|
|
|
| |
| | | |
Levensberichten
| | | |
Maria Petrus van Buijtenen
Rotterdam 4 september 1911 - Utrecht 14 januari 1997
Mari van Buijtenen was in de wereld van archivarissen en historici een markante persoonlijkheid, die op veel terreinen zijn sporen heeft nagelaten. Hij was rijksarchivaris en archiefinspecteur van de provincies Friesland en Utrecht. Daarnaast heeft hij een groot aantal bestuursfuncties bekleed, in het bijzonder in zijn Friese periode. Vermoedelijk zal hij echter het meest in herinnering blijven door het omvangrijke wetenschappelijke oeuvre dat hij heeft nagelaten. In de archiefwereld zal zijn naam verbonden blijven met een nieuwe, thans algemeen toegepaste wijze van charterbewaring. Sedert 1947 was hij lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde.
Maria Petrus van Buijtenen werd geboren in Rotterdam, een stad waar hij zijn leven lang affiniteit mee behield. Hij groeide op in het eenvoudige, zeer gelovig katholieke gezin van Petrus Matthaeus van Buijtenen en Joanna Elisabeth Koevermans. Van de zeven kinderen was hij de jongste.
Twee van zijn broers kozen voor het priesterschap. Ook hijzelf zocht aanvankelijk zijn toekomst in deze richting. Hij volgde de priesteropleiding bij de franciscanen in Sittard, Venray en Alverna. Hij voltooide deze echter niet en keerde in 1935 terug naar Rotterdam. Met groot respect dacht hij altijd terug aan de vele voortreffelijke docenten bij de franciscanen. Hierbij moet in het bijzonder Pontianus Polman genoemd worden, met wie hij ook later veel in contact stond. In deze jaren werd de richting bepaald van zijn toekomstige loopbaan. Bij de franciscanen heeft hij zijn grote kennis van het Latijn verworven. Hier is zijn fenomenale geheugen ontwikkeld en heeft hij geleerd wat studeren is.
De start in Rotterdam was moeilijk in de crisistijd. Pas in januari 1938 verkreeg hij een (onbezoldigde) aanstelling aan het gemeentearchief. In deze Rotterdamse jaren ontstonden de vriendschappen met een drietal vakgenoten die eveneens van invloed waren op zijn verdere ontwikkeling: L.J. Rogier, toen nog leraar Nederlands, de befaamde franciscaan Bonaventura Kruitwagen en dr. Annie Kersbergen, die verbonden was aan het gemeentearchief. In 1938 ook verschenen zijn eerste publicaties. Een boek over Vincentius a Paulo en enkele artikelen in De Maasbode. Het meest
| | | |
bekend uit zijn Rotterdamse tijd is het artikel ‘Sint Elbrecht. Een mystificatie op Kralingeroord’, dat in 1940 verscheen in het Rotterdamsch Jaarboekje. In deze studie bewoog hij zich reeds op een terrein waarvoor hij in zijn latere leven een bijzondere voorkeur had, het patrociniumonderzoek. Voor deze publicatie ontving hij in 1944 de Struyckenprijs van het Thijmgenootschap.
Toen het artikel verscheen was de auteur reeds naar Friesland vertrokken. Per 1 mei 1939 werd hij benoemd tot toegevoegd ambtenaar bij de archiefinspectie in deze provincie, waarover dr. A.L. Heerma van Voss de leiding had. Deze functie zou hij bijna tien jaar uitoefenen. Een half jaar na zijn benoeming in Leeuwarden, in november 1939, legde hij het examen archiefambtenaar eerste klasse af.
In deze tien jaar heeft Van Buijtenen veel werk verzet. Hij publiceerde archiefinventarissen, boeken over Hindelopen, de Leppa en Idaarderadeel, en een aantal artikelen. Uit deze publicaties treedt een ander interessegebied naar voren, de middeleeuwse rechtsgeschiedenis. In deze jaren viel ook de oorlog. Vooral de laatste periode van de bezetting was moeilijk. Van Buijtenen verbleef gedurende een half jaar op een onderduikadres, met achterlating van een gezin met kleine kinderen. Hij was in 1941 in het huwelijk getreden met Henriëtte van Wel. Het gezin zou uiteindelijk zes kinderen tellen. Na de bevrijding werd hij benoemd tot waarnemend stadsarchivaris van Leeuwarden. Deze functie, die hij uitoefende naast zijn werk bij de archiefinspectie, nam hij ruim twee jaar waar. Bovendien studeerde hij in zijn vrije tijd rechten. Aangezien hij bij de franciscanen geen gymnasiumexamen had kunnen doen, diende hij daarvoor eerst het colloquium doctum af te leggen. In 1948 behaalde hij in Groningen het doctoraalexamen vrije studierichting. De bijvakken, Oud-Fries en Oud-Vaderlands Recht, sloten nauw aan bij zijn dagelijkse werkzaamheden.
Geheel onverwacht overleed in 1948 Heerma van Voss, de Friese rijksarchivaris en archiefinspecteur. Op 1 maart van het volgend jaar werd Van Buijtenen benoemd tot opvolger van deze door hem zo bewonderde chef. Tot zijn vertrek naar Utrecht in 1963 zou hij beide functies uitoefenen.
Terugblikkend mag men misschien vaststellen dat de jaren in Friesland het hoogtepunt vormden in het leven van Mari van Buijtenen. Meer dan later in Utrecht was hij actief als bestuurder van een groot aantal instellingen op cultureel en maatschappelijk gebied. Hij was bestuurslid of curator, vaak tevens voorzitter, van scholen, bibliotheken en ziekenhuizen. Voorts
| | | |
was hij betrokken bij de monumentenzorg in de provincie. Hij was bestuurslid van het Fries Genootschap en Frisia Catholica, lid van de Fryske Akademie en lid van de redactie van De Vrije Fries. Jarenlang vervulde hij het secretariaat van het Thijmgenootschap, een meer landelijke functie. Ook in de politiek was hij actief. Gedurende een aantal jaren was hij lid van de Provinciale Staten voor de k.v.p.
Wie een zo groot aantal bestuursfuncties bekleedt, beschikt uiteraard over bestuurlijke kwaliteiten. Vermoedelijk had de cumulatie van functies echter eveneens te maken met het feit dat Van Buijtenen katholiek was. Katholieken vormden in Friesland een betrekkelijk kleine minderheid. Het sprak dan haast vanzelf dat een capabele bestuurder uit deze kring veelvuldig werd gevraagd. Een deel van de instellingen waarvoor hij zich heeft ingezet, droeg ook een katholieke signatuur.
Van Buijtenen, die bepaald geen kamergeleerde was en graag onder de mensen verkeerde, heeft ongetwijfeld veel genoegen beleefd aan zijn bestuurlijke activiteiten. Het heeft zijn werkzaamheden als archivaris echter in het geheel niet belemmerd. Daarnaast ging zijn publicistische arbeid onverminderd voort. Dat archivarissen naast hun inventarisatiewerk wetenschappelijk onderzoek verrichten en publiceren heeft hij steeds een vanzelfsprekende zaak gevonden. Hij heeft dit ook altijd bij zijn medewerkers gestimuleerd en er zelf naar gehandeld. Wie immers zijn beter op de hoogte van de inhoud van het archief (of dienen dat althans te zijn) dan degenen die er hun dagelijks werk hebben. Hij heeft in deze jaren een groot aantal studies gepubliceerd, vrijwel steeds over Friese thema's, waarbij de middeleeuwse kerk- en rechtsgeschiedenis zijn voorkeur hadden. Dat hij vele malen artikelen schreef in de Leeuwarder Courant, zal zeker hebben bijgedragen aan zijn grote bekendheid in Friesland. In deze tijd ook, in 1953, promoveerde hij bij J.F. Niermeyer aan de Universiteit van Amsterdam op De grondslag van de Friese vrijheid, één van zijn bekendste boeken. Het thema ontstond in 1950-1951 in Rome, waar hij acht maanden verbleef, op zoek naar bronnenmateriaal over de Friese geschiedenis in de Vaticaanse archieven. Tijdens dit verblijf volgde hij aan de Vaticaanse archiefschool colleges van de paleograaf Giulio Battelli. Daar ontmoette hij de augustijn Albericus K. de Meijer. Zij werden onafscheidelijke vrienden. Vele jaren later schreven zij gezamenlijk verschillende boeken en artikelen.
Een hoogtepunt in deze Friese jaren vormde de herdenking van Bonifatius' marteldood te Dokkum in 754. Het twaalfde eeuwfeest werd in 1954
| | | |
gevierd met een nationale manifestatie in Friesland en de stad Utrecht, waarbij Van Buijtenen een sleutelrol speelde.
In 1962 kende de provincie Friesland hem de Halbertsmaprijs toe voor zijn wetenschappelijk oeuvre over de geschiedenis van deze provincie. Een jaar later vertrok hij naar Utrecht waar hij werd benoemd tot rijksarchivaris en provinciaal archiefinspecteur. Friesland werd echter niet vergeten. Nog lang schreef hij over Friese onderwerpen. Tot aan het einde van zijn leven zat hij ook vol verhalen over zijn Friese activiteiten.
De eerste jaren in Utrecht waren zeer druk. Plannen voor een nieuw archiefgebouw aan de Alexander Numankade waren in een vergevorderd stadium. De tekeningen waren zelfs al gereed. Van Buijtenen heeft er nog enkele wijzigingen in aangebracht en trad daarna op als bouwheer. In 1969 werd het nieuwe gebouw betrokken.
De wijzigingen stonden vooral in verband met een nieuwe methode van charterberging. Charters werden veelal in gevouwen toestand in kleine zakjes bewaard. Frequente raadpleging leidde tot schade, in het bijzonder van de zegels. Bij de nieuwe vinding van Van Buijtenen, die thans in binnen- en buitenland wordt toegepast, worden de charters bewaard in uitgevouwen toestand, hangend in hoezen van doorzichtige melinexkunststof. De bewaring van kaarten werd in het nieuwe archiefgebouw eveneens veranderd. Hiervoor werden planoramakasten ontworpen.
Ook in de jaren daarna bruiste Van Buijtenen van energie. Onder zijn leiding verschenen vele archiefinventarissen in druk. Hij organiseerde tentoonstellingen in het archief. Voorts speelde hij een rol bij de komst van restauratie-ateliers in de archieven. Uiteraard vervulde hij weer verschillende bestuursfuncties. Hij was voorzitter van de Vereniging van Archivarissen in Nederland en voorzitter van de provinciale archiefinspecteurs. Voorts was hij lid van het bestuur van het Historisch Genootschap, de Vereniging Oud-Utrecht en het Anjerfonds Utrecht. Intussen ging hij door met publiceren.
Aan blijken van waardering heeft het Van Buijtenen niet ontbroken. In 1966 werd hij benoemd tot lid van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen. Met veel genoegen bezocht hij jarenlang de vergaderingen van de afdeling letterkunde, waar hij nieuwe vrienden maakte. Helaas heeft hij zich aan het eind van zijn leven op niet goed begrijpelijke gronden van de Akademie afgewend. Bij zijn zeventigste verjaardag verscheen een feestbundel met artikelen over Utrechtse geschiedenis van een aantal vrienden
| | | |
en collega's. Dat hij, als buitenstaander, enkele malen werd betrokken bij promoties aan de Universiteit Utrecht, kan ook worden gezien als een blijk van erkenning. Eenmaal was hij coreferent, enkele jaren later trad hij op als copromotor.
In de jaren zestig en zeventig is in het Nederlandse archiefwezen veel veranderd. Archivarissen werden steeds meer belast met managementtaken, terwijl de wetenschappelijke zijde van het beroep op de achtergrond raakte. Bovendien verschafte de overheid te weinig financiële middelen. De veranderingen hadden allerminst de instemming van Van Buijtenen, hetgeen hij onverbloemd tot uiting bracht. De samenwerking met verschillende collega's in den lande was verre van optimaal. De veranderde omstandigheden hebben een rol gespeeld bij zijn besluit zijn functie als rijksarchivaris met ingang van 1 maart 1975 vervroegd neer te leggen. Het ministerie stelde hem in staat in buitengewone dienst een boek te schrijven dat in 1977 onder de titel Langs de heiligenweg verscheen in de Verhandelingen van de Koninklijke Akademie. Als provinciaal archiefinspecteur bleef hij overigens in functie tot 1982.
Ook na zijn pensionering zat Van Buijtenen niet stil. Ondanks steeds toenemende problemen met zijn gezichtsvermogen verschenen nog verschillende boeken en artikelen. Zo schreef hij, in nauwe samenwerking met De Meijer, over heiligen in Westbroek en in de Utrechtse Buurkerk, en over de abdij Oostbroek in de zestiende eeuw.
Wie de bibliografie van Van Buijtenen overziet, komt onder de indruk van de omvang en de diversiteit van zijn wetenschappelijk werk. De nadruk ligt op de middeleeuwse kerk- en rechtsgeschiedenis. In zijn Friese jaren richtte hij zich daarbij vooral op Friesland. Later kwam ook Utrecht aan bod, en soms, in het bijzonder in Langs de heiligenweg, leidde het onderzoek hem tot over de landsgrenzen. Zijn belangstelling bleef overigens zeker niet beperkt tot de middeleeuwen getuige bijvoorbeeld Contour van kardinaal Alfrinks kerkprovincie, dat werd geschreven in opdracht van het aartsbisdom en in 1964 verscheen.
Het meest kenmerkend voor de historicus Van Buijtenen zijn zonder twijfel zijn studies over de middeleeuwse heiligenverering. Zijn grote inspirator op dit terrein was de reeds genoemde Kruitwagen, voor wie hij groot respect had. Daarnaast werd hij beïnvloed door het werk van de Bollandisten.
Vaak vormde de vermelding van een weinig bekende heilige in een be- | | | | paalde plaats, als patrocinium of anderszins, voor hem het uitgangspunt van een onderzoek. Hij poogde dan na te gaan vanwaar en langs welke weg deze heilige daar was terechtgekomen. Dergelijk onderzoek naar de verspreiding van de cultus van een heilige is lastig en vereist veel ervaring en invoelingsvermogen. De bronnen (heiligenlevens, heiligenkalenders, reliekenlijsten, soms ook klokopschriften) zijn schaars en lang niet altijd betrouwbaar. Niet zelden moet men gegevens uit later tijd gebruiken om eerdere situaties te ontwarren. Men dient goed thuis te zijn in de middeleeuwse liturgie en chronologie. Daarnaast, zo benadrukte hij steeds, kan het inslaan van zijwegen soms leiden tot oplossing van de gerezen problemen. Inventiviteit van de onderzoeker is dus een eerste vereiste. Van Buijtenen, die zijn werk wel vergeleek met het onderzoek van een detective, bezat die in hoge mate.
Het spreekt vanzelf dat dergelijk onderzoek, dat kan leiden tot onvermoed nieuw perspectief op kwesties uit bijvoorbeeld de politieke en economische geschiedenis, niet altijd leidt tot harde conclusies. De resultaten zijn vaak hypothetisch. Van Buijtenen is zich daar goed van bewust geweest. Hij benadrukte ook steeds dat zijn werk vooral methodisch van karakter was en dat hij voor anderen nieuwe wegen wilde openen.
Uiteraard vonden zijn conclusies niet altijd instemming. Hij liet zich ook wel eens meeslepen door zijn grote enthousiasme. Als hij zich dan aan het schrijven zette, leidden de zijwegen soms wat te veel af van de hoofdroute en stond, naar het lijkt, het spannende verhaal voorop. Zijn publicaties dragen daardoor steeds een zeer persoonlijk stempel, in het bijzonder door de literaire vorm, waaraan hij veel aandacht placht te besteden.
Zeker de laatste jaren is er nogal wat kritiek gekomen op zijn werk. Hoewel dat, ook in het besef van Van Buijtenen, haast vanzelfsprekend is voor onderzoek dat zoveel Fingerspitzengefühl vereist, heeft het hem toch gehinderd. Dat gold zeker als deze kritiek werd geformuleerd op een wijze die naar zijn mening te fel was. Scherp was hij zelf in zijn geschriften vrijwel nooit, zoals bijvoorbeeld duidelijk blijkt uit de vele, vooral informatieve recensies die hij schreef. Hij hield, naar hij vaak zei, niet van polemiseren en wisselde slechts van gedachten met de vakgenoten.
Van Buijtenen heeft een zeer persoonlijk oeuvre nagelaten. Dat geldt in het bijzonder voor zijn publicaties over de middeleeuwse heiligenverering. Tot voor enkele jaren waren op dat gebied, zeker in Nederland, maar weinigen actief. Thans is het onderwerp zelfs in de mode. Van Buijtenen heeft, in een soort pioniersrol, aan deze ontwikkeling een be- | | | | langrijke bijdrage geleverd. Zijn uiteindelijke doel, het vooruit helpen van de wetenschap, heeft hij daarmee bereikt.
Op het eerste gezicht leek Mari van Buijtenen een wat ouderwetse, misschien zelfs strenge persoonlijkheid. Vrijwel steeds was hij gekleed in een stemmig driedelig pak. Het moest wel erg warm zijn, wilde hij zonder hoed over straat gaan. Ook zijn hoffelijke omgangsvormen zullen soms wat ouderwets zijn overgekomen. Maar zelfs wie hem maar oppervlakkig heeft gekend, weet hoe hartelijk en amicaal hij was. Hij liet zich al snel door iedereen tutoyeren en zat steeds vol komische verhalen. Zowel in Leeuwarden als in Utrecht was hij geliefd bij zijn medewerkers. Graag ontving hij zijn vele vrienden en kennissen in het gastvrije huis aan de Utrechtse Stolberglaan, waar hij na het overlijden van zijn echtgenote nog vele jaren heeft gewoond. Bezoek was er eigenlijk nooit genoeg. Na vergaderingen of andere bijeenkomsten stelde hij al gauw voor samen uit eten te gaan.
Mari van Buijtenen was zeer attent en hulpvaardig. Altijd was hij bereid zich te buigen over de problemen waar vakgenoten mee bezig waren. Talloze manuscripten, vooral van jongeren, heeft hij gelezen en van commentaar voorzien. Vaak bood hij vervolgens hulp om de uitgave financieel mogelijk te maken. Voor heel wat mensen heeft hij brieven geschreven aan allerlei fondsen en succes daarbij was haast bij voorbaat verzekerd.
Persoonlijk leed is Van Buijtenen niet bespaard gebleven. Reeds eind 1974, enkele maanden voor zijn vertrek als rijksarchivaris, overleed zijn echtgenote. Een aantal jaren later verloor hij zijn oudste zoon. De laatste jaren werd zijn gezondheid, die nooit heel goed was geweest, geleidelijk slechter. Ook werd het stiller om hem heen. Velen van zijn vrienden waren inmiddels overleden. Enkele jaren voor zijn dood verhuisde hij naar een verzorgingshuis. Op 14 januari 1997 overleed Mari van Buijtenen na een kort ziekbed in het Utrechtse Diakonessenziekenhuis.
a.d.a. monna
| |
Noot
Bij het schrijven van dit levensbericht is dankbaar gebruik gemaakt van: C. Dekker en H.L. Ph. Leeuwenberg, ‘Descriptio vitae’, in: Het Sticht van binnen en van buijtenen. Bundel opstellen over de geschiedenis van de provincie Utrecht, aangeboden aan dr. M.P. van
| | | |
Buijtenen bij diens zeventigste verjaardag. Utrecht 1981 (ook verschenen als Jaarboek Oud-Utrecht 1981), p. 9-13, en van: A.K. de Meijer osa, ‘In memoriam: Mari van Buijtenen (1911-1997)’, in Trajecta 6 (1997), p. 74-79. Vooral in laatstgenoemd artikel wordt uitvoerig ingegaan op de betekenis van de afzonderlijke publicaties van Van Buijtenen. Binnenkort zal H.L. Ph. Leeuwenberg in het Archievenblad aandacht besteden aan zijn betekenis voor het archiefwezen.
Een bibliografie vindt men in Het Sticht van binnen en van buijtenen (Marcel P. van Buijtenen, ‘Lijst van publicaties van dr. M.P. van Buijtenen’, p. 15-25). Een aanvulling daarop bij De Meijer, p. 79.
|
|
|