Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1996


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 1995-1996. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden 1997  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 99]

Josepha Judica Mendels
Groningen 18 juli 1902 - Eindhoven 10 september 1995

Het leven van Josepha Mendels is een treffende illustratie van het feit dat de werkelijkheid ongerijmder is dan de gebeurtenissen in menige roman. Haar werk en haar persoon, voor zover peilbaar, maken het moeilijk een biografisch overzicht te geven zonder daarin details te vermelden die in zo'n geschrift ongebruikelijk zijn. Dat zal straks duidelijk worden.

Ik begin met een zakelijke opsomming van de blijken van erkenning die Josepha Mendels ten deel zijn gevallen.

1947: haar debuut, Rolien en Ralien, een roman, wordt onderscheiden met een eervolle vermelding van de gemeente Amsterdam.

1950: de in dat jaar gepubliceerde roman Als wind en rook wordt bekroond met de Vijverbergprijs van de Jan Campert Stichting.

1964: Josepha Mendels ontvangt in Parijs de ‘Palmes Académiques’, ‘pour les services rendues à la Culture Française’.

1982: Josepha Mendels ontvangt bij gelegenheid van haar tachtigste verjaardag in Amsterdam de koninklijke onderscheiding van Ridder in de Orde van Oranje Nassau.

1986: Josepha Mendels ontvangt voor haar gehele oeuvre de (dan voor het eerst uitgereikte) Anna Bijns Prijs, in het Concertgebouw te Amsterdam.

Centrale thema's in haar werk: de kinderlijke beleving, het opgroeien tot volwassenheid, godsdienst, liefde, moederschap, de Tweede Wereldoorlog in zijn onbegrijpelijkheid van antisemitische gruweldaden, schrijverschap, jodendom, ouderdom en dood.

 

Josepha Judica Mendels werd geboren op 18 juli 1902 in Groningen, als dochter van Isidore Mendels, leraar Nederlands, en Emma Levi, een orthodox joods echtpaar. Vooral de vader was streng in de leer. Volgend op Edith en Ada was Josepha de derde dochter. De vader, die op eindelijk een zoon gerekend had, was zo teleurgesteld dat hij van de twee voor de baker bestemde rijksdaalders er één in zijn zak hield.

Josepha, die dus een jongen had moeten zijn, werd naar een lagere en vervolgens naar een middelbare meisjesschool gezonden. Na het in 1920 met veel moeite behaalde einddiploma mms verwierf zij in 1923 haar ‘lager acte’, waarna zij als onderwijzeres mislukte. Daarvóór had zij nog een

[p. 100]

huishoudschool bezocht, die zij zeer voortijdig verliet wegens totale ongeschiktheid voor de desbetreffende opleiding. ‘Onderwijzen’, zij het niet voor de klas, deed zij uiteindelijk wèl: van 1923 tot 1927 voorzag Josepha in haar onderhoud als een soort au pair-gouvernante (in Nederland).

In de opvoedingsbranche handhaafde zij zich nog een kleine tien jaar: van 1927 tot 1936 was zij, al spoedig als directrice, in Den Haag werkzaam bij het ‘Zwaluwnest’, een avondopleiding die berooide joodse meisjes op het rechte pad moest houden door middel van lessen in taal, gymnastiek, zingen en tekenen. Dat het een exclusief joodse aangelegenheid was, vond zij een nadeel, want ze had een levenslange afkeer van ‘sektarisme’, zoals zij het noemde.

De tekenlessen werden verzorgd door de schilderes Berthe Edersheim (1901-1993), die later verscheidene omslagen voor romans en bundels van Josepha ontwierp. Haar vriendschap met Josepha was blijvend. Van 1958 tot 1993 waren zij onafscheidelijk. In die periode waren zij in Parijs elkaars huisgenoten. De werkplek van Josepha was een (vaste) schrijftafel in de Bibliothèque Nationale. Die van Berthe, die tevens het huishouden bestierde, een op loopafstand van hun huis gelegen atelier op een zevende etage. Die plekken vervielen pas toen zij naar Nederland verhuisden (1992 en 1993).

In 1936 is Josepha, de geboren schrijfster, aangemoedigd door Berthe, naar Parijs getogen om journaliste te worden. Na verscheidene afwijzingen van door haar aan vaderlandse kranten aangeboden stukken slaagde zij daarin wonderwel. Op 10 mei 1940 kwam er een einde aan deze carrière, toen zij van een Nederlandse collega de boodschap kreeg dat haar bijdragen niet meer onder haar eigen, zo kennelijk joodse naam in het bezette Nederland konden verschijnen, maar alleen onder een pseudoniem. Wat zij weigerde. In haar inleiding bij de derde druk van Rolien en Ralien (1980) maakt zij melding van haar reactie op deze situatie: ‘Ik mocht geen journaliste meer zijn, ik kon schrijfster worden.’ Deze zin - ik veroorloof me een kleine taalkundige uitweiding - is van een schitterende tweeduidigheid. ‘Ik mocht geen journaliste meer zijn’ betekent: 1. ik mocht iets niet meer, namelijk: journaliste zijn (jammer), 2. ik mocht iets, namelijk: ophouden journaliste te zijn (heerlijk).

Hierna schreef Josepha Rolien en Ralien. Er waren daarvan, naar zij zelf meedeelt, twee gelijkluidende manuscripten: ongetwijfeld een ‘vóór’- en een doorslag.

[p. 101]

In 1942 vlucht zij naar een Frans echtpaar buiten Parijs, vrienden, die haar van valse papieren voorzien en bij wie zij, op hun aandringen, haar koffertje achterlaat. Daarin zat onder meer één van de twee manuscripten. Het bleef gelukkig bewaard.

Nadat ook het onbezette deel van Frankrijk door de Duitsers onder de voet is gelopen, wordt de vluchtelinge, na door een gids voor een flink bedrag tot bij de Pyreneeën te zijn gebracht, door deze zelfde ‘passeur’ van haar rugzak (waarin het andere manuscript) beroofd en in de steek gelaten. Op eigen kracht belandt zij met veel hindernissen in Spanje, van daaruit in een gevangenis in Lissabon en ten slotte met Nederlandse diplomatieke steun in Londen. Haar plaats in het haar aangeboden vliegtuig blijft leeg, omdat ze per se op een door haar besteld mantelpakje wil wachten. Het toestel vergaat met man en muis (onder andere filmacteur Lesley Howard), neergeschoten door de Duitsers. Met een volgende vlucht bereikt zij ongedeerd en vast en zeker in een flatteus mantelpak Londen. Daar vindt zij werk en een man - voor de duur van de oorlog. Hij heeft in Nederland vrouw en kinderen. De roman Je wist het toch... speelt in deze enerverende periode, waarin de liefdesrelatie hoofdzaak en het oorlogsgeweld bijzaak is. In alle interviews zegt Josepha nadrukkelijk uitsluitend ‘gebonden mannen’ te hebben gehad, om in godsnaam nooit ten prooi te vallen aan een huwelijk. Levenslang ongehuwd gebleven, wèl, zesenveertig jaar oud, moeder geworden (bom avant-la-lettre), is en blijft zij de geëmancipeerde vrouw bij uitstek. Maar feministisch? ‘Nee, ik ben geen feministe, daarvoor heb ik te veel van de mannen gehouden.’ Aldus Josepha Mendels.

Haar zoon kon nu de met uitsterven bedreigde naam voortzetten: Eric Mendels, gehuwd met Evelyne van Rooyen en vader van een zoon, Emilien, en een dochter, Elodie Josepha. De vier gezinsleden hebben alle een E als eerste voorletter. Dat komt mooi uit, vond Josepha, want het enig overgeblevene van haar gedeporteerde familie (haar vader overleed in 1928), het tafelzilver, is gegraveerd met E.M., de initialen (in de huwelijkse staat) van haar moeder, Emma. Letters zijn in het leven van Josepha een levende kracht geweest, even fundamenteel als woorden, zinnen, taal, literatuur.

Tot 1992 woonde Josepha, sinds 1958 dus met Berthe, in Parijs. In 1992 verhuisde ze, net als een jaar later Berthe, naar de stad waar haar zoon en zijn gezin zich hadden gevestigd, Eindhoven. ‘Van de ene lichtstad naar

[p. 102]

de andere’, zoals Berthe zei. Berthe overleed daar in 1993, tweeënnegentig jaar oud. Josepha Mendels overleed, eveneens te Eindhoven, drieënnegentig jaar oud, op 10 september 1995.

 

Het werk van Josepha Mendels is in hoge mate autobiografisch. Voor de hoofdpersonages staan voornamelijk zijzelf, haar moeder, haar vader, haar Londense oorlogs-‘echtgenoot’ en haar zuster model. Zelf noemde zij, mondeling, haar latere korte verhalen ‘mijn memoires’. De door haar in interviews gegeven of op verzoek op schrift gestelde biografische informatie is hier en daar tegenstrijdig. Zij wekte de indruk dat fictie en nonfictie voor haar schrijverschap geen relevante onderscheidingen waren. Dat schrijverschap is naar haar eigen zeggen en schrijven luisteraarschap. Wat zij schreef werd haar, wakend of dromend, ingefluisterd. Afgezien van gedub over komma's, kwam er aan haar schrijven geen enkele bewuste overweging te pas. ‘Dat vind ik zo mooi van critici. Ze zoeken zoveel achter je wat je zelf niet weet.’ (Josepha in een interview met Daan Cartens in Bzzlletin, oktober 1981, nr. 89, p. 47). In mijn ervaring is het niet zozeer een kwestie van zoeken, maar van vinden. Bij verrassing. In mijn inleiding bij de derde druk van Rolien en Ralien maakte ik duidelijk dat absoluut niet vaststaat dat Rolien zelfmoord pleegt. Dat dat, integendeel zelfs, onwaarschijnlijk is. (Vestdijk had in zijn recensie van de gelijkluidende eerste druk voetstoots aangenomen dat zulks wèl het geval was.) Een paar jaar later kwam ze daar in een gesprek opeens op terug. ‘Rolien pleegde geen zelfmoord hè?’ ‘Nee’, zei ik. Ze was duidelijk gerustgesteld. Ze had het idee dat de tekst dat beter wist dan zij.

Josepha Mendels had een ongeëvenaard contact met de taal, de geheimen en onthullingen van de grammatica. Letteren, letters en taal zijn voor deze zeldzame auteur één. Alfa en Omega van RAlien en ROlien hebben een aantoonbare substantiële betekenis, even magisch als realistisch, even universeel als eigenzinnig. (Met het magisch realisme à la Willink heeft het werk van Josepha Mendels niets van doen.) Haar gebruik van de werkwoordstijden opent ongekende maar goed bespeurbare perspectieven. Eigennamen hanteert zij soms met een verbluffende lading: in Joelika (een hilarische verwant van Judica, haar tweede naam), een bundel korte verhalen (‘memoires’ dus!), vertelt zij over de schokkende zelfmoord van een zeer dierbare vroegere geliefde, die haar ‘Wolly’ noemde. Zij schrijft dan: ‘Wolly is ook dood.’ Hier vallen naam en persoon niet in-

[p. 103]

tegraal samen, maar slechts vanuit het gezamenlijk perspectief van de overleden geliefde en de overlevende vriendin, die nu geen Wolly meer is.

Iets dergelijks gebeurt er met Rolien: het meisje kan niet verder leven als meisje. De vrouw, uit haar ontstaan, betreurt en bewaart haar. Ook de naam van die vrouw kennen wij. Maar we weten niet wie zij is: Josepha Judica Mendels.

 

frida balk-smit duyzentkunst

Voornaamste geschriften

Rolien en Ralien. Amsterdam: Em. Querido (eerste en tweede druk), 1947. Amsterdam: J.M. Meulenhoff (derde druk), 1980.
Je wist het toch... Roman. Amsterdam: Em. Querido, 1948.
Als wind en rook. Roman. Amsterdam: Em. Querido (eerste en tweede druk), 1950. Amsterdam: J.M. Meulenhoff (derde druk), 1980.
Alles even gezond bij jou. Roman. Amsterdam: De Arbeiderspers, 1953.
Heimwee naar Haarlem. Roman. Amsterdam: De Arbeiderspers, 1958.
De speeltuin. Roman. Bussum: Paul Brand, 1970.
Welkom in dit leven en andere verhalen. Ongepubliceerde en eerder gepubliceerde verhalen. Amsterdam: J.M. Meulenhoff, 1981. (Tweede druk 1988.)
Joelika en andere verhalen. Amsterdam: Meulenhoff, 1986.
Alle verhalen. Amsterdam: Meulenhoff, 1988.