Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1988


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, 1987-1988. E.J. Brill, Leiden 1989  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 80]

Gedenksteen voor Carel Vosmaer
De Ruyterstraat 73 's-Gravenhage 17 juni 1988

Wie was Mr. Carel Vosmaer?
Door Dr. F.L. Bastet

Het was aan het Haagse Buitenhof dat op 20 maart 1826 Carel Vosmaer geboren werd, wiens sterfdag op 12 juni 1888 wij nu precies een eeuw later herdenken, merkwaardig genoeg in de week waarin Couperus juist honderdvijfentwintig jaar geleden geboren werd en Eline Vere exact honderd jaar oud is geworden. Er is tussen de twee grote Hagenaars althans dit verband dat zij elkaar goed gekend hebben, en dat Couperus een uitgesproken bewonderaar van Vosmaer is geweest.

Vosmaer is een volstrekt ten onrechte te veel vergeten figuur. In de jaren zestig bleek mij bij een onderzoek in het familiearchief - dit naar aanleiding van een regeringsopdracht, die zou resulteren in een volgend jaar opnieuw te verschijnen studie over zijn twee reizen naar Italië - hoe centraal Vosmaer destijds heeft gestaan in het Nederlandse culturele leven van de negentiende eeuw. Op de belangrijke rol die hij gespeeld heeft in relatie tot de jonge beweging van Tachtig heeft Garmt Stuiveling bij herhaling gewezen. Bekend mag worden verondersteld wat Vosmaer gedaan heeft voor Jacques Perk, een genegenheid voor diens persoon en poëzie die hem alleen daarom al bestempelt tot wat men zou kunnen noemen ‘de Vader van Tachtig’. Vosmaer en Kloos is een ander chapiter, dat wij hier vandaag beter kunnen laten rusten. Het is een niet altijd meer door iedereen beseft feit dat, lang voor de oprichting van De Nieuwe Gids, Vosmaer in De Nederlandsche Spectator werk heeft opgenomen van Perk, Kloos, Emants, Paap, Verwey, Van Eeden, Prins en Couperus. Zijn grote veelzijdigheid werd door zijn tijdgenoten niet alleen gesignaleerd maar ook uitgesproken bewonderd, hoewel de nodige kritiek, vooral van de kant van Huet, die zich tot een van zijn vijanden heeft ontwikkeld, hem ook niet bespaard is gebleven. Het is mijns inziens veelzeggend dat niemand minder dan een Multatuli een goede vriend van hem was. Vosmaer is zelfs getuige geweest bij diens huwelijk met Mimi. Multatuli, wiens invloed hij ook onderging, erkende eigenlijk maar drie Nederlandse letterkundigen van enig formaat: Pierson, Huet en Vosmaer.

Carel Vosmaer stamde uit een oud geslacht van patriciërs, in de achttiende eeuw onder anderen door Arnout Vosmaer nauw met de Oranjes

[p. 81]

verbonden. Prinsgezinden derhalve. In hem sluimerden bijzondere gaven die in de bescherming van zijn milieu tot evenwichtige ontplooiing konden komen, zoals hij het ook, geromantiseerd, beschreven heeft in Bladen uit een levensboek. Grieks en Latijn leerde hij op het Haganum. Ik heb in mijn bezit een oratie uit 1839 van de door Vosmaer bewonderde rector C. Bax, opgedragen aan ‘C. Vosmaer, Gymnasii Haganii, in secunda classe, discipulo’. Daarnaast ontwikkelde hij zijn niet geringe tekentalenten. Als juridisch student te Leiden heeft hij deze nog eens kunnen gebruiken bij het ontwerpen van een der beroemde maskerades. Later kon men hem met evenveel recht jurist of classicus, letterkundige of kunsthistoricus, verzamelaar, archeoloog of beeldend kunstenaar noemen. De veelzijdigheid van deze Homo Universalis, die ook in het politieke leven niet afzijdig bleef, maakte in combinatie met het feit dat hij van 1873 af financieel in staat was zijn betrekking bij de Hoge Raad op te geven om zich geheel aan zijn liefhebberijen te wijden, dat hij via de Spectator in contact kwam met vrijwel iedereen die in het culturele leven van die tijd een rol van enig belang heeft gespeeld. En niet alleen via de Spectator, want hij publiceerde daarnaast ook nog in een reeks andere tijdschriften.

De keerzijde van de medaille was wel dat hij, zoals eens gezegd is, meer breed dan diep was, hoewel dat voor zijn uitgebreide Rembrandtstudies zeer bepaald niet opgaat, evenmin als trouwens voor zijn vertalingen van Ilias en Odyssee, een zeer moeilijk werk immers. En diep of niet, zowel de Vlugmaren als de Vogels van diverse pluimage vormen nog altijd boeiende lectuur. Binnen de letterkunde was zijn veelzijdigheid verrassend. Romans, gedichten, essays, journalistiek mengelwerk, vertalingen, het is alles in zijn oeuvre aanwezig. Hele generaties zijn met zijn Homerusvertalingen opgegroeid. Ze waren een begrip, doordat hij Ilias en Odyssee voor het eerst in onze moderne taal toegankelijk heeft gemaakt voor iedereen. In de marge zij vermeld dat niet iedereen de kwaliteit ervan onvoorwaardelijk bewonderde. Na de Duitse vertaling van Heinrich Voss heeft men wel eens het grapje gelanceerd: ‘was Vosmaer Voss maar!’

Van zijn jeugd af heeft Vosmaer als ideaal de Schoonheid beleden, met een grote s. Niet als een dweepzieke romanticus zonder stevige ruggegraat, maar na grondige studie van vooral Plato en Winckelmann. Aan Vosmaer als neoclassicist zou een boeiende studie te wijden zijn. De invloed van Winckelmann op Vosmaer is waarschijnlijk groot geweest. Wat deze zegt over de Apollo Belvedere - ‘ich nehme selbst einen erhabenen Stand an, um mit Würdigkeit anzuschauen!’ - heeft Vosmaer met

[p. 82]

overtuiging geciteerd en voor zichzelf als richtlijn aangehouden. Wijsheid, Schoonheid, Kracht, waren voor deze geïnspireerde vrijmetselaar de drie lichtende fakkels op zijn levenspad, zo zegt hij zelf in een van zijn geschriften. Al met al zijn er dus redenen genoeg waarom hij nu juist de aankomende jonge Tachtigers zo heeft kunnen fascineren. Wel heeft dat niet lang geduurd, want toen zij eenmaal in het zadel zaten, lieten ze weinig meer van hem heel, verblind als zij waren door alleen zijn literaire kanten en met voorbijzien van zijn vele andere gaven, zijn activiteiten op het gebied van de toen moderne beeldende kunst wel in de allereerste plaats. Maar die was voor Kloos dan ook vrijwel non-existent.

Vosmaers rol in de Spectator kan moeilijk overschat worden. In zijn Vlugmaren ketterde hij er duchtig op los en het lijdt geen twijfel of hij zou zich in onze tijd warm gemaakt hebben voor milieubeheer, voor monumentenzorg, voor het behoud van het gymnasium oude stijl en nog zo een en ander dat ons nu zo ter harte gaat. De afbraak van de Hofkapel ontlokte hem vlammende tirades, de vrouwenemancipatie vond in hem een warm voorstander, en hij besprak daarnaast rustig nieuwigheden als kunstmatige inseminatie, wond zich op over de katholieke stijl waarin het Rijksmuseum werd opgetrokken, fulmineerde tegen het eerste ontwerp van het monument op Plein 1813, enzovoorts enzovoorts. Dit alles deed hij in een flonkerend, levendig Nederlands, journalistiek maar nooit slordig en met een virtuositeit die alleen hij bezat. Uit zijn grotere essays blijkt eigenlijk overal een verbluffende eruditie bovendien.

Daarnaast publiceerde hij in de Spectator dikwijls kostelijke spotprenten, waar zijn naam niet altijd onder staat. Als reiziger schonk hij Nederland, na een bezoek aan de Elgin Marbles te Londen, de tamelijk gekke, door hem zelf geïllustreerde Londinias, in Homerische hexameters. Lord Elgin - van wie Byron smalend had gezegd ‘noseless himself he brings home noseless blocks, to show at once the ravages of time and pox’ - had volgens Vosmaer een heel wat betere neus voor oudheden gehad dan de meesten van zijn tijdgenoten. Wie het drama van de Elgin Marbles kent, de déconfiture van de Lord en het huwelijksconflict met de Lady, geeft hem ongetwijfeld gelijk. Een slechte archeologische neus had het complete negentiende eeuwse Nederland, zo fulmineerde Vosmaer zeer terecht. Bij alle grote opgravingen in Griekenland uit die tijd heeft ons land verstek laten gaan. In tegenstelling tot de Duitsers, Engelsen en Fransen hebben de Nederlanders geen eigen Instituut gesticht in Athene, en hoe zuur is ons dat tot in onze dagen niet opgebroken. Na Reuvens in Leiden heeft

[p. 83]

meer dan een halve eeuw lang in Nederland vrijwel niemand het meer voor de klassieke archeologie opgenomen - behalve Vosmaer. Maar wat kon hij uitrichten? Als de Zwitserse bodem niet zo hard was, zou hij zich bij de huidige opheffing van instituten en hele klassieke studierichtingen, zoals in Utrecht gebeurd is, waarschijnlijk nog altijd frequent in zijn graf te Territet liggen om te draaien.

Vosmaer was Haags-netjes getrouwd met een deftig-saaie, lieve en betrouwbare, keurige vrouw van lang voor de sexuele revolutie. In dit koele meer des doods sloeg in 1873 ineens een hoge golf op met het verschijnen van de dolle Mina Kruseman. Er is trouwens nog een andere dame geweest, mevrouw Clant van der Mijll-Piepers alias Holda, maar het uitdiepen van dit onderwerp zou neerkomen op het reinigen van een door Huet volgestorte moddersloot en wij kunnen dat hier dus beter overslaan. Mina had literaire aanvechtingen. De eerste die voor haar charmes een ogenblik bezweken is was Multatuli. Aanvankelijk noemde hij haar ‘een stuk kristal’ - ze trad op in Vorstenschool - maar spoedig gingen hem de ogen open en schreef Multatuli, iets minder uitgekristalliseerd, ‘haar borst is juist de hoofdschotel op 't menu van haar talentenbanket. Bah! Ik meende 'n hoer te zien, die bij 't spreken over 'n eerlijke kostwinning op 'r ... buik slaat!’ Maar Vosmaer bleef haar toch in die mate waarderen dat hij haar tot heldin lijkt te hebben omgevormd - misschien met trekjes van Holda ook, wie zal het zeggen - in zijn in 1880 verschenen roman Amazone. De titel alleen al is in dit verband veelzeggend. Het boek ontstond na een Italiaanse reis, die Vosmaer ten dele in gezelschap van de door hem hogelijk bewonderde schildervriend Lourens Alma Tadema maakte. De roman speelt nu eens in Paestum, dan weer in Rome, maar toch wel hoofdzakelijk in de Eeuwige Stad. Hoofdpersoon is een wat vooruitstrevende Hollandse weduwe uit de kringen der gegoede bourgeoisie. Zij drijft haar artistieke vrijzinnigheid op een gegeven ogenblik zo ver, dat zij het bestaat naakt te poseren voor een beeldhouwer, een Amerikaan nog wel, gelukkig iemand met een goede reputatie en in elk geval gebaseerd op een zeer betrouwbare vriend van Vosmaer, Moses Ezekiel geheten. Dank zij de Heer van Walborch alias Vosmaer zelf eindigt deze gedurfde escapade nog juist op tijd veilig bij het Altaar der Gemoedsrust in het Capitolijns Museum. Een kuise, deugdzame doch desondanks veelbelovende schilder - een portret van Alma Tadema, zoals Vosmaer zelf heeft toegegeven - sluit haar daar in zijn eenvoudige armen. De getemde feeks Mina Kruseman zat intussen veilig in Indië, zij het met achterlating van een boek vol intieme corres-

[p. 84]

pondentie waar het Nederlandse volk zich in mocht verlustigen. Ook een aantal van haar brieven aan Vosmaer werd daarin smadelijk prijsgegeven aan het publiek.

Amazone, dat Vosmaer vooral van zijn archeologische kanten laat zien, werd een succes. Penning, Perk, Kloos, Paap en anderen - onder wie we alweer Couperus moeten noemen, die er in zijn Langs lijnen van geleidelijkheid iets van lijkt te hebben overgenomen - bewonderden het enthousiast. Anderzijds moet toegegeven worden dat Huet, Pierson en Van Deyssel er weinig van heel lieten. De laatste is er desondanks enigszins door geobsedeerd geraakt en zou jaren later meer genuanceerd en positiever op zijn vroegere veroordeling terugkomen. Het boek heeft in korte tijd enige herdrukken gehaald, onder andere met charmante illustraties van Rochussen. In 1883 zou Vosmaer nog een tweede reis naar Italië ondernemen. Maar het, niet voltooide, boek Inwijding dat hieruit ontstond moet nu wel als een verbleekt opus gekenschetst worden, dat alle frisheid van Amazone mist. De twee Italiaanse reizen zijn door Vosmaer daarnaast vastgelegd in aardige dagboeken. Daarin wordt ook uitvoerig een bezoek bij Multatuli in Ingelheim beschreven. Ook in 1874 heeft hij Douwes Dekker al in Duitsland bezocht en toen tekeningen van hem, Mimi en het interieur van hun woning gemaakt. Herinneringen daaraan vinden we in de schets Idylle. Bezoeken aan Alma Tadema in Londen zijn eveneens schriftelijk vastgelegd. Vosmaer komt uit al zijn reisjournalen en reisartikelen te voorschijn als een onvermoeibare wandelaar, kijker en geleerde. Maar ook wel als een ietwat naieve, soms betweterige en bijwijlen iets te goedburgerlijke man met een enerverende voorliefde voor Latijnse citaten en ondanks alles toch ook weer niet wars van een zeker conservatisme. Met evenveel liefde beschrijft hij nu eens het Italiaanse landschap en legt hij dan weer allerlei impressies op aantrekkelijke wijze vast met potlood of penseel. Het zal u niet verbazen dat de spreker van dit ogenblik, toen hij zijn vijf deeltjes Wandelingen door de antieke wereld schreef, deze ondertiteling zeer bewust inspireerde op Vosmaers Wandelingen door de wereld.

Al met al zal Vosmaer voortleven als een man die veel goede en vaak ook bepalende invloed heeft uitgeoefend, meer dan dat hij zelf een werkelijk zeer grote figuur was. Het verschil tussen hem en Multatuli was tevens het verschil tussen talent en genie. De bewondering die hij van jongeren oogstte is overigens begrijpelijk genoeg. Het betrof immers de fascinatie voor de veelzijdige dilettant in de goede, oude betekenis van dit woord. Zijn eerlijk schoonheidsbegrip ontwapende hen niet slechts maar inspi-

[p. 85]

reerde tot navolging. Bij de geboorte van De Nieuwe Gids in 1885 schreef Vosmaer: ‘Aan de vruchten moet men de boom leren kennen.’ Hij zei het even hoopvol als welwillend. Maar al in 1886 raakten zijn relaties met de Tachtigers voorgoed verstoord, door een reeks van onverkwikkelijkheden die men nog het best op rekening kan plaatsen van een onvermijdelijk generatieconflict. Vosmaer werd kritiekloos gevonden. Hij van zijn kant vond de jongeren hyperkritisch, en bovendien onheus in hun kritiek ten opzichte van ouderen. Evenals Couperus.

Hoe Vosmaer precies over Couperus gedacht heeft weten wij door een paar positieve schriftelijke uitlatingen. In diens gedichten herkende hij reeds iets bijzonders, en het zal niet alleen uit vriendschappelijke overwegingen geweest zijn dat hij er verschillende opgenomen heeft in de Spectator. In het Vosmaerarchief wordt een menukaart bewaard van een jubileumdiner uit 1885. Op de achterzijde vinden wij de tafelschikking, en ziedaar: ook de heel jonge Couperus, die nog pas één bundeltje verzen had gepubliceerd, treffen wij onder de disgenoten, zij het dan ook vrijwel aan het eind van de tafel. Dat Couperus van zijn kant zich Vosmaer altijd welwillend is blijven herinneren blijkt niet alleen uit de Reis-impressies maar ook uit het volgens Couperus zelf sterk autobiografische Metamorfoze. (De biograaf schijnt overigens volgens sommige recensenten niet uit een dergelijk werk te mogen putten, ook niet als hij het voorzichtig doet. Maar niet alle beoordelaars kennen dan ook zelf aan den lijve het probleem van boeken waarin naar enige zinnige samenhang tussen het werk van een auteur en diens biografische gegevens gezocht wordt. Misschien zou men meer archeologie moeten bedrijven. Vosmaer zou men dan ongetwijfeld aan zijn kant hebben, en Couperus zeer zeker niet minder!)

Op 12 juni 1888 is de Vader van de Tachtigers te Territet in Zwitserland vrij plotseling gestorven. Het kleine kerkhof waar hij begraven ligt bestaat nog. Maar helaas, het na zijn dood in de Scheveningse Bosjes nabij de Kerkhoflaan opgerichte gedenkteken dat destijds de Vosmaerbron heette, een fontein naar een ontwerp van Alma Tadema, is, kort na de laatste oorlog naar het schijnt, gesloopt en roemloos ten onder gegaan. Het is zeer terecht dat Vosmaer nu een plaquette op zijn woonhuis in de De Ruyterstraat krijgt, honderd jaar na zijn dood. Zeker zo verheugend zou het zijn indien de gemeente Den Haag de resten van deze Vosmaerbron nog zou weten op te diepen uit haar depôts, om die vervolgens te herstellen tot wat het eenmaal was: een monument voor een Hagenaar die zoveel meer was dan alleen maar een wat bleke schrijver uit een overleefde

[p. 86]

eeuw. Want mr. Carel Vosmaer is tot zijn dood toe blijven strijden voor een ideaal, de eeuwige, maçonnieke Zauberflöte waardig: dat van Wijsheid, Schoonheid en Kracht, waar hij terecht zo diep in geloofde, ook al was hij toen geen praktiserend vrijmetselaar meer.

Carel Vosmaer en het familiearchief
Door M.C. van Leeuwen-Canneman

Gualterus Vosmaer en Wilhelmina Dana Radermacher waren twaalf jaar getrouwd toen de komst van hun eerste kind zich aankondigde. De blijdschap waarmee dit kind werd verwacht laat zich lezen in een brief van Gualtherus aan zijn broer Jaques: ‘bij voortduring genieten wij een gouden welstand. Na een twaalfjarigen echt zullen wij het genoegen mogen smaken [...] in maart met een spruit verblijd te worden waarvan mijne vrouw thans zwanger is.’1 Vlak voor de grote gebeurtenis deelde de aanstaande vader aan zijn zwager Van Olden mee ‘als 't kind een jongen is zal het Carel heten, een meisje zijnde Wilhelmina Margaretha.’2 Wij zullen hier niet speculeren over de vraag of de geboorte van Wilhelmina Margaretha ook zou hebben geleid tot herdenking van een sterfdag.

Wij slaan de kindertijd en studiejaren van Carel Vosmaer over en verplaatsen ons naar de periode van zijn leven waarin hem het beheer van het familiearchief werd toevertrouwd en wel naar augustus van het jaar 1853. Carel is tot griffier aan het kantongerecht van Oud-Beijerland benoemd. Hij en Mina Clant zijn net getrouwd en hebben hun intrek genomen in het huis Doelwijk in Nieuw-Beijerland, een uur gaans van het ambtskantoor. Het is een groot huis; het bestaat niet meer, althans niet meer in zijn toenmalige vorm, maar dankzij tekeningen van Carel weten wij hoe het er heeft uitgezien.3

Zou dat grote huis ook plaats hebben geboden aan het familiearchief, dat toen ongeveer drie strekkende meter bedroeg? Zeker weten wij het niet, maar wij mogen aannemen dat Carel, nu hij een maatschappelijke positie bekleedde, geacht werd in staat te zijn de papieren nalatenschap van zijn familie te beheren. Te meer daar zijn vader vier jaar te voren was overleden en zijn moeder daarna kleiner was gaan wonen.

Carel beschikte in huis Doelwijk over een ruim bemeten studeerkamer, waar hij ongetwijfeld veel tijd heeft doorgebracht. Vermoedelijk niet zo zeer met ambtsbezigheden. In de tweeënhalf jaar van zijn griffierschap aan het kantongerecht van Oud-Beijerland kreeg hij in totaal vierenveertig za-

[p. 87]

ken te behandelen, die dienden tijdens vierentwintig zittingen. Een gemiddelde van nog geen tien zittingen per jaar, maar daar staat tegenover dat hij wel alle vonnissen eigenhandig moest schrijven.4

In deze Beijerlandse periode ontstond, behalve enkele korte schetsen, de novelle Bladen uit een levensboek, die autobiografische kenmerken bevat; in het verhaal zijn bovendien elementen uit de familiegeschiedenis opgenomen. Dit illustreert dat de familie en de familiegeschiedenis voor Carel Vosmaer een grote betekenis hebben gehad.

De primaire bron tot het bestuderen van de geschiedenis van de eigen familie is het familiearchief - de neerslag van het handelen van leden van die familie - daarnaast de mondelinge overlevering, soms een combinatie van deze twee. Om ons een beeld te vormen van de bestanddelen van het familiearchief Vosmaer zoals dat in 1853 bij zijn nieuwe eigenaar onderdak vond, zullen wij deze familie, in het bijzonder enkele van haar leden, die tot de vorming van het familiearchief hebben bijgedragen, de revue laten passeren.5

Eigenlijk weten wij over de oorsprong van de familie Vosmaer niet zo heel veel meer dan honderdvijfendertig jaar geleden, ondanks het feit dat de bronnen in alle opzichten beter toegankelijk zijn. De naam Vosmaer komt in de vijftiende eeuw reeds voor. Er functioneerden toen in de stadsregeringen van Leiden, Den Haag en Delft magistraten met deze familienaam.6 In Delft leefden in het midden van de zestiende en in de zeventiende eeuw enige families, die min of meer dezelfde achternaam hadden: de katholiek gebleven familie Vosmeer, die veertigraden, geleerden en een apostolisch vicaris had voortgebracht, en de protestantse Vosmaeren, met enige generaties tinnegieters, kunstschilders en goud- en zilversmeden. Deze laatsten nu zijn de voorouders van Carel Vosmaer. Een onderlinge relatie tussen hen en de andere Delftse families is twijfelachtig. In de loop van de zeventiende eeuw trokken de nakomelingen van de goud- en zilversmeden Vosmaer weg uit Delft, vestigden zich in Rotterdam en kwamen in het begin van de achttiende eeuw naar Den Haag.

Van hen was Jacob Vosmaer (1717-1781) de eerste die openbare functies bekleedde. Zijn vrouw, Maria Louisa Mosburger, wier familie nauwe banden onderhield met het Huis van Oranje, bracht in de familie Vosmaer die relatie in. Als een rode - of beter oranje - draad loopt door de familiegeschiedenis de gehechtheid aan de stadhouderlijke familie. Er bestaat een familieverhaal dat op Maria Louisa Mosburger druk werd uitgeoefend om de voedster te worden van de latere Willem v, een verhaal dat wel waar

[p. 88]

kan zijn, omdat vrijwel tegelijk met de erfprins in huize Vosmaer een meisje werd geboren, Susanna Elisabeth.7 Een jaar later, bij de doop van haar broertje Willem Carel, traden dit erfprinsje en zijn zuster Carolina (in naam) op als getuigen.

Jacobs broer was Arnout Vosmaer. Aanvankelijk was hij in de handel werkzaam, hoewel zijn liefde uitging naar het verzamelen van voorwerpen op het gebied van natuurlijke historie, oudheidkunde en numismatiek. Zijn vermaardheid om deze verzameling leidde tot zijn aanstelling als directeur van de kabinetten van natuurlijke historie en van de menagerie van stadhouder Willem v.

Het meisje Susanna Elisabeth - later in de familie wegens haar huwelijk vooral bekend als Tante Heyns - getuigde meer dan eens van haar gehechtheid aan de stadhouderlijke familie. Zo werd zij eens op straat tijdens de onlusten tussen prinsgezinden en patriotten - en nu citeer ik Carel Vosmaer, die dit van zijn vader vernomen familieverhaal heeft opgetekend - ‘[op straat] uitgejouwd als geen Oranje dragende, waarop zij haar mantel opensloeg en riep: wat, ik geen oranje! en haar oranje japon vertoonde. Zij was het die van ds. Heringa, den Kees8 zei: ik wou dat ik zijn kop had, ik zou er soep van koken.’9 Men leze er de Bladen uit een levensboek op na, waarin deze laatste passage letterlijk is opgenomen. Tante bepaalde dat na haar dood alle ringen, medaillons en portretten waarop Oranjes waren afgebeeld, aan prinses Wilhelmina moesten worden bezorgd. De na haar overlijden in 1823 opgemaakte inventaris vermelden er in totaal acht; ook de oranje japon was toen nog aanwezig.10

Tante Heyns is, voor zover bekend, met die oranje japon gelukkig nooit in een patriotse oploop verzeild geraakt; met haar broer Willem Carel liepen de zaken minder voorspoedig af. Deze was advocaat-fiscaal en procureur-generaal bij het Hof van Holland. In 1795 werd hij om zijn prinsgezinde houding van de ene dag op de andere uit deze ambten gezet. Zijn schoonvader, Isaac Scheltus, trof hetzelfde lot en werd als 's lands drukker ontslagen, een functie die leden van zijn geslacht vanaf 1669 onafgebroken hadden vervuld. Isaac Scheltus overleed in 1799; Willem Carel nam enige maanden later de drukkerij van zijn schoonvader - met inbegrip van diens archief - over om zo in het levensonderhoud van hem en zijn gezin te kunnen voorzien.11 Hij dreef die drukkerij Vosmaer en Zoonen met zijn jonge zoons Gualterus en Willem. Gualterus zat nog op de Latijnse school, die hij een jaar later gelijktijdig met zijn oudste broer Jacob verliet. Jacob ging medicijnen studeren; voor Gualterus was een

[p. 89]

academische studie niet weggelegd. Hij kwam definitief in de zaak van zijn vader.

Toen Willem Carel tijdens het koningschap van Lodewijk Napoleon weer ambten mocht vervullen, liet hij het bestuur van de drukkerij over aan Gualterus. Deze werd in 1809 eigenaar, waarna de drukkerij - daar broer Willem hem nog steeds terzijde stond - Gebroeders Vosmaer ging heten. Nog eenmaal deed de gehechtheid aan het Huis van Oranje zich gelden toen in 1813 de befaamde proclamatie ‘Oranje boven, Holland is vrij’ moest worden gedrukt. Gualterus stelde daarvoor zijn persen beschikbaar en leverde eigenhandig de gedrukte pamfletten, verborgen in de bol van zijn hoed, af bij Gijsbert Karel van Hogendorp.12 Spoedig na de vestiging van de soevereine staat werd Gualterus benoemd tot directeur van de Algemene Landsdrukkerij, welke functie hij tot zijn overlijden heeft vervuld.

Middenin de troebele tijden die voorafgingen aan het vertrek van de Fransen, in augustus 1813, trouwde Gualterus met het Haagse meisje van Zeeuwse afkomst Wilhelmina Dana Radermacher. Zij was de eerste van de acht kinderen Radermacher die het ouderlijk huis verliet. Toen haar vader in 1816 stierf en haar moeder vier jaar later, was haar man Gualterus de enige schoonzoon. Haar beide broers waren nog minderjarig; zij zouden op jonge leeftijd overlijden, waarmee het geslacht Radermacher in mannelijke lijn uitstierf.

Gualterus was een integer en solide man, die binnen zijn schoonfamilie een groot aanzien en vertrouwen genoot. Hij regelde de familiezaken bij het overlijden van zijn schoonouders en bij latere sterfgevallen. Zo kwamen grote delen van het familiearchief Radermacher onder zijn beheer. Maar ook in zijn eigen familie was hij veelvuldig executeur-testamentair, voogd of toeziend voogd indien er minderjarige kinderen in het geding waren. Dat heeft eveneens zijn neerslag op de vorming en bewaring van het familiearchief gehad. Hij en niet zijn oudste broer Jacob werd de aangewezen persoon om het familiearchief te beheren.

Toen vader Willem Carel in 1818 overleed waren er uit zijn twee huwelijken nog tien kinderen in leven, van wie er vier minderjarig waren. Jacob had net het hoogleraarschap in de medicijnen aan de Hogeschool te Harderwijk verwisseld voor dat van de Universiteit van Utrecht en was te ver weg en te druk bezig - ook met letterkundige arbeid! - om zich met praktische zaken te kunnen bezighouden. Hij overleed in 1824, zeer betreurd door de familie. Van hem zijn in het familiearchief, naast zijn me-

[p. 90]

disch-wetenschappelijk werk, ook letterkundige produkten te vinden.13 Voor de familie was de in 1826 postuum uitgegeven Nagelaten en verspreide letterarbeid een troost voor het verdriet dat zijn overlijden bij hen had achtergelaten. Zelfs zijn broers in Oost-Indië vroegen in hun brieven om toezending ervan.

Deze twee halfbroers, Jan en Jaques vertrokken respectievelijk in 1820 en 1823 naar Indië. Zij waren Gualterus zeer dierbaar, al vervulden zij hem ook met zorgen. Jan trouwde spoedig na aankomst in de Oost met een Nederlands meisje dat hij tijdens de lange bootreis had leren kennen. Zij werden de stichters van de Indische tak van de familie. Jan kwam in dienst van het Binnenlands Bestuur, vervulde daarin enkele functies op Java en Madoera en werd in 1825 secretaris van de gouverneur van Makassar, drie jaar later assistent-resident van de noorderdistricten van Celebes. Hij en zijn vrouw voelden zich er afgesneden van de bewoonde wereld, daar zij er leefden temidden van de inlandse bevolking en vrijwel geen Europeaan hun pad kruiste.14 Een lichtpuntje in hun bestaan was de min of meer geregelde verschijning van de jongere broer Jaques.

Deze had, ter voorbereiding op zijn loopbaan in zeedienst, de artillerie- en genieschool in Delft bezocht en vertrok in 1823 als adelborst op het korvet De Lynx naar Indië via Kaap Hoorn; een reis vol avonturen die anderhalf jaar duurde. Het marineleven beviel hem echter zeer matig. Spoedig na aankomst kreeg hij verlof zijn broer Jan op te zoeken. De vreugde van het weerzien was zo groot dat hij toen al met het idee speelde ontslag te vragen uit de marine en op handelsgebied zijn geluk te beproeven. Op deze wijze zou hij zijn broer en diens gezin regelmatig kunnen opzoeken. Zijn verplichtingen lagen echter eerst nog ter zee. De Lynx vertrok naar Palembang en werd ingezet bij het onderwerpen van de sultan aldaar aan het Nederlandse gezag. Intussen vroeg Jaques zijn broer Gualterus om advies over deze plannen; deze raadde het hem dringend af, doch de brief waarin het advies stond kwam pas zes jaar later op haar bestemming aan, toen het ontslag al was verleend.15 Misschien maar gelukkig, want Jaques heeft het Nederlandse Gouvernement grote diensten bewezen met zijn handelstochten, die tevens ontdekkingsreizen waren. Hij liet zich daarbij niet ontmoedigen door de talrijke schipbreuken die hij leed en waarbij hij al zijn bezittingen verloor.

Celebes was in die tijd nog vrijwel alleen in naam ondergeschikt aan het Nederlandse gezag. Grote delen van de oostkant van Celebes waren zelfs nog niet bekend. Tijdens zijn ontdekkingstochten deed Jaques kennis op

[p. 91]

van de zeden en gewoonten van de stammen die daar leefden, van hun taal (hij sprak het Boeginees en het Makassaars), van hun middelen van bestaan en legde dit vast in een uiteenzetting, die in de reeks Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap werd opgenomen.16 Maar ook de regering in Batavia wist hij ervan te overtuigen dat een handelspost aan de oostkust van Celebes de invloed van het Gouvernement zou versterken. De baai die zijns inziens daarvoor het meest geschikt was, daar zij een natuurlijke haven vormde, had hij zelf ontdekt en daarna hydrografisch opgemeten. Bij besluit van de Gouverneur-Generaal van 6 februari 1835 mocht deze voortaan Vosmaersbaai heten. Jaques uitte in een brief aan Gualterus zijn vreugde over het feit dat hun familienaam vereeuwigd was; tevens vertelde hij daarin dat hij een in de Vosmaersbaai gelegen zandplaat naar zijn toen vijf-jarig neefje Carelsbank had genoemd.17 Lang heeft hij hieraan niet genoegen kunnen beleven; op reis van Batavia naar de Vosmaersbaai bezweek hij aan galkoortsen. De nederzetting in de Vosmaersbaai, die gedurende enkele jaren een bloeiend bestaan had geleid, werd in 1842 opgeheven. Ook de naam moet toen teloor zijn gegaan.

Gualterus heeft de talrijke brieven van deze twee broers zorgvuldig bewaard en ze gevoegd bij de papieren van zijn voorgeslacht. Zoals uit het voorgaande blijkt kwamen de lijnen van de familieleden en de papieren neerslag van hun handelen bij hem terecht. Plichtsgetrouw en vol piëteit heeft hij het familiearchief onder zijn hoede genomen en het gekoesterd. De liefde voor de familie gaf hij, met het materiaal waarin die geschiedenis verankerd was, door aan zijn enig kind Carel, bij wie dat in goede aarde viel. Carel Vosmaer heeft het archief niet alleen goed bewaard, hij heeft er ook iets mee gedaan.

Zoals dat meestal het geval is in een familie zijn de meest prominente leden onderwerp van onderzoek. Anders dan wij zouden mogen verwachten heeft Carel Vosmaer het publiceren over die vooraanstaande leden van zijn familie zelf maar ten dele ter hand genomen. Al in 1857 gaf hij in De Navorscher, als antwoord op een vraag van een lezer, een korte levensbeschrijving van Arnout Vosmaer, die hij besloot met de toezegging dat hij bereid was de steller van de vraag inzage te geven in het familiearchief.18 Vele jaren later stelde hij de eminente kunstverzamelaar J.P. Six in de gelegenheid kennis te nemen van Arnout Vosmaers beschrijving van diens verzameling Griekse en Romeinse munten. Hoewel Six die verzameling van weinig waarde vond, dankte hij Carel Vosmaer ‘voor de mij geschonken gelegenheid om te zien uit welke munten eene verzameling uit het

[p. 92]

midden der vorige eeuw bestond.’19 De bundel stukken betreffende een conflict tussen Arnout Vosmaer, Petrus Camper en François Hemsterhuis over een dode aap uit de stadhouderlijke diergaarde - door Carel Vosmaer niet zonder humor voorzien van het opschrift De geschiedenis van een orang outan en van drie vechtende geleerden - vormde aanleiding tot uitvoerige besprekingen in De Nederlandsche Spectator. Niet door hem zelf, maar door zijn oudste zoon (pas afgestudeerd in de plant- en dierkunde) en door zijn mederedactielid van De Spectator en directeur van de Koninklijke Bibliotheek, M.F.A.G. Campbell.20

Voor de avonturen en volkenkundige beschouwingen van zijn oom Jaques wist hij eveneens een mederedactielid van De Spectator te interesseren, P.J.B.C. Robidé van der Aa. Deze schreef in de Koloniale Jaarboeken een lijvig artikel, geheel gebaseerd op Jaques' brieven.21 Ook Carel Vosmaers vriend Douwes Dekker las de brieven van wat deze noemde ‘je beminnelijke oom’, urenlang zittend op de grond en geroerd omdat hij zich door zijn eigen tijd op Celebes de situatie zo goed kon inleven, en schreef aan Carel Vosmaer ‘daar is veel ondergegaan met dien man! En ik kan me zoo al de omstandigheden, waarin hij verkeerde, voorstellen.’22

Nu lijkt het alsof Carel Vosmaer volstond met het beschikbaar stellen van het familiearchief voor anderen, maar daarmee zouden wij hem bepaald te kort doen. Hij kende het archief zeer goed - wij mogen aannemen dat zijn vader hem daarin heeft ingewijd - en hij deed veelvuldig onderzoeken. Hij heeft evenwel ook iets aan het archief toegevoegd, iets dat de materie, die op het eerste gezicht wat saai lijkt, kleur geeft. Dat zijn de aantekeningen, waarmee hij vastlegde wat hij uit mondelinge overlevering of vanuit zijn eigen kennis wist. Dat hoeft ons natuurlijk niet te verbazen van iemand, die vaardig met de schrijf- en tekenpen was en die, zoals ik in het begin al aangaf, behept was met een zeker familiezwak, maar aan de andere kant is dat ook weer niet vanzelfsprekend. Zonder Carels aantekening was de oranje japon van Tante Heyns één van de vele in de boedelbeschrijving geweest, nu kennen wij haar rol, al blijft dat petite histoire.

Die behoefte om vast te leggen was kenmerkend voor Carel Vosmaers werkwijze en vond vooral in zijn eigen archief vorm in de vele mapjes documentatie van alle mogelijke onderwerpen, waaruit hij kon putten als hij over zo'n onderwerp wilde schrijven. Uiteraard kan in dit korte tijdsbestek niet een volledig beeld worden gegeven van Carels bemoeienis met het familiearchief. Evenmin van de wijze waarop het archief zijn spectaculaire groei doormaakte van de drie meter, die wij in 1853 aantreffen tot de

[p. 93]

huidige omvang van zestien meter. Dat moet voor een andere gelegenheid worden bewaard!

STAMBOOM



illustratie

[p. 95]

Een Indische erfenis, Jacobus Radermacher (1741-1783) en het Vosmaerarchief
Door M. Kok

Inleiding*

Die Indische erfenis betreft dan een stukje van het Vosmaerarchief, namelijk de archivalia van de familie Radermacher, en daarvan met name de drie portefeuilles met kaarten, prenten en tekeningen die gemeenlijk worden aangeduid als de collectie van J.C.M. Radermacher.1

Wat is de relatie tussen Carel Vosmaer en deze verzameling? Voor mij, die vanwege een kartografische achtergrond bij de inventarisatie van het archief betrokken ben, was Carel Vosmaer in de aanvang niet meer dan een vage, negentiende-eeuwse figuur. Niet gehinderd dus door enige letterkundige kennis begon ik met het opslaan van een encyclopedie alwaar over Vosmaer het volgende werd opgemerkt: ‘hij was werkzaam als griffier bij het Gerechtshof in Den Haag, later bij de Hoge Raad, nam aldaar in 1873 ontslag en wijdde zich sindsdien geheel aan de letteren en de kunstgeschiedenis’, en vervolgens worden dan zijn verdiensten op deze terreinen uit de doeken gedaan. Verdiensten die hij kennelijk hebben kon dankzij deze fulltime toewijding. Als we aannemen dat hij deze verdiensten niet onmiddellijk in voldoende pecunia om heeft kunnen zetten (want welke letterkundige kan dat?), dan rijst de vraag wat eigenlijk de economische basis van Carel's huishouding en daarmee van zijn verdienstelijke activiteiten was?

Het antwoord op deze vraag leidt ons terug in de tijd: langs de collectie-Radermacher, naar Vosmaer's overovergrootmoeder en naar het Batavia van omstreeks 1780. Daar leefde van 1722 tot 1785 een voormoeder van Vosmaer: Sophia Francina Westpalm; als Generaalse, zoals dat heette, want Sophia was gehuwd met de Gouverneur-Generaal Reinier de Klerk.2 Het echtpaar was kinderloos maar Sophia had uit een eerder huwelijk een dochter, Margaretha Verijssel, die trouwde met de bovengenoemde Jacobus Radermacher. Reinier de Klerk was een zeer vermogend man, en dit fortuin kwam in het bezit van het enig kind van Jacobus en Margaretha: Frans Reinier Radermacher, de grootvader van moederszijde van Carel Vosmaer. Vosmaers' moeder namelijk, Wilhelmina Dana, was ook een Radermacher, en zij was het die de Indische erfenis, bestaande uit geld, afkomst en papieren in de Vosmaerfamilie heeft gebracht.3 Sophia erfde in 1780 bij de dood van haar man; toen zij vijf jaar later stierf, waren

[p. 96]

haar zoon en dochter niet meer in leven en verhuisde de erfenis naar Nederland. Bij de dood van Frans Reinier in 1816 werd het fortuin over zijn zes kinderen verdeeld, maar was nog zo aanzienlijk dat het kindsdeel van Wilhelmina Dana na 1873, toen Carel het van haar erfde, de belangrijkste bouwsteen werd van zijn vrijgestelde staat. Een afschrift van Sophia's testament, de bron dus van al dit heerlijks, bevindt zich in het Vosmaer-archief.4 Het is een lange, lange opsomming van geld, huizen, landerijen, boeken, slaven, kleren, meubelen, sieraden en andere bezittingen, en het geeft aldus een fraai beeld van een dergelijk Indisch fortuin. Ons interesseren uiteraard de boeken: één van de titels is een psalmberijming van ds. Josua van Yperen. Deze predikant, stadgenoot van De Klerk, had een wetenschappelijke belangstelling voor niet alleen theologische zaken: hij publiceerde over allerlei anthropologische en natuurwetenschappelijke onderwerpen. Zo moet hem het verschijnsel van de albino's gefascineerd hebben: hij onderzocht er twee letterlijk van top tot teen en nam het in zijn verslaglegging voor deze ongelukkigen op.5 Met deze nieuwsgierige en moderne geest hebben wij de link gelegd met de Verlichting, althans zoals deze op vooruitgang en wetenschappelijke ontwikkelingen gerichte beweging zich in Nederlands Oostindië voordeed. En daarmee zijn wij ook beland bij de centrale figuur van deze beweging, de oprichter en het organiserend hart van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen en de overgrootvader van Carel Vosmaer: Jacobus Cornelis Mattheus Radermacher.6

Dankzij deze Jacobus Radermacher namelijk is aan de familie Vosmaer nog meer gebleven dan slechts het Indische geld waarmee Carel zo gelukkig was: in het Vosmaerarchief bevinden zich een aantal stukken en een drietal portefeuilles met kaarten en tekeningen die door Radermacher zijn verzameld of gemaakt, en die een fraaie illustratie geven van deze verlichte figuur in het Batavia van de tweede helft van de achttiende eeuw.

Biografie

Wie was deze Radermacher? Een portret van hem heb ik helaas nog niet kunnen vinden.7 Wel weten we dankzij het Vosmaerarchief iets over zijn fysieke kenmerken: uit metingen die rond 1780 in het ziekenhuis op het eiland Onrust (voor de kust bij Batavia) zijn gedaan, en waarvan meetlijsten bestaan, blijkt dat hij vijf voet en drieënhalve duim (c.1.64 m) lang was en honderdzestien pond woog. Vergeleken met de andere opgemetenen, (en volgens de meetlijst gingen alle prominenten van Batavia daar aan de haak) was hij nogal een lichtgewicht: zijn vrouw was twaalf kilo zwaarder en de

[p. 97]

Gouverneur-Generaal woog bijna eens zoveel!.8 Over zijn uiterlijk weten we dan ook nog dat hij hevig aan de jicht leed, het Pootje zoals dat heette, welk Pootje hij niet slechts in handen en voeten maar soms zelfs in de bil had. Het tekent Radermacher en zijn tijd, dat hij het geklaag over zijn gezondheid doet vergezeld gaan van enige: ‘Waarneemingen van het gebruik van Tinctuur van Pokhout in de jicht.’ Deze wetenschappelijke optekening van de bestrijding van zijn kwaal maakt dan weer goed dat Radermacher naar hij zelf zegt, nooit in bad ging: omdat hetzelve hem zeer dikwijls een aanval van jicht had doen aankomen. Waar of ingebeeld, in elk geval had Radermacher een gevoelig oog voor het systeem in de bekommernissen van het bestaan: in zijn dagboek schreef hij aan het begin van 1780 ‘Algemeene en bizondere ongelukken van 1780.’ Deze informatie, waardoor de kleine kanten (en zelfs de onderkanten!) van grote mannen worden belicht, hoort typisch tot het soort van zaken die particuliere archieven mede zo interessant maken, en die men zelden in officiële biografieën tegenkomt. Want hoe luidt de officiële biografie van Radermacher?9 Een biografie tussen twee haakjes, die mede gebaseerd is op gegevens die Carel Vosmaer over diens voorvader heeft verschaft.10

Radermacher werd in 1741 in Den Haag geboren als telg van een aanzienlijke familie die al verscheidene bewindhebbers van de voc geleverd had. Geprotegeerd door zijn familie vertrok hij zeer jong naar Indië en maakte daar carrière op de gebruikelijke wijze, onder meer door te trouwen met een vrouw uit de Bataviase voc-elite: Margaretha Verijssel. Met haar - en dat was ongebruikelijk - repatrieerde hij in 1763, ging studeren en promoveerde in Harderwijk als doctor in de rechten. In deze tijd maakte hij kennis met de wetenschappelijke bewegingen in Nederland en beleefde de jonge bloei van de diverse culturele en geleerde genootschappen, een ontwikkeling die hem zeer moet hebben aangetrokken.11 Na zijn afstuderen vestigde hij zich op 13 juni 1766 als advocaat in Arnhem. En dan, tot verbazing van zijn biografen, zit hij, nog geen half jaar na zijn toelating tot de balie, weer op de boot naar Indië; niet eens als voc-beambte notabene, maar als ambteloos en betalend passagier, gebruikmakend van een soort van dienstverlening die de Compagnie zeer ongaarne verleende. Eenmaal terug in Batavia werd Radermacher een vooraanstaand stadsbestuurder, hij werd extra-ordinairlid van de Indische Regering, vervulde diverse andere belangrijke ambten en werd tenslotte, maar helaas postuum, Raad-Ordinair. Zijn belangrijkste wapenfeit was, in 1778 de oprichting van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschap-

[p. 98]

pen; hij was de motor van de activiteiten van dit gezelschap in de eerste vijf jaren van het bestaan, jaren die tevens de bloeiendste waren.12 Nadat zijn vrouw was overleden, huwde hij in 1781 nogmaals, wederom met een aanzienlijke maar zeer jonge (dertien jaar) Bataviase Anna Bosch, met wie hij in 1783 om gezondheidsredenen zoals hij zei, naar Nederland terugkeerde.13 Op deze terugreis werd hij in de Indische Oceaan op 25 december tijdens een muiterij doodgestoken.14 Voorts is dan van hem bekend dat hij in 1764 in Batavia de eerste vrijmetselaarsloge in de Oost stichtte, en dat hij, volgens familietraditie, als vrijmetselaar gedurende zijn gehele leven zeer actief was.15

We zien in deze man dus een zeer aannemelijke voorvader van Carel Vosmaer: geïnteresseerd in wat hij zag als de vooruitgang en met name in wetenschappelijke ontwikkelingen; iemand die niet slechts zelf zeer veel ondernam maar van wie een animerende invloed op zijn medemensen moet zijn uitgegaan, én die het organiserend talent had dit streven in tijdschrift en vereniging vorm te geven.

Archief en biografie

Radermacher's papieren nalatenschap brengt de verscheiden aspecten van dit leven in beeld. Ook verkláren de archivalia het een en ander: de vraag waarom Radermacher zo halsoverkop en als ambteloos man zelfs, naar Indië terugging, wordt enigszins beantwoord als we zijn eigen aantekeningen in het Vosmaerarchief lezen.16 Onder het opschrift Sources du Bonheur beschrijft hij hoe gelukkig te blijven nu hij ten tweede male in Indië verblijft: hij hoeft dan slechts, zo houdt hij zichzelf voor ‘te herdenken de jaren 65 tot 67, de gevaren, het gebrek, de podagra, de veragting, de moeielijke reis’, om te voorkomen dat hij ten tweede male door een vals denkbeeld zou worden veroverd; kennelijk is hij de eerste keer met bepaalde illusies naar Nederland gegaan. ‘En áls ge ooit teruggaat,’ bezweert hij zichzelf, ‘doe het dan nooit met vrouw en kind. Gedenk de dag, 11 mei 1766, dat de heer Van G. U geld geleend heeft en wees verzoend dat uw beste project niet is doorgegaan want een arm staatsman is een ongelukkig schepsel, en er had voor U niets anders opgezeten dan U in de Maas te verdrinken.’17

Tijdens zijn verblijf in Nederland heeft Radermacher een zeer uitvoerige nota geschreven over een eventuele reorganisatie van de toenmalige Nederlandse Oostindische Handelsmaatschappij, de voc.18 Uit deze memorie spreekt dezelfde geest als in Radermacher's latere artikelen in de Verhandelingen van het Bataviaasche Genootschap: zijn menslievend-

[p. 99]

heid wordt gevoed door en beargumenteerd met het algemeen maatschappelijk welzijn, en voor de financiële zijde van dit welzijn heeft hij een scherp en Hollands oog. Zo bewijst hij dat onderbetaling van de matrozen en soldaten, zoals de voc die pleegt, niet alleen als nadeel heeft dat de meesten van hen door gebrek aan eten van honger en kommer sterven, maar dat de Compagnie, om de onvrede daarover te beteugelen een leger van zogenaamde pennisten op de been moet houden, dat uitgespaard zou kunnen worden door een beter personeelsbeleid.

Deze redenering ademt dezelfde geest als zijn stelling in 1784 gepubliceerd, dat de doodstraf zou moeten worden afgeschaft omdat deze onvoordelig is voor de samenleving: ‘een Gehangene is van geen het minste nut voor den t'zaamenleeving’, terwijl daarentegen een heropgevoede ‘schurk vijftig jaar van nut kan zijn, aan [al]gemeene werken, aan gevaarlijke Ambachten en in de vuilste en ongezondste bezigheden.’19 Treffend verwoordt hij ook het karakter van de voc: ‘Hoewel de Compagnie in India wel een vorst verbeeld, moet deze vorstelijkheid dog van de Coopman leven’ en daarom is de handel het voornaamste oogmerk van zijn ontwerp van verbetering van deze Compagnie. Waarschijnlijk was de Compagnie dit wel met Radermacher eens maar desondanks leverde zijn memorie hem niet op wat hij ervan had gehoopt, hij keerde uiteindelijk ‘zonder qualiteit’ naar de Oost terug, sadder and wiser.20

Uit Radermacher's aantekeningen kan de volgende gang van zaken afgeleid worden. Hij is in 1763 met een hoofd en doos vol waarnemingen over de voc en met zeer bepaalde ideeën over de reorganisatie daarvan naar Nederland gerepatrieerd. Ik veronderstel dat hij zichzelf bij die reorganisatie een bepaalde rol, dus functie had toebedeeld. Misschien had hij ook de hoop in Nederland een juridische en/of wetenschappelijke carrière te maken (hij publiceerde in 1765 een wetenschappelijke verhandeling.21 Mét hem repatrieerde ook zijn in Azië getogen en getogen vrouw. Zij zag niet bepaald een vaderland terug, maar belandde op achttien-jarige leeftijd in een voor haar zeer vreemd en onverstaanbaar land. Dit vereist enige toelichting. Omdat de Compagnie al sinds het begin van de zeventiende eeuw geen emigratie van Nederlandse vrouwen naar de Oost had toegestaan, waren alle vrouwen waarmee een vrijgezelle voc-beambte in Batavia trouwen kon, van gemengd Europese-aziatische komaf.22 Deze vrouwen waren beter tegen het klimaat bestand en overleefden ook dikwijls twee of drie echtgenoten. Aldus hadden zij hun verloofden niet alleen belangrijke relaties in de Indische regering te bieden als gevolg van de positie van hun

[p. 100]

vader, maar ook, ingeval van rijke weduwen, geld en voormalige schoonfamilie. voc-carrières waren op deze patronages gestoeld.23 Deze vrouwen waren door Aziatisch huispersoneel opgevoed. Ze spraken Maleis of Portugees; zij droegen, althans in huis de Indische dracht en waren verslaafd aan hun sirihpruim waarvoor de slaven hen altijd de beteldoos achterna droegen.24

Veel meer dan de Nederlandse vrouwen waren zij een op uiterlijk vertoon gerichte levensstijl gewend, waartoe de inkomsten in Indië, althans voor de bovenlaag, ook inderdaad in staat stelden. Deze vrouwen leefden vrijwel geheel onder enkel vrouwen en ontvingen niet of nauwelijks enige opleiding.

Men kan zich voorstellen dat de jonge Margaretha zich hier in Nederland niet erg thuis heeft gevoeld, en dat is dan voorzichtig uitgedrukt. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat de verachting die Radermacher zegt te hebben ondervonden, veel te maken had met de wijze waarop men hem en zijn vrouw tegemoet is gekomen.

Hij begon in deze tijd aan jicht te lijden en ook had hij kennelijk geldproblemen. De advocatenpraktijk liep niet naar wens en hij trachtte, met zijn memorie in de hand het lucratieve ambt van waterfiscaal in Indië te verkrijgen. Toen dat niet lukte en hij ook niet de voorspraak van zijn neef Daniel noch die van de stadhouder verkreeg, begon hij in oktober 1766 te lobbyen bij de Heren xvii om in zijn oude ambt te mogen terugkeren naar Batavia. Ook daarin slaagde hij niet, en toen men hem uiteindelijk de overtocht als betalend passagier toestond, moest hij zich zelfs om die kleine gunst in de handen knijpen, want anders, zo schrijft hij, ‘was er geen hoop van uitkomst geweest.’ Hij meldt dan ook dat hij voor afvaart alle de heren is wezen bedanken.

Een zeereis naar Batavia

Vervolgens heeft Radermacher zich op 20 december 1766 met Margaretha en zijn twee zoontjes Frans Reinier en Johannes Cornelis op het schip de Tulpenburg ingescheept. Ondanks alle persoonlijke narigheden (zijn jongste, een baby nog, overleed diezelfde maand) hield hij zijn ogen open voor alles wat zijn op vooruitgang en verbetering gerichte geest kon interesseren. Op zee was dat de uitbreiding van de hydrografische en navigatorische kennis. Dat hij zeer betrokken was bij de geografische expedities van zijn tijd zoals die door bijvoorbeeld James Cook, toont zijn eigen verzameling.25 Cook's routes tekende Radermacher op zijn eigen kaarten in, en in zijn artikel over de Nederlandse zeekaarten bracht hij dus goed geïn-

[p. 101]

formeerd de nieuwste ontwikkelingen te berde.26 Op zijn eigen zeereis hield hij dan ook nauwgezet hydrografische aantekeningen bij in een journaal dat hij met schetsjes van ankerplaatsen en kustgezichten illustreerde.27 Deze schetsen werkte hij naderhand in Batavia uit tot een serie aquarellen, aan de hand waarvan wij zo'n achttiende-eeuwse zeereis nu nog eens kunnen overdoen.28

Niet in het echt gelukkig want zo'n zeereis naar de Oost anno 1767 bracht zeer veel gevaren met zich mee. Ik noem er enkele:

In de eerste plaats gevaar voor leven en gezondheid. De sterfte op de voc-schepen was omstreeks 1770 door onder andere vlektyphusepidemieën onrustbarend toegenomen tot zo'n drieëntwintig procent. Om onderweg optredende bemanningstekorten op te vangen, werden steeds meer mensen op de schepen geplaatst, wat de gezondheidssituatie nog deed verslechteren;29 tweehonderdvijftig personen vormden een normale bezetting, maar op Radermacher's schip, de Tulpenburg bevonden zich driehonderddrieëntachtig passagiers!30 Dan waren er de problemen met de navigatie: de plaatsbepaling op zee. Hoewel juist in het eind van de achttiende eeuw grote vorderingen werden gemaakt op het gebied van die localisering, waren ten tijde van Radermacher's reis zulke innovaties nog niet of nauwelijks op de voc-schepen ter beschikking.31 Andere gevaren vormden natuurlijk de stormen, de onweders, de verborgen riffen en tenslotte maar niet in de laatste plaats, de altijd aanwezige dreiging van muiterij (zie noot 14). Al deze problemen komen we tegen als we Radermacher's journaal van zijn reis met de Tulpenburg lezen.32

De zeiltocht verliep via de Canarische eilanden, naar de Kaapverdische, de Zoute eilanden zoals dat heette, de eerste ankerplaats. Vervolgens moest men de evenaar op de goede lengte kruisen om een soort Scylla-en-Charybdis te vermijden, namelijk enerzijds de windstille Golf van Guinee, anderzijds een wegzetting naar het Caribisch gebied. Die navigatie pleegde de Tulpenburg goed, maar met de gezondheid ging het veel minder: toen men eind mei de Kaap de Goede Hoop bereikte, waren drieënzeventig van de driehonderdtachtig passagiers overleden en meer dan tweehonderd van hen waren ziek. Eén van de doden is Radermacher's achttien-jarige zuster Susanne geweest, die meer dan zes weken aan zware koortsen had geleden. Na de Kaap wordt het iets minder erg lijkt het. Men heeft er dan 2700 van de 4000 mijl opzitten en Radermacher's journaal houdt in elk geval op met de droevige dodentellingen. Overeenkomstig de instructie voor de voc-schepen zocht de Tulpenburg op weg naar Java,

[p. 102]

eerst de zuiderbreedte van ongeveer 37 graden zuiderbreedte op, om aldaar de steven oost te wenden. Deze route had het voordeel dat op die breedte constante westenwinden en stromingen heersten, die de schepen gemakkelijk oostwaarts voerden.33 Ook voer men zo in minder verzengde lugtstreken, zoals dat heette, wat voor mens en etenswaar natuurlijk beter was.

Deze zogenaamde Brouwerroute bracht echter ook een gevaar met zich mee. Dat had te maken met het probleem van de lengtevinding, welk probleem al eeuwen de maritieme gemoederen beheerste. Het behelsde dat men oostwaarts zeilende, niet goed kon bepalen op welk punt op dit traject het schip zich bevond. Gissingen met behulp van het log gingen uit van de afgelegde afstand door het water (de verheid) maar lieten het effect van stroming buiten beschouwing. Ook de Tulpenburg werd met dit probleem geconfronteerd, eerst al bij het eiland Amsterdam, dat men als zoveel schepen eerder voor de boeg kreeg dan gegist. Gevaarlijker was de situatie aan het eind van het oostwaartse traject: daar waar wij de oostkust van Australië weten. Wendde men daar te vroeg de steven naar het noorden, dan verzeilde men onder Sumatra vanwaar wegens de passaat Straat Sunda moeilijk bezeilbaar was. Deed men het te laat, dan dreigde stranding op de Westaustralische klippen of een verdaging in Oostjavaanse wateren. Hier raakte de Tulpenburg in moeilijkheden, zoals we zullen zien.

Maar eerst troffen het schip andere narigheden. Een gebeurtenis die Radermacher later in zijn aantekeningen dikwijls als een Godswonder memoreert, is het onweer dat hen op 18 juli treft. ‘Een blikseminslag die uyt de fokkemast een stuk sloeg, de uitkijk dood & vervolgens overboord, en verdronk waerna het vuur door de schoorsteen in de combuis & zo vervolgens rondsloeg en door het Cabelgat weer uyt. ‘Technisch schijnt deze gang van zaken onmogelijk maar daarom wellicht was het des te miraculeuzer. Een tweede ellende trof het schip zes dagen daarna. Ik citeer weer Radermacher:’ De bootsman, over sodomy beschuldigt zijnde, wierd in de boeyen geset, 't geen mij dikwijls 's nagts de slaap benam uyt vrees voor muiterij, hoewel ongegrond als wij hopen. ‘Voor ons, die zijn treurig einde kennen, is Radermacher's angst nog sprekender, al waren het uiteindelijk niet de sodomieten maar de Chinezen die hem doodden!

Stranden op de Australische kust deed de Tulpenburg niet. Maar grote misgissing bleek wel toen men land van Zuid-Java bezeilde en niet in staat was te localiseren waar, langs de kust van Java men zich bevond. Twee dagen voer de Tulpenburg in westelijke richting voort, terwijl Radermacher

[p. 103]

op een kaart van Java, die hij aan boord bij zich had, zich trachtte terug te vinden. Keer op keer klinkt het in het journaal: ‘konden niet verkend raken.’

En toen men dan verkend raakte, bleek dat het schip zich bij het eerste contact bijkans bij de straat tussen Java en Bali had bevonden! De misgissing kon anno 1767 dus zo groot zijn als driekwart van de lengte van het eiland Java! Dat is een onthutsend grote fout.

Aan deze situatie moet iets gedaan worden, vindt Radermacher. En hij doet dat ook, hij slaat aan het tekenen. ‘Dus zullen wij hier ad noteren een Schets van Java's zuidkust tot Batavia toe, en voegen met de gesigten die wij van begin af gehad hebben; het was nodig dat dese gesigten accuraat afgetekent, mede op reys gegeven wierde, opdat de schepelingen het mogten verkennen. Want de onzen’, voegt hij er knorrig aan toe, ‘waren nog niet verkend.’ Dat is, anno 1767 inderdaad opmerkelijk. Deze kust lag al meer dan honderdvijftig jaar op de route van de voc-schepen. En al was de zuidkust van Java geen handelsgebied, toch had de Compagnie om verschillende redenen, diverse expedities uitgerust om de zuidkust in kaart te brengen, het laatst nog in 1739.34 Er waren dus wel degelijk betere kaarten van beschikbaar. We kunnen uit de stukken van het Vosmaerarchief afleiden dat deze hydrografische informatie kennelijk niet op alle schepen voorhanden was en aldus een tekort constateren in het transportbedrijf van de voc. Ondanks de misgissingen bereikte de Tulpenburg op 21 augustus 1767, acht maanden na het vertrek uit Amsterdam, dan toch de reede van Batavia.

Tenslotte

In de jaren die volgden tot 1783 was Radermacher een zeer actief lid van de Indische regering en nauw betrokken bij het binnenlands bestuur van Java. Hij maakte verschillende reizen naar dat toen nog zeer ontoegankelijke binnenland.35 En ook op die reizen tekende hij zelf profielen.36 Hij verzámelde ook kaarten van het binnenland van Java, zoals bijvoorbeeld een kaart van alle negorijen, dorpskernen zouden wij zeggen, van Oost-Java. Waarschijnlijk had die kaart iets te maken met de onttrekking aan Balinees gezag, door de Compagnie omstreeks 1780, van dit gebied Balambengan.37

Eén van de belangrijkste kaarten in het Radermacherbestand is het grafische overzicht, getekend door ingenieur A. von Leupken, van de routes van legertochten die de Compagnie gedurende de jaren 1680-1740 naar het binnenland van Java heeft uitgezonden. Deze kaart verdient nader on-

[p. 104]

derzoek juist in verband met het (voor)oordeel dat de Compagnie zich kartografisch weinig aan het binnenland gelegen heeft laten liggen.38

Behalve met Radermacher's bemoeienissen met de hydrografie en het bestuur van Java had dit verhaal evenzo gemakkelijk gevuld kunnen worden met zijn activiteiten inzake de ruimtelijke ordening van Batavia,39 zijn initiatieven met betrekking tot het Bataviaasch Genootschap,40 of zijn belangstelling voor van alles en nog wat: planten, dieren, werktuigen, financiën en religie.41 Radermacher's archief is een achttiende-eeuwse allerhande, die bestudeerd zou moeten worden in samenhang met de archieven van de voc en van het Bataviaasch Genootschap.42

Om echter in de sfeer van privé en storie te eindigen, waar ik begonnen ben, keren we nog even terug naar de persoonlijke documenten. Ondanks zijn ongewone mobiliteit kunnen we in Radermacher geen reiziger in hart en nieren zien, zoals in zijn naneef Jaques Vosmaer die later op Celebes de Vosmaerbaai karteerde.43 Daarvoor blijft Radermacher teveel op zijn gemak gesteld, dat hij dan ook op reis achter zich aan laat dragen, zoals blijkt uit zijn paklijst: ‘een coffer, een veldtafel, een stilletje en enige provisiën.’44 En gevoelig voor het natuurschoon van Java was hij zeker niet. Over de vulkanen rond de Puncakpas, tussen het huidige Bogor en Bandung, waarheen tegenwoordig elk reisbureau zijn bussen leidt, schrijft Radermacher: ‘Nu wij zijn de bergen rond geweest, maar het is niet dan armoede en ellende daar; men ziet niet dan dezelfde berg, die altijd dezelfde schijnt, [een vulkaan!] zodat ik niemand deze reis ooit zal aanraden.’ Een soort heer Bommel eigenlijk, deze Radermacher. Maar dan wel een achttiende-eeuwse Bommel, met een ingebouwde Tom Poes; behept met een lijnrechte leergierigheid en een onblusbaar vertrouwen in de mogelijkheid om de wereld vooruit te helpen. Zijn nagelaten papieren in het archief van Vosmaer geven een kleur aan deze verlichte Nederlandse figuur (die dat ook letterlijk was, want hij was de eerste die voor straatverlichting in Batavia zorgde). In het archief zien wij hem voor ons, met al zijn intellectuele gaven, goede bedoelingen en preoccupaties. Aldus vormt Radermacher's collectie een uitstekend voorbeeld van de wijze waarop archieven van particulieren onmisbare bronnen zijn voor de vaderlandse geschiedschrijving, in Den Haag en in de Oost!

[p. 107]

Wat bezielde Vosmaer? De relatie tussen Carel Vosmaer en Victor de Stuers
Door J.A.A. Bervoets

In de jaren 1873 tot 1878, formuleerde de Nederlandse overheid voor het eerst een kunstbeleid. Het proces begon in 1873, toen het geruchtmakende artikel van Victor de Stuers, Holland op zijn smalst, in De Gids vers-

[p. 108]

cheen. Het eindigde in 1878, het jaar van de ontbinding van het college van rijksadviseurs voor de monumenten van geschiedenis en kunst, waarin diezelfde De Stuers secretaris was en waarin ook Carel Vosmaer zitting had. Voortaan moest De Stuers het alleen klaren. Tot 1901 was hij de onaantastbare referendaris geworden: zijn beleid was wet. Maar in de beginjaren is Carel Vosmaer zowel zijn geestverwant als zijn tegenstander geweest, hetgeen zal blijken uit de volgende incidenten.

Toen Victor de Stuers zijn fameuze Gids-artikelen Holland op zijn smalst en Iteretur decoctum schreef, was Vosmaer vaste medewerker van De Nederlandsche Spectator. We hadden al eerder aanwijzingen gevonden in de briefwisseling van De Stuers met Enschedé in de Koninklijke Bibliotheek.1 Maar uit het archief Vosmaer blijkt zonneklaar dat een groot deel van de caricaturen die in de jaren 1873-1874 in de Spectator verschenen, van zijn hand zijn: gesigneerde ontwerpen zijn er in overvloed.2 Het is alleen aan het harde lithografeerkrijt van Schmidt Crans te wijten dat ze in de uitvoering soms zo moeilijk te herkennen zijn.

De geestverwantschap tussen Vosmaer en De Stuers op het gebied van monumenten- en kunstbeleid blijkt bovendien uit hun wederzijdse reacties: zelfs hun humor gaat gelijk op. Een commentaar van Vosmaer op een wedstrijd voor monumenten ter herdenking van de belegering van de citadel van Antwerpen valt samen met dwaze persiflages op Denkmal-ontwerpen van De Stuers.3 Op Iteretur decoctum van De Stuers, die als secretaris van het College van Adviseurs zijn regeringsprogram schreef, volgde in de Spectator een tekening van Schmidt Crans, waarop de bijval duidelijk te zien was.4

Bekijken we nu de totaal veranderde situatie vijf jaar later. Groter vijandschap is er nauwelijks denkbaar.5 In de Spectator van 29 december 1877 reageert Flanor, de befaamde columnist van de Vlugmaren, op het Gids-artikel van De Stuers, Een bouwkunstig spook. Hij bezigt hier woorden als manie, zelotisme, geweld en tyrannie. En De Stuers is geen haar beter. Op de vergadering van de rijksadviseurs die op het stukje van Flanor volgde, meende De Stuers Vosmaer te moeten ontmaskeren als de auteur van wat hij een anonieme aanval op zijn beleid noemde. Terwijl hij als oud-medewerker van de Spectator wist dat Vosmaer, zo hij althans niet zelf de schrijver was, zich volledig verantwoordelijk stelde voor de inhoud van de Vlugmaren. Een vergiftigde relatie, die er niet beter door werd toen Vosmaer met de liberaal Fock uit het college stapte.

Wat was er in die tussentijd gebeurd? De rijksadviseurs hadden niet al-

[p. 109]

leen de taak te adviseren over monumenten en kunstvoorwerpen, maar ook over het bouwbeleid. Hierover was binnen het college een fundamenteel meningsverschil ontstaan. In dit college had Pierre Cuypers zitting, met wie Vosmaer het al eerder aan de stok heeft gehad. In 1863 werd er een prijsvraag uitgeschreven voor een een monument ter nagedachtenis van het Nederlands volksbestaan in 1813; Cuypers won dit concours. Zijn ontwerp werd echter niet uitgevoerd, omdat tal van vooraanstaande personen protesteerden tegen het neogotische, dus middeleeuwse, dus roomse - onnederlandse - ontwerp. Ook Vosmaer had bezwaren tegen het ‘confessionele’, het ‘kerkelijke’ karakter van het monument. Hij stelde hiertegenover de klassieke richting in de stijl van de zeventiende-eeuwse bouwmeester Jacob van Campen. Terzijde moet worden opgemerkt dat hij bevriend was met Koelman, de ontwerper van het uiteindelijk opgerichte beeld op Plein 1813, die tevens directeur van de Haagse Koninklijke Akademie was.

Nu heeft De Stuers, die met Vosmaer samenwerkte in de Spectator, Cuypers eerst leren kennen in het college van rijksadviseurs. Voor hem was het van belang dat er een hervorming werd voorgestaan in het teken- en bouwbeleid, en in het beleid dat hij in 1874 voorstond op het gebied van tekenonderwijs klinken de opvattingen van Viollet-le-Duc door. Het lijkt op het eerste gezicht vanzelfsprekend dat hij Cuypers, die immers een leerling van Viollet-le-Duc was, in zijn beleid betrok. Vosmaer had dit kunnen weten, maar ook hij deelde in grote lijnen De Stuers pedagogische opvattingen over het tekenen als aan te leren uitdrukkingsmiddel.6 Verder was Vosmaer het met De Stuers eens, dat er voor Cuypers als architect vooralsnog geen alternatief was: Vosmaers vriend Koelman was geen architect, maar beeldhouwer. Trouwens, ook Vosmaer had voor ‘de officiele academiestijl’ van zijn eigentijdse bouwkunst geen goed woord over.

Wat bracht hem er dan toe om Cuypers' propaganda voor architectonisch bewustzijn en zijn reconstructies van monumenten te bestrijden? Wat Cuypers deed, of beweerde te willen, was niets anders dan aan stijlen uit het verleden een functionaliteit te ontlenen en zo tot een rationele opvatting van goed bouwen te komen. Maar Vosmaer houdt vol - ook na tegenargumenten van De Stuers - dat de neogotiek van Cuypers niet constructief is, maar ‘middeneeuws’ en dus in dienst van het roomse. Hiertegenover stelde hij dat ‘de hervorming’ samenviel met ‘de herleving der klassieke (toen Romeinse) kunst.’ Alle bezwaren die Thijm, De Stuers, Cuypers en hijzelf wellicht konden aanvoeren tegen het onfunctionele

[p. 110]

gebruik van daklijsten, ornamenten, pleisterwerk ten spijt. Waren het zijn bezwaren tegen het katholieke geloof zelf? Was het, zoals Tillema het in zijn Schetsen uit de geschiedenis van de monumentenzorg in Nederland noemt, antiklerikale ‘gezichtsverwarring’?7

Om dat te beantwoorden, is het van belang na te gaan hoe Vosmaer eigenlijk over kunst en over de functie van kunst in de samenleving dacht. Hierover had hij zich reeds in 1858 uitgesproken tijdens de prijsuitreiking op de Haagse tekenakademie, in een uiteenzetting over ‘de aanvang en de ontwikkeling van het schoonheidsgevoel bij de oudste kunstwerken.’8 Hij maakte in de beschavingsvormen uit de tijden vóór Christus een onderscheid tussen schoon en primitief. In de primitieve kunstwerken werd, aldus Vosmaer, wel naar schoonheid gestreefd, maar zij werd niet verkregen. Dit was een gevolg van ‘onmacht des geestes’, die van schoonheidsgevoel was verstoken. Ware schoonheid is volgens Vosmaer uitbeelding van de natuur, maar de oudste kunstwerken (Egyptische, Indische, Assyrische), weken van het natuurlijke af. Men verwarde namelijk het schone met het verhevene, het godsdienstige, het monumentale: kunstwerken waren in de ogen van de alleroudse kunstenaars in de eerste plaats monumenten, gedenktekens aan heersers of godheden. Eerst wanneer de kunstenaar niet meer streeft naar het monument of de symbolisering van een godheid, maar de werkelijkheid van de natuur uitbeeldt, ontdekt hij het schone. Dat moment breekt in de geschiedenis van de beschaving eerst aan in de bloeitijd van de Griekse kunst: het kunstwerk heeft dan geen verwijzende functie meer, maar is ‘zelfgenoegzaam’ en drukt ‘natuurschoonheid’ uit.

De kritiek van Vosmaer op het verhevene in de kunst der ouden vöör Griekenland kan ook als kritiek op de kunst van zijn eigen tijd worden gelezen. Hij constateert in symbolische kunst gebrek aan harmonie, waarvoor ‘geweld en pathos van uitdrukking’ en ‘het eenzijdige, onharmonische overwicht van het sprekende’ in de plaats zijn gekomen. Is symbolische kunst is, aldus Vosmaer, de kunst van verering, van onderwerping, natuurlijke kunst is de uitdrukking van vrijheid. In Vosmaers artistieke opvattingen kunnen vrijheid en religie niet samen gaan.

Het is bekend dat bij Vosmaer het estethische hoogtepunt van de kunstgeschiedenis gelegen is in het oude Griekenland, vanaf de hegemonie van het democratische Athene onder Pericles. Andere culturele hoogtepunten zijn: de Italiaanse stadsstaten der ontluikende Renaissance en de Nederlandse Renaissance van de zestiende eeuw. Vosmaer beveelt studie

[p. 111]

van Lucas van Leyden en Jan van Scorel aan als uitdrukking van ‘Hollandsch eigenaardige [=karakteristieke] geest’, die samenviel met de ‘staatkundige wedergeboorte’ van reformatie en opstand.9 ‘Het vrije volk,’ zo schrijft hij over de Republiek, ‘dat met traditie, paus en koning had gebroken, trad als geheel nieuw op, en eerst in dat volk kon een kunst zich ontwikkelen gelijk de Hollandsche, volstrekt menschelijk, natuurlijk, onafhankelijk, uit volksaard en volksleven onmiddellijk ontsproten.’10

Door het natuurlijke in de kunst te verbinden aan ontstaansgeschiedenis van de nationale vrijheid der volkeren kiest Vosmaer ook voor de bouwstijlen uit die tijd; toen werd verwezen naar de klassieke kunst. Maar dit kenmerkt hem nog niet als een blinde neoclassicist in de stijl van een Eberson of een Alexander Ver Huell. Want schoonheid kan volgens hem slechts in vrijheid gedijen: het is geen classicisme met voorschriften. Er is dus meer aan de hand. Van Vosmaers vriend Koelman, die als directeur van de Haagse akademie in 1858 de hierboven aangehaalde redevoering moet hebben bijgewoond, is bekend dat hij als docent oog had voor de vernieuwingen van de Haagse school. En Vosmaer zelf voert in zijn bundel Vogels van diverse pluimage een pleidooi voor het zelfstandige kunstenaarschap tegen academische regels in: hij parafraseert Ovidius' metamorfose, waarin Pallas Athene de tapijtweefster Arachnè, die zich in haar voorstellingen niet aan de voorgeschreven schoonheidsnormen houdt, laat veranderen in een spin. En dan betuigt hij zijn solidariteit met de verliezer: Arachnè is het zinnebeeld van ‘de democratische kunst, die, uit alles zichzelve wil ontleenen, haar eigen weg volgt en haar eigen begrip.’11 Aldus een Vosmaer, die in 1881 zijn aarzelingen overwinnen zal en zich onvoorwaardelijk zal scharen achter de poëtische vernieuwingsdrift van een Jacques Perk, en die dan zijn Iris in de Spectator zal plaatsen en in het publiek verdedigen.

In de briefwisseling van Perk met Vosmaer wordt Multatuli's leuze: ‘de roeping van de mens is mens te zijn’ aangehaald.12 Mogelijk zag Vosmaer in de kunst der klassieken en die van de Renaissance een verwezenlijking van dit ideaal. Wat kon hij echter stellen tegenover de vernieuwingsdrift van De Stuers, die zelf een emancipator was op het gebied van een vastgelopen cultuurbeleid? Een alternatief had hij niet. In de geschiedenis van de monumentenzorg, tevens de ontstaansgeschiedenis van een bouwbeleid van de overheid komt hij als verliezer naar voren: andere vernieuwers zouden aan het Nederlandse bouwen een karakteristieke richting geven die het aanschijn van het land totaal zouden veranderen en het debat dat door

[p. 112]

Vosmaer en de Stuers werd gevoerd, zouden overvleugelen. Vosmaers antiklerikale oppositie, zijn aanklacht tegen de ‘bureautyrannie’ en ‘de onderwerping van den mensch naar de beginselen eener partij die geene vrijheid duldt’ kreeg daardoor de schijn van een zinledige rancune. Had het in die tijd en die omstandigheden anders gekund? Want week ook Cuypers niet af van ‘de alleenheerschende, de staatskunst met haar traditioneele stijl en hare conventioneel-ideale voorstelling’? Men kan zich afvragen of in Vosmaers ogen artistieke expressie wel verenigbaar was met overheidsbeleid, vooral als het gaat om directieven inzake bouwkunst. Misschien geeft verdere studie hierop uitsluitsel.

Maar dit kan wel worden gezegd: in de tegenwoordige tijd, waarin esthetische debatten over architectuur zich verschuilen in termen als functionaliteit, doelmatigheid en aanpassing van de vormgeving, en waarin ruimtelijke ordening het beginsel is van niet één, maar vele ambtelijke bureau's en partijen kan dit appèl uit het verleden zin hebben. Wellicht herkent men iets van zichzelf als men Vosmaer begrijpt als een strijdbaar intellektueel, die tegenover technokratische argumenten een beroep doet op de democratie.

[p. 113]

De letterkundige reputatie van Carel Vosmaer bij zijn tijdgenoten en bij het nageslacht
Door N. Maas

In verheugend grote getale bent u vanmiddag hier aanwezig om de honderdste sterfdag van Carel Vosmaer te gedenken. Om de zaken snel en systematisch af te handelen, zou ik dan ook kunnen concluderen, dat het met het tweede deel van mijn onderwerp: de reputatie van Vosmaer bij het nageslacht, wel goed zit. Als we daarentegen een enquete onder de hier aanwezigen zouden houden over de vraag welke geschriften van Vosmaer eenieder gelezen heeft, en als we zouden aandringen op de uiterste eerlijkheid bij het beantwoorden van die vraag en als we ter stimulering van die eerlijkheid de anonimiteit van de invullers zouden garanderen, dan ben ik er eerlijk gezegd nog niet zo zeker van, dat Vosmaers reputatie bij het nageslacht tegen deze proefneming bestand is.

Feit is in ieder geval, dat bij Vosmaers leven en in de eerste jaren na zijn dood zijn werken grote oplagen bereikten, dat ze druk besproken werden in kranten en tijdschriften, en dat een aantal van hen ook vertaald werd in het Duits, het Frans en het Engels. De roman Amazone behaalde tien drukken; de bundels Vogels van diverse pluimage werden zesmaal gedrukt; de roman Inwijding en de gedichten Nanno en Londinias behaalden ieder drie drukken. Bij een enquête die het weekblad De Nederlandsche Spectator in 1892 hield naar de meest geliefde boeken, was Vosmaer met maar liefst vier titels vertegenwoordigd bij de top vijfentwintig. In de afgelopen jaren daarentegen waren de mogelijkheden om zich werken van Vosmaer aan te schaffen nogal beperkt. Wel nam Gerrit Komrij maar liefst zeven gedichten van Vosmaer op in zijn befaamde bloemlezing; wel verscheen dezer dagen onder de titel Bladen uit een levensboek en andere verhalen een bundel met drie verhalen van Vosmaer; maar verder was en is de geïnteresseerde lezer op het antiquariaat aangewezen.

Hoewel er in de loop van de afgelopen eeuw door literatuurhistorici met een zekere regelmaat aandacht is besteed aan Vosmaer, valt niet te ontkennen, dat er een groot contrast bestaat tussen zijn bekendheid in de negentiende en zijn bekendheid in de twintigste eeuw. Voordat ik inga op die discrepantie en de oorzaken daarvan, moet ik eerst spreken over het

[p. 114]

eerste deel van mijn onderwerp: de letterkundige reputatie van Vosmaer bij zijn tijdgenoten. Het zal duidelijk zijn, dat zowel over het een als over het ander in de beperkte tijd die beschikbaar is maar enkele en globale opmerkingen gemaakt kunnen worden die in geen enkel opzicht volledig pretenderen te zijn.

Als we de vraag stellen naar Vosmaers letterkundige reputatie bij zijn tijdgenoten, moeten we om te beginnen uitmaken wat we precies willen weten. Of, om het anders te zeggen: in welke zin we het woord letterkundig bezigen, in de ruime negentiende-eeuwse betekenis, of in de meer beperkte twintigste-eeuwse. Wij denken bij letterkundigen in eerste instantie aan dichters en romanschrijvers, maar voor de negentiende-eeuwer staat de term letterkunde voor alle geschreven voortbrengselen, waardoor de ontwikkeling van de menselijke geest zich openbaart. Letterkunde omvat dan dus ook historische, filosofische en in het algemeen wetenschappelijke geschriften.

Aanvankelijk is Vosmaer meer een letterkundige in de negentiende-eeuwse zin, dan in de twintigste-eeuwse betekenis van het woord. In de tweede helft van de jaren vijftig debuteert hij met een aantal verhalen die weinig de aandacht trekken, met een studie over het schone en de kunst en met opstellen en boekbesprekingen op kunsthistorisch gebied. In de jaren zestig ontwikkelt Vosmaer zich vooral als kunsthistoricus en als cultuurjournalist. Dat laatste vooral in het weekblad De Nederlandsche Spectator. Als - partijdig - commentator krijgt Vosmaer met name faam als de Flanor van de Vlugmaren. Pas in de jaren zeventig begint hij zich nader te profileren als letterkundige in onze zin: hij bewerkt en herdrukt oudere verhalen in de Vogels van diverse pluimage, voegt er nieuwe verhalen aan toe, en begint gedichten te publiceren. Eerst in de jaren tachtig, als hij de vijftig al ruimschoots gepasseerd is, verschijnen zijn beide romans Amazone en Inwijding. Vosmaer heeft al met al een nogal late carrière gemaakt in de fraaie letteren.

Als de tijdgenoten spreken over Vosmaer, dan hebben ze doorgaans het oog op zijn totale werkzaamheid, op de letterkundige in ruime zin dus. En bij dat spraakgebruik sluit ik mij in deze bijdrage aan.

Voor het antwoord op de vraag naar de reputatie van Vosmaer bij zijn tijdgenoten baseer ik mij hier op het bundeltje In Memoriam dat in 1888 verscheen. Vosmaers vriend en uitgever A.W. Sijthoff verzamelde in dit bundeltje de nekrologieën die in dat jaar aan Vosmaer werden gewijd. Een mogelijk nadeel van deze bron is, dat men bij iemands dood geneigd is de

[p. 115]

minder geapprecieerde kanten van zijn leven en werk te verzwijgen. Daar staat tegenover, dat kritische noten die desondanks in dergelijke teksten voorkomen duiden op het belang dat aan de kwestie gehecht wordt. Het ligt trouwens ook niet voor de hand, dat kritische volgers van Vosmaer op zo'n moment kunnen doen alsof er nooit enige onenigheid is geweest. Bovendien hebben nekrologieën het grote voordeel, dat ze de stellers ervan uitnodigen de balans op te maken over een heel leven.

Van de nekrologieën over Vosmaer kan men niet zeggen, dat ze alleen maar een hagiografisch karakter hebben. Daarvoor was Vosmaer bij leven en welzijn te zeer een voorwerp van tegenspraak. Wie uitgesproken opinies heeft, krijgt ook uitgesproken reacties. Dat gold bij de ontvangst van nogal wat van zijn geschriften, dat geldt ook - zij het in afgezwakte vorm - in het bundeltje In Memoriam. Voor de literatuurhistoricus zijn overigens de auteurs en de werken die discussies losmaken de interessantste. Daar worden de nieuwe banen gebroken, daar zijn de scharnieren van de geschiedenis, daar spreken onze voorvaderen zich het scherpst uit over wat hen beweegt.

Voorop staan in In Memoriam de woorden die Vosmaers mederedacteur M.F.A.G. Campbell (de directeur van de Koninklijke Bibliotheek) schrijft in De Nederlandsche Spectator onmiddellijk na Vosmaers dood. Hij schetst Vosmaers werkzaamheid als volgt:

‘Veertig jaren lang heeft Vosmaer op de bres gestaan om te verbreiden of te verdedigen wat hij voor waar en goed hield; met zeldzame gemakkelijkheid hanteerde hij zijne pen en ofschoon vol humaniteit tegenover andersdenkenden, wist hij, waar het moest, krachtig ja zelfs scherp te zijn bij het bestrijden van wat hij meende te moeten veroordeelen. Hij, zoo geneigd om de menschen lief te hebben, hij, in de eerste plaats voor den vrede gestemd, hij offerde, waar het moest, waar zijn geest getuigde, gemoedsrust en maatschappelijke overwegingen op en trad voor de idealen in het krijt waaraan hij zijn leven lang trouw gebleven is.’

Na deze karakteristiek vermeldt Campbell nog kort Vosmaers klassieke geest, zijn stijl, zijn dichterschap en zijn reputatie als kunstkenner.

Het is niet zonder betekenis, dat Campbell juist Vosmaers strijd voor datgene wat hij als waar en goed beschouwde, voorop stelt. Ook uit andere bijdragen blijkt, dat de tijdgenoten in Vosmaer in de eerste plaats iemand zien met bepaalde maatschappelijke en esthetische idealen. Zijn werken, ook zijn gedichten en proza, staan in de schaduw van die idealen, zij worden gelezen en geïnterpreteerd als uitvloeisel van die maatschappelijke en

[p. 116]

artistieke denkbeelden. Dit beeld zal zich mede gevormd hebben onder invloed van de zojuist geschetste late carrière als dichter en prozaïst. Maar het hangt ook samen met de op dat moment gangbare positie van de schrijver: een positie veel meer midden in het maatschappelijke leven dan tegenwoordig het geval is in Nederland.

Door veel nekrologen wordt opgemerkt, dat Vosmaer niet echt populair was. De massa vond zijn werk te moeilijk. Het meest op de voorgrond trad hij voor de tijdgenoot in de commentaar-achtige rubriek Vlugmaren die hij onder het pseudoniem Flanor verzorgde in De Nederlandsche Spectator. Allard Pierson, die menig robbertje met Vosmaer gevochten heeft, zegt het zo:

‘Want Vosmaer is Flanor. Vosmaer heeft onderscheidene nuttige boeken geschreven. Zijn werk over Rembrandt en dat over de hedendaagsche schilders; zijn geschrift over enkele hoofdstukken der Grieksche kunst komen het eerst in de gedachte. Vosmaer is evenzeer de auteur van onderscheidene belletristische werken, waaronder zijn ‘Londinias’ en zijn ‘Nanno’ een eerste plaats innemen. Maar, terwijl wij in het midden moeten laten wat zijn naam tot het nageslacht zal brengen, staat het vast, dat hij voor den tijdgenoot in de eerste plaats Flanor was; dat hij als Flanor voor ons de grootste beteekenis heeft gehad, en altijd tegenwoordig was voor onzen geest.’

 

De maatschappelijke en artistieke kwesties die Vosmaer aan de orde stelde, komen uiteraard regelmatig terug in de beschouwingen: Vosmaer heeft zich doen kennen als een vrijdenker, als een tegenstander van de instituties van de traditionele godsdienst, als een verdediger van de dwarsligger Multatuli, als een voorstander van liberalisme op geestelijk en maatschappelijk gebied, als een propagandist voor het schone, als iemand die de humanistische en esthetische verworvenheden van de klassieken in vruchtbaar contact wilde brengen met moderne negentiende-eeuwse ontwikkelingen op wetenschappelijk en sociaal gebied. Bij diverse auteurs blijkt - het citaat van Allard Pierson was er al een voorbeeld van -, dat niet alleen de essayist, maar ook de kunsthistoricus de dichter en de prozaïst in de schaduw stelt. De kritische geluiden in de nekrologieën hebben vooral betrekking op Vosmaers ideologische opvattingen. Uiteraard is de confessionele pers bij deze gelegenheid niet plotseling bekeerd tot Vosmaer. De katholieke Tijd merkt op, dat Vosmaer met hart en ziel de klassieke richting was toegedaan en dat hij jegens andere kunstrichtingen dikwijls

[p. 117]

onbillijk en onverdraagzaam was. De anti-revolutionaire Standaard van Abraham Kuyper merkt eveneens op dat de oude Griekse wereld Vosmaers ideaal was. En hij voegt daaraan toe:

‘Zijn levensopvatting zou men zelfs zuiver Grieksch kunnen noemen en als zoodanig stond zij dan ook vijandig tegen het Christendom over, want het kruis was den Grieken een dwaasheid. Verzwegen mag dan ook niet worden, dat Carel Vosmaer de rijke gaven, die God hem toebedeelde, meermalen heeft gebruikt als wapenen tegen het Christendom.’

Men zou graag Flanors commentaar op deze waardering hebben willen lezen.

Ook andere, niet-confessionele auteurs gaan in op het klassieke ideaal dat ze bij Vosmaer onderkennen. En niet zonder bedenkingen. Menigeen - en of dat nu terecht is of niet, laat ik hier in het midden - beschuldigt hem van eenzijdigheid. Anderen spreken er hun twijfel over uit of het aannemen van of het inleven in de Griekse wereld überhaupt mogelijk is. Een teken aan de wand is, dat zelfs een bewonderaar van Vosmaer als de jonge schrijver J.E. Sachse de overledene kwalificeert als de laatste van de ‘groep der klassieke artisten’, een groep waartoe hij Jacob Geel en R.C. Bakhuizen van den Brink rekent. Volgens de nekrologen heeft Vosmaer niet echt school gemaakt. Het Algemeen Handelsblad verklaart dat hieruit, dat de grondtoon van zijn kunst kennis was en dat men evenals Vosmaer zijn hele leven aan de studie van de oudheid gewijd zou moeten hebben, om zijn voetsporen te kunnen drukken.

Allard Pierson brengt overigens nog een ander punt in het geding met betrekking tot Vosmaers bewondering voor de klassieken, namelijk de vraag of Vosmaer niet al te zeer hechtte aan ‘het kleed van Hellas’. Hij doelt daarmee op Vosmaers vertaalopvattingen. Vosmaer beschouwde de vorm als een integrerend onderdeel van het gedicht, en vond dan ook dat bij vertalingen die vorm zo strikt mogelijk gehandhaafd moest worden. In die geest vertaalde hij de Ilias en de Odyssee. Onder anderen met Pierson heeft hij over zijn vertaalprincipes enkele aanvaringen gehad.

De gedichten en prozaboeken van Vosmaer worden door velen geprezen en genoemd als geschriften die zijn roem bij het nageslacht zullen verzekeren. Eensgezindheid over de vraag welk boek het beste is, bestaat er niet. Overwegend oordeelt men er positief over, ook over de roman Amazone, die bij zijn verschijnen felle voor- en tegenstanders kende.

Uit de bundel In Memoriam wordt duidelijk, dat volgens zijn tijdgenoten met Vosmaer een van de belangrijkste, zo al niet dé belangrijkste le-

[p. 118]

vende letterkundige ten grave is gedragen.

Als we ons afvragen wat de oorzaak is of de oorzaken zijn die Vosmaers letterkundige reputatie bij het nageslacht negatief beïnvloed hebben, dan zijn er mijns inziens verschillende dingen te noemen.

In de eerste plaats is er de in ieder geval in Nederland heersende gewoonte om na het afsterven van grote zonen een definitief stilzwijgen te laten neerdalen over de dode. Bij Vosmaer werd dat trouwens nog even uitgesteld omdat posthuum nog twee belangrijke werken verschenen (de vertaling van de Odyssee en de onvoltooide roman Inwijding). Slechts incidenteel komt een Nederlandse culturele dode weer tot leven. Schilders maken wat dit aangaat meer kans dan schrijvers, omdat er in die branche nu eenmaal meer geld omgaat en omdat oude schilderijen in eerste instantie toegankelijker lijken dan oude boeken.

Een tweede, zeer belangrijke oorzaak van de neergang van Vosmaers reputatie was Willem Kloos. Hier is sprake van een literaire vadermoord. Zoals bekend, trad Vosmaer op als mentor van de jonge Jacques Perk. Door Perk werd Kloos bij Vosmaer geïntroduceerd en ook tussen Vosmaer en Kloos ontstond een levendige correspondentie. Hoewel er ook allerlei strubbelingen waren, gaf Kloos in particuliere en openbare geschriften blijk van grote waardering voor Vosmaers werk. Door Vosmaers welwillendheid kreeg Kloos de gelegenheid om de uitgave van Perks gedichten voor een groot deel aan zich te trekken. Toen de eerste, literair betrekkelijk kleurloze aflevering van De Nieuwe Gids verscheen, verdedigde Vosmaer in de Vlugmaren het jongerentijdschrift. Maar, als Kloos in het derde nummer van De Nieuwe Gids de dichter Joan Bohl erdoor haalt, zegt Flanor de jongelui de wacht aan: wie zelf nog zo weinig gepresteerd heeft, moet niet op dergelijke wijze de staf breken over ouderen wier verdiensten er toch maar staan. Als een blad aan de boom draait Kloos om. In de volgende Literaire kroniek (in de vierde aflevering van De Nieuwe Gids) opent hij frontaal de aanval op Vosmaer. Sprekend over de kwaliteit van de literaire kritiek in Nederland zegt hij:

‘Van de oudere school is er slechts één, voor wien men eerbied hebben moet; omdat hij te denken en te schrijven weet: dat is Huet.’

En meteen daarop laat hij volgen:

‘Vosmaer zetelt in Den Haag en beschermt de zich van alle kanten aan hem opdringende middelmatigheden, in het wilde weg, alsof hij niet alleen kon staan, maar een stoet van trawanten noodig had, tot stut van zijn vallenden troon. Vosmaer noemt deze tijden ‘mat’, omdat hij niet zien

[p. 119]

wil hoe zij gonzen van leven en passie, omdat hij niet meeleeft het groote leven óm hem, omdat hij zich heeft ingepend in zijn kleine wereldje, in de officiëele hierarchie der conventie, en alle beweging hem thans een gruwel is, daar de banden hem knellen en drukken, als hij zich meebewegen wil. O, die ‘arme tamboer der voorhoede’, die op zijn beurt ‘veel liever slapen’ bleef, met de ‘Erentfeste Auctoritas’ als waakster aan het voeteneind!’

Die tamboer der voorhoede en die erentfeste auctoritas zijn ontleend aan een strijdbaar gedicht dat Vosmaer in 1870 publiceerde in het nieuwjaarsnummer van De Nederlandsche Spectator. De progressief, zo is Kloos' boodschap, is conservatief geworden.

De aanval moet Vosmaer zeer geraakt hebben, niet alleen omdat Kloos zich tegen hem keerde, maar ook door de manier waarop hij dat deed. Kloos wist van de onverholen vijandschap die Huet en Vosmaer elkaar toedroegen. Kloos wist wat hij deed door juist Huet te prijzen op het moment dat hij zich van Vosmaer afkeerde.

In de volgende jaren wordt Vosmaer regelmatig door Kloos geattaqueerd. Het meest in 1890 in het opstel Vosmaer en de moderne Hollandsche litteratuur. In dit opstel beweert Kloos, dat Vosmaer nooit iets van Perk begrepen heeft, dat Vosmaer geen goed dichter was, dat hij tekort schoot als criticus, dat hij geen groot kunstenaar en maatschappelijk hervormer werd omdat de daarvoor noodzakelijke oorspronkelijkheid en passie hem ontbraken. Vosmaer, aldus Kloos, was eigenlijk niet meer dan een kind van zijn suffe en ellendige tijd. Het is een opstel, dat Kloos laat zien in al zijn heerszucht en onbetrouwbaarheid. Maar het gezag van Kloos was groot bij zijn medestanders. En aangezien De Nieuwe Gids en haar volgelingen het literaire leven enkele decennia lang gingen beheersen, ging het met Vosmaers reputatie snel bergafwaarts. Hij ging steeds meer lijken op het beeld dat Kloos van hem gegeven had.

Nu zou het te ver gaan de neergang van Vosmaers reputatie uitsluitend aan het persoonlijke optreden van Kloos te wijten. Er zijn mijns inziens nog enkele andere factoren die de duurzaamheid van zijn roem in de weg hebben gezeten. De literaire richting die Vosmaer vertegenwoordigde, bleek niet de richting te zijn die de toekomst had. De nekrologen die straks aangehaald werden, maakten al duidelijk dat Vosmaer de laatste was van de klassieke richting. Vosmaer heeft wel gehoopt school te maken onder de jongeren, maar het is er niet van gekomen. Over wat er gebeurd zou zijn, als Perk was blijven leven, is slechts te speculeren. De denkbeelden van

[p. 120]

Vosmaer en de jongeren over de rol die kunst en schoonheid dienen te vervullen, liepen uiteen. De individuele zieleroerselen werden de inhoud van poëzie, de psychologie van de uitzondering werd de inhoud van het proza. Dat was de ontwikkeling die zich concreet voordeed in de literatuur van het eind van de vorige eeuw en zo is het gebleven tot op de huidige dag. In een dergelijke literatuur past veel van Vosmaers werk en dat van zijn tijdgenoten niet. Vosmaers reputatie worstelde met het gewone probleem van iedere overleden schrijver, namelijk dat de tijden veranderen en de directe verstaanbaarheid van het werk afneemt. Voor Vosmaers werk geldt dat in nog grotere maten dan voor dat van zijn tijdgenoten, juist omdat het zijn inspiratie bij de klassieke traditie haalt en omdat het veel reminiscenties aan andere kunstwerken bevat. Het veronderstelt informatie bekend die in afnemende mate bij het lezerspubliek aanwezig is. Een boek als Amazone, dat de kunst wilde uitleggen voor de geïnteresseerde leek, is op dit moment voor letterenstudenten alleen maar te lezen met een encyclopedie en een mythologisch woordenboek onder handbereik.

Betekent een en ander nu dat we Vosmaer maar moeten afschrijven voor de twintigste-eeuwse lezer?

Ik geloof het niet. Er zijn tekenen die erop wijzen, dat Vosmaer en zijn andere door de Tachtigers in het vuilnisvat gedeponeerde tijdgenoten een nieuwe kans krijgen bij het nageslacht. Literatuurhistorici houden zich de laatste jaren niet meer in eerste instantie bezig met literaire hoogtepunten die volgens de nog altijd door Tachtig gedicteerde smaak acceptabel zijn. Men richt zich op het geheel van het literaire bedrijf, zonder zich door waarde-oordelen vooraf te laden leiden. Bovendien bestudeert men dat literaire bedrijf in de context waarin het thuishoort: het geheel van de contemporaine cultuur. Wie vanuit deze positie vertrekt, zal al snel merken, dat Vosmaer een van de boeiendste, belangrijkste en veelzijdigste figuren is in de Nederlandse letterkunde van de negentiende eeuw. En het aardige is, dat een lezer die Vosmaer benadert vanuit de positie die hij vervulde in de literatuur van zijn dagen, zal ontdekken, dat ook zijn esthetische behoeften door Vosmaers werk bevredigd kunnen worden. Wel zal hij zich enige inspanning moeten getroosten door met een zekere regelmaat dingen op te zoeken. Maar de verhalen uit de Vogels van diverse pluimage (bijvoorbeeld het semi-autobiografische verhaal Bladen uit een levensboek en de schets Idylle over Multatuli) zijn nog altijd zeer lezenswaard en leesbaar. Gedichten als Nanno en Londinias zijn tegelijkertijd doorwrochte en lichtvoetige werken die menigeen een plezierige avond kunnen bezorgen.

[p. 121]

Wie de romans Amazone en Inwijding leest als de ‘catechismus van Vosmaers filosofie en schoonheidsleer’, zoals een tijdgenoot het uitdrukte, die wordt geconfronteerd met uiterst boeiende werken. En wie leest in de Vlugmaren en Vosmaers andere journalistieke en polemische geschriften, die krijgt te maken met een onuitputtelijke informatiebron voor het culturele leven in de tweede helft van de negentiende eeuw, maar tevens met een scherpzinnig auteur die de pen hanteert op een wijze die niet onderdoet voor die van onze beste hedendaagse columnisten. Niet ten onrechte zijn de Vlugmaren wel eens vergeleken met de Ideën van Multatuli.

Dode schrijvers worden bijna nooit echt populair in Nederland. De kring van belangstellenden in de historische letterkunde is daarvoor per definitie te klein. Maar voorzover er literair leven is na de fysieke dood, heeft Carel Vosmaer op dit moment meer toekomst dan de afgelopen honderd jaar het geval leek te zijn.

Ter herdenking van de honderdste sterfdag van Carel Vosmaer werd op 17 juni 1988 in de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage een lezingenmiddag gehouden die was belegd door het Centraal Register van Particuliere Archieven, de geschiedkundige vereniging Die Haghe, het Letterkundig Museum en de Maatschappij. Aansluitend werd door Peter van Zonneveld, ondervoorzitter van de Maatschappij, en mw. D.M.H. Vosmaer-Hudig gezamenlijk een steen onthuld die de Maatschappij had laten aanbrengen in de gevel van het pand De Ruyterstraat 73, eertijds het woonhuis van Carel Vosmaer.