Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1995


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 1994-1995. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden 1996  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 94]

Reinder Pieter Meijer
Zwolle 2 januari 1926 - Londen 29 september 1993*

Kritische scherpte en vriendelijkheid gaan zelden samen, maar Rein Meijer bezat beide eigenschappen in hoge mate. Dit kwam niet alleen tot uiting in zijn werkzaamheden als hoogleraar Nederlands aan de Londense universiteit, maar ook in de recensies die hij voor NRC Handelsblad schreef onder het pseudoniem P.M. Reinders.

Rein Meijer was een goed verteller, met veel gevoel voor het juiste detail. Soms vertelde hij over zijn jeugd te Zwolle, over de christelijke lagere school en over het Christelijk Lyceum. Iets goeds over Zwolle heb ik uit zijn mond nooit vernomen. Het plaatselijke dialect dat hij met afkeer ‘het spraakje’ noemde, kon bij hem op geen liefde rekenen, terwijl hij toch veel belangstelling had voor de Nederlandse dialecten en in 1948-1951 als wetenschappelijk assistent aan het Instituut voor Dialectologie te Amsterdam verbonden was. Het was in die tijd ook dat hij drie maanden lang, op de fiets en lopend, in België de grillige loop van de taalgrens mocht onderzoeken. Hij hield er een zekere liefde voor Vlaanderen aan over, en dat terwijl chauvinisme, provincialisme en lokaal patriottisme hem wezensvreemd waren.

Rein Meijer studeerde, na het gymnasium-A te hebben doorlopen te Zwolle (1938-1944), Nederlandse taal en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam (1945-1950), met als bijvakken Vaderlandse Geschiedenis en Engels. Vooral de letterkunde vond hij aantrekkelijk. Aanvankelijk had hij klassieke talen willen studeren, maar bij nader inzien bedacht hij zich: niet alleen waren die talen dood, maar ook de literatuur die daarin was geschreven. Hij werd een modernist, die met veel genoegen en deskundigheid de ontwikkeling van de nieuwste letterkunde volgde. In zijn Amsterdamse studententijd hoorde hij tot de vriendenkring van neerlandici, die door J.J. Voskuil in zijn autobiografische roman Bij nader inzien wordt beschreven. In die tijd leerde hij zijn vrouw Edith kennen, met wie hij gedurende de laatste jaren van zijn leven in eendrachtige samenwerking vertaalde uit het Engels, bijvoorbeeld werk van John Updike en Saul Bellow.

Toen hij in 1951 een baan als ‘lecturer in Dutch’ in Australië aangeboden kreeg, aarzelde hij niet. Samen met Edith reisde hij af om er aan de universiteit van Melbourne te werken, waar Jacob Smit - een kenner en

[p. 95]

kritisch lezer van het werk van Constantijn Huygens - hoofd van de afdeling Nederlands was. In samenwerking met Jacob Smit schreef hij in die jaren een Dutch Grammar and Reader (1958, vijfde druk 1978). Tijdens zijn studieverlof van december 1956 tot december 1957 werkte hij aan zijn proefschrift over Achterberg in het ouderlijk huis te Zwolle, een periode die hij geneigd was af te schilderen als de zwartste van zijn leven. Hij promoveerde in 1958 te Melbourne op Bijdragen tot de studie van de poëzie van Gerrit Achterberg. Naar Australisch gebruik werd het proefschrift niet gepubliceerd, maar hij zorgde ervoor dat exemplaren werden gedeponeerd in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam en in de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag.1 Het is een voor die tijd uitstekend proefschrift en geen Achterberg-kenner zal dan ook nalaten het te raadplegen.

In Melbourne was van specialisatie geen sprake en samen met Smit moest Rein Meijer het hele terrein van de Nederlandse taal- en letterkunde zien te bestrijken. De colleges werden er in het Engels gegeven om redenen van didactische doeltreffendheid. Later (in 1971) zou hij ook in Londen bij de leerstoel Nederlands (Bedford College, gelegen in het schitterende Regent's Park) de drempelvrees van zijn studenten verlagen door het Engels als voertaal in te voeren. Aan de voorbereiding van zijn colleges besteedde hij - zowel in Melbourne als in Londen - buitengewoon veel zorg. Hij volgde kritisch en nauwgezet de studies die in het moederland over aspecten van de geschiedenis van de letterkunde verschenen en verzamelde op die manier de stof voor zijn grote werk, de Literature of the Low Countries (1971, tweede herziene druk in 1978; Roemeense vertaling in 1977, een Turkse is in voorbereiding). Zelden zijn in een bestek van ruim 350 bladzijden zoveel rake en heldere typeringen van personen en werken uit onze hele letterkunde gegeven als door Rein Meijer. Bovendien richt hij zich in dit boek duidelijk tot een internationaal lezerspubliek en hij gaat daarbij de discussie niet uit de weg. Dit laatste is ongewoon in de vaderlandse literatuurgeschiedschrijving. Zo schreef hij over de Max Havelaar. ‘D.H. Lawrence, in his introduction to the American edition of 1927, stated bluntly: ‘As far as composition goes, it is the greatest mess possible’. Lawrence was very wrong, for in spite of its chaotic appearance Max Havelaar is an extraordinary well-controlled and coherent novel in which all characters and all situations, however unrelated they may seem, are closely linked and arranged in such a way as te put one another in perspective.’2

[p. 96]

In 1973 publiceerde Rein Meijer zijn inaugurele rede, onder de titel Dutch and Flemish: Two Literatures or One? Die rede heeft nog weinig aan actualiteit ingeboet. Hij betoogt onder andere dat de opsplitsing van de Nederlandse literatuur in ‘Dutch’ en ‘Flemish’ kunstmatig is, als men bedenkt dat het literaire werk en zijn intrinsieke kwaliteiten het uitgangspunt vormen voor de literatuurgeschiedenis. Zijn conclusie luidt dan ook dat het onredelijk is om de Nederlandse literatuur op te splitsen in Vlaams en Nederlands. Geen wonder dat hij Anbeeks Geschiedenis van de Nederlandse literatuur tussen 1885 en 1985 (1990) karakteriseerde als ‘maar een halve literatuurgeschiedenis’ omdat Anbeek voorbijgaat aan alle Nederlandstalige literatuur in België.3

In 1977 werd er vanuit de Universiteit van Amsterdam hard aan hem getrokken, opdat hij Jaap Oversteegen zou opvolgen als hoogleraar, maar hij zag tijdig in dat zijn kwaliteiten als vriendelijkheid en redelijkheid niet tot hun recht zouden komen in de toen aldaar heersende virulente anarchie.

Aan het eind van de jaren zeventig begon het Thatcher-tijdperk. Onder meer werden de letterenstudies in Engeland ernstig bedreigd door reorganisaties. De ‘deal’ was dat alle afdelingen van Bedford College, inclusief de leerstoel Nederlands, moesten worden overgebracht naar het ver onder de Thames gelegen, onaanzienlijke Holloway College. Rein Meijer zag onmiddellijk het gevaar van een marginale positie, die onafwendbaar moest leiden tot uiteindelijke opheffing van zijn leerstoel. Daarom wilde hij dat zijn afdeling zou worden losgemaakt uit de ‘deal’ en dat ze zou worden overgebracht naar University College, waar een bloeiende afdeling Nederlandse Geschiedenis bestond en waar, vanwege de mogelijkheden tot samenwerking, betere overlevingskansen voorhanden waren. Toen bleek hoe ook taaiheid en vasthoudendheid tot zijn kwaliteiten behoorden. Dank zij de tussenkomst van de Nederlandse ambassadeur is ten slotte het pleit beslecht, maar iedereen zal beseffen dat daar voor Rein Meijer jarenlang menig zwart moment aan vooraf is gegaan. Achteraf gezien is het veilig stellen van de leerstoel Nederlands misschien nog zijn grootste prestatie geweest. Zijn visie althans is juist gebleken, want in University College werken de afdelingen Geschiedenis, Kunstgeschiedenis en Nederlands inmiddels samen in een ‘Centre for Low Countries Studies’ met als spreekbuis het bekende vaktijdschrift Dutch Crossing (waarvan het eerste nummer in februari 1977 op Bedford College is gemaakt).

De strijd voor de overleving van de afdeling Nederlands heeft helaas

[p. 97]

ook Reins gezondheid geknakt. Toen de afdeling Nederlands in 1983 naar University College London verhuisde, vertrok een oververmoeide Rein Meijer naar Jakarta om daar een jaar te doceren. Naar later bleek, had hij inmiddels hartproblemen gekregen. Er volgden allerlei operaties, waarover hij een autobiografisch getint, ironisch verhaal schreef voor Hollands Maandblad. In dit blad publiceerde hij ook sinds 1960 brieven uit Australië en andere verhalen onder zijn pseudoniem P.M. Reinders. In 1988 koos hij voor het emeritaat, zoals hij al enige tijd van plan was. Toch bleef hij actief op zijn vakgebied. Samen met Jane Fenoulhet, zijn oud-leerling en oud-collega, publiceerde hij in 1993 Proza van 1930 tot 1990, een bloemlezing van eenvoudige literaire teksten voor studenten Nederlands in den vreemde. De samenstellers hebben in principe slechts teksten met een beperkte woordenschat opgenomen, terwijl ze tevens de grote lijnen van de historische ontwikkeling wilden laten zien. Omdat de gekozen teksten in feite een genoegen zijn om te lezen, moet de keuze van de samenstellers niet eenvoudig zijn geweest.

Daarvóór werkte Rein Meijer als vertaler mee aan ‘Van 1200 tot 1900’, het deel één van de Spiegel van de Engelse poëzie uit de gehele wereld (Amsterdam: Meulenhoff, 1991). Deze bloemlezing werd bezorgd door zijn schoonzus Elizabeth Mollison en door zijn jongere broer, de auteur Henk Romijn Meijer. Hierin gaf Rein Meijer nauwkeurige prozavertalingen van werk van tweeëndertig auteurs, voornamelijk uit de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw.4

Op het terrein van de internationale neerlandistiek werd Rein Meijer zeer gewaardeerd. Hij behoorde tot de oprichters van de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek en tot die van het tijdschrift Neerlandica Extra Muros, waarin hij een eigen ‘kroniek van het proza’ verzorgde. Die bijdragen waren geestig en informatief, in de stijl van de meer dan zevenhonderd recensies die hij over Nederlandse en Engelse literatuur publiceerde in NRC Handelsblad, vanaf zijn tijd in Melbourne tot kort voor zijn dood in september 1993.5

 

karel bostoen

[p. 98]

Voornaamste geschriften

Zie hiervoor de ‘List of Publications by R.P. Meijer’, in Standing Clear, A Festschrift for Reinder P. Meijer. Edited by Jane Fenoulhet & Theo Hermans. (= Crossways, 1.) London: Centre for Low Countries Studies, 1991, p. 7-10.