|
|
|
| |
| | | |
Theodoor Weevers
Amersfoort 3 juni 1904 - Bristol 11 januari 1992
Gedurende veertig jaar heeft Theodoor Weevers aan het hoofd gestaan van de studierichting Nederlandse taal- en letterkunde in Londen en zestig jaar lang is hij op een Engelse buitenpost pleitbezorger geweest van de poëzie van Albert Verwey. Zijn Engelse tijd nam een aanvang toen Weevers, die zich in die tijd als leerling van Verwey voorbereidde op het onderzoek voor zijn doctoraalexamen, in 1931 een aanstelling kreeg in Engeland om daar de neerlandistiek te doceren. Sedertdien verwierf hij bekendheid als Nederlands meest vooraanstaande apologeet van Verwey's poëzie in de Engelstalige wereld. Van 1931 tot 1971 heeft Weevers, eerst alleen, daarna als hoogleraar met vier medewerkers, zijn afdeling aan de universiteit van Londen geleid. De laatste twintig jaar van zijn leven, die hij ook in Engeland doorbracht, besteedde hij grotendeels aan de voltooiing van twee werken over Verwey.
Theodoor Weevers was afkomstig uit een academisch milieu. Zijn vader, eveneens Theodoor geheten, was hoogleraar in de plantenfysiologie in Groningen. Hij had drie zoons en vier dochters; een van zijn zoons, een neerlandicus, had een proefschrift over W.F. Oltmans voltooid, toen hij bij een auto-ongeluk om het leven kwam. Theodoor Weevers studeerde van 1923 tot 1927 Nederlands in Groningen en daarna in Leiden, onder Albert Verwey. Ondertussen legde hij een kandidaatsexamen Engels af in Amsterdam, waarna hij in Groningen in 1930 te maken kreeg met Pieter Harting, die daar pas benoemd was als hoogleraar in de anglistiek. Harting had voor zijn Groningse professoraat van 1923 tot 1925 de afdeling neerlandistiek van de universiteit van Londen geleid en daar was het ook dat Weevers in 1931 zijn lectoraat Nederlands aanvaardde. In Leiden werd Weevers intussen zo gegrepen door het onderwijs van Verwey dat hij eraan dacht onder diens leiding een proefschrift voor te bereiden. Dit moest in Londen geschreven worden en in 1934 kon Weevers promoveren tot doctor in de letteren op zijn studie Coornhert's Dolinghe van Ulysse, de eerste Nederlandse Odyssee.
De Londense afdeling die Weevers in 1931 overnam, was in 1915 gesticht bij een vrouwencollege, het Bedford College for Women. Mannen die er Nederlands wilden leren, werden als elders ingeschreven bezoekers toegelaten. In 1919 had de geschiedkundige Pieter Geyl een zusteraf- | | | | deling bij University College gesticht en tot de komst van Harting vervulde hij de dubbelrol van docent in de neerlandistiek aan Bedford College en hoogleraar Nederlandse geschiedenis aan University College. Dit laatste ambt bekleedde Geyl nog toen Weevers in Londen aankwam.
Bij een vrouwencollege in de idyllische omgeving van Regent's Park was de jonge Weevers, een natuurliefhebber als zijn vader en hoffelijk van aard, zeer op zijn plaats. Studenten kreeg hij in die eerste jaren weinig, ongeveer één hoofdvakstudent per jaar en enkele bijvakstudenten, onder wie leerlingen van Geyl. Over de geduchte opdracht om de gehele Nederlandse taal- en letterkunde van alle tijdvakken te doceren, merkte Harting geruststellend op dat het allemaal uitstalkunst betrof.
Naast poëzie en natuur hield Weevers van muziek en hij speelde viool. Bij een stafconcert op Bedford College hoorde hij een jonge wiskundedocente pianospelen, Sybil Jervis. Het duo dat hij met haar vormde en dat placht te repeteren in de muziekkamer van het college, werd in 1933 een echtpaar.
Weevers maakte een begin met ernstige studie van Verwey bij de dood van zijn leermeester in 1937. Elk jaar moest de docent neerlandistiek in Londen een openbare lezing houden en in 1938 hield hij een herdenkingsvoordracht over Verwey, die hij nadien beschouwde als het begin van zijn eigenlijke levenswerk. In 1943 verscheen het eerste van een reeks artikelen over Verwey in zowel Engelse als Nederlandse tijdschriften.
Tijdens de oorlog week het college uit naar Cambridge en haar Londense gebouwen kwamen ter beschikking van, onder andere, Nederlandse vluchtelingen. Zware bombardementen hebben die gebouwen verwoest. Weevers werkte bij de b.b.c. als omroeper en vertaler bij de Nederlandse Sectie van de Europese Nieuwsdienst, die uitzendingen verzorgde voor het bezette vaderland.
In 1945 werd Weevers tot hoogleraar benoemd, de eerste houder van een leerstoel Nederlandse taal- en letterkunde in Engeland, en langzamerhand werd, samen met de herbouw van het college, zijn afdeling uitgebreid. Om de studierichting buiten de besloten omgeving van een vrouwencollege bekendheid te geven, heeft Weevers in Birkbeck College in Londen een cursus opgezet over het Nederlands op Europees vlak. Enige van zijn beste studenten werden door dit initiatief aangetrokken. Intussen had Sybil Weevers in 1946 haar betrekking opgegeven om meer tijd aan haar twee zoons te besteden en om degelijk piano-onderricht te volgen. Bij gelegenheid werden collega's en studenten uitnodigd in het
| | | |
huis in de voorstad Harpenden om het echtpaar Weevers te horen musiceren.
In 1960 verscheen Weevers' standaardwerk over de Nederlandse poëzie, Poetry of the Netherlands in its European context 1170-1930, een boek dat kenmerkend is voor zijn werkwijze. Het eerste gedeelte bestaat uit commentaar bij gedichten en vertalingen in versvorm, het tweede gedeelte van het boek wordt geheel ingenomen door gedichten met nadichtingen in het Engels. De lyriek uit de Renaissance, de dichters uit de Romantiek en Albert Verwey spelen een hoofdrol. Het Europees kader waarin de Nederlandse dichtkunst geplaatst wordt, bevat verwijzingen naar Duitse, Franse en Engelse literaire stromingen, waarvan de lezer verondersteld wordt op de hoogte te zijn, maar de uitdieping van bepaalde onderwerpen en thema's maakt Poetry of the Netherlands eerder een boek voor de specialist dan een handboek.
Weevers' overige publikaties zijn vrijwel uitsluitend aan Verwey gewijd. Hij beoogde daarmee enerzijds ten behoeve van de Nederlandse lezers een pleidooi te houden voor de kracht van Verwey's poëzie en de ideologie die daaraan ten grondslag lag, anderzijds de Engelse lezers daarmee bekend te maken. Weevers geloofde dat Verwey een tijdloze poëzie had geschapen, waarvan de vervulling in de toekomst lag. Zijn twee belangrijkste boeken over Verwey's dichtkunst moesten wachten tot zijn pensionering, maar in 1965 kwam hij al voor den dag met een gezaghebbende inleiding tot Verwey's poëzie, Mythe en vorm in de gedichten van Albert Verwey, die moest dienen als uitgangspunt voor verdere studie. Hier bespreekt hij Verwey's gedachtenvorming rond de begrippen ‘Idee’ en het ‘Verborgene’, hoe de gedichten ontstaan zijn en de opbouw, volgorde en samenhang van zijn dichtbundels. Vooroordelen dat Verwey's poëzie cerebraal of egocentrisch zou zijn, wil hij weerleggen.
Uiteindelijk moest Weevers' eerste, algemene taak, het doceren van de neerlandistiek aan Engelsen, uitmonden in wat voor hem het primaire doel was geworden: waardering voor Verwey. Tegelijkertijd werkte hij bereidwillig en van harte mee wanneer zijn studenten zich andere doeleinden met hun taalkennis voor ogen hadden gesteld, maar toch was hij teleurgesteld dat niemand onder zijn leiding een gevorderde studie van Verwey heeft ondernomen. Hij besefte evenwel dat de verhouding tussen de Engelsen en Verwey vergelijkbaar was met die tussen Mohammed en de berg: als de Engelsen niet door de studie van het Nederlands tot Verwey gebracht konden worden, dan moest Verwey tot de Engelsen ge- | | | | bracht worden, in het Engels, met Weevers als werktuig. Weevers was dichter en zijn Engels was verrassend origineel. Hij was in Engeland ingeburgerd en met medewerking van zijn vrouw had hij een eigen dichterschap in het Engels ontwikkeld. Hoofdzaak echter van zijn dichterlijke werkzaamheden was het vertalen van Nederlandse dichters, vooral Verwey, in Engelse verzen. Daarnaast heeft hij Engelstalige dichters in het Nederlands vertaald en eigen gedichten geschreven, in het Engels en in het Nederlands. Een mooi verzorgde keuze uit deze eigen gedichten bevindt zich in zijn nalatenschap, waarvan alleen enkele Nederlandse al eens gepubliceerd zijn. Vele van zijn Engelse vertalingen werden opgenomen in twee boeken voor Engelse lezers, Poetry of the Netherlands en Vision and form in the poetry of Albert Verwey. Om inzicht te geven in poëzie die in een vreemde taal was geschreven, verkoos hij een dichterlijke vertaling boven commentaar.
In de laatste zes jaar aan Bedford College, voorafgaande aan zijn aftreden in 1971, beleefde de instelling grote veranderingen. In 1965 werd het College gemengd en met de komst van jongens verdriedubbelde het aantal studenten aan de Nederlandse afdeling tot enkele tientallen. In 1967 werd het mogelijk een dubbele graad te behalen, waardoor men Nederlands samen met een ander hoofdvak mocht kiezen. Bovendien was er de grote omwenteling van de studentenbeweging uit die tijd. Weevers, inmiddels in de zestig en met zijn ouderwets uiterlijk, heeft die innovaties formidabel aangepakt. Er werden uitwisselingen georganiseerd tussen zijn studenten en Nederlandse studenten en Nederlandse geleerden werden uitgenodigd om aan de universiteit van Londen te komen spreken. Twee andere liefhebbers van Verwey, de professoren K.H. Heeroma en C.A. Zaalberg, waren de wegbereiders van wat in later jaren een gewoonte is geworden, die thans, nadat de afdeling neerlandistiek in 1983 was verhuisd naar de plaats waar sinds de dagen van Geyl de afdeling Nederlandse geschiedenis gehuisvest was, aan University College in ere wordt gehouden.
Klein van gestalte, hoffelijk, netjes, formeel in manier van doen en kleding, zelfs zo nu en dan uitgerust met opgerold regenscherm en bolhoed, een letterkundige aan een vrouwencollege, liefhebber van poëzie, muziek en lange wandelingen door de bergen: dat was Weevers, en wie zich hem zo voorstelt, kan zich indenken dat het een wonder is dat deze man zich zo goed kon aanpassen aan een nieuwe generatie studenten en ge- | | | | moedelijk met hen kon omgaan. ‘Er is geen verschil tussen een professor en zijn studenten’, heeft hij eens gezegd; ‘geen van beiden weet iets, alleen de professor weet het te vinden.’ Zij beschouwden hem als een vertrouwde landgenoot die als gids tot een vreemde cultuur optrad en het kon als een verrassing komen als hij op een gegeven moment meedeelde dat hij zijn colleges voortaan liever in het Nederlands gaf, omdat dat zijn moedertaal was.
Zijn pensionering betekende voor Weevers de mogelijkheid om zijn Verwey-studies af te ronden met de uitgave van zijn twee belangrijkste boeken over dit onderwerp, een in het Nederlands en een in het Engels. Droom en beeld. De poëzie van Albert Verwey uit 1978 is zijn voornaamste pleidooi. Hier betoogt hij dat de dichtkunst van Verwey niet verstandelijk was maar spontaan, dat wat Verwey bij het dichten deed niet denken was maar peinzen en mijmeren. Hij bespreekt Verwey's opvatting van dichterschap, de hoogste vorm van geestelijk leven, een allesomvattende mythe. Zoals gebruikelijk is Weevers terughoudend met uitvoerig commentaar, om het verwijt te vermijden dat Verwey's poëzie moeilijk zou zijn en veel uitleg nodig heeft. Voor Weevers was dit dichtwerk als een heilige tekst die voor zichzelf moet spreken. Toch is het duidelijk dat het hier om ingewikkelde poëzie gaat waarover een kenner als Weevers boekdelen had kunnen schrijven. Het boek bevat diepgaande studies over de bundels Het blank heelal, Het lachende raadsel en De legenden van de ene weg. Het Europese kader van Verwey's poëzie wordt behandeld in hoofdstukken die handelen over zijn verhouding tot Wordsworth, Goethe en Stefan George. Wat Weevers heeft ontdekt over de invloed van Wordsworth op Verwey is een van zijn grootste bijdragen aan de kennis van deze dichter.
In 1986 verscheen in Engeland een laatste bijzonder mooie studie, Vision and form in the poetry of Albert Verwey, poëtische citaten met toelichting, benevens een bloemlezing van gedichten van Verwey met daarnaast Engelse nadichtingen van Weevers. De verwantschap tussen Verwey en Wordsworth wordt opnieuw belicht, terwijl ook aandacht wordt besteed aan de invloed die Verwey onderging van Robert Southey, ook een Lakeland-dichter. Vision and form is de neerslag van een levenslange studie van een groot poëtisch oeuvre. Niettemin blijft Weevers' zienswijze betrekkelijk subjectief. Door zich te vereenzelvigen met Verwey wordt hij opgenomen in de wereld van die dichter, maar zijn eigen standpunt verlaat hij nooit. Daarom zijn zijn beweringen soms aanvechtbaar. Het mag wel ironisch klinken wanneer men bedenkt dat Verwey zelf zei ‘dat het
| | | |
voor de nadichter onmogelijk moet zijn’ de essentie van zijn poëzie over te brengen. Desondanks heeft Weevers geprobeerd op grond van zijn ongeëvenaarde ervaring met Verwey's dichtkunst om het visioen van deze dichter aanschouwelijk te maken en weer te geven. Tegelijkertijd heeft hij een eigen visioen op Verwey geschapen.
Sybil Weevers is in 1985 gestorven. In zijn laatste jaren heeft Theo Weevers de uitgave van zijn gedichten voorbereid, in de natuur gewandeld, vriendschappen met oud-studenten onderhouden en nieuwe vriendschappen aangeknoopt. Hij is in januari 1992, op zevenentachtigjarige leeftijd overleden. Hij was lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, corresponderend lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Amsterdam, erelid van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde te Gent en officier in de Orde van Oranje-Nassau.
william woods
| |
Voornaamste geschriften
| Coornhert's Dolinghe van Ulysse, de eerste Nederlandse Odyssee. Groningen-Batavia 1934. |
| Poetry of the Netherlands in its European context 1170-1930. Londen 1960. |
| Mythe en vorm in de gedichten van Albert Verwey. Zwolle 1965. |
| Droom en beeld. De poëzie van Albert Verwey. Amsterdam 1978. |
| Vision and form in the poetry of Albert Verwey. Londen 1986. |
|
|
|