervuld, zou Van Riel als teleurstellend hebben ervaren. De toon doet nog scherper kritiek vermoeden.

Beide visies stemmen althans hierin overeen dat Van Riel bij Mees

[p. 124]

niet de juiste man op de juiste plaats zou zijn geweest, al worden daar verschillende gronden voor aangevoerd. Mede afgaand op enige indicaties van her en der wil ik van mijn kant toevoegen dat ik meen te mogen betwijfelen of Van Riel - hoewel zich eerder te goed dan niet goed genoeg achtend voor firmant en zeker wel in zijn eerzucht gekrenkt doordat men hem passeerde - die positie bij Mees van harte heeft geambieerd. Eerder lijkt mij dat hij, vrij toevallig bij Mees gekomen, ook dáár wel graag de eerste viool had willen spelen, maar toch niet echt gedreven door het verlangen Mees op te stoten en zelf een groot bankier te zijn. De kritiek op Mees lijkt nauwelijks uit dépit te zijn voortgekomen; nog in dienst van Mees placht Van Riel ook nooit veel blad voor de mond te nemen: daar was hij de man niet naar. Ik proef een wat hautain-intellectuele distantie van Mees, een ontbreken van identificatie, die zeker zullen hebben geïrriteerd, en vraag mij af of niet vooral dàt aan een deelgenootschap in de weg heeft gestaan. Trouwens, meer in het algemeen gesproken, was Van Riel, ofschoon heel aimabel als hij dat wilde, wel voldoende gepolijst en ingetogen om geheel reçu te zijn in dat keurige wereldje van patricische bankiers? Was hij daarvoor toch niet te veel een ongelikte beer, een enfant terrible? Was hij niet in de wieg gelegd, in dat oerliberale nest, om in de politiek te gaan?

Het opmerkelijke is nu dat men die laatste vraag niet met een volmondig ja kan beantwoorden, ondanks de schijn van het tegendeel. Inderdaad, in de politiek leek Van Riel een vis in het water, en tot grote hoogte, of diepte, was hij dat ook. Men bedenke evenwel dat hij ook in de politiek nogal toevallig terecht kwam en zeker niet doelbewust op een politieke loopbaan heeft aangestuurd. Eenmaal in de politiek sprak het wèl spoedig vanzelf voor hem dat hij een voorname rol zou gaan spelen. Maar niets wijst erop dat hij in zijn jonge jaren van een grote politieke toekomst heeft gedroomd, niets ook dat hij later heeft gebrand van ambitie om een van de allerhoogste posten te bereiken: een ministerschap, het premierschap, de leiding van zijn partij. Niemand zag het beter dan Van Riel; maar wilde men het toch beter weten: tant pis! of misschien zelfs tant mieux! Zijn gelijk zou later wel blijken. ‘Ik zal nooit een vinger voor welke positie dan ook uitsteken. Daarvoor steekt er in mij een veel te grote ongeïnteresseerdheid.’ Doekje voor het bloeden aan een gemankeerde ministersportefeuille? Niet of nauwelijks, zou ik menen. Minister? Geen bezwaar, of vermoedelijk graag zelfs, maar dan moest men het wel komen vragen. Deed men dat niet? Soit. In

[p. 125]

laatste aanleg lag het in de politiek niet anders dan tevoren bij Mees, zij het met een toch wel duidelijk verschil in graad. Want dat Van Riel de politiek, in haar historische context, van al het droevig aardse het allermeest interesseerde, dàt lijkt buiten kijf. Daar kwam stellig bij dat men in de politiek meer naar buiten kon schitteren. Maar voor welke politicus geldt dat niet? Welke kunstenaar kan buiten een publiek? Zeker niet de beoefenaar van, naar het woord van Thorbecke, die eerste aller kunsten, welke aan het regelen van den Staat is gewijd.’

De politieke belangstelling, voorzover ik weet nauwelijks manifest in de studententijd, manifesteerde zich wel al duidelijk in de vooroorlogse jaren bij Mees en betrof ook toen al, gestimuleerd door de vele zakenreizen naar Duitsland, niet het minst de internationale ontwikkeling met haar militaire aspecten. Volgens eigen mededeling van Van Riel had hij toen echter geen tijd voor politieke activiteiten. Eveneens volgens zijn eigen zeggen had hij in de oorlog, als kenner van de Duitse mentaliteit, nooit enige moeite om Mees regarderende zaken met Duitsers of nsb-ers ‘in de meest unverbindliche vorm af te wikkelen. Zonder ze [...] een stap tegemoet te komen, overigens.’ Met het verzet liet hij zich echter niet in: hij vond het zo ‘ontzettend dilettantisch’ en had bovendien gehoord van zijn broer, die wel een plaats innam in de illegaliteit, dat het zich in erg linkse richting bewoog. Eerst na de oorlog - waarvan hij al in 1942 zou hebben voorspeld dat Duitsland hem in 1945 zou verliezen, gelet vooral op de ontwikkeling van het Amerikaanse productiepotentieel - kreeg Van Riel actief bemoeienis met de partijpolitiek. Maar dat hij toen popelde van verlangen om zich daarin te storten, valt niet staande te houden. Via zijn moeder, die als hoofdbestuurslid van de oude Vrijheidsbond bij de oprichting van de nieuwe Partij van de Vrijheid werd betrokken maar die, toen fysiek gehandicapt, de hulp van haar zoon niet kon missen, werd hij al meteen in 1946 lid van het dagelijks bestuur van deze nieuwe liberale partij. Zo ging dat toen nog, in dat kleine kringetje van liberalen. En toen in 1948 de Partij van de Vrijheid en de groep-Oud, een deel van de voormalige vrijzinnig-democraten, samen de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie constitueerden, werd aan Van Riel het ondervoorzitterschap toevertrouwd, een functie die hij - onder het voorzitterschap van Oud, merkwaardig duumviraat! - tot in 1963 zou vervullen. Voorts werd hij in 1946, na eerst voor een slecht verkiesbare plaats op de lijst voor de Staten van Zuid-Holland te zijn uitgenodigd, wegens een tekort aan

[p. 126]

goede candidaten op nummer twee van die lijst gezet en als zodanig gekozen: ‘het enige voorbeeld in mijn leven waarbij de deugd beloond werd.’ Enige malen herkozen werd hij in 1954 lid van het College van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland; hij bekleedde die functie tot in 1970, waarna hij nog tot 1974 gewoon lid van de Zuidhollandse Staten bleef. In 1956 werd hij gekozen tot lid van de Eerste Kamer, waar hij van 1958 tot juni 1976 als voorzitter van de vvd-fractie optrad. Uit dien hoofde was hij, evenals de voorzitter der Tweede-Kamerfractie, met adviserende stem lid van het dagelijks bestuur der vvd, en wel van 1963 (toen de nieuwe regeling, die een eind maakte aan de combinatie van partij- en fractieleiderschap, werd ingevoerd) tot 1976. Op 3 juni 1976 legde hij het Eerste-Kamerlidmaatschap neer, zich op negenenzestigjarige leeftijd terugtrekkend uit de actieve politiek. Als reden gaf hij op, zich niet met het abortusbeleid van de Tweede-Kamerfractie te kunnen verenigen; mij komt echter voor dat ook een algemeen gevoel van vermoeidheid, van verminderde betrokkenheid bij het politiek gebeuren een rol heeft gespeeld. Een afscheid wenste Van Riel ‘in generlei vorm’, niet wegens enig persoonlijk gevoelen, maar gezien zijn opvatting over het leven: ‘Een mens behoort als een schaduw te komen en te gaan en het oordeel ligt slechts, indien de betrokkene iets van enig belang presteerde, bij de geschiedschrijving.’ Volgden nog enige jaren aan de zijlijn, met soms nog kritische commentaren, maar niet meer met de oude kracht.

 

Trachten wij nu een voorlopige samenvatting te geven van wat Van Riel in en voor de Nederlandse politiek heeft betekend, dan lijkt het, mede gelet op de beperkte ruimte, aanbevelenswaardig om, naar het bescheiden vermogen, met Busken Huet te luisteren naar het advies van Bagehot, die voor de beste historiestijl naar Rembrandt verwees: ‘veel weglaten, veel overdrijven, en op een klein getal feiten of beweegredenen veel licht te doen vallen.’

Wat allereerst vermelding verdient is dat Van Riel buitengewoon veel activiteiten heeft ontplooid ten behoeve van zijn liberale partij, die hem daarvoor terecht, in 1977, het erelidmaatschap heeft toegekend. In dit verband vallen onder meer te noemen de zeer tijdrovende deelneming aan bestuursvergaderingen, informeel overleg en commissiewerk; de opstelling van nota's en memoranda; het houden van onnoemelijk veel spreekbeurten; niet te vergeten ook het leiden van oriëntatiecur-

[p. 127]

sussen voor kaderleden, iets wat hij heel graag en, naar het oordeel van mij goed bekende cursisten, schitterend deed, met meesterlijke improvisaties en soms vlijmscherpe aanvallen, maar - echt liberaal - geenszins zijn eigen oordelen opleggend of trachtend school te maken, integendeel ieder opwekkend zich een eigen mening te vormen. Want Van Riel hield niet van ja-zeggers, eerder had hij bewondering voor een tegenstander die zich niet van zijn stuk liet slaan. Dat hij zijn partij intussen wel degelijk in een bepaalde richting trachtte te sturen, is met het voorgaande niet in strijd. In welke richting komt nog ter sprake. Vooreerst wil ik memoreren dat Van Riel in de vvd niet kritisch-contemplatief aan de kant stond maar haar lange jaren met raad en daad diende, zij het zonder ooit tot ingrijpend-hervormende initiatieven te komen en met, welbeschouwd, een zelfde soort intellectuele distantie als bij Mees. Men leze de reeds genoemde gesprekken met Van Tijn, waarin de vvd sine ira et studio wordt ontleed. Zichzelf opwerpen als leider of hervormer was nu eenmaal niets voor Van Riel.

Hoe eenzijdig evenwel het bij velen bestaande beeld van de puur of overwegend kritische waarnemer was uitgevallen, blijkt misschien het treffendst hieruit dat Van Riel geen functie met meer plezier en voldoening heeft uitgeoefend dan die van Gedeputeerde der Zuidhollandse Staten, naast of liever gezegd in combinatie met zijn Eerste-Kamerlidmaatschap. Zestien jaar lang heeft hij, in het volle hoogtij van zijn leven, een groot deel van zijn beste krachten aan het bestuur van de provincie Zuid-Holland gewijd. Over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik U zetten. Zeker in het westen des lands is de Gedeputeerde niet iemand die veel in de publiciteit komt. Zijn ambt is echter geen sinecure en, anders - naar ik meen - dan in de randprovincies, wordt het in het westen al geruime tijd als een volle dagtaak beschouwd. Nu zou Van Riel niet Van Riel zijn geweest als hij zich daar niet zijn eigen kijk op had vergund. Net als voorheen bij Mees kwam en ging hij ook als Gedeputeerde naar zijn eigen verkiezing, vergaderingen veelal slechts bijwonend voorzover het er ging om zijn eigen zaken, de minder belangrijke daarvan heel graag aan zijn ambtenaren delegerend, wat niet altijd in even goede aarde viel. Maar vast staat wel dat hij de grote lijnen scherp in het oog hield en, indien nodig, op de hoogte was van de miniemste details. Frappant was de grondigheid waarmee hij zich in historisch en geografisch opzicht met Zuid-Holland vertrouwd maakte, ook wat betreft - een van zijn hobbies - de vele religieuze denomina-

[p. 128]

ties. Niet de geringste aantrekkelijkheid van het ambt van Gedeputeerde vormde voor hem de daaraan verbonden automobiel met chauffeur. Een voorbeeld nemend naar ik mij voorstel aan Thorbecke's vriend mr. James Loudon - in de jaren zestig van de vorige eeuw Commissaris des Konings in Zuid-Holland - hem goed bekend uit historische studie, placht hij de provincie tot in haar uithoeken te doorkruisen, zich overal in de plaatselijke omstandigheden verdiepend en zich vele bekenden makend. In de hem toevertrouwde ‘portefeuilles’ kwam tot uiting dat, in de lijn ook van zijn carrière bij Mees, zijn interesse sterk in het financieel-economisch vlak lag: gedurende zijn gehele ambtsperiode was hij belast met de financiële en de personele zaken, waaraan later nog werkgelegenheid, industrialisatie en planologie werden toegevoegd. Sedert 1963 had hij voorts het toezicht op de bouw van het nieuwe Provinciehuis, waarvan het derde en laatste deel in 1975 gereed kwam, een bezigheid die hij met veel genoegen heeft verricht. Bepaald niet het prototype van de ‘team-worker’ - in zijn chaotisch-snelle werkwijze voor zijn personeel en secretaresses vaak een beproeving - had hij nochtans een heel goede verstandhouding met zijn mede-Gedeputeerden, niet het minst met de socialisten mevrouw mr. Chr. A. de Ruyter-De Zeeuw en dr. J.P. van Praag, die hem beiden bijzonder waardeerden, zeker ook wegens zijn oprechte collegialiteit en gevoel van verantwoordelijkheid.

Tussen het lidmaatschap der Staten en dat van de Eerste Kamer (waar hij in de vvd-fractie sinds 1956 buitenlandse zaken en defensie voor zijn rekening nam, sedert 1958 optrad als woordvoerder bij de algemene politieke beschouwingen en voorts frequent intervenieerde over onderwijs, archiefwet, monumentenzorg, economische onderwerpen en zo meer) bestond voor Van Riel een essentiële organische band. Niet slechts in die bloot-formele zin dat krachtens de Grondwet de Eerste Kamer door de Provinciale Staten wordt gekozen, maar vooral in dit substantiële opzicht dat aldus, in zijn zienswijze, aan de Eerste Kamer meer dan aan de Tweede een democratisch karakter werd gegeven. Paradoxaal standpunt, ogenschijnlijk, voor een volgeling van Thorbecke, die immers zelf korte metten met de Eerste Kamer had willen maken, haar ‘zonder grond en zonder doel’ achtend. Naar mij dunkt niet zonder grond evenwel is Van Riel steeds met klem blijven betogen dat ‘de eretitel Volkskamer’ veeleer aan de Eerste dan aan de Tweede Kamer toekwam; zulks in het licht van de, door Thorbecke niet voorziene en

[p. 129]

niet gewilde, feitelijke ontwikkeling, die al sedert circa 1885 aan de partijbesturen een overwegende invloed op de candidaatstelling voor de Tweede Kamer had verschaft. ‘Nog te veel wordt vandaag de dag,’ aldus Van Riel op 13 december 1960 in de Eerste Kamer, ‘een zekere heiligheid gezien in een rechtstreekse verkiezing, die op zichzelf niets te betekenen heeft, alleen omdat wij in Nederland geen primaries hebben en men dikwijls maar niet te diep in de vraag moet treden hoeveel mensen eigenlijk uitmaken wie er lid van de Tweede Kamer wordt [...] Onder die omstandigheden kan men inderdaad en geenszins bij wijze van grap volhouden dat de Eerste Kamer, die door de Provinciale Staten wordt gekozen, in haar voor een zeer groot gedeelte bestaande onafhankelijkheid van de partijapparaten in wezen op het ogenblik iets rechtstreekser de publieke opinie weergeeft.’ Overigens heet het in Van Riels laatste boek dat de bedoelde situatie zich ‘tot betrekkelijk kort geleden’ had voorgedaan en ook afgezien van deze tijdsbeperking valt er wel iets op zijn voorstelling van zaken af te dingen. In ieder geval bevinden wij ons hier bij een hoofdelement, zo niet de kern van Van Riels politieke denken. Alvorens daarop iets nader in te gaan, veroorloven wij ons echte een kleine uitweiding.

Harm van Riel was een politicus van de intellectuele soort maar nochtans eerder, dunkt mij, praktiserend politicus dan politiek theoreticus. Ondanks de eminente intellectuele gaven evenmin als bijvoorbeeld Clemenceau, Bismarck, Kuyper, het echte type van de intellectueel in de politiek. Men heeft wel gemeend dat hij beter geleerde had kunnen worden en dan met gedegener publicaties wellicht een blijvender invloed had kunnen uitoefenen. Daarmee sloeg men de plank geheel en al mis. Zelf heeft Van Riel - en al veel vroeger de lucide professor Vürtheim - het beter gezien. Vergis ik mij niet, dan heeft hij in een rake karakteristiek van Thorbecke, onbewust zo niet bewust mede zichzelf op het oog gehad: ‘Dat Thorbecke te veel een man van actie was om zich constant bezig te houden met het schrijven van geleerde boeken is iets waarmee het Vaderland zich gelukkig kan prijzen. Zijn gehele wijze van werken en zijn karakter leenden zich nu eenmaal meer voor de praktijk des levens dan voor permanente aanwezigheid onder de studeerlamp.’ Treffender nog een volgende zin, wel niet zonder zinspeling op de eigen tijd bij Mees: ‘Voor het vak van zakenman of bankier, waarvoor hij meer dan ruimschoots de intellectuele gave had, mangelde het hem aan voldoende innerlijke rust.’ In ieder geval heeft Van Riel nooit

[p. 130]

stelselmatig en uitvoerig een exposé van zijn politieke denkbeelden neergeschreven. Wij beschikken zelfs niet over een geschrift van zijn hand dat, ‘de verhoudingen in acht genomen,’ met Over het hedendaagsche staatsburgerschap of de Narede kan worden vergeleken; ‘de verhoudingen in acht genomen’: immers een figuur ‘van het tweede plan, zoals ik er een ben in mijn eigen ogen’, maar die tot goed begrip wèl meteen te verstaan gaf dat de ‘eerlijke en gortdroge mémoires’ van Drees deze politicus evenzeer als zodanig kwalificeerden! Voor de kennis van Van Riels politieke denken zijn wij aldus op verspreide plaatsen in zijn redevoeringen en publicaties, naast uitlatingen in particuliere kring, aangewezen. Het meest verhelderend in een aantal opzichten is zijn laatste boek, dat echter niet meer het niveau heeft waarop hij zich in vroeger jaren bewoog.

Een zorgvuldig afgewogen politieke plaatsbepaling van Van Riel zal eerst mogelijk zijn na studie van zijn omvangrijke schriftelijke nalatenschap, welke aan het Algemeen Rijksarchief is overgedragen. Vooralsnog moet met de ruwe schets van een enkele hoofdlijn worden volstaan. Vooropgesteld zij dat zich bij Van Riel naar mijn gevoelen al omstreeks 1970 en vooral na 1975 een zekere verschraling zo niet verstarring van zijn denken en gevoelens begon te manifesteren, wel grotendeels aan fysieke verzwakking en met name een hinderlijke hardhorendheid toe te schrijven. Ik zie vooral, naast achteruitgang van het eens zo machtig geheugen, een vermindering van het vermogen tot subtiele nuancering, overigens zonder dat dit tot een fundamentele wijziging van standpunt heeft geleid. Iets dergelijks geldt voor de gemoedsgesteldheid: toenemende melancholie, toenemende accentuering van de ‘algemene doelloosheid’ van het leven en de dingen, van 's mensen gevallen staat zelfs, maar toch geen volstrekte wanhoop: tot het einde toe een steeds weer opflikkerend vertrouwen in wel geen beter, maar toch redelijke toekomst voor de vrije wereld, met alleen minder bedwongen, ook wel geestlozer aversie van alle soorten wereldverbeteraars. Verwaarlozen wij met Spinoza deze algemeen menselijke zwakheden: falende beheersing van de nooit geheel overwonnen levensangst, of, wat hetzelfde is, verlies van zelfvertrouwen en dus allerminst de wel veronderstelde late ontluiking van religieuze gevoelens, eerder het tegendeel daarvan - verwaarlozen wij deze verzwakking van geestkracht in een nogal vroeg oude man, dan kan, de draad weer opgevat, het volgende worden opgemerkt.

[p. 131]

In een meesterlijke beschouwing over Shakespeare heeft Egon Friedell ons eraan herinnerd dat de mensen het licht zoeken, maar altijd aan de horizon, waar het niet te vinden is. Het licht is namelijk ‘unter ihnen, neben ihnen, in ihnen. Da aber suchen sie es niemals. Ein Dichter, denken sie, musz aufsteigen wie eine ferne blendende Prachtsonne, in blutigroten pompösen Farben. Es gibt aber keine ‘pompösen Dichter’. Die echten Dichter gehen immer inkognito umher wie die Könige in den Anekdoten. Sie sprechen mit dem Volk, das Volk antwortet ihnen kaum und sieht an ihnen vorbei. Später kommt dann einer und erklärt den Leuten, wer das eigentlich gewesen sei. Aber inzwischen hat sich der verkleidete König längst davon gemacht.’ De vergelijking is hoog gegrepen, ik besef het. Zelfs een dichterlijk genie kost het de grootste moeite met zijn eigen ogen te kijken en Harm van Riel was zeker geen genie. Maar meer toch dan de meesten van ons had hij iets van de onbevangenheid van het kind behouden, dat als een dichter op zoek naar de waarheid is - om dan dikwijls van een koude kermis thuis te komen. Verkleed in zijn morsig-ouderwetse plunje, incognito voor de progressieve goegemeente, zag deze eigenzinnige kleine man scherper en verder dan misschien welke politicus ook. Wie zou bijvoorbeeld durven twijfelen of onze politieke partijen, onze rechtstreekse verkiezingen, onze brave Tweede Kamer eigenlijk wel zo heel veel met democratie te maken hebben? Zeker niet de meerderheid van die Tweede Kamer zelf!

Nu zou het een misverstand zijn te menen dat Van Riel er actief op uit was om ons kiesstelsel te wijzigen. Hij liep wel eens rond met gedachten over hervorming van de parlementaire democratie, over versterking van rol en bezetting der Eerste Kamer, ook wel over decentralisatie, met delegatie van vooral financiële bevoegdheid en verantwoordelijkheid van Rijk naar provincie en gemeente, maar achtte de tijd voor een en ander nog niet rijp. Eerst zou zich een andere ontwikkeling moeten voltrekken, die hij - niet zonder enig succes, zou ik menen - zoveel mogelijk trachtte te bevorderen en die inmiddels, precies zoals tot haast op het percentage door hem voorspeld, reeds een eindweegs op gang is gekomen, ofschoon de definitieve uitkomst nog onzeker blijft. Die ontwikkeling is een liberale ontwikkeling, waarbij men bedenke dat het woord liberaal meer dan één betekenis heeft. Zonder zelf ooit een scherp onderscheid te maken en niet steeds even consequent hanteerde Van Riel het door elkaar in twee betekenissen: soms in

[p. 132]

de aloude zin van vrij, ruim en open van geest, waarin Huizinga het woord liberaal weer ‘tot oude waardigheid’ had willen herstellen, maar toch overwegend in een historisch-sociologische zin, die door zijn kijk op de historie werd bepaald; niet in een derde, moderne betekenis die vooral het woord ‘liberal’ in de Angelsaksische wereld heeft gekregen, politiek ergens tussen links-liberaal en sociaal-democratisch in, met vaak een levensbeschouwelijke lading: liberalisme in deze derde betekenis placht Van Riel eerder te associëren aan het katheder-socialisme.

De verleiding is groot maar moet hier worden bedwongen om het historisch denken van Van Riel met enige grondigheid te analyseren. Niets boeide hem meer dan de historie, veelal sterk in samenhang met de contemporaine politiek. Niet dat hij de geschiedenis ‘in opdracht van het heden’ trachtte te interpreteren. Als bij Huizinga was er de duidelijke behoefte aan het directe contact met het verleden, aan de evocatie van hoe het werkelijk was geweest: ‘Als ik bijvoorbeeld De Stem uit Breda van 1883 wens te consulteren, dan heeft het lettertype, de vochtige reuk van het papier, de manier van opmaken wel degelijk invloed; dat brengt voor mij iets van de aard en het cachet van de tijd met zich mee.’ Geen geloof aan ideologische constructies waarmee verleden en heden in dienst van een betere toekomst worden gesteld. Veeleer van oordeel dat er ‘in wezen’ nooit iets nieuws onder de zon zou zijn. Wel echter overtuigd van het bestaan van min of meer wetmatige processen, zij het door onvoorspelbare incidentele factoren - als het verschijnen van een Lenin of een Hitler - versneld of doorkruist. Daarbij zozeer een primaat aan de economische factor toekennend dat hij zijn geschiedopvatting - in expliciete tegenstelling tot zijn politieke overtuiging - wel als ‘marxistisch’ bestempelde, te verstaan dan, om zo te zeggen, in een neutrale, ondogmatische zin. Begrijpelijk in dit licht dat hij jarenlang een enthousiast voorzitter was van de Vereniging Het Nederlandsch Economisch-Historisch Archief, die hem bij zijn afscheid in die functie, in 1977, met een indrukwekkend liber amicorum heeft geëerd. Achterwege moet hier eveneens blijven een beschouwing van zijn historische geschriften, merendeels van beperkte omvang. De in zijn ouderdom geschreven lijviger Geschiedenis der Provinciale Staten van Zuid-Holland en de Geschiedenis van het Nederlandse liberalisme in de negentiende eeuw, die ikzelf na zijn dood heb mogen bezorgen, ontberen onder meer compositorische kracht, al zijn ze onschatbaar voor kennis van de auteur en de visie op zijn onderwerp, wat het laatste boek aangaat

[p. 133]

met name Thorbecke. Het meest geslaagd acht ik een in 1954 gepubliceerd artikel Engelse parlementsverkiezingen in het laatste deel van de achttiende eeuw, zeer doorwrocht, en met echt historisch gevoel geschreven. Het lidmaatschap van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, in 1958 verkregen, zou misschien enkel reeds op grond van dit artikel zijn verdiend.

Maar keren wij ijlings terug tot het liberalisme. In de visie van Van Riel was dit de primair door economische factoren bepaalde emancipatiebeweging van de kleine tot gegoede burgerij - en niet te vergeten de boerenstand - in het negentiende-eeuws Europa, gericht op verwerving van politieke invloed naast economische en geestelijke vrijheid, waarvan al jaren vóór Marx onze Thorbecke de onafwendbaarheid had vastgesteld. Dat deze ontwikkeling echter noodwendig haar vervolg in de vorming van een socialistische maatschappij zou vinden, achtte Van Riel niet bewezen en in ieder geval weigerde hij zich daarbij neer te leggen. Weliswaar had het emancipatiestreven ook de arbeidersklasse in zijn ban gekregen, maar dit behoefde niet te leiden tot liquidatie van het kapitalisme. Integendeel kon men afdoende aan de gerechtvaardigde verlangens van de arbeiders tegemoet komen door hun, naast de grote algemene welvaart die het kapitalistische productiestelsel verschafte, een redelijke mate van medezeggenschap in de bedrijven toe te kennen, terwijl met een modern onderwijssysteem de sociale mobiliteit sterk kon worden vergroot. In de politiek ging het er nu om, met name de beter gesitueerde arbeider voor deze ontwikkeling te winnen en voor een liberale partij als de vvd was het zaak een doorbraak in deze zin te bewerkstelligen. De eenvoudige, hardwerkende Nederlander achter de vvd te krijgen, in de overtuiging dat ‘ideologische’ en ‘intellectuele’ constructies als het socialisme die Nederlander au fond heel weinig meer te zeggen hadden, dàt was het voornaamste politieke streven van Van Riel. Dat bij deze ontwikkeling het accent niet het sterkst zou komen te liggen op de zuiverheid van ‘de liberale beginselen’, die hartezorg van de liberale linkervleugel, ontsnapte geenszins aan de aandacht van Van Riel. Was hij in zijn hart dan inderdaad toch meer een conservatief, die weinig om die beginselen maalde zo niet er juist op aanstuurde dat ze in een grotere volkspartij naar een onschadelijke achtergrond zouden worden gedrongen? Sterker nog: was hij misschien niet zelfs een valsemunter, een paard van Troje, een man die zich met verraderlijke bedoelingen van een machtspositie in die liberale partij had meester ge-

[p. 134]

maakt? Want dat Van Riel nogal wat partijgenoten soms ongemeen irriteerde, en dan vooral om zijn vermeend conservatisme dan wel opportunisme, staat wel vast. Met een poging, op dit punt enige helderheid te verschaffen, moge dit levensbericht worden afgerond.

In ons hereditair vertheologiseerde land heeft het woord conservatief van lieverlee een sterke bijklank van zondigheid gekregen. Er behoort hier tegenwoordig een zekere moed toe, zich in de politiek als conservatief op te werpen. Daarentegen staat het progressief thans haast in reuk van heiligheid. Het is nu niet om Van Riel van zonde vrij te pleiten, nog minder om hem een plaats op de heiligenkalender te bezorgen, dat ik wil vaststellen dat hij niet of nauwelijks als conservatief in een geijkte politieke zin kan worden aangemerkt. Of men, met Van Riel, het politiek conservatisme op meer gebruikelijke wijze opvat als gebonden enerzijds aan een veelal religieus gekleurde ideologie die zich keert tegen een nieuwe maatschappelijke ontwikkeling, en anderzijds aan ‘zekere uiterlijke voorwaarden’ (als met name een gegoede en gelovige boerenstand die aanleunt tegen een aristocratie), dan wel, met dr. E.H. Kossmann in zijn in 1980 uitgesproken Huizinga-lezing, het conservatieve denken door de eeuwen heen dezelfde intrinsieke kenmerken ziet vertonen, houvast om Van Riel als een politieke conservatief te karakteriseren zie ik hoegenaamd niet. Zelf heeft hij dat meermalen met klem uiteengezet, wel eens opperend om die modieuze en misleidende antithese tussen zogeheten progressief en zogeheten conservatief geheel af te schaffen aangezien zij de zaken op hun kop zette en versluierde waar het in de huidige politieke strijd primair om gaat: om handhaving van de particuliere ondernemingsvorm in een voor het overige alleszins aanvaardbare, door de liberalen juist niet genoeg bevorderde sociale en economische democratie; met andere woorden: om een geenszins conservatief maar bij uitstek vooruitstrevend beleid, want op echte ontplooiing en groter zelfstandigheid van een zich uitbreidende middenklasse gericht. Daartegenover kon aan het verder in collectivistische richting sturend socialisme, met zijn gevaarlijke neiging tot inflatoire financiering, met zijn onthullende sympathie voor de autoritaire en paternalistische régimes in Oost-Europa, toch wel heel moeilijk dat praedicaat vooruitstrevend worden toegekend. Ouderwetser haast nog dan het socialisme, dat tenminste bleef aansluiten bij de feitelijke maatschappelijke ontwikkeling, zij het deze een doodlopend slop indringend, was intussen een liberalisme à la Oud en diens volgelingen, blind of on-

[p. 135]

verschillig als dat was voor wat de moderne maatschappij op sociaal-economisch gebied vereiste, doch tegelijkertijd veelal naief in zijn vriendelijke houding tegenover het socialisme, de betekenis overschattend van wat het daarmee in de ideële sfeer verbond: negentiende-eeuwse intellectuelen, radicalen, neoliberalen, in een verouderd vooruitgangs-optimisme bevangen.

Dat op zijn minst in sociaal-economisch opzicht Van Riel als een onvervalste liberaal te beschouwen is, lijkt een veilige conclusie, mede gezien de grote gematigdheid; voorstander enerzijds van een vrije economie, van ‘la carière ouverte aux talents’, anderzijds van ondersteuning van die talenten door modern onderwijs en van goede sociale voorzieningen: ‘juist als wij met een vrije ondernemingsvorm willen doorgaan, is er de noodzaak voor een wat sterker sociaal tegenwicht dan in een iets collectivistischer maatschappij.’ Maar hoe lag het nu buiten dat sociaal-economisch vlak? Hier raken wij aan de moeilijke kwestie van de genoemde ‘liberale beginselen’, waaromtrent ik mij in dit bestek tot nauwelijks verantwoorde simplificatie gedwongen zie. Ik merk op dat bij Van Riel de keuze van de vrije ondernemingsvorm een levensbeschouwelijke basis had van principieel liberale signatuur: ‘ik hecht aan die vrije ondernemingsvorm, niet alleen uit traditionele overwegingen, maar omdat [...] die vrije ondernemingsvorm voor mij op de een of andere manier samenhangt met de vrijheid van beslissing in innerlijke zin, misschien in religieuze zin, en aan de andere kant samenhangt met de vrijheid van de wereld in haar geheel.’ Tegelijk echter was er een grote huiver zo niet weerzin om het liberalisme met een catechismus van beginselen en geloofsartikelen verder ideologisch aan te kleden, er een alomvattende ‘moderne levensbeschouwing’ van te maken. Het liberalisme is geen ideologie; de ‘vrijheid van beslissing in innerlijke zin’ duldt geen ideologie.

Het is nu vooral in dit laatste opzicht dat Van Riel zich-met Hogendorp, met zijn grote voorbeeld Thorbecke, met Huizinga ook - van de grote meerderheid in het liberale kamp heeft onderscheiden: in deze duidelijke distantiëring niet slechts van het huidig liberalisme in de vorenbedoelde derde betekenis, van de ‘liberals’ dus, maar toch eigenlijk van de hoofdstroom van het politiek liberalisme zoals zich dat sedert het begin van de vorige eeuw, sterk beheerst door het vooruitgangsdenken, heeft ontwikkeld. Liberaal in hart en nieren. Maar liberaal vooral in de oorspronkelijke zin; om nog eens met Thorbecke te spreken: ‘in den

[p. 136]

echten, verheven zin van het woord.’ Het liberalisme opheffend boven de tijdgebonden waan van het heden en daarbij bovenal liberaal in het besef dat innerlijke vrijheid door geen enkel mens gemakkelijk wordt verkregen; dat men er zelf nooit geheel in zal slagen het liberale ideaal te bereiken; en dat men dus ook geen overdreven eisen op dit stuk aan de aanhangers van een liberale partij mag stellen.

 

Harm van Riel heeft bij zijn leven veel weerstand gewekt, maar - ik citeer Arthur van Schendel over Menno ter Braak - ‘veel de vrienden die getrouw zijn zijde hielden,’ ook toen in zijn laatste jaren wel eens twijfel moest rijzen aan de finesse van zijn oordeelskracht. Ik kan slechts rekenschap van mijn eigen gevoelens geven. Het zou mij echter niet verbazen daarmee ook de tolk van anderen te zijn. Falend gelijk wij allen falen heeft Harm van Riel geproheerd ook in de politiek, naar eer en geweten, zijn eigen koers te varen. Hoe was die koers? Hij stond in het teken van twee Schriftwoorden. ‘In het huis mijns Vader zijn vele woningen.’ Ik hoor het Van Riel nòg tegen mij zeggen, in een poging enige diepte te geven aan wat wij zo fraai ‘pluriformiteit’ plegen te noemen. Maar ook, en vooral: ‘oordeelt niet!’ Er is één emotionele uitbarsting van Van Riel, op 24 april 1963 in de Eerste Kamer, die de man ten voeten uit tekent. Men had hem, van confessionele zijde, in samenhang met zijn te verfoeien historisch relativisme een gemis van normatief besef verweten. Men zou het geladen, geïmproviseerde antwoord van Van Riel, ruim twee kolom van de Handelingen, in zijn geheel moeten lezen. Ik moet hier met een passage volstaan. Hij stond op het punt naar het Provinciehuis te vertrekken, maar moest dìt toch even kwijt. Historisch relativist was hij inderdaad, althans in die zin ‘dat men de dingen altijd in het licht van de omstandigheden waarin zij gebeuren, moet bekijken [...Maar dat] heeft er niets mee te maken, of men al dan niet normatieve criteria wil aanleggen. Dat staat er naast. Ik ben persoonlijk een voorstander van een historisch relativisme dat aan alle daden normatieve criteria wil aanleggen, maar ik ben in de meeste gevallen te beschaamd en vind mijn oordeel te onzeker om over wat anderen in het verleden gezegd, gedaan of gedacht hebben, een oordeel te vellen [...] Ik durf te oordelen over politieke situaties - dan kan ik mij ook vergissen - waarvoor ik verantwoordelijk ben, maar ik oordeel nooit over situaties waarvoor ik geen enkele verantwoordelijkheid kan en mag dragen. Dat is dezelfde reden [...] waarom ik mij veroorloof, min of meer emotioneel te

[p. 137]

reageren, wanneer men [...] in de zaak van het al of niet gebruiken van de atoombom zo betrekkelijk lichtvaardig ethische redeneringen op touw zet, wanneer men geen splinter verantwoordelijkheid draagt en zeker weet dat men nooit een splinter verantwoordelijkheid dragen zal. Het is juist de hoogschatting van het normatieve en van de ethiek die maakt dat ik zeg: Haal dit in deze smerige wereld en met ons eigen toch ook lang niet vlekkeloze denken en voelen er maar liever niet bij, haal het er zeker niet bij als emotioneel object om aanhang te winnen en haal het er nooit bij om jezelf op een voetstuk tegenover een ander te plaatsen.’ Dat kon men in zijn zak steken, aan confessionele zijde.

Op 13 december 1980 is Harm van Riel, na langdurige ziekte en verzwakt maar helder van geest, de laatste maanden veel met zijn gedachten en gevoelens in het Emmen van zijn jongensjaren, in zijn flat in den Haag gestorven. Op 18 december, een mooie zonnige dag, hebben wij hem in Assen, de hoofdstad van zijn geliefde Drenthe, in de Drentse aarde begraven. Ons land heeft een zuiver en trouw dienaar in hem verloren, wie het in de politiek niet primair om macht, maar om de waarheid was begonnen. Ik zou het hierbij kunnen laten. Maar de toon lijkt nog een transponering te vragen. Niet zonder ironie was Van Riel, wars van emphase, veeleer een man van het understatement. Er is een ironisch zelfportret van Du Perron, aan wie Van Riel, in zijn franctireurschap en trouwens ook zijn uiterlijke gestalte, mij meer dan eens deed denken. Ik besluit met enige regels uit die Epitaaf van Du Perron:

 
Zij die hem lieven, moeten niet verwijlen
 
bij de beloften die zijn jeugd hun gaf;
 
hij was, al waren giftig vaak zijn pijlen,
 
niet altijd ijdel, en niet altijd laf.

's-Gravenhage, 20 augustus 1983

J.G. Bruggeman

Voornaamste geschriften

Ofschoon niet in de strikte zin publicaties van Van Riel zelf, mogen eerst twee boeken genoemd worden waaraan hij belangrijke tekstuele bijdragen heeft geleverd van vooral autobiografische aard en waaruit het een en ander voor dit levensbericht is geput:

Mr. H. van Riel in gesprek met Joop van Tijn. Amsterdam, 1970 (dit boek bevat door Van Riel geautoriseerde teksten van uitvoerige met hem gevoerde gesprekken).

W. Jungman, Harm van Riel. Een heer van stand in de Nederlandse politiek.

[p. 138]

Haarlem, 1981; naast een bloemlezing uit de redevoeringen van Van Riel in de Eerste Kamer bevat dit boek onder meer de tekst van de door hem mondeling opgehaalde Herinneringen aan Hoofddorp (1907-1916).

Afzonderlijke publicaties

Goorspraken van Drenthe 1563-1565, uitgegeven door H. van Riel. 's-Gravenhage, 1928 (Werken der Vereeniging tot uitgaaf der bronnen van het oudvaderlandsche recht 2:22. Oud-Vaderlandse rechtsbronnen).

Geschiedenis der Provinciale Staten van Zuid-Holland 1850-1914. 's-Gravenhage, Provinciale Saten van Zuid-Holland, 1977-1979 (in 1977 verscheen dit eerste deel van een vijfdelige publicatie, verder bestaande uit Van Riel's bewerking van de Handelingen van de Provinciale Staten van Zuid-Holland).

Geschiedenis van het Nederlandse liberalisme in de negentiende eeuw. Assen, 1982 (postuum; bezorgd door J.G. Bruggeman).

Artikelen

Onvermeld in dit overzicht blijven nog een groot aantal artikelen, veelal van efemere, actueel-politieke aard, verschenen in dag- en weekbladen en in vaak moeilijk vindbare periodieken met beperkte circulatie. Niet uitgesloten is dat ook enige meer substantiële artikelen niet zijn opgespoord.

Voorzitter van de vvd in Mr. P.J. Oud gezien door zijn tijdgenoten, Rotterdam, 1951, p.243-253.

Engelse parlementsverkiezingen in het laatste deel van de achttiende eeuw in Tijdschrift voor Geschiedenis 67, 1954, p.289-315.

Les finances provinciales néerlandaises in Bulletin de la Société belge d'Etudes et d'Expansion 169, 1956, p.103-109.

Jacques Mallet du Pan, politiek publicist 1749-1800 in Liberaal Reveil 1:3, 1956, p.49-57.

Hoe Koning Willem i de uitgifte van staatsleningen financiëerde in Jaarboek Amstelodamum 48, 1956, p.210-235.

Modern cultureel liberalisme in Enige aspecten van het moderne liberalisme, Leiden, 1958, p.85-105.

Vijf decennia jaarboek Amstelodamum in Jaarboek Amstelodamum 50, 1958, p.1-22.

Schuld en boete in Liberaal Reveil 5:1, 1960, p.8-18.

Politieke partij en beginsel in 1962 in Liberale gedachten. Een bundel opstellen aangeboden aan prof. mr. P.J. Oud ter gelegenheid van zijn vijfenzeventigste verjaardag. Rotterdam, 1963, p.44-55.

In memoriam mr. Herman Carel Hintzen 1892-1964 in Rotterdams Jaarboekje 1965, p.224-228.

Overheid en recreatie in Tijdschrift Bosbouw, september 1968, p.339-343.

Prof. dr. I.J. Brugmans in Economisch en Sociaal-historisch Jaarboek 34, 1971, p.1-3.

Ernst Heldrings dagboek en herinneringen in Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden 86, 1971, p.218-226.

In memoriam mr. A.M. de Jong in Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden 86, 1971, p.235-236.

[p. 139]

Toen ik een jongen was ... Herinneringen aan Drenthe in Emmer Courant, 30 augustus-12 oktober 1972 (reeks van zeventien artikelen).

Moraal en buitenlandse politiek in Internationale Spectator 27, 1973, p.461-463.

Over het Handboek der geschiedenis van het vaderland door mr. Groen van Prinsterer in Tot vrijheid geroepen 22, 1976, p.115-118.

Dr. Isabella Henriette van Eeghen, persoon en wetenschappelijke betekenis in Jaarboek Amstelodamum 70, 1978, p.9-16.

Iets over de wordingsgeschiedenis van Amsterdam in Jaarboek Amstelodamum 70, 1978, p.17-33.

Herdenking van de slag bij Ane in Nieuwe Drentse Volksalmanak 95, 1978, p.7-25.

Aantekeningen naar aanleiding van L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de tweede wereldoorlog in Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden 93, 1978, p.483-501.

Voorkeur voor een permanente samenwerking met het cda in Liberaal Reveil 19:3, 1978, p.15-17.

Boekbesprekingen

Enige tientallen boekbesprekingen en -aankondigingen, met name in het Maandblad van het Genootschap Amstelodamum over de periode 1950-1979 zijn hier niet opgenomen. Alleen enkele met een sterk persoonlijk karakter zijn hier geregistreerd.

I.H. van Eeghen, De Amsterdamse boekhandel 1680-1725, dl. i en ii in Maandblad Amstelodamum 52, 1965, p.94-96.

Otto Nübel, Pompejus Occo 1483 bis 1547 Fuggerfaktor in Amsterdam in Maandblad Amstelodamum 60, 1973, p.69-71.

M.G. Buist, At spes non fracta. Hope & Co. 1770-1815 in Maandblad Amstelodamum 61, 1974, p.117-120.

G. van Hall, Ervaringen van een Amsterdammer in Maandblad Amstelodamum 63, 1976, p.94-96.

I.H. van Eeghen, De Amsterdamse boekhandel 1680-1725, dl. iii-v in Maandblad Amstelodamum 66, 1979, p.116-118.

G. Puchinger, Dr. Jelle Zijlstra. Gesprekken en geschriften in Liberaal Reveil 20:4, 1979, p.28-30.