|
|
|
| |
| | | |
Martinus Antonius Veltman
Leeuwarden 11 december 1928 - Amsterdam 11 juni 1995
Martin Veltman was een dichter, maar zijn poëzie heeft steeds in de schaduw gestaan van zijn activiteiten in het reclamevak. Als bij het verschijnen van weer een nieuwe verzenbundel van zijn hand, over hem en zijn werk werd geschreven, dan werd steeds weer de relatie gelegd met de reclameman en tekstschrijver Veltman. Even zo vaak werden slagzinnen aangehaald waarmee hij succes had: ‘Heerlijk, helder Heineken’ en ‘'s Lands grootste kruidenier blijft op de kleintjes letten’. Hij werd Nederlands beroemdste tekstschrijver, maar hij had in de eerste plaats dichter willen zijn. ‘Hij liet om zakenman te worden eens een jong-dichterschap varen’, concludeerde C.O. Jellema in 1988. Niet helemaal juist, want na een periode van zwijgen heeft Martin Veltman zich opnieuw als dichter gemanifesteerd, met een eigen, herkenbare signatuur.
Martinus Antonius Veltman werd op 11 december 1928 in Leeuwarden geboren. Hij was het vierde kind van een groot rooms-katholiek gezin, dat uiteindelijk zeven kinderen zou tellen. Het gezin woonde op Achter de Hoven nummer 2, boven het verzekeringskantoor Hoogslag, waar vader Veltman procuratiehouder was. Een rustig, muzikaal gezin, waar graag gezamenlijk vierstemmig werd gezongen, bij voorkeur Maria-liederen en de vaderlandse ‘evergreens’. In niets afwijkend van het traditionele, veiligheid biedende gezin. De oorlog in de meidagen van 1940 en de daarop volgende Duitse bezetting veranderde dit bestaan in de Friese hoofdstad niet ingrijpend, al verbleef Martin in die jaren enige tijd in Dronrijp en in Woudsend. Na de lagere school bezocht Martin Veltman de rooms-katholieke ulo aan de Tweebaksmarkt en daarna de mulo aan de Wissesdwinger; in die tijd zo'n beetje het maximum aan opleidingsmogelijkheden voor kinderen uit een middenstandsgezin. Hij was ook misdienaar in de Bonifatiuskerk in Leeuwarden. Na een korte flirt met de theosofie brak hij al op jonge leeftijd voorgoed met de rooms-katholieke kerk en ging als agnosticus verder door het leven.
Zijn belangstelling voor poëzie ontstond al vroeg en op zijn zestiende begon hij zelf gedichten te schrijven. Proeven hiervan, betrekking hebbend op kerkelijke feestdagen, werden afgedrukt in het rooms-katholieke dagblad Ons Noorden. Het contact met dit dagblad bezorgde hem ook zijn
| | | |
eerste baantje na zijn schooltijd. Hij was korte tijd corrector bij Ons Noorden. Tijdens de vervulling van zijn militaire diensttijd was Martin Veltman enige tijd gelegerd in Weesp als een soort magazijnbediende bij de luchtmacht. Het betekende tevens kennismaking met het randstedelijke Nederland. Na zijn diensttijd keerde hij terug naar Leeuwarden, zij het voor kort. Niet helemaal naar de zin van zijn ouders ging hij in 1950 weer naar Weesp, waar hij een administratieve betrekking had gekregen bij Philips-Roxane (later Duphar) op het influenzavirusvaccins-laboratorium. Daarna kwam hij in Amsterdam terecht bij de Medische Dienst van deze onderneming. Daar ontpopte hij zich als tekstschrijver.
De poëzie was bij dit alles niet op de achtergrond geraakt. Toen Martin Veltman uit Leeuwarden vertrok, had hij een bundel sonnetten persklaar in zijn bagage. Hij verwachtte in Amsterdam, het mekka van de poëzie in Nederland, hiervoor belangstelling te vinden. Hij meldde zich bij Ad den Besten, die met zijn reeks ‘De Windroos’ baanbrekend werk deed voor de nieuwe poëzie van na de oorlog. Den Besten wist de traditionele sonnetten van Veltman niet te waarderen en raadde publicatie af. Hij adviseerde de jonge dichter het met een meer vrije vorm te proberen.
In 1953 debuteerde Martin A. Veltman (zoals hij zich toen noemde) met een titelloze bundel bij de in datzelfde jaar opgerichte De Beuk, Stichting voor literaire publicaties te Amsterdam. Veltman behoorde tot de vriendenkring van de oprichters (Wim J. Simons, Johan B.W. Polak, Frits A.M. Knuf) van deze nieuwe uitgeverij en hij werd ook gevraagd zitting te nemen in de redactie (als redactiesecretaris) van het Amsterdams Tijdschrift voor Letterkunde, dat ook in 1953 begon te verschijnen.
Het titelloze debuut was de tweede uitgave en de eerste poëziepublicatie van De Beuk, met eenentwintig vrije verzen in romantische toonzetting. Het debuut bleef niet onopgemerkt. Zo schreef J. van Doorne in het dagblad Trouw: ‘Wij hebben de gedichten met ontroering ondergaan; zij zijn doordrenkt van een weemoed, aan de wanhoop verwant; een gevecht met de taal met als inzet: uit te drukken wat niet te zeggen is. Het geschonden hart van de mens treurt in deze gedichten om de geschonden droom. Sterke, edele, moderne poëzie.’ Minder waardering oogstte de dichter bij de Vijftigers, hoewel hij aansluiting bij hen zocht, een aansluiting die nooit werd bereikt.
In 1956 verscheen een nieuwe bundel, opnieuw bij De Beuk, onder de titel Amen is amen, met verzen die toch wat dichter bij de Vijftigers zijn gekomen.
| | | |
Amen is: het heeft zo moeten zijn
wij redden ons niet meer van vuur en zwaard
en gaan in stemmen rond van vrede en verzoening.
Na deze bundel en een redacteurschap van het door Johan Polak geïnitieerde tijdschrift Cartons voor letterkunde hield Martin Veltman de literatuur voor gezien en richtte zich steeds meer op het schrijven van reclameteksten. In 1955 was hij als copy-writer in dienst getreden bij Smit's Reclame en Adviesbureau, waar hij het tot copy-chief bracht. Later kwam hij bij het reclamebureau Prad terecht en had tussendoor met Nico Hey een eigen bureautje. In 1962 werd een belangrijke stap gezet. Samen met Giep Franzen en Nico Hey richtte Martin Veltman een eigen bureau op (fhv), dat zou uitgroeien tot een van de belangrijkste en grootste Nederlandse reclamebureaus. In 1966 vroeg Hans van Mierlo aan Veltman de campagne voor de nieuwe politieke partij D'66 te verzorgen en werd hij nauw betrokken bij het schrijven van het verkiezingsprogramma.
In 1979 besloot hij zijn bestaan als zakenman af te bouwen en weer tijd vrij te maken voor de poëzie. Op 15 oktober 1976 was hij in het huwelijk getreden met de actrice Petra Laseur. Uit een eerder huwelijk dragen twee zonen (Maarten en Onno) zijn naam. In 1984 ging hij met vervroegd pensioen. Inmiddels waren weer twee verzenbundels van zijn hand verschenen, nu onder de naam Martin Veltman; de A. van zijn eerste bundels had hij laten vallen. In feite betekende de bundel De Zaken en De Dood uit 1980 een nieuw debuut en de dichter zag dat zelf ook zo. Hij wilde een nieuwe start maken en koos voor een gebonden, klassieke vorm en een heldere zeggingskracht. Nijhoff, Bloem, Roland Holst en in mindere mate Mok zag hij als voorbeelden. De ervaringen uit de zakenwereld werden in de nieuwe bundel niet onder tafel geschoven, wel gerelativeerd en dan soms met een wat norse toon:
| | | |
Zakenlunch
Het restaurant heeft kreeft op het menu.
En kaviaar. Niet dat ik dat bestel
maar het toont aan hoezeer ik, ambigu,
van eenvoud soms naar luxe overhel.
Geïnviteerd naar zakelijk model,
kies ik neutraal (biefstuk met boterjus,
komkommersla) en bied geen tegenspel
vanwege de zeer matige grand cru.
Terwijl mijn gastheer scherp zijn eisen stelt
omtrent reclameboodschap, doelgroep, geld,
bedenk ik hoe ik hoogst ongegeneerd
tussen commerce en vers lig uitgesmeerd.
Als hij het donker in mijn blik ontwaart,
wenkt hij de ober met zijn creditcard.
Dat in de titel van deze bundel naast ‘de zaken’ ook ‘de dood’ wordt genoemd, is niet verwonderlijk. De dood is in zijn werk een steeds terugkerend thema. In een interview met de Leeuwarder Courant zei hij in 1986: ‘Er gaat geen dag voorbij of ik denk eraan. Daarom heb ik ook zo'n haast met schrijven, want morgen kan ik er wel niet meer zijn.’
Dichten was voor Martin Veltman een vorm van bezweren. Met taal de dood, de wanhoop en de chaos bezweren. Daarom ook zijn voorkeur (een obsessie soms) voor de gebonden vorm. ‘Ik zou geen vrij vers kunnen schrijven, want dan heb ik geen idee waar het eindigt’, zei hij eens.
Zijn liefde voor vaste vormen komt in de na 1980 verschenen bundels duidelijk naar voren, niet alleen het sonnet, maar ook minder bekende dichtvormen zoals de villanella en het quintijn. In de toepassing niet altijd vrij van pathos, soms wat ouderwets (‘Ver uit de kust roerde de wind mijn snaren’) en met een niet te onderdrukken romantische en melancholische inslag. Een voorbeeld van een van zijn quintijnen is het volgende vers, onder de titel ‘Leeuwarden’:
| | | |
Heel even voer een herfststorm door de hoven.
Toen stonden alle bomen alweer recht.
Ik droeg de appels in de mand naar boven.
De jongen kwam het tuinpad opgestoven.
Op zijn wild haar heb ik mijn hand gelegd.
De erkenning die hij met zijn tweede debuut en ook met de daarop volgende bundels hoopte te krijgen, bleef uit. Niet dat zijn werk werd doodgezwegen, maar hij bleef buiten trends en canon, al zegt dat natuurlijk ook niet alles. Het stak hem dat zijn werk niet als vanzelfsprekend in bloemlezingen terechtkwam en de tegenvallende verkoopcijfers van zijn bundels waren een steeds terugkerende teleurstelling.
In 1988 verscheen de bundel Zout, geïnspireerd door Een winter aan zee van A. Roland Holst. Veltman toonde zich hierin een weemoedig lyricus, worstelend om evenwicht te bereiken tussen elegisch aandoende sentimenten en de hierop soms haaks staande vaste vorm van het gedicht.
voor het raam, en de wonden
en dat hij mij toen raadde:
Tussen de regels door proef je in de bundel Zout de teleurstelling dat hij niet de dichter geworden was die hij had willen zijn. In die tijd zocht Veltman weer de reclame op en was beschikbaar als adviseur. Ook verzorgde hij in 1990-1992 een column in NRC Handelsblad, toegespitst op de reclame, het vak waarin hij voor de jongere generatie al een soort legende was.
Aan de reclame heeft Martin Veltman veel te danken gehad (al was het maar een comfortabel bestaan), maar misschien was het ook wel het noodlot voor zijn dichterschap. In een uitvoerig interview in De Humanist van december 1987 vertelde hij aan Ingeborg van Teeseling: ‘In de reclame heb ik geleerd om heel gedisciplineerd om te gaan met taal. Ik weet nu wat voor effect tekst kan hebben, wat taal doet met mensen. Het grote risi- | | | | co is dat je daarop gaat werken. Ik vind dat het zuiver moet blijven, kaal, zonder acrobatisch woordgebruik, gedisciplineerd. Ik kan veel met taal. Een boodschap brengen in honderd woorden of in tien als het moet. Perfectie wil ik in mijn gedichten ook bereiken. En soms, heel soms, lukt dat. Dan heb ik greep op de woorden, op de emotie en op de combinatie daarvan. Een goede reclametekst en een goed gedicht hebben één ding gemeen: ambachtelijkheid. Ze vragen allebei een zekere bondigheid, helderheid, nauwkeurigheid, zorgvuldigheid. Je gebruikt dezelfde creativiteit en concentratie. Het enige verschil is de mate waarin je ziel, je wezen erin ligt. Reclame is geen technische aangelegenheid, ook daar moet iets van emotie in. Maar poëzie is: de knop naar binnen toe draaien. Kijken wat er in jezelf zit en dat gebruiken. Reclame komt uit je hoofd; poëzie uit je lijf, je hart, je buik, je gevoel. In mijn verzen praat ik tegen mezelf, in reclame tegen de doelgroep. Poëzie is iets raadselachtigs, een mythe.’
Martin Veltman hield zich bij voorkeur afzijdig van literaire evenementen. Voor voordrachten uit eigen werk was hij wel te vinden, maar dan het liefst voor een klein gezelschap. Eén keer trad hij op in ‘De Nacht van de Poëzie’ in Utrecht, maar dat had volgens hem niets met poëzie te maken, een circus.
Een wat eenzelvig dichter van traditionele poëzie met soms charmante weemoedigheid en steeds getuigend van grote taalbeheersing. Martin Veltman is een dichter die men ontdekken moet, nu of later.
wim j. simons
| |
Voornaamste geschriften
| Martin A. Veltman, [Zonder titel]. (1953) |
| Bij het monument op de Afsluitdijk. (1954) |
| Amen is amen. (1956) |
| De Zaken en De Dood. (1980) |
| Spiegelgevecht. (1981) |
| Destinaties. (1984) |
| Negentien Villanellen. (1986) |
| Zout. (1988) |
| Hollandse Quintijnen. (1991) |
| L.R. Pol (samenst.), Vijfenzestig gedichten. (Bloemlezing. 1994) |
| Bert Pol (samenst.), De Veltman-verzameling. (Verzamelde poëzie. 1996) |
|
|
|