Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1987


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, 1986-1987. E.J. Brill, Leiden 1988  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 96]

Antonius Wilhelmus Coenraad Leonardus Koot
Amsterdam 1 maart 1907 - Amsterdam 12 februari 1986

De straten en grachten van de Amsterdamse Jordaan volgen de oude verkaveling van de weilanden. Daardoor staan ze schuin op de Prinsengracht, de buitenste van de zeventiende-eeuwse grachtentrits. Wie aan het begin van zo'n straat woonde op de stompe hoek die deze met de gracht maakt kon dus met enig recht zeggen aan de Prinsengracht te wonen. Tot dezulken behoorden de haringhandelaar Antonius Franciscus Koot en zijn vrouw Wilhelmina Sophia van Dillen, die in 1907 woonden Anjeliersstraat 2. Hun zoon Ton werd op 1 maart van dat jaar echter niet geboren op het genoemde adres, maar op de Lindengracht 145, waar Wilhelmina Sophia bij een vriendin naast het Suykerhofje op bezoek was toen haar eersteling zich aankondigde. Zes jaar later kwam er nog een zusje.

Het geslacht Koot, dat zijn stamboom kent van 1548 af, handelde generaties lang in zeevis, en ook Ton was voor het zakenleven bestemd. Terwijl hij aan de hand van zijn grootvader door de stad wandelde, werd in hem echter die belangstelling gewekt die er toe leiden zou dat hij zich aan het eind van zijn leven cultuurhistorisch adviseur en auteur mocht noemen. De oude Coenraad Koot wees zijn kleinzoon met zijn wandelstok met zilveren knop de gevels aan en leerde hem de verschillende typen te onderscheiden: tuit-, trap-, hals-, klok- en lijstgevels.

Lager onderwijs kreeg Ton op de Alberdingk Thijmschool aan de Herengracht 40. Een historisch pand, waar in de Franse tijd de gouverneur-generaal Charles Lebrun, hertog van Plaisance, gezeteld had en waar later de Stadsbibliotheek ondergebracht was. Een van de onderwijzers daar was Eldert Johannes van Det, die later hoofd zou worden van het Gemeentebureau voor Beroepskeuze. Deze wakkerde bij de jonge Koot de belangstelling voor de geschiedenis en de cultuur verder aan. In die jaren was Ton ook een vechter. Hij nam enthousiast deel aan de strijd tussen Papen en Geuzen, te weten de leerlingen van de rk Jongeherenschool St. Louis aan de Keizersgracht en die van de gereformeerde Van Wijlenschool en de openbare Van der Ende- en Alberdingk Thijmscholen. Fred Thomas heeft Ton later beschreven als een ‘magere, aalvlugge jongen, dien wij, Papen, eens bij het Van Brienenhof te pakken kregen, toen hij zich onvoorzichtig, te ver van zijn hoofdmacht verwijderd had. Zoo hevig

[p. 97]

verweerde hij zich vóór hem zijn Turksche knoop afhandig kon worden gemaakt, dat de politie er aan te pas moest komen om de vechtenden te scheiden.’1

Voor zijn voortgezette opleiding ging Ton naar de Openbare Handelsschool aan het Raamplein. Daarna deed hij zijn intrede in het voorvaderlijk bedrijf. Met drie vrienden ging hij echter in de avonduren voor onderwijzer studeren. In 1929 behaalde hij zijn akte en in hetzelfde jaar kreeg hij een aanstelling als tijdelijk klasse-onderwijzer. In 1930 werd Koot als zodanig verbonden aan de Karthuizersschool aan het Karthuizersplantsoen, waar hij een jaar later in vaste dienst trad. Intussen was hij in 1930 gehuwd met een collega, de uit Venlo afkomstige Aleida Cornelia Clement. In 1933 werd hun dochter Sylvia Belia Wilhelmina geboren. Wegens de naderende opheffing van de Karthuizersschool verloor Koot in 1935 zijn betrekking, waarna hij als invaller aan diverse scholen werkzaam was, tot hij in 1937 weer een vaste aanstelling kreeg aan de Jan van Galenschool aan de Jan van Galenstraat.

Onderwijl had hij aan het Knorringa Avondlyceum zijn kennis verdiept en verbreed. Bij de organisatie van de in de zomer van 1937 in Vogelenzang gehouden Wereldjamboree der padvinders speelde Koot, die enthousiast verkenner en voortrekker was geweest, een belangrijke rol. Voor dit werk ontving hij de Jamboree-medaille. Ook trad hij op als redacteur van de Jamboree-courant.

In 1938 werd het huwelijk met Aleida Clement door echtscheiding ontbonden en in het zelfde jaar hertrouwde Koot met de uit Haarlem afkomstige Elisabeth Agatha Bouman. Uit dit huwelijk, dat tot Koots dood heeft geduurd, zijn geen kinderen geboren.

In 1939 zei Koot het onderwijs vaarwel. Hij aanvaardde een betrekking ten burele van de Amsterdamse Vereniging voor Vreemdelingenverkeer. Het volgende jaar werd hij er adjunct-directeur. Toen begon de stroom van publikaties.

Het gezin Koot woonde in het benedenhuis aan de Gibraltarstraat 69 in Amsterdam-West. Daar werd tijdens de Tweede Wereldoorlog onder de vloer geluisterd naar de Engelse zender en Radio Oranje. Als de accu leeg was ging Koot ermee om de hoek naar molen De Bloem om hem met windkracht te laten opladen.

In 1944 werd Koot als eindredacteur betrokken bij het bulletin van Vrij Nederland, vn-Nieuws. Hij kon daarbij gebruik maken van de berichten die hem van de gemeentelijke instanties bereikten. Hij had immers een

[p. 98]

tijdelijke aanstelling als commies bij de afdeling Kunstzaken der Gemeentesecretarie. Als Gemeentelijk Inspecteur voor het Kunstbezit doorkruiste hij de binnenstad. In die functie beschikte hij over een telefoon, waardoor hij in de gelegenheid was goede vaderlanders te waarschuwen voor razzia's en vorderingen van fietsen. In 1945 nam hij ontslag uit de gemeentedienst in verband met zijn benoeming tot secretaris van het Rijksmuseum.

In de Oorlogsjaren had Koot al deel uitgemaakt van de Commissie voor Heemkunde Amsterdam (de latere Gemeentelijke Commissie voor Heemkennis) en van de Commissie voor het Jeugdwerk van het Genootschap Amstelodamum. Na de Bevrijding namen zijn activiteiten in het culturele leven snel toe in aantal en in importantie. Op 7 november 1945 hield hij op de Algemene Vergadering van de Bond Heemschut te Amsterdam een causerie over het lot van Amsterdam in oorlogstijd. Naast de geleden verwoestingen in onder andere de Jodenbuurt en de havens, noemde hij de bedreigingen van het stadsschoon die te verwachten waren in de komende periode van herstel en vernieuwing. In 1946 werd hij secretaris van de bond en redacteur van het orgaan Heemschut. De bond omvatte toen honderd instellingen en zeshonderd individuele leden. Bij Koots vertrek in 1973 zouden dat er respectievelijk driehonderd en achtduizend zijn. In 1947 werd Koot lid van het Initiatief-Comité Amsterdam (ica).

Sinds 1948 combineerde Koot zijn werkzaamheden als algemeen secretaris van het Rijksmuseum met die van slotvoogd van het Muiderslot. Van al zijn functies is die te Muiden hem misschien het dierbaarst geweest. Hij maakte het slot tot cultureel centrum met de in 1954 door hem opnieuw opgerichte Muiderkring en het was aan zijn inspanning te danken dat het werd uitverkoren als plaats van uitreiking van de P.C. Hooftprijs. Gedurende zijn voogdij veranderden slot en omgeving en werd de oude staat zoveel mogelijk in ere hersteld. Bovendien legde Koot op het slot een archief aan met kopieën van stukken uit openbare archiefbewaarplaatsen, die hem mede de stof leverden voor zijn grotere en kleinere publicaties over het mysterie van Muiden. Tenslotte beschreef hij de meer dan duizend museale voorwerpen die zich in het Muiderslot bevinden. Dit alles vond in de gemeente Muiden zoveel waardering dat bij zijn afscheid in 1972 de op Koots aandringen aangelegde weg waarover men, ter ontlasting van de langs de Vecht gelegen Herengracht, na een bezoek aan het slot naar Muiden terug keert, Ton Kootsingel werd genoemd.

[p. 99]

In 1951 werd Koot lid van de Gemeentelijke Commissie voor de Straatnamen en in 1955 van het bestuur van de Stichting tot Bevordering van de Belangen van het Rijksmuseum. In 1956 was hij voorzitter van het Initiatief-comité Amsterdam. Als zodanig bracht hij bij de herdenking van Rembrandts driehonderdvijftigste geboortedag de Nachtwacht op straat. Dat was een groot succes. Na afloop gingen de kostuums naar het Limburgse Berg en Terblijt, waar sinds 1963 het Nachtwachtsgilde elk jaar op Hemelvaartsdag de vogel schiet. Van 1958 tot 1960 was Koot penningmeester van de Anne Frank Stichting. In 1959 werd hij voorzitter van de Stichting Vrienden van het Muiderslot. Voorts was hij onder meer bestuurslid van de Vereniging Hendrick de Keyser en de Stichting Diogenes en lid van de Raad van Advies voor de Wereldomroep.

In 1960 verhuisde het echtpaar Koot naar de Stadionweg 148. Zuid-Afrika kreeg nu ook zijn belangstelling, vooral in verband met Jan van Riebeeck en diens geboortehuis in Culemborg. In 1964 ontving Koot een uitnodiging om in het kader van het Cultureel Accoord drie maanden naar Zuid-Afrika te komen om lezingen te houden. Hij legde er onder meer contact met de Stigting Simon van der Stel en haar directeur dr. W. Punt. In juni 1968 schreef Koot in het orgaan van de Bond Heemschut een groot artikel over Culemborg en Jan van Riebeeck, en drie jaar later kon hij melden dat de restauratie van diens huis voltooid was. Daarbij constateerde hij dat zelden een restauratie zoveel politieke stof had doen opwaaien en dat het ontstellend was hoeveel onjuistheden en halve waarheden erover waren gepubliceerd om er een stempel van ‘apartheidsbeleid’ op te drukken. Dit onbegrip heeft evenwel aangehouden. Als museum fungeert het Van Riebeeckhuis nauwelijks meer. Het is nu zetel van het streekarchief Tiel-Buren-Culemborg.

De door Allert de Lange uitgegeven Heemschutserie werd in 1954 afgesloten met deel 74 over Batavia. In 1968 begon bij Van Dishoeck de Fibula-Heemschutreeks te verschijnen, die in 1972 stopte bij nummer 11. Voor de meeste delen is Koot als redacteur opgetreden. In die periode heb ik hem in het Korenmetershuis van nabij leren kennen.

Per 1 januari 1970 werd Koot ontheven van zijn taak als algemeen secretaris van het Rijksmuseum. De toenmalige minister van crm, dr. Marga Klompé, benoemde hem tot adviseur, toegevoegd aan het directoraat-generaal voor culturele zaken van haar ministerie. Als zodanig heeft Koot zich vooral bezig gehouden met de voorbereiding van de inrichting van het paleis Het Loo te Apeldoorn tot Oranjemuseum. In aansluiting daarop

[p. 100]

nam hij twee jaar lang het directeurschap waar van het Rijksmuseum Paleis Het Loo.

In 1971 werd herdacht dat Koot gedurende vijfentwintig jaar de dubbelfunctie van secretaris en redacteur bij Heemschut vervuld had. In het blad werd de ‘ware strijder voor het goede doel’ gehuldigd door de oudvoorzitter mr. S.P. baron Bentinck en door het bestuurslid A.G.M. Boost.2 Eerstgenoemde merkte daarbij op, dat Koot zich nooit en te nimmer door onbegrip en tegenwerking uit het veld had laten slaan en in weer en tegenweer trouw was gebleven aan zijn idealen. Maar de heer Bentinck kon zich voorstellen dat er wel eens perioden geweest waren waarin Koot gedacht had ‘nu ze kunnen het me doen, laten ze nu maar eens een andere secretaris zoeken.’ Zou de oud-voorzitter voorvoeld hebben dat er veranderingen op til waren? De aflevering van oktober 1972 was de laatste met Koots naam in de kop. In december werd hij door J.E. van der Wielen opgevolgd als eindredacteur. Secretaris van Heemschut was Koot toen al niet meer. Niet geheel zonder moeite aanvaardde Koot het ere- lidmaatschap van Heemschut. Ook van Natuur- en Stedeschoon in België werd hij ere-lid.

In 1976 nam Ton Koot zijn laatste belangrijke functie op zich. Hij werd voorzitter van de Stichting West-Indisch Huis. In het gerestaureerde pand op de Herenmarkt werden bejaardenwoningen, de Volksuniversiteit en de trouwzalen van de gemeente ondergebracht.

De laatste jaren kon men in het Nieuws van de Dag iedere zaterdag een historische bijdrage van Ton Koot lezen. Hij bleef actief. De laatste keer dat ik hem sprak was op 12 september 1985, bij gelegenheid van de overdracht van het door de Stichting Amsterdam Versierd gerestaureerde tochtportaal in de Oude Kerk. Hij betoonde zich ingenomen met dit nieuwe initiatief en was blij dat er weer eens iets gebeurde in de strijd tegen verval en verloedering. Het zich in de praktijk bezig houden met monumenten lag hem altijd beter dan het langdurig praten erover.

Op 12 februari 1986 bracht Ton Koot 's middags enige post naar de brievenbus op het Minervaplein, vlak bij zijn woning. Bij zijn terugkeer voelde hij zich niet goed. Enkele ogenblikken later was hij aan een maagbloeding overleden. Op 17 februari werd hij op zijn uitdrukkelijk verzoek in de familiekring gecremeerd.

Precies een jaar later is op de binnenplaats van het West-Indisch Huis door de commissaris der Koningin in de provincie Noord-Holland, R.J. de Wit, in aanwezigheid van mevrouw Koot en vele genodigden te zijner ere

[p. 101]

een bronzen gedenkplaat onthuld. Daarop is zijn door Geurt Brinkgreve vervaardigd profielportret aangebracht met de tekst ‘Ton Koot 1907-1986. Onvermoeid strijder voor de schoonheid van stad en land. Voorzitter van de Stichting Het West-Indisch Huis die in de jaren 1977-'81 dit gebouw herstelde.’ Op de bijeenkomst in de Compagnieszaal die aan deze onthulling voorafging heeft mr. G.W. van Herwaarden, oud-hoofd van de afdeling Monumenten van het ministerie van wvc, gewezen op het vele dat Koot op het gebied van monumentenzorg bereikt heeft, als individu zowel als in de vermomming van Heemschutbestuurder.

Ton Koot was onder meer officier in de volgende orden: Oranje-Nassau; Kroonorde van België; Académie Française; Poolster van Zweden; St. Olav van Noorwegen, en drager van het Verzetsherdenkingskruis 1940-1945. In 1975 werd hem de Monumentenpenning uitgereikt en ontving hij de Visser Neerlandiaprijs voor zijn vastberaden strijd tegen de aantasting van land- en stedeschoon.

 

J.H. van den Hoek Ostende

Noten

* Ik dank mevrouw E.A. Koot-Bouman voor de mij verstrekte gegevens. Voorts raadpleegde ik Koots persoonskaarten, berustende in de archieven van de secretarieafdelingen Onderwijs en Pensioenbureau op het Amsterdams Gemeentearchief, alsmede de persdocumentatie in de bibliotheek aldaar. Ook nam ik een aantal jaargangen door van het blad Heemschut.

Voornaamste geschriften

En nu... Nederland in!. Als zwerftoerist door eigen land. Amsterdam 1940.

En nu... Amsterdam in!. Zwerftochten in en rondom Amsterdam. Amsterdam 1941 (zevende druk 1975; ook verschenen in Engels).

Klockmuzyck t'Amsterdam. Heemkennisserie deel ii. Amsterdam 1942.

En nu... rondom Amsterdam! Toeristische verkenningen. Amsterdam 1944.

In de S. Antonieswaag. Gids Amsterdamsch Historisch Museum. Amsterdam 1944.

De geschiedenis van het vn-Nieuws, verhaald door zijn redacteur. Amsterdam 1945. (Typeschrift.)

Het Stadhuis door Jacob van Campen, Een historisch overzicht. Amsterdam 1946.

Poorters van Amsterdam. Amsterdam 1947.

Rembrandts Nachtwacht in nieuwe luister. Amsterdam 1947.

Rembrandt's night watch, its history and adventures. Amsterdam 1947.

Amsterdam as it is, Zoo is Amsterdam, Vues d'Amsterdam. Amsterdam 1948.

Het Muiderslot. Amsterdam/Antwerpen 1954 (zesde druk 1970).

[p. 102]

Quo Vadis Amsterdam? In Alarm in Amsterdam of het lot der oude binnensteden, Onder redactie van G. Brinkgreve. Amsterdam/Brussel 1956.

150 jaar Rijksmuseum, 1808-1958. Amsterdam 1958.

Strijd om schoonheid, 50 jaar Heemschut, Samengesteld onder redactie van Ton Koot. Amsterdam 1961. (Met bijdragen van zijn hand over Vijftig jaar Heemschut en Verloren strijd.) Dat was te Muden. Te Muden hadde de Grave staende een huys, Geschiedenis van het Muiderslot. Wormerveer 1966.

Amsterdam. Met foto's van Frits J. Rotgans. München/Hannover 1967. (Ook verschenen in Duits, Engels en Frans.)

Amsterdamse poortjes 1480-1880. Met tekeningen van W.G. Hofker. Amsterdam 1967.

Rembrandt's night watch, A fascinating story. Amsterdam 1969.

Waarom Heemschut? ao-boekje 1372. Amsterdam 1971.

Langs de Amsterdamse grachten. Met tekeningen van W.G. Hofker. 's-Gravenhage 1973.

Help, ze verpesten ons land. Naarden 1973.

Amsterdam in wintertooi. Baarn 1975.

De glorie van Amsterdam, Samengesteld onder redactie van Ton Koot. Amsterdam/Brussel 1975. (Met bijdrage van zijn hand over De grachtenhuizen, hun bouwers en hun bewoners.) Het mysterie van Muiden, Het Muiderslot, Een monografische beschouwing over een tijdperk van zeven eeuwen, gewijd aan Nederlands roemruchtste kasteel. Met tekeningen van W.G. Hofker. 's-Gravenhage 1977.

Amsterdam, wat een stad! Met tekeningen van W.G. Hofker. 's-Gravenhage 1981.

Het West-Indisch Huis. Amsterdam 1981. (Met Geurt Brinkgreve.)

Voorts heeft hij artikelen gepubliceerd in het orgaan van de Bond Heemschut, waarvan hij van 1946 tot 1972 redacteur was, in de maandbladen Amstelodamum en Ons Amsterdam en in het Nieuws van de Dag.