|
|
|
| |
| | | |
Petrus Johannes Nienaber
Fauresmith (Prieska) 1 oktober 1910 - Bloemfontein 24 mei 1995
De drie broers Gawie, Petrus en Stoffel Nienaber verwierven alle drie grote bekendheid als docenten en schrijvers over de Zuid-Afrikaanse taal en letterkunde. Ook in algemeen maatschappelijk opzicht waren zij zeer actief. In Zuid-Afrika heeft men deze combinatie van aanleg en doorzettingsvermogen altijd als een opmerkelijk feit beschouwd. Van de drie broers is Petrus ontegenzeggelijk de produktiefste geweest.
Petrus Nienaber werd geboren op een boerderij in de toenmalige Oranje-Vrystaat (thans: Vrystaat). De wereld van de ‘plaas’ met de naam Erfdraai, de verhalen uit de Bijbel (die door vader Nienaber werden voorgelezen) en de levensverhalen van de mensen in zijn omgeving maakten grote indruk op de jonge Petrus. In het boek Die Nienabers van Erfdraai (1987) vertelt hij daarover: ‘Ek wil skryf oor verre beelde wat vertel van die tyd toe die hele wêreld ons plaas aan die Modderrivier was. Het ek dan nie as klein seuntjie gesien hoe ek in die middel van die wêreld staan as ek opkyk na die lug en sien hoe die hemel 'n koepel vorm om ons plaas nie? 'n Paar myl verder was Koedoesrand waar ou Benjamin se winkel was, waar ek elke Woensdag met Prins (het paard) gaan pos haal het - verder aan was Paardeberg met sy stasie, en na die noorde Boshof, en dit was die einde van die wêreld. Verder het ek nooit gekom voor ek na die universiteit op Bloemfontein is op agtienjarige leeftyd - toe het ek ook vir die eerste keer trein gery.’ Aanschouwelijkheid en humor zijn kenmerkend voor de wijze waarop Petrus Nienaber het verleden presenteert. De Nienabers moesten hard werken voor hun dagelijks brood en leefden zeer bescheiden. De kinderen hadden een eigen taak op de boerderij te vervullen. Voor Petrus hield dat het volgende in: ‘Tot my sesde jaar was ek skaapwagter. Met my sakkie beskuit en 'n bottel koffie is ek veld toe agter die lammerskaap aan. Die dae was lank, selfs in die winter. Elke boom langs die rivier het ek geken, elke gannabossie. Vir die mooiste ooie het ek name gehad, en hulle het geluister as ek roep.’ De taak van schaapherder hield op toen Petrus samen met een meisje uit de buurt (bij haar welgestelde ouders thuis) privé-les kreeg. Hij begon echter pas iets te leren toen hij op school kwam bij meester Jacobs in Koedoesrand. Meester Jacobs was een bekende schrijver van kinderboeken die graag en goed voorlas. Niet alleen ontkiemde daar zijn liefde voor de geschiedenis, tevens werd toen bij Petrus een onverzadigbare leeslust opgewekt.
| | | |
Broer Gawie, die inmiddels student was, bevorderde de leeslust nog door koffers met boeken mee naar huis te brengen. Het eerste boek dat Petrus kocht, was Dierestories van G.R. von Wielligh. Toen hij afscheid nam van de boerderij om aan de middelbare school in Boshof verder te leren, luidde het advies van vader Nienaber: ‘Lekker leer, my kind.’ Dat zou Petrus inderdaad doen, maar daarnaast zou ook een schuchtere Eros zijn aandeel opeisen. Kostelijk is de beschrijving van de eerste verliefdheden. Matty Raath was de grote liefde uit die jaren, nee, uit Nienabers gehele leven.
Van 1930 tot 1933 was Petrus Nienaber student aan het Grey Universiteitscollege in Bloemfontein. Zijn ervaringen als student legde hij later neer in de eerste Afrikaanstalige studentenroman Die gebou teen die bult (1942, onder het pseudoniem I.R. van Niekerk). De vakken die hij bestudeerde, waren: Afrikaans, Engels, Latijn, scheikunde en ethiek. In Zuid-Afrika begint de studie immers breed en eindigt zij smal. Van belang is dat de letterkundigen D.F. Malherbe en C.M. van den Heever zijn hoogleraren waren. Door zijn belangstelling voor de Afrikaanstalige letterkunde stapte Petrus Nienaber af van zijn aanvankelijke plannen om predikant te worden. Het was hoe dan ook een grote winst, dat hij Hebreeuws had geleerd van de rabbi van Bloemfontein.
Op 5 december 1933 vertrok Petrus Nienaber vanuit Kaapstad met de ‘Warwick Castle’ naar Europa om met behulp van een studiebeurs van de Nederlandse regering in Amsterdam doctoraalexamen te doen en zich vervolgens op de promotie voor te bereiden. Aan boord van het schip bevond zich eveneens de letterkundige Elisabeth Conradie (1903-1939), die in Amsterdam het doctoraat zou verwerven en later - tot haar vroege en onverwachte overlijden - oprichtster van het Suid-Afrikaanse Instituut, dat nu op Keizersgracht 141 gevestigd is, zou worden. Aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam studeerde Nienaber bij de taalkundige Verdenius, de letterkundige Prinsen en de pedagoog Kohnstamm. In 1934 publiceerde hij zijn Geskiedenis van die Afrikaanse Bybelvertaling (deel twee volgde in 1950). Begin 1936 deed hij doctoraalexamen, waarna C.M. van den Heever hem een docentschap aan de Johannesburgse Universiteit van die Witwatersrand aanbood. In datzelfde jaar verscheen van zijn hand in Amsterdam het boek D'Arbez as skrywer. Het jaar 1938 was in meer dan één opzicht een gedenkwaardig jaar in Nienabers leven. Hij trouwde met Kitty van Rensburg en hij promoveerde in dat jaar aan de Universiteit van Amsterdam op een proefschrift over Die Afrikaanse romantematologie. Het
| | | |
was het eerste proefschrift dat onder leiding van de Amsterdamse hoogleraar in de Zuid-Afrikaanse taal, letterkunde en cultuurgeschiedenis G. Besselaar was geschreven. Uit het huwelijk met Kitty werden drie zoons geboren. De naam van hun huis in de Johannesburgse wijk Emmarentia luidde ‘Libricellae’. Kitty overleed in 1973. Na haar overlijden trouwde Petrus Nienaber met zijn jeugdliefde Matty Raath, die inmiddels weduwe was geworden.
Al zeer vroeg is Petrus Nienaber behalve consument ook producent van boeken geworden. Het docentschap in Johannesburg stelde hem in staat, wetenschappelijk onderzoek te doen en een immense hoeveelheid studies en tekstedities het licht te doen zien. Bij de Afrikaanse Persboekhandel in Johannesburg verschenen onder meer de volgende bloemlezingen: A.G. Visser, digter en sanger (1950), Hier is ons skrywers! (1950), Digters en Digkuns (1951), Jan Celliers, ons volksdigter (1951) en Mylpale in die geskiedenis van die Afrikaanse Letterkunde (1951). Omdat veel van deze boeken op school verplichte lectuur waren, verschafte dit werk Nienaber de financiële middelen om zijn speurtochten naar vergeten literatuur in het Afrikaans voort te zetten. Hij reisde naar alle uithoeken van Zuid-Afrika op zoek naar boeken die onder het stof van de geschiedenis dreigden te verdwijnen. Zelf noemde hij de neiging om zeldzame boeken te zoeken ‘boekmalaria’. Van deze ziekte, aldus Nienaber, zou een mens nooit kunnen genezen. Een schat aan gegevens boden de twee bibliografische reeksen waarvan hij de auteur was: Bibliografie van Afrikaanse Boeke (in totaal acht delen, vanaf 1943 tot 1977) en Bronnegids by die studie van Afrikaanse taal en letterkunde (1947-1968). Niet onvermeld mag blijven dat hij bij zijn werk veel hulp kreeg van zijn broer Gabriel Stephanus (Gawie). Deze samenwerking kwam onder meer tot uitdrukking in Die Afrikaanse dierverhaal (1942). Naast zijn academische activiteiten trad hij met grote regelmaat in de openbaarheid met artikelen in voor een breed publiek bestemde tijdschriften als Die Brandwag en Die Huisgenoot. Bij velen stimuleerde hij daarmee de belangstelling voor de geschiedenis van de taal en de cultuur. Tijdens de studiejaren in Nederland liet hij zich de kans niet ontgaan om in de Zuid-Afrikaanse pers verslag te doen van de ontwikkelingen binnen de Nederlandse letterkunde. Deze gedrevenheid leidde tot artikelen als ‘Nuwe saaklikheid in die moderne Nederlandse letterkunde’, ‘Willem Kloos’, ‘Albert Verwey’, ‘Op besoek bij Felix Timmermans’, ‘Kloos en van Deyssel’ en ‘Suid-Afrikaanse student besoek Willem Kloos’.
| | | |
Het werk aan de (zeer sterk op de Engelse taal georiënteerde) universiteit was niet altijd even gemakkelijk wegens uiteenlopende politieke opvattingen onder de docenten van het instituut voor Afrikaans en Nederlands. Nienaber kwam pas tot zijn recht nadat de eerst in Amsterdam docerende liberale dichter en denker N.P. Van Wyk Louw in 1958 in Johannesburg hoogleraar was geworden. Op 23 maart 1967 werd Petrus Nienaber tot professor in de vroege geschiedenis van de Afrikaanse letterkunde benoemd. Deze leerstoel was een persoonlijke onderscheiding voor hem. De inaugurele rede had de vroege Afrikaanse letterkunde tot onderwerp. De leerstoel vormde de erkenning van zijn vakkundige toewijding aan de studie van het vroege Afrikaans, vooral het Afrikaans van de Eerste en de Tweede Afrikaanse (Taal-)Beweging. Het gaat daarbij om de periode 1875-1900, respectievelijk 1902-1915. Enkele van zijn studies over dit onderwerp zijn: Ons eerste digters (1940), Die opkoms van Afrikaans as kultuurtaal. 'n Oorsig van die geskiedenis van die Afrikaanse Beweging (samen met G.S. Nienaber, 1949), Die Genootskap van Regte Afrikaners herdenk (1950), Mylpale in die geskiedenis van die Afrikaanse taal en letterkunde (1951), Die wonder van Afrikaans (1959), Ons Taalhelde (1964), Dr. Arnoldus Pannevis; vader van die Afrikaanse taal (1968). Toen de schrijver van dit levensbericht in 1970 aan de Universiteit van die Witwatersrand ging studeren, kon hij alleen nog maar de geestdriftige verhalen van de studenten over prof. Nienaber horen. Deze was juist in dat jaar ‘uitgeleend’ aan de Raad vir Geesteswetenskaplike Navorsing in Pretoria. Nienaber had echter nog een groot aantal andere pijlen op zijn boog. Hij ontwikkelde zich tot een zeer vooraanstaand plaatsnaamkundige en publiceerde in het kader daarvan het Suid-Afrikaanse Pleknaamwoordeboek (deel 1:1963). Vanaf 1941 was hij lid van de Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns. Het wetenschappelijke klimaat van de Akademie was voor hem een geweldig belangrijke bron van inspiratie. Op zijn beurt stimuleerde hij het werk van de Akademie en legde haar geschiedenis vast in het boek Wat doen die Akademie? (1968). In 1949 werd hij lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Opmerkelijk is het feit dat hij velen wist te betrekken bij de verzamelbundels, bloemlezingen en studies waarvan hij de kiel legde. De door hem samengestelde bundel met portretten van schrijvers Perspektief en Profiel (1951) is tot in de jaren zeventig gezaghebbend geweest in letterkundig Zuid-Afrika. Samen met G. Stuiveling publiceerde hij in 1950 de bundel Moderne Nederlandse verhalende verse.
Het arbeidzame leven van Petrus Nienaber omvatte behalve boeken,
| | | |
artikelen en een grote hoeveelheid journalistieke bijdragen ook een sterke stimulerende rol bij het in het leven roepen van instituten en projecten ter bewaring van het culturele erfgoed. Hij was een van de initiatiefnemers van het belangrijke Suid-Afrikaanse Biografiese Woordeboek. Nadat hij in Nederland en Vlaanderen de waarde van letterkundige musea had leren kennen, initieerde hij in 1973 de stichting van het ‘Nasionale Afrikaanse Letterkundige Museum en Navorsingssentrum’ (naln) in Bloemfontein. Als eerste directeur van naln kwam hij allerminst met lege handen. Zijn grote verzameling boeken en manuscripten kreeg een plaats in het oude ‘Goevernementsgebou’ waar naln ook nu nog is gevestigd.
Alsof de boeken die onder zijn naam verschenen al niet een schier bovenmenselijke productie vormden, publiceerde Nienaber ook nog onder verschillende pseudoniemen, zoals J.R. van Niekerk en Ryno de Villiers. Mythevorming (misschien zelfs legendevorming) rond zijn persoon werkte Petrus Nienaber gretig in de hand. Over de slinkse wijzen waarop hij manuscripten, kleding- en meubelstukken voor zijn naln wist te veroveren, vertelde deze joviale, hartelijke, met slimheid gezegende geleerde gaarne de kostelijkste anekdotes. In de necrologie in het dagblad Beeld van 26 mei 1995 wordt het volgende verteld: ‘Pleks van om iemand anders te vra soos wat mens te wagte sou wees, het hy 'n nuwe verslaggewer self deur die museumkamers (van naln) van die dubbelverdiepinggebou vergesel. 'n Proses wat ure kon neem as gevolg van die stories en agtergrond wat hy oor feitlik elke boek en elke item kon vertel.’ Hoezeer al zijn activiteiten hem ook persoonlijk plezier verschaften, hij had toch altijd een doel voor ogen dat de binding aan zijn persoon ver achter zich liet. Nederland en Vlaanderen dienden in veel gevallen tot voorbeeld. Hij beschikte over het vermogen om in een vroeg stadium de gevaren te onderkennen die de culturele erfenis van Zuid-Afrika bedreigden. Vervolgens begon hij aan de bouw van een netwerk van culturele instituties die voor het behoud van het bedreigde erfgoed zorg konden dragen. Zonder hem zou menig markant en waardevol gebouw in Zuid-Afrika ten prooi zijn gevallen aan de zucht naar verandering. Zijn aandacht ging daarbij in bijzondere mate uit naar de Oranje-Vrystaat, waar Petrus Nienaber een spoor van musea heeft achtergelaten. Voor deze activiteiten heeft hij veel publieke waardering geoogst, tot uitdrukking komend in tal van prijzen en onderscheidingen. Bij de overhandiging van de gouden medaille van de Stigting Simon van der Stel in 1986 aan Nienaber werd onder meer het volgende gezegd: ‘Prof. P.J. Nienaber se ganse lewe - sy lang, vol en ryk loopbaan - staan in
| | | |
die teken van bewaring in die breë sin van die woord. Van sy studentedae af het hy hom onvermoeid besig gehou met die nasoek, bestudeer, opteken, dokumenteer en byeenversamel van kultuurgegewens en kultuurprodukte. naln het 'n nuwe fase in prof. Nienaber se bewaringswerksaamhede begin want sedertdien is daar reeds 16 museums onder sy leiding in die Vrystaat ingerig en geopen, met nog meer in beplanning. Vir die plattelandse museums het hy die verskillende dorpe en streke se geskiedenis laat navors en uitbeeld, en daardeur bewys dat die Vrystaat 'n besonder ryk geskiedenis en eiesoortige kultuur besit.’ De grootste verdienste van Petrus Nienaber ligt echter op het gebied van de literatuurgeschiedschrijving en van de archivering van literaire documenten. In die hoedanigheid zal de herinnering aan hem in Zuid-Afrika zowel als in de Lage Landen levend blijven.
hans ester
| |
Voornaamste geschriften
Een kleine autobiografie van Petrus Nienaber bevat het boek Die Nienabers van Erfdraai. Saamgestel deur G.S. en E.M. Nienaber. Pretoria 1987, p. 68-89. Hierin geeft Petrus Nienaber aan het slot een overzicht van de prijzen die hij ontving, de erelidmaatschappen die aan hem werden toegekend, alsmede van de straten die naar hem zijn genoemd.
Verdere informatie over de genealogie van de familie Nienaber: Die Nienabers van Suidelike Afrika. Saamgestel deur G.S. en E.M. Nienaber. Geredigeer deur R.T.J. Lombard. Pretoria 1990.
Enkele belangrijke artikelen over Petrus Nienaber: Riena van Graan, ‘Petrus Nienaber word 80’, in Lantern, jg. 39. nr. 4. Hennie van Coller, ‘Nienaber is nie meer...’, in Saffier, jg. 6, nr. 11 (juli 1995).
Bibliografische informatie is te vinden in: Huldigingsbundel P.J. Nienaber. Saamgestel deur P.E. Raper (1971). Tevens in: P.J. Nienaber. Kurator van ons erfenis (1985). De meest complete bibliografie is beschikbaar bij: ‘Nasionale Afrikaanse Letterkundige Museum en Navorsingssentrum’, Ou Gowermentsgebou, hoek van Pres. Brand- en Elizabethstraat, Bloemfontein 9300, Vrystaat, Zuid-Afrika.
|
|
|