Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1990


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 1989-1990. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden 1991  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 110]

Gerardus Adrianus van Oorschot
Vlissingen 15 augustus 1909 - Baambrugge 18 december 1987

Gerardus Adrianus van Oorschot was een man met vele gezichten en hoedanigheden. Voor het publiek was hij de stugge, barse uitgever; voor de schrijvers van het door hem beheerde fonds de even dwingende als stimulerende patroon; voor zijn vijanden - diverse ooit door hem uitgegeven auteurs gingen allengs tot dat kamp over - een tirannieke en onverzoenlijke figuur.

Even veelkantig als zijn persoonlijkheid was het verloop van zijn carrière, die werd bepaald door zijn weerzin tegen de maatschappelijke conventies. Nadat hij het diploma van de Hogere Burgerschool in zijn geboorteplaats Vlissingen had behaald, weigerde hij - net als veel andere socialisten die in deze jaren de pacifistische overtuiging van het ‘gebroken geweertje’ waren toegedaan - de militaire dienstplicht te vervullen, en werd in 1929 veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden. Voor en na zijn straftijd werkte hij in de Rotterdamse havens, waar hij betrokken raakte in het activistenwerk. Zo was hij hoofdbestuurder van de Jeugdbond van Onthouding, een socialistische vereniging die het alcoholgebruik bestreed. In die kwaliteit hield hij tientallen lezingen, en stond weldra bekend als een zeer getalenteerd spreker. De retorische gave zou hem zijn verdere leven niet meer in de steek laten. De weerzin tegen de sterke drank daarentegen zette hij spoedig opzij.

Gebruik makend van de landelijke contacten die hij als activist had opgebouwd, begon hij vanaf 1931 de colportage voor het schrijverscollectief Links Richten te verzorgen. Een van de eerste publikaties die hij aan de man hielp brengen, was zijn eigen dichtbundel Gevangenis, waarin hij de ervaringen uit zijn straftijd had verwerkt. Daarmee was zijn intrede in de wereld van het boek een feit, in dubbel opzicht zelfs.

Met de literatuur had hij al heel vroeg kennis gemaakt. Het gezin waarin hij opgroeide hoorde tot het typische vooroorlogse socialistenmilieu. Kennis van de grote burgerlijke kunst werd daar van even groot belang geacht als de ontwikkeling van een eigen cultuur. Zo raakte de jonge Geert van Oorschot thuis in het werk van Multatuli, Heijermans, Adama van Scheltema, Van Collem, Henriëtte Roland Holst, Herman Gorter en Theo Thijssen. Het werd een kennismaking die zijn smaak definitief zou vormen.

[p. 111]

Hoewel Van Oorschot na 1935, het jaar waarin zijn bundel Van Oudegeest tot revolutie verscheen, geen poëzie meer publiceerde, bleef hij tot zijn dood toe ‘versjes’ schrijven. Vrienden placht hij van tijd tot tijd te confronteren met de lyrische kant van zijn natuur. Een enkele keer kon hij zelfs de verleiding niet weerstaan enkele van zijn gedichten in Tirade te publiceren, zij het dan onder een mystificerend pseudoniem. Zo bevatte de aflevering van januari 1979 een reeks gedichten van een zekere Gerrit Smallegange, een oude Zeeuwse amateur-dichter, van wie zelfs een foto op het omslag van het blad verscheen. Aan de journalist Nico Scheepmaker bleek de grap goed besteed: hij lanceerde het bericht dat er een nieuwe Jacques Bloem was opgestaan.

Van Oorschot raakte pas definitief in het boekenvak verzeild toen hij vanaf het midden van de jaren dertig per fiets het land was gaan bereizen, en zijn handel van huis tot huis uitventte. Later heeft hij wel gezegd dat hij boeken ging verkopen op het moment dat hij inzag zelf geen goede romans of gedichten te kunnen schrijven. Gevoegd bij zijn niet geringe verbale vaardigheden vormde deze ervaring hem tot een vasthoudend en vaak ook gevreesd boekverkoper. Veel van de anekdoten die over Van Oorschot de ronde doen, hebben betrekking op de nietsontziende manier waarop hij handelaren nieuwe en dikwijls weinig populaire uitgaven met tientallen exemplaren tegelijk wist aan te smeren.

In 1936 werd hij reiziger voor uitgeverij Stols, op dat moment gevestigd te Maastricht. Twee jaar later maakte hij de overstap naar de Amsterdamse firma Querido. Beide fondsen werden gekenmerkt door de aanwezigheid van een groot aantal topauteurs uit de Nederlandse literatuur van dat moment: J.C. Bloem, E. du Perron, J.J. Slauerhoff, H. Marsman en anderen. Van Oorschots voorkeur voor deze schrijvers zou blijken toen hij vanaf 1945 zelfstandig uitgever werd. Voor die tijd kreeg hij ruimschoots de gelegenheid het vak te leren van de twee specialisten bij wie hij achtereenvolgens in dienst was.

Tijdens de oorlog bleef hij als enige niet-joodse medewerker uit de leiding van uitgeverij Querido achter om van het fonds te redden wat er te redden viel. Niettemin moest het bedrijf in 1943 op last van de Duitse bezetter worden geliquideerd.

Enkele maanden voor de bevrijding besloot Van Oorschot tot de oprichting van een eigen uitgeverij. Eind 1945 vestigde hij zich op het nog altijd bekende adres Herengracht 613, in een pand dat kantoor, magazijnen en woning onderdak bood. Te zelfder tijd verschenen de eerste publika-

[p. 112]

ties van het nieuwe fonds: Bouwen van woning tot stad van Zandstra, Giesen en Symons, de herdruk van Carry van Bruggens Prometheus, een door W.F. Hermans samengestelde bloemlezing uit de gedichten van Focquenbroch, en dichtbundels van Max Nord, Jacques van Hattum en Charles B. Timmer.

Een belangrijke plaats in het fonds werd weldra ingeruimd voor Jacques de Kadt, specialist buitenlandse politiek voor de Tweede-Kamerfractie van de Partij van de Arbeid. Vanaf de vroege jaren dertig was hij Van Oorschots politiek geweten, en hij zou dat voorgoed blijven. Van Oorschot was De Kadt gevolgd naar de Onafhankelijke Socialistische Partij, zoals hij hem ook zou volgen naar de Partij van de Arbeid. Ook die partij verliet hij ten slotte toen De Kadt, als ex-communist een fel bestrijder van de Sovjetunie en om die reden wars van de verzoeningsgezinde houding van veel partijgenoten, daartoe het voorbeeld had gegeven.

Uit loyaliteit met De Kadt en diens ideeën was Van Oorschot niet alleen bereid de verliezen van diverse slecht verkopende titels te dragen. Hij trotseerde ook menig conflict met de elkaar opvolgende redacties van het door hem uitgegeven maandblad Tirade. Opname van De Kadts politieke beschouwingen, die ook na de periode van de koude oorlog tussen Oost en West rabiaat anticommunistisch bleven, was voor de uitgever een voorwaarde om met het blad door te gaan.

Tirade, gestart in 1957, was een periodiek dat Van Oorschots nonconformistische geest aardig weerspiegelde. Het was de opvolger van Libertinage, en net als zijn voorganger bleek het doortrokken van de personalistische literatuur- en levensbeschouwing van Ter Braak en Du Perron, de twee voormannen van Forum. Vanwege de antikatholieke en vrijzinnige houding, die niet alleen uit de geschreven bijdragen bleek, maar ook tot uiting kwam in de illustraties van Melle, Metten Koornstra, Nicolaas Wijnberg en andere kunstenaars, kreeg Tirade zelfs problemen met het subsidie verstrekkende ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen.

Tal van bekende Nederlandse schrijvers en publicisten hebben deel uitgemaakt van de redacties: Jan Eijkelboom, Jan Emmens, J. Goudsblom, Remco Campert, Adriaan Morriën, Joke Kool-Smit en vele anderen. De redacteur die het het langst in de leiding van Tirade volhield, was Gerard Reve, en toen ook hij zich terugtrok, werd het blad voor een kleine tien jaar een eenmansonderneming van de uitgever zelf.

Gerard Reve was ook als fondsauteur een belangrijke steunpilaar van

[p. 113]

de uitgeverij. Nadat hij De avonden bij De Bezige Bij had gepubliceerd, liet hij gedurende de twintig volgende jaren van zijn schrijverschap al zijn boeken bij Van Oorschot uitbrengen, van Werther Nieland tot en met Nader tot U, een van de twee bundels reisbrieven, tot het ontstaan waarvan de uitgever zelf de stoot gaf. Van Oorschot speelde de rol van stimulator wel vaker, bijvoorbeeld bij A. Alberts, van wie hij na jaren aandringen eindelijk De vergaderzaal loskreeg.

Dat de verhoudingen met auteurs ook wel eens veel minder vruchtbaar verliepen, of zelfs in mineur eindigden, bewijzen de vele, voor de rechtbank uitgevochten conflicten met W.F. Hermans, net als Reve een auteur die Van Oorschot uitgaf in de jaren dat haast niemand iets in diens werk zag. Ook Reve zou uit het fonds verdwijnen, toen hij eenmaal een succesvol schrijver was geworden, en de al te patroniserende houding van zijn uitgever niet langer kon velen.

Een van de weinige auteurs die het fonds hun hele loopbaan lang trouw bleven, heette R.J. Peskens, maar dat was dan ook het pseudoniem van G.A. van Oorschot zelf. Peskens maakte zijn debuut met Uitgestelde vragen, een bundel verhalen die over een periode van enige jaren in Tirade waren verschenen. Opgemerkt werd de schrijver pas met de verschijning van zijn tweede boek, Twee vorstinnen en een vorst, een bundel met thematisch nauw samenhangende verhalen. Van Oorschot vertelde er over zijn Vlissingse jeugd en vooral over de dominante factor in zijn opvoeding: de tot een mythische gestalte uitgedijde moederfiguur. In Mijn tante Coleta gaf hij een vervolg op dit boek.

Als schrijver van verhalend proza dreef Van Oorschot op zijn vertellerscapaciteiten. Hij had een leunstoel nodig, een sigaar waaraan hij van tijd tot tijd smakkend moest kunnen trekken, en - het allerbelangrijkste - een gehoor van een of meer luisteraars. Wanneer hij in z'n eentje voor het witte papier moest gaan zitten, zou dat wel eens ten koste van de echtheid en de spontaniteit kunnen gaan, zo vreesde hij. Hoewel hij het meeste van wat hij schreef vrijwel in één ruk neerpende (het schrappen kwam pas tijdens de vele keren dat hij zijn tekst doorlas of ter goedkeuring aan intimi voorlegde), had hij met het hardop vertellen veel minder moeite. Vaak raakte hij zichtbaar meegesleept, en het is niet overdreven om te zeggen dat zijn verhalen een eigen leven gingen leiden, los van wat eens de historische aanleiding was geweest.

Hoe belangrijk het van oorsprong orale karakter van Van Oorschots vertelkunst was, blijkt uit de alternatieve titel van het verhaal De kolenboer,

[p. 114]

dat de bundel Twee vorstinnen en een vorst opent. In een eerder gepubliceerde versie heet het nog Van de band afgetikt, en vormt het de registratie van een mondeling weergegeven geschiedenis. Kennelijk kon het alleen maar worden opgeschreven nadat het aan een aandachtige toehoorder was meegedeeld.

Voor zijn schrijverschap ontving Geert van Oorschot nooit enige bekroning, hoewel het succes van zijn boeken in commercieel opzicht tamelijk groot was, en hij ook bij de kritiek de nodige waardering oogstte. In zijn hoedanigheid van uitgever kreeg hij meer eerbetoon. In 1977 werd hem de Laurens Jansz. Costerprijs toegekend, en in 1986, een jaar voor zijn dood, benoemde de Katholieke Universiteit Brabant hem tot eredoctor. Beide vormen van eerbetoon had hij te danken aan zijn verdiensten voor de Nederlandse cultuur, die hij heeft verrijkt met een aantal standaarduitgaven op het gebied van de klassieke letterkunde (Belle van Zuylen, Multatuli, Ter Braak, Du Perron), en die hij de indrukwekkende Russische Bibliotheek heeft bezorgd, voor vele Nederlanders de brug met een van de belangrijkste letterkundes uit de negentiende eeuw.

 

j. goedegebuure

Voornaamste geschriften

Geert van Oorschot, Gevangenis. Gedichten. [Vlissingen 1932].
Geert A. van Oorschot, Van Oudegeest tot revolutie. Z.p. 1935.
R.J. Peskens, Uitgestelde vragen en andere verhalen. Amsterdam 1964.
R.J. Peskens, Twee vorstinnen en een vorst. Amsterdam 1975.
R.J. Peskens, Mijn tante Coleta. Amsterdam 1975.
R.J. Peskens, Mijn moeder was eigenlijk een Italiaanse. Amsterdam 1977. (Uitgebreide herdruk van Uitgestelde vragen en andere verhalen.)
R.J. Peskens, De man met de urn. Amsterdam 1981.