|
|
|
| |
| | | |
Jan Knol
Aalten 12 mei 1937 - Aalten 11 april 1991*
De neerlandicus Jan Knol werd in 1937 geboren in Aalten, waar zijn vader huisarts was. Jan was het oudste kind in een gereformeerd gezin, waar na hem nog twee zoons en een dochter geboren werden. Hij bezocht de lagere school in zijn geboorteplaats; daarna ging hij naar het gymnasium in het nabijgelegen Winterswijk. Na zijn eindexamen liet Knol zich in 1955 inschrijven als student Nederlands aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.
De studie Nederlands werd onderbroken door een verplicht verblijf in militaire dienst. Na een opleiding in Kampen werd hij korporaal-schrijver. Aan die functie dankte hij naar eigen zeggen de vaardigheid om nauwkeurig te typen en om solide ambtelijke volzinnen te produceren. Zijn leven lang zou hij de typemachine trouw blijven: een ooit door hem aangeschafte tekstverwerker vond men na zijn overlijden nog geheel onuitgepakt. Ook heeft menige commissie op de Vrije Universiteit aan Knol waterdichte reglementen te danken en een op precieuze wijze verzorgde en gekoesterde correspondentie. De door hem als student bijgehouden collegedictaten waren onder zijn medestudenten ‘universeel begeerd’ wanneer er een onontkoombaar tentamen in de ‘caroniaanse taalkunde’ afgelegd moest worden, zoals een jongere studiegenoot van hem, J.D.F. van Halsema, dat eens formuleerde.
Na zijn kandidaatsexamen werd Knol in 1962 assistent van de hoogleraar taalkunde aan de Vrije Universiteit, Willem J.H. Caron, een expert op het gebied van zestiende- en zeventiende-eeuwse grammatica en historische fonetiek. Wie ooit assistent is geweest van een hoogleraar oude stijl, weet wat zo'n functie inhield. De toenmalige kandidaatsassistent was breed inzetbaar; Knol gebruikte zelf eens de term ‘stofzuigerassistent’. Moesten sommige assistenten ook af en toe boodschappen doen voor de echtgenote van de hooggeleerde, tot de meer reguliere taken behoorde het boeken halen en brengen bij de bibliotheek, maar ook gewoon veel typewerk. In het geval van Knol dienden niet alleen artikelen te worden overgetikt, maar ook complete spraakkunsten, want het fotokopieerapparaat had nog niet triomfaal zijn intocht gedaan.
Als assistent heeft Knol bij de voorbereiding van Carons in 1964 verschenen heruitgave van de Spreeckonst (1635) van de predikant-foneticus
| | | |
Petrus Montanus een belangrijke rol gespeeld. Toen in de jaren tachtig Montanus' origineel, maar nogal hermetisch werkstuk weer in de belangstelling kwam te staan, bleek Knol een van de zeer weinigen te zijn in ons land en daarbuiten die de resultaten van deze hernieuwde interesse op hun werkelijke waarde schatten kon.1
De uitnodiging om op het Groningse filologencongres van 1970 een voordracht te houden over ‘de School van Wille’2 noopte hem ertoe af te studeren. Na zijn doctoraalexamen werd hij tot wetenschappelijk medewerker benoemd bij de afdeling Nederlands van de Vrije Universiteit en daar is hij tot zijn onverwachte dood in 1991 werkzaam gebleven. In de loop der jaren gaf hij onder meer colleges Oudijslands, Gotisch, historische taalkunde, geschiedenis van de taalkunde en taalnormering. Ook was hij jarenlang als docent verbonden aan de Vrije Leergangen te Amsterdam, waar hij lesgaf in de afdeling m.o.-b Nederlands. Knol heeft graag en veel onderwijs gegeven. Hij was een aimabel en gewaardeerd collega.
Aan de Vrije Universiteit had Knol Nederlandse taal- en letterkunde gestudeerd onder de hoogleraren Gerrit Kuiper (1904-1973) en Willem J.H. Caron (1901-1988). Kuiper, die er letterkunde doceerde, was een erudiet geleerde, die maar moeilijk in staat was zijn uitgebreide kennis in schriftelijke vorm aan anderen over te dragen. Evenals hij was ook zijn collega Caron een leerling van de eerste hoogleraar Nederlandse taal- en letterkunde aan de Vrije Universiteit, Jacobus Wille, (1881-1964). Wetenschappelijk gezien was Wille een perfectionist, die volkomen zekerheid wenste te hebben alvorens tot publikatie van onderzoeksresultaten over te gaan. Op zijn colleges in de jaren twintig en later in geschrifte keerde hij zich tegen de veelal negatieve oordelen die R.A. Kollewijn (1857-1942) en diens medestander, de Utrechtse hoogleraar Nederlands C.G.N. de Vooys (1873-1955), in het kader van de spellingstrijd over de oude Nederlandse grammatici hadden geveld. Wille, principieel en fervent tegenstander van spellingvereenvoudiging, verweet De Vooys partijdigheid. Hij was ervan overtuigd dat de vroegere taalkundigen meer waardering verdienden. Daarom werd mede op zijn initiatief de reeks Trivium in het leven geroepen. Deze serie ‘Oude Nederlandse geschriften op het gebied van de grammatica, de dialectica en de rhetorica’ (1953-1972) had als doel het beschikbaar stellen van teksten uit vroegere perioden om vakgenoten de gelegenheid te geven zich een zelfstandig inzicht te verwerven ‘in den groei en den opbouw van ons oudere en hedendaagse algemene beschaafde Nederlands in zijn onderscheidene spheren
| | | |
en stijlen’.3 In deze reeks is in de loop der jaren een aantal belangrijke edities verschenen, totdat de uitgever begin jaren zeventig van mening was dat de serie niet commercieel interessant meer was. Jan Knol nu was de laatste redactiesecretaris van Trivium, maar het is niet alleen hierom dat hij getypeerd kan worden als de laatste taalkundige vertegenwoordiger van de ‘School van Wille’. Ook hij betoonde zich krachtens opleiding en karakter terughoudend in het publiceren van wetenschappelijke vondsten en bevindingen. Aan de in de jaren tachtig steeds toenemende academische publikatiedruk heeft hij niet willen en kunnen toegeven.
Was de Trivium-reeks gericht op zestiende- en zeventiende-eeuwse geschriften, Knol wilde met zijn onderzoek nieuw terrein openleggen en richtte zich daarom op de tot voor kort sterk verwaarloosde achttiende-eeuwse Nederlandse taalkunde. In de geest van Wille, die trouwens dit boek al op zijn lijst van dissertatieonderwerpen had staan, en op instigatie van zijn leermeester Caron, zette Knol zich na zijn benoeming als medewerker aan uitgave, vertaling en commentaar van de in 1707 anoniem verschenen Idea linguae belgicae, grammatica, poetica et rhetorica van Adriaen Verwer (c. 1655-c. 1720). Verwer was een koopman die zich onledig hield met het bestrijden van de ideeën van Spinoza, actief was op taalkundig gebied en als gesprekspartner van Lambert ten Kate fungeerde. Dat hij zijn grammatica in het Latijn schreef, heeft kennisneming ervan altijd in hoge mate belemmerd. Vandaar dat men in vroeger eeuwen enkele malen geprobeerd heeft het boek in het Nederlands te vertalen, evenwel zonder succes. Ook Knol heeft zijn promotieonderzoek over Verwer niet met een publikatie kunnen afronden.
Het werk aan de grammatica van Verwer werd vertraagd door een bredere studie van achttiende-eeuwse Nederlandse grammaticale geschriften. Na het vertrek van Caron, wiens verzamelde studies bij die gelegenheid door Knol bezorgd werden4, trad D.M. Bakker (1934-1985) in 1971 aan als hoogleraar Nederlandse taalkunde aan de Vrije Universiteit. Bakker zette de historlografische vu-traditie voort, zij het niet strikt filologisch gericht, maar meer met het oog op de taalkundige grondslagenproblematiek, zoals eerder, in de jaren twintig, de hoogleraar algemene taalwetenschap H.J. Pos (1898-1955) aan de vu de geschiedenis van de taalkunde had behandeld. Aan de door Bakker samen met G.R.W. Dibbets geredigeerde Geschiedenis van de Nederlandse taalkunde (1977) leverde Knol een substantiële bijdrage met een grondig overzicht van de achttiende-eeuwse grammatica, dat nog steeds als pièce de résistance van zijn
| | | |
oeuvre kan gelden.5 Een ander resultaat van zijn intensieve bemoeienis met de achttiende eeuw was de mede door hem samengestelde bibliografie van achttiende-eeuwse Nederlandse taalkundige geschriften.6
Het linguïstisch-historiografisch werk van Knol moet geplaatst worden tegen de achtergrond van de veranderingen die zich hebben voorgedaan op het gebied van de geschiedenis van de taalkunde. De historiografie van de taalwetenschap is een vakonderdeel dat in ons land betrekkelijk laat op systematische wijze werd beoefend. De studies waren weinig talrijk en - naar aanleiding van spellingdiscussies - vooral selectief van aard. Vanaf het midden van de jaren zeventig vond in Nederland op dit terrein een overgang plaats van het in belangrijke mate filologisch georiënteerde werk à la Trivium naar meer wetenschapstheoretisch gericht onderzoek. Deze inhaalslag ten opzichte van het buitenland werd in eerste instantie gemarkeerd door het verschijnen van het werk van Bakker en Dibbets in 1977. De nieuwere Nederlandse taalkundige historiografie kenmerkt zich, zeker vanaf het midden van de jaren tachtig, door regelmatige en continue produktie en een hoge organisatiegraad, zowel in nationaal als in internationaal verband.7
Bij al deze ontwikkelingen was Knol merkbaar aanwezig, zo niet prominent dan wel dienstbaar en loyaal. Ik zou hem in dezen als overgangsfiguur willen typeren. Hij had meer affiniteit met wat ik maar de filologische aanpak noem dan met de studie naar intellectuele context of met soms modieuze methodologische problematiek. Hij vervulde gedurende een aantal jaren consciëntieus het secretariaat van de toenmalige Werkgemeenschap Geschiedenis van de Taalwetenschap, een van de eerste werkgemeenschappen van de in de jaren zeventig opgerichte Stichting Taalwetenschap, en hij was betrokken bij de begeleiding van verscheidene z.w.o.-projecten. Op de bijeenkomsten van het latere Werkverband Geschiedenis van de Taalkunde, waar hij enkele malen een voordracht hield, was hij een actief deelnemer, die de andere leden graag attendeerde op hun onbekend relevant materiaal. Solidair als hij was, ging hij in 1988 mee naar de bescheiden eerste jaarlijkse bijeenkomst met Duitse vakgenoten in Münster, een treffen dat nu uitgegroeid is tot een goede traditie.
Jan Knol, altijd vrijgezel gebleven, liet zich graag boeien door muziek, antiquarische boeken en oude vestingwerken. Met de ontwikkelingen zoals die zich in kerk, universiteit en maatschappij voordeden, was hij niet gelukkig. Hij liet dat wel eens merken in een ingezonden stuk in de krant, of presenteerde zijn bezorgdheid in een terloopse opmerking met de hem
| | | |
typerende droge humor. Soms echter kreeg je de indruk dat hij zich terugtrok in de burcht van zijn boeken en zekerheid zocht in het geloof der vaderen, waarover hij in het algemeen weinig mededeelzaam was. In een verloren moment op een late maandagnamiddag, de verplichte vergadermiddag, verhaalde hij eens over een vakantiereis in het toen officieel godloze Albanië. Bij historische exposés vergiste de toegewezen gids zich wel eens en liet het ‘before Christ’ over zijn lippen komen in plaats van het voorgeschreven ‘before our era’. Knol vertelde dit voorval niet zonder merkbaar genoegen.
Na veel wikken en wegen besloot Jan Knol gebruik te maken van een van de regelingen die in het kader van de universitaire bezuinigingen in het leven waren geroepen. Per 1 september 1991 zou hij officieel van de Vrije Universiteit vertrekken. De collega's besloten bij wijze van cadeau hem een aantal ‘taal- en letteroefeningen’ aan te bieden.8 Echt afscheid nemen was niemand van plan - men verwachtte immers een gedetailleerde reactie op de voorgelegde ‘oefeningen’ en ook de dissertatie over Verwer moest nog af9 -, maar Knols plotselinge overlijden gaf aan wat als feestbundel bedoeld was, onbedoeld het karakter van een definitieve afscheidsgroet.
In april 1990 woonden we een door buitenlandse collega's georganiseerd congres in Luxemburg bij. Na het diner in een excentrisch gelegen restaurant liepen we terug naar het hotel in het centrum. De weg ging wat omhoog, en Knols marstempo daalde evenredig. Hij stond stil om op adem te komen en maakte een routinegebaar, het rollen van een sigaret. Schertsend merkte ik op dat hij maar aan conditietraining moest gaan doen. Een vol jaar later echter bleek de weg voor hem te steil en werd hij door een hartaanval geveld.
j. noordegraaf
|
*Zie ook: Anthony J. Klijnsmit & Jan Noordegraaf, ‘In Memoriam Jan Knol’, in Beiträge zur Geschichte der Sprachwissenschaft i (1991), p. 150.
1Men zie daarover, hoffelijk maar kritisch: ‘Eerherstel voor de Spreeckonst van Petrus Montanus’, in NRC-Handelsblad, Cultureel Supplement, 28 augustus 1981, en ‘Het interpreteren en begrijpen van een oude foneticus’, in Forum der Letteren 24 (1983), p. 37-43.
2‘Jacobus Wille’, in De schouders waarop wij staan. Bio- en bibliografische informatie bij de lezingen in de sectie Nederlandse taalkunde van het eenendertigste Nederlands filologen-congres, Groningen, april 1970, z.p. [1970], p. 17-19; ‘Van De Vooys naar de School van Wille. De spraakkonstenaren’, in Handelingen van het eenendertigste Nederlands filologencongres gehouden te Groningen op woensdag 1, donderdag 2 en vrijdag 3 april 1970, Groningen 1971, p. 137-140.
3J. Wille, ‘Voorbericht van de reeks ‘Trivium’’, in Christaen van Heule, De Nederduytsche grammatica ofte spraec-konst. Uitgegeven, ingeleid en toegelicht door W.J.H. Caron. (= Trivium i, 1.) Groningen-Djakarta 1953, p. xi.
4W.J.H. Caron, Klank en teken. Verzamelde taalkundige studies. Voor herdruk gereedgemaakt en van een bibliografie voorzien door J. Knol. Groningen 1972.
5‘De grammatica in de achttiende eeuw’, in D.M. Bakker & G.R.W. Dibbets (red.), Geschiedenis van de Nederlandse taalkunde, Den Bosch 1977, p. 64-112.
6J. Knol en M. Maas, Bibliografie van de geschriften op het gebied van de Nederlandse taalkunde uit de periode 1691-1804. Amsterdam, Nijmegen 1977. Van zijn publikaties over achttiende-eeuwse taalkunde kan ook nog genoemd worden: ‘Nederlands voor Duitsers in de achttiende eeuw. Nadere gegevens over Matthias Kramer en J.C. Cuno’, in Voortgang, jaarboek voor de Neerlandistiek iii (1982), p. 157-173.
7J. Noordegraaf, ‘Taal, taalkunde en geschiedenis’, in Tijdschrift voor Geschiedenis 101 (1988), p. 575-588.
8Jan Noordegraaf & Roel Zemel (red.), Accidentia. Taal- en letteroefeningen voor Jan Knol. Amsterdam: Stichting Neerlandistiek vu 1991.
9Zijn vertaling van Adriaen Verwers Idea linguae belgicae, grammatica, poetica et rhetorica (1707). Ed. E. van Driel, Amsterdam 1783 zal verschijnen te Amsterdam, bij de Stichting Neerlandistiek vu.
|
|