Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1999


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 1998-1999. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden 2000  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 73]

Leonard Wilson Forster
Londen 30 maart 1913 - Cambridge 18 april 19971

Een van de kenmerkende stijlfiguren in de lyriek van het Petrarkisme vormt het oxymoron. Leonard Forster mag, binnen de naoorlogse generatie, wellicht gelden als de grootmeester van het onderzoek betreffende deze, de Europese literatuur ooit zo vernieuwende, literaire stroming - maar zeker was hij tevens haar grootste bewonderaar. De prachtige bundel die hij in 1969 uitbracht onder de treffende titel The Icy Fire, en waarin hij minder bekende facetten van deze schitterende lyriek meesterlijk belichtte, mag gerekend worden tot de klassieken die de literatuurkritiek van deze cultuurperiode de laatste decennia heeft voortgebracht. Het zijn even diepgravende als lichtvoetige opstellen, even doorwrocht als speels, even geleerd als nuchter observerend. Natuurlijk zijn zij de neerslag van een diep inlevingsvermogen en een rijke belezenheid; Leonard Forster was een volleerd vakman met een scherpe zelfkritiek. Maar wat de bundel bijzonder maakt, zijn Forsters subtiel gevoel voor en zo natuurlijke verwantschap met het verfijnde, precieuze woordspel van Petrarca. Diens hyper-intellectuele knipoog naar het diep-menselijke in zijn ‘sweet pain’ en ‘lovely agony’ sloot naadloos aan op de intense liefde voor, enerzijds, het leven en de mens, en anderzijds de kunst en de taal die het veelzijdig leven van Leonard Forster van jongs af aan hebben gekenmerkt.

Het is een zeldzame combinatie. Daarom leest Leonard Forsters leven zelf welhaast als een oxymoron: uitermate rijk belezen verafschuwde hij ieder vertoon van geleerdheid, tot in de voetnoten toe. Begenadigd academicus, bezat hij een voor het universitair milieu weldadige ‘common sense’. De ernst zelve als het ging om waar hij met hart en ziel voor stond, sloot hij steevast af met een pointe vol typerende zelfspot. Vanachter de glanzende brillenrand twinkelden zijn uiterst pientere oogjes vol nauw te bedwingen, aanstekelijke humor. Leonard Forster was een geboren intellectueel, een boekenman ook in hart en nieren. Zijn sfeervolle huis aan de Maid's Causeway, geen kwartier lopen van zijn dierbare Selwyn en al die andere colleges, kraakte onder de last van de boeken en folianten die tot in het toilet opgestapeld lagen. Zijn zonovergoten tuinhuisje was een weldaad van rust.

Leonard Forster genoot van talent en stimuleerde het waar hij het aantrof. Tot in zijn nadagen was de naar hart eeuwig jonge grijsaard een bege-

[p. 74]

nadigd docent. Maar bij dit alles bleef hij ten alle tijde uiterst kritisch. Messcherp en vernietigend was zijn oordeel waar hij arrogantie of leeg vertoon beluisterde. Veelschrijverij verfoeide hij; zijn eigen oeuvre was, zeker gemeten naar zijn indrukwekkende loopbaan, beperkt van omvang, maar de hoge kwaliteit van dit werk verleende hem al vroeg brede erkenning. Hij was de meester van het miniatuur, die juweeltjes van pregnante, doorwrochte schetsjes afleverde. Leonard Forster leefde vanuit een intense bevlogenheid. Te vaak stond naar het oordeel van deze uiterst taalgevoelige en ook kunstzinnig hoogbegaafde mens bij collega's de last van de wetenschap het puur literair peilen in de weg. In 1978 wees hij in een voordracht in Wolfenbüttel zijn gehoor op het gevaar van Literaturwissenschaft als Flucht vor der Literatur.

Forsters denken en voelen lieten zich niet binden aan strakke regels of starre grenzen van disciplines. Juist de dwarsverbindingen en kruisbestuivingen boeiden hem. Hij reikte verder dan de meesten op die aanlokkelijke, maar o zo verraderlijke weg van de interdisciplinariteit. Weinigen in onze dagen is het gegeven met erkend gezag naar believen te publiceren over én Petrarca én Perk, Barok én Dadaïsme, Goethe én Grass, Heinsius én Morgenstern. Niemand was verrast, vijftien jaar geleden, bij de oprichtingsvergadering van de Werkgroep Zeventiende Eeuw Interdisciplinair in Utrecht, Leonard Forster de zaal binnen te zien lopen.

Forsters verdiensten voor de vaderlandse literatuurgeschiedenis zijn aanzienlijk geweest. Terecht was hij lid van zowel een Nederlandse als een Belgische Academie, en zijn grote vriend Jan van Dorsten zal hem in 1975 met trots verwelkomd hebben als eredoctor in Leiden. Want bij al zijn verdiensten voor de germanistiek, de Duitse barok-studie en de ontwikkeling van zijn geliefde Wolfenbüttel tot centrum van onderzoek en mekka voor de boekliefhebber, zijn wij Leonard Forster bovenal dank verschuldigd voor zijn onvermoeibaar streven in het Europa van direct na de oorlog aandacht te vragen voor de historische lijnen die de Duitse, Nederlandse en Engelse cultuur zo nauw verbinden. Dat vergde meer dan inzicht, dat vroeg inderdaad om de moed en het gezag van een Forster.

 

Leonard Wilson Forster werd op 30 maart 1913 in Londen geboren en ontving zijn eerste opleiding aan Marlborough College (Wiltshire). Van verreikende betekenis voor zijn verdere leven werd een verblijf, nog tijdens zijn schooljaren, bij een familie in Braunschweig. Hier maakte hij kennis met de Duitse cultuur en leerde hij de taal spreken. Spoedig daarna

[p. 75]

liet hij zich als student Duitse taal- en letterkunde inschrijven in Trinity Hall in Cambridge. Zijn volgende stap was een typerende. In 1934 vertrok hij naar Leipzig, waar hij aan de universiteit een lectorschap Engelse taal aanvaardde. In de daaropvolgende drie jaren vervulde hij deze functie in achtereenvolgens Königsberg en Basel. In 1938 promoveerde hij in Basel op een studie over G.R. Weckherlin. Aan deze universiteit was het ook dat hij de Zwitserse Jeanne Billeter leerde kennen, met wie hij in 1939 trouwde. Sinds 1937 was hij overigens ook verbonden aan Selwyn College in Cambridge, waar hij aan de universiteit Duits doceerde. De oorlogsjaren zagen Forster actief in dienst van de Admiralty en het Foreign Office. Het was een periode waarin, naar eigen zeggen, zijn organisatievermogen, gevoel voor doelmatigheid en kijk op het functioneren van publieke instanties aanzienlijk werden aangescherpt.

In 1947 ontving Forster een aanstelling tot University Lecturer in de faculteit middeleeuwse en moderne talen in Cambridge, in 1950 gevolgd door zijn benoeming tot hoogleraar Duitse taal en letteren aan het University College in Londen. Niet alleen op deze leerstoel, maar tevens als eindredacteur van German Life and Letters (1956-) was hij de opvolger van L.A. Willoughby. Zijn leven lang zou dit tijdschrift Forsters geesteskind zijn en het natuurlijk podium voor zijn denkbeelden. Het was een vruchtbaar decennium in Londen, dat tenslotte in 1961 werd afgebroken door zijn benoeming, als opvolger van W.H. Bruford, tot ‘Schröder Professor of German’ in Cambridge, waar hij nu ook werd verkozen tot ‘Fellow’ aan Selwyn College. Bijna twee decennia lang, tot zijn emeritaat op 30 september 1979, was hij een geliefd en inspirerend docent. Maar gevreesd was hij ook. Leonard Forster kon zeer charmant en geestig zijn, haast jongensachtig provocerend in zijn altijd tintelende en speels-levendige geest. Hij was in staat tot oprechte, vergaande vriendschap in de omgang met wie eenmaal zijn vertrouwen en waardering gewonnen hadden. Leeftijd speelde daarbij geen rol: hij was een open, toegankelijk en bevlogen docent voor wie zich dit waard betoonde, en ruimhartig in zijn lof voor verdiensten. Hij kon ook speels corrigeren: om zijn Duitse studenten zelfdiscipline bij te brengen in spreekbeurten, liet hij op de afgesproken tijd keukenwekkers aflopen. Maar tegelijk was zijn kritiek bij wanprestatie zeer direct en hard. Met ‘intellectuele luiheid’ of het gebrek aan heuse vakinteresse had deze man, die zelf zijn vele talenten, tomeloze inzet en rijke kennis zo licht droeg, even weinig geduld als met onnodig vertoon van geleerdheid, modieus vakjargon of arrogantie. Zijn spot kon dodelijk zijn, zijn typering

[p. 76]

meesterlijk. In 1976 werd Forster gekozen tot Fellow van de British Academy.

Wij stipten het hierboven reeds aan, Forsters arbeid in Cambridge en Londen vormde maar een deel van zijn werkterrein. Meer dan iemand anders in dit studieveld werd hij, in de moeilijke naoorlogse fase, de bruggenbouwer naar het continent en hersteller van de contacten tussen de Angelsaksische en Duitse denkwerelden. De serie Anglia Germanica, waarvan hij lang de redacteur was, bood hem hiertoe een welkome gelegenheid. Het is bekend: Wolfenbüttel werd als een tweede woonstede voor hem. Jarenlang vertoefde hij er met Jeanne elke zomer maandenlang. In velerlei hoedanigheden hielp hij de Herzog August-bibliotheek uit te bouwen tot het studiecentrum dat een begrip werd in de wereld. Zijn vele bewonderaars verhalen nog met verve hoe hij hen voorging in vergadering en tot op het toneel in een onvergetelijke rol als Herzog August zelve. Zijn Duitse collega's vereerden hem bij zijn zeventigste verjaardag met een Festschrift dat in de titel zijn veelzijdigheid aangaf: From Wolfram and Petrarch to Goethe and Grass. Forster publiceerde monografieën over Georg Rudolf Weckherlin (1944) en Conrad Celtis (1948), maar was evenzeer thuis in Opitz (1972, 1982) of Goethe (1981). Tegelijk genoot hij van Friedrich Dürrenmatt, van wie hij drie stukken uitgaf (Der Richter und sein Henker, 1962; Der Verdacht, 1965; Das Versprechen, 1967) en van Günter Grass, die hij persoonlijk kende (The Meeting at Telgte, 1981), of van het dadaïsme van Morgenstern, waaraan hij zijn inaugurale rede in Cambridge wijdde (Poetry of Significant Nonsense, 1962).

Het behoeft geen betoog dat Forster in zijn werkzaam leven verbonden was aan een reeks instellingen, tijdschriften en commissies. Zijn veelzijdigheid maakte hem veelgevraagd als redacteur van bladen als Daphnis (1972 - ) en de aangewezen man voor overzichtsbundels van de Duitse dichtkunst voor het Engels taalgebied. Aan verzoeken daartoe heeft hij steeds graag voldaan. In 1949 verscheen zijn German Poetry 1944-1948, in 1953 gevolgd door German Tales of Our Time. In 1957 publiceerde hij zijn befaamde en vaak herdrukte The Penguin Book of German Verse. In 1969 verzorgde hij mede de bundel Essays in German Language, Culture and Society, weer drie jaar later gaf hij een bibliografie van de Duitse barokliteratuur uit, in 1977 gevolgd door zijn Kleine Schriften over deze periode en, opnieuw zes jaar later, door Studien over de Europese receptiegeschiedenis van de Duitse barokliteratuur. Anderzijds bevorderde hij, op een heel praktische manier, het wederzijds begrip ook door een inleidende

[p. 77]

schets voor het Duitse taalgebied over Die Universität Cambridge (1975). De Goethe-medaille, zijn lidmaatschap van de Deutsche Akademie für Sprache und Dichtung en het Grosses Verdienstkreuz van de Bundesrepublik vormden de terechte erkenning voor zijn vele inspanningen. Het eerdergenoemde tijdschrift German Life and Letters wijdde in 1980 een themanummer aan hem. In 1999 werd te Wolfenbüttel de Leonard W. Forster-Preis der Herzog August Bibliothek gesticht, bestemd voor jongere onderzoekers op het gebied van de ‘Frühe Neuzeit’ en de ‘Barockliteratur’.

Maar Forster zag ook vele andere einders. Herhaaldelijk (in 1961, 1971, 1974, 1978) deed hij uitvoerig bibliotheekonderzoek in Tsjechoslowakije naar de Duitstalige baroktraditie in deze streken, vervat in een rapport Iter Bohemicum (1980). In 1967-1968 verbleef hij lang als gastdocent aan universiteiten in Canada en Nieuw-Zeeland, waar hij het fenomeen meertaligheid bij dichters belichtte, in 1970 neergelegd in zijn bundel The Poet's Tongues. In 1975 zette hij zich in de Folger Shakespeare Library in Washington aan een andere zijn karakter kenmerkende hobby, de bestudering van alba amicorum (met name dat van Dietrich Bevernest, uitgegeven in 1982), als reflectie van grensoverschrijdende geleerdencontacten en cultuuroverdracht. In een reeks colleges in Basel in 1982 belichtte hij de figuur van de graveur Christoffel van Sichem (publicatie in 1985).

Zijn kennis van de hem (mogelijk juist vanwege het interdisciplinaire en veeltalige) zo geliefde cultuurfase van renaissance en barok, maakte voor Leonard Forster de oversteek naar de deelgebieden van humanisme en Neolatijn tot een welhaast vanzelfsprekende. Niet minder dan op de germanistencongressen, waarvan hij de sessie van 1975 in zijn eigen Cambridge presideerde, was zijn verschijning op de driejaarlijkse bijeenkomsten van de ianls decennialang even vertrouwd als welkom. Ook binnen deze gremia werd met graagte geprofiteerd van zijn veelzijdige kennis, lichtvoetige humor en rijke gaven als bestuurder-organisator en docent. Hoewel op en top intellectueel, ontpopte hij zich ook hier als een bijzonder sociaal mens, gemakkelijk in de omgang met geestverwanten, en een uiterst boeiend gesprekspartner in de wandelgangen. Jarenlang was hij een gewaardeerd redacteur van Jozef IJsewijns Humanistica Lovaniensia (1970-). Maar deze interesses leidden ook tot publicaties ‘in their own right’. Zo verzorgde Forster in 1965 een kritische facsimile-uitgave van de Duitse vertaling uit 1601 van Justus Lipsius' vermaarde De Constantia. Datzelfde jaar publiceerde hij een belangrijk artikel op het thema van ‘lovers’ meetings and partings at dawn' in de Neolatijnse literatuur. In 1977 gaf hij een studie

[p. 78]

uit over Lipsius' neostoïcisme en in 1981 een bijdrage over de klassieke bronnen voor de Emblemata Horatiana van Otho Vaenius.

Niettemin, de belangrijkste rechtvaardiging voor de publicatie van een levensbericht in dit Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde vormen toch zijn uitzonderlijke verdiensten voor de internationale verbreiding van het Nederlands literair en cultureel erfgoed. Voor de polyglot Forster kende het Nederlands weinig geheimen. Zijn allereerste publicatie, in 1936, betrof een bespreking van twee Nederlandse gedichten van Nicholas Murford in Neophilologus. Het zou de opmaat blijken voor een even boeiende als veelzijdige reeks bijdragen, meest ook in het Nederlands geschreven, over zulke uiteenlopende onderwerpen als het vaderlands blijspel (1941), Leidse boekenveilingen (1955), Perk en Platen (1960), Constantijn Huygens (1964), vroege renaissancelyriek (1967), een sonnet van Plantijn (1980) of Jef Geeraerts (1992). Ook zijn laatste publicatie zou dit interesseveld betreffen: een bespreking in De nieuwe taalgids van (toch?) Bredero's ‘Vroegh in den dagheraadt’ (1994).

Talrijke bijdragen betroffen de betrekkingen tussen de Nederlandse en Duitse cultuur: inzake vroege baroklyriek, rond Jan vander Noot (1967, 1968, 1976), maar ook onderwerpen als Utenhove en Duitsland (1971), Goethe en Luyken (1981) of Van Sichem en de Duitse alexandrijnendichters (1985). Ook de Engels-Nederlandse betrekkingen diende hij veelvuldig, vaak in nauw contact met het Leidse Thomas Browne Instituut. Vermaard zijn nog steeds zijn studies over Janus Gruterus' Engelse jaren (1967, 1975), mede de weerslag van een reeks gastcolleges in Leiden in 1966. Vermeldenswaard zijn ook zijn korte, meesterlijke bijdragen over Heinsius (1982) en, in Dutch Crossing van 1984, over de literaire betrekkingen tussen de Lage Landen, Engeland en Duitsland. Forster wist in enkele pagina's veel op te roepen en veelal nieuwe invalshoeken te openen. Zijn buitenlands erelidmaatschap van de kantl in Gent (sinds 1973) en zijn buitenlands lidmaatschap van de knaw in Amsterdam van 1968 tot aan zijn dood zijn, naast zijn Leids eredoctoraat, de publieke blijken van erkenning voor zijn vele verdiensten voor ons taalgebied.

Het mag, in het licht van het bovenstaande, niet verbazen dat het fenomeen meertaligheid bij dichters Leonard Forster ongemeen boeide. Een artikel in Neophilologus uit 1961 suggereerde dit reeds; zijn eerdergenoemde The Poet's Tongues uit 1970 bewees wat voor een belangrijke plaats taalvermogen, woordkunst en woordspel innamen in het dagelijks leven van deze even begaafde als beminnelijke mens. Zelf schreef hij erover: ‘These

[p. 79]

lectures deal with a subject which has interested me since my schooldays. I have touched on it in several earlier publications, but I have never so far had the opportunity to deal with it in a wider and more coherent framework, and I am grateful to the University of Otago for allowing me to try. My first effort [...] (1961) [was] based on a public lecture given in German in universities in Holland, Germany, Switzerland and Czechoslovakia, itself the expansion of a footnote to an earlier article. [...] I had always hoped to be able to continue the story down to the present day. A series of public lectures by various scholars at the Warburg Institute of the University of London in the spring of 1967 gave me the chance of doing so in highly concentrated form in one lecture. This lecture was also given in several Canadian universities.’ De gouden draad door zijn oeuvre, dat zo vele facetten kende, was die ene onuitputtelijke inspiratiebron, de taal. En vöör alles was en bleef de geleerde Leonard Wilson Forster, die op 18 april 1997 in zijn geliefde Cambridge overleed, de pure liefhebber en genieter van poëzie.

 

arthur eyffinger
marcus de schepper

[p. 80]

Voornaamste geschriften

Deze bibliografie is beperkt tot zelfstandige publicaties (algemeen) en tot artikelen over Nederlandse letteren en cultuur. De bibliografie tot 1980 van Peter Fox in: From Wolfram and Petrarch to Goethe and Grass: studies in literature in honour of Leonard Forster. Baden-Baden 1982 (‘Bibliography of publications of Leonard Forster 1936-1980’), p. 633-642, bevat veel artikelen, inleidingen en recensies.

 

‘Twee Nederlandsche gedichten van Nicholas Murford, 1650’, in: Neophilologus 21 (1936), p. 287-298.
C.E. Montague, The right place: essays on England. Selected by Leonard Forster. Bern [1939], 47 p. (= Collection of English texts for use in schools; 19.)
‘Twee Nederlandsche gedichten in het album van Theobaldus Ryffius, Bazel, 1602’, in: De navorscher 88 (1939), p. 42-45.
‘The Königsberger Zwischenspiele of 1644 and the Dutch comedy: a study in metrics’, in: Modern language review 36 (1941), p. 488-494.
Georg Rudolf Weckherlin: zur Kenntnis seines Lebens in England. Basel 1944. 168 p. (= Basler Studien zur deutschen Sprache und Literatur; 2.) Ook als Inaugural-Dissertation Basel. (G.R. Weckherlin 1584-1653, Duits diplomaat in Engelse dienst, ambtelijk voorganger van J. Milton.)
Selections from Conrad Celtis (1459-1508). Edited with translations and commentary by Leonard Forster. Cambridge 1948, 122 p.
‘Boyard - Banjaert - Banjer’, in: Neophilologus 32 (1948), p. 57-59.
[p. 81]
German poetry 1944-1948. Cambridge 1949, 72 p.
The temper of seventeenth century German literature. London 1952, 35 p. (Inaugurale lezing University College London, 7 februari 1951.)
German tales of our time. Edited with an introduction by Leonard Forster. London 1953, 144 p.
‘Notities over Leidse boekenveilingen uit de zeventiende eeuw’, in: Het boek 32 (1955), p. 166-167.
The Penguin book of German verse. Introduced and edited by Leonard Forster; with plain prose translations of each poem. Middlesex 1957, 465 p.
A calendar of the correspondence of J.H. Ott 1658-1671 in the Library of the Huguenot Society of London. London 1960, 58 p. (= Publications of the Huguenot Society of London; 46.)
Wie eenmaal u aanschouwt, leefde genoeg: Perk en Platen’, in: Spiegel der letteren 4 (1960), 2, p. 125. (N.a.v.: R. Lievens, ‘Friedrich Hölderlin en Jacques Perk’, in: Spiegel der letteren 3 (1959), 3-4, p. 292-293. Over Deinè Theos van Jacques Perk, en August von Platen.)
‘Fremdsprache und Muttersprache: zur Frage polyglotter Dichtung in Renaissance und Barock’, in: Neophilologus 45 (1961), p. 177-195. (Over o.m. Cats, Hooft, Huygens, Vander Noot, Vaenius.)
Poetry of significant nonsense. Cambridge 1962. 46 p. Inaugural lecture 9 May 1962. (Over Christian Morgenstern (1871-1914), nonsense verses en Dadaïsme.)
F. Dürrenmatt, Der Richter und sein Henker. Edited with an introduction, notes and a skeleton vocabulary by Leonard Forster. London [1962], 153 p.
‘An [!] unique copy on vellum of Constantijn Huygens's poem on the new town hall of Amsterdam, 1657’, in: Het boek 36 (1963-1964), 3-4 (1964), p. 216-221. (Over Gelvck aen de E.E. Heeren Regeerders van Amstelredam in haer nieuvve stadthuis; Haarlem 1657, plano; ex. op perkament in een convoluut in de Lyceumbibliotheek van Levoca, Slowakije.)
Justus Lipsius, Von der Bestendigkeit = De Constantia: Faksimiledruck der deutschen Übersetzung des Andreas Viritius nach der 2. Aufl. von c. 1601 mit den wichtigsten Lesarten der ersten Aufl. von 1599. Stuttgart 1965; xvi, 152 fol., 32 p. (= Sammlung Metzler. Realienbücher für Germanisten; 45. Abt. G.: Dokumentationen. Reihe B: Zu Unrecht vergessene Texte.)
F. Dürrenmatt, Der Verdacht. Edited with an introduction, notes and a skeleton vocabulary by Leonard Forster. London 1965, 203 p.
‘Dutch’ / ‘Renaissance Latin’, in: Eos: an inquiry into the theme of lovers' meetings and partings at dawn in poetry. Ed. by Arthur Hatto. The Hague 1965, p. 473-504; 282-298.
Janus Gruter's English years: studies in the continuity of Dutch literature in exile in Elizabe-
[p. 82]
than England. Leiden-London 1967, 167 p. (= Publications of the Sir Thomas Browne Institute Leiden. Special series; 3. ‘An expanded version of two lectures delivered in the University of Leiden in May 1966’.)
Die Niederlande und die Anfänge der Barocklyrik in Deutschland: mit Textbeispielen und einer Abbildung. Groningen 1967, 30 p. (= Voordrachten gehouden voor de Gelderse Leergangen te Arnhem; 20.)
F. Dürrenmatt, Das Versprechen; Requiem auf den Kriminalroman. Edited with an introduction, notes and a skeleton vocabulary by Leonard Forster. London 1967, 185 p.
‘Iets over Nederlandse renaissancelyriek vöör Heinsius en Hooft’, in: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 83 (1967), 4, p. 274-302.
‘The translator of the Theatre for Worldlings’, in English studies 48 (1967), 1, p. 27-34. (T. Roest.)
‘Jan van der Noot und die deutsche Renaissancelyrik: Stand und Aufgaben der Forschung’, in: Literatur und Geistesgeschichte: Festgabe für Heinz Otto Burger. Berlin 1968, p. 70-84. Ook in: Kleine Schriften (1977), p. 101-118.
The icy fire: five studies in European Petrarchism. Cambridge 1969, 203 p. (Duitse vertaling: Das eiskalte Feuer: sechs Studien zum europäischen Petrarkismus. Kronberg 1976.)
Essays in German language, culture and society. Ed. by Siegbert S. Prawer, R. Hinton Thomas and Leonard Forster. London 1969, 244 p. (= University of London, Institute of Germanic Studies. Publications; 12.)
The Poet's Tongues: multilingualism in literature. The de Carle Lectures at the University of Otago 1968. London-Otago 1970, 101 p. (Duitse vertaling: Dichten in fremden Sprachen: Vielsprachigkeit in der Literatur. München 1974.)
‘Charles Utenhove and Germany’, in: European context: studies in the history and literature of the Netherlands, presented to Theodoor Weevers. Ed. P.K. King & P.F. Vincent. Cambridge 1971, p. 60-80. Ook in: Kleine Schriften (1977), p. 81-100.
Bibliographie zur deutschen Barockliteratur. Hrsg. von Leonard Forster und John D. Lindberg. Bern 1972-.
‘German alexandrines on Dutch broadsheets before Opitz’, in: The German Baroque: literature, music, art. Ed. G. Schulz-Behrend. Austin 1972, p. 11-64. Ook in: Kleine Schriften (1977), p. 119-160.
‘On Petrarchism in Latin and the role of anthologies’, in: Acta Conventus Neo-Latini Lovaniensis: Proceedings of the First International Congress of Neo-Latin Studies. Louvain 23-28 August 1971. Ed. by J. IJsewijn and E. Keßler. Leuven-München 1973, p. 235-244. (= Humanistische Bibliothek, Reihe I: Abhandlungen; 20.) Damasus Blyenburg. ‘The date of Quaeris quid sit amor?’, in: Quaerendo 4 (1974), 4 (Oct.), p. 335-336. (N.a.v.: R. Breugelmans, ‘Quaeris quid sit amor?: ascription, date of publication and
[p. 83]
printer of the earliest emblem book to be written and published in Dutch’, in: Quaerendo 3 (1973), 4 (Oct.), p. 281-290.)
‘De Schoolmeester and his son in Highgate’, in: Ten studies in Anglo-Dutch relations. Ed. by Jan van Dorsten. Leiden-London 1974, p. 246-262. (Publications of the Sir Thomas Browne Institute Leiden. General series; 5.)
Die Universität Cambridge: eine Einführung (met M. Senger). [Cambridge] 1975.
‘Further to Janus Gruter's English years’, in: Studia Germanica Gandensia 16 (1975), p. 5-10.
Akten des V. Internationalen Germanisten-Kongresses, Cambridge, 1975. Hrsg. von Leonard Forster, Hans-Gert Roloff. Bern 1976, 4 dl. (= Jahrbuch für internationale Germanistik; Bd. 2 Kongressberichte.)
‘Jan van der Noot en Tempera te tempori’, in: De nieuwe taalgids 69 (1976), 6 (nov.), p. 500.
Kleine Schriften zur deutschen Literatur im 17. Jahrhundert. Amsterdam 1977, 331 p. (= Beihefte zum Daphnis; 1.) Ook als: Daphnis 6 (1977), 4.
‘Lipsius and Renaissance neostoicism’, in: Festschrift für Ralph Farrell. Ed. by A. Stephens [et al.]. Bern 1977, p. 201-220.
Iter Bohemicum: a report on German baroque literature in Czechoslovak libraries. Amsterdam 1980, 157 p. (= Beihefte zum Daphnis; 4.) Ook in: Daphnis 9 (1980), 2, p. 215-371, onder de titel ‘Finding list’.
Literaturwissenschaft als Flucht vor der Literatur? Bremen-Wolfenbüttel 1980, 29 p. (= Wolfenbütteler Hefte; 8. ‘Öffentlicher Vortrag in der Augusteerhalle der Herzog August Bibliothek am 31. Juli 1978’. Oorspronkelijke tekst: ‘Literary studies as flight from literature?’, in: Modern language review 73 (1978), p. xxi-xxiv.)
‘Das Sonett von Plantin: Eins von Zweien?’, in: Stimmen der Romania: Festschrift für Theodor W. Elwert. Hrsg. von G. Schmidt and M. Tietz. Wiesbaden 1980, p. 185-193. The man who wanted to know everything. London 1981, 27 p. (= The 1980 Bithell memorial lecture. Over: Faust van Goethe.)
Günter Grass, The meeting at Telgte. Trsl. Ralph Manhein; afterword by Leonard Forster. London 1981, 147 p.
‘Die Emblemata Horatiana des Otho Vaenius’. In: Geschichte des Textverständnisses am Beispiel von Pindar und Horaz. Hrsg. von Walther Killy. München 1981, p. 117-128. (= Wolfenbütteler Forschungen; 12.)
‘Goethe und Jan Luyken: Das göttliche Wunder’, in: Studien zur Goethezeit: Erich Trunz zum 75. Geburtstag. Hrsg. von Hans Joachim Mähl und Eberhard Mannack. Heidelberg 1981, p. 45-54. (= Beihefte zum Euphorion; 18.)
Das Album amicorum von Dietrich Bevernest. Amsterdam 1982, 58 p. (= Verhandelingen der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Afd. Letterkunde.
[p. 84]
Nieuwe reeks; 115.)
‘Notes towards a commentary on Opitz's Vber des Hochgelehrten und weitberümbten Danielis Heinsij Niderländische Poemata’, in: Martin Opitz: Studien zu Werk und Person. Hrsg. von Barbara Becker-Cantarino. Amsterdam 1982, p. 41-54. Ook in: Daphnis 11 (1982), 3, p. 477-490.
Studien zur europäischen Rezeption deutscher Barockliteratur. Hrsg. von Leonard Forster. Wiesbaden 1983, 349 p. (= Wolfenbütteler Arbeiten zur Barockforschung; 11.)
‘Literary relations between the Low Countries, England and Germany’, in: Dutch crossing (1984), 24 (Dec.), p. 16-31.
Christoffel van Sichem in Basel und der frühe deutsche Alexandriner. Amsterdam 1985, 132 p. (= Verhandelingen der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Afd. Letterkunde. Nieuwe reeks; 131.)
Christian Morgenstern, Sämtliche Galgenlieder; Über die Galgenlieder; Horatius Travestitus. Mit einem Nachwort von Leonard Forster; und einer editorischen Notiz von Jens Jessen. Zürich 1985, 550 p. (= Manesse Bibliothek der Weltliteratur.)
‘Jef Geeraerts' Gangreen quartet: introduction to a Flemish novelist’, in: Dutch crossing (1992), 48 (autumn), p. 61-72.
‘Thoughts on ‘Vroegh in den dagheraadt’ ’, in: De nieuwe taalgids 87 (1994), 2 (mrt.), p. 131-135.