Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1999


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 1998-1999. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden 2000  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 122]

Karel van het Reve
19 mei 1921 - 4 maart 1999*

Karel van het Reve werd in Amsterdam geboren, in de Van Hallstraat, en heeft zijn hele leven in Amsterdam gewoond. Een groot deel van zijn jeugd bracht hij door in het zogenaamde Betondorp - de Cementwijk uit De avonden van broer Gerard - en wel in drie verschillende huizen in de Ploegstraat. Het was een in die tijd modern opgezette wijk met goede huizen voor arbeiders en kleine ambtenaren, van wie ruim veertig procent socialist en een enkeling communist. Tot die laatste minderheid behoorden de Van het Reves.

Zijn vader, Gerardus Johannes Marinus (1892-1975), was een oud-textielarbeider uit Twente die zich via de avondschool had opgewerkt. Hij was actief in de partij, en was redacteur bij De Tribune, voorloper van De Waarheid. Toen hij daar bij een ‘zuivering’ aan de kant was gezet, ging hij in zijn levensonderhoud voorzien met het schrijven van romans en kinderboeken en het maken van vertalingen. Zijn partijnaam was Gerard Vanter, maar voor zijn boeken gebruikte hij nog diverse andere pseudoniemen, zoals George van Buuren, Gerard van Woensel, Gerard Revers en Rinko Wiersma.

Karels moeder, Jannetta Jacoba - ‘Net’ - Doornbusch (1892-1959) was huisvrouw en medewerkster van de kinderkrant van De Tribune.

Zijn broer Gerard Kornelis was enkele jaren jonger.

Het gezin was gastvrij, ontspannen, altijd politiek in de weer. De verstikkende gezinssfeer, zoals die in De avonden (1947) van Gerard (schrijversnaam toen: Simon van het Reve) werd opgeroepen, is een literair beeld dat geenszins overeenkomt met de werkelijkheid. Het is een voor het verhaal noodzakelijke condensering van alle denkbare relationele ellende.

Wel leidde de werkloosheid, vooral vanaf 1938, toen de partij Vanter ten tweede male werk en inkomen ontnam, tot grote zuinigheid, later een blijvende eigenschap van Karel. En natuurlijk waren er spanningen, deels veroorzaakt door het feit dat vader Van het Reve de huwelijkstrouw niet als eerste prioriteit beschouwde.

Het leven van Karel was nauwelijks avontuurlijk. Het grootste jeugdavontuur was waarschijnlijk een busreis als scholier naar de Wereldtentoonstelling in Parijs (1937) met Femke Last en Hans van Norden. Femkes vader, Jef Last, gaf hun een introductie mee voor zijn vriend André

[p. 123]

Gide, die zij dan ook bezochten. Of waren die drie etmalen straf uitzitten in de gevangenis wegens een niet betaalde boete toch ook een avontuur?

Ook de vriendenkring van de ouders bestond niet uit revolutionaire avonturiers, al kwam er zo nu en dan een ‘vreemde Rus’ of een Duitse partijgenoot op bezoek of logeren. Mensen uit de intellectuele vleugel van de cph (en later daardoor ‘verdacht’) zoals Jan en Annie Romein en de latere hoofdredacteur van De Waarheid, A.J. Koejemans, kwamen bij de Van het Reves als vrienden over de vloer.

Het gezin Van het Reve was gastvrij en behulpzaam. Het bestaan was uiterst sober, in terugblik wel degelijk armoedig. Maar van een knellende armoede was mede dankzij het economische beleid van Karels moeder geen sprake. Karel hield er, zoals gezegd, wel een levenslange zuinigheid voor zichzelf aan over. Voor zichzelf, want hij was nooit te beroerd om de verteringen van een heel gezelschap te betalen of vrienden grote renteloze leningen te verstrekken.

De uitgesproken zorgelijke kanten van Karels moeder werden verlicht door haar hartelijkheid en de uitbundigheid van zijn vader. De jongens Karel en Gerard gingen goeddeels hun eigen gang. Karel was als oudste de baas, ongetwijfeld met het bij die status behorende gesar. Maar de indruk die Gerard later wekte van een schier satanische pesterij van Karels kant lijkt een emotionele reconstructie, een uitvergroting van oude gevoelens. De aanleidingen voor latere onenigheden tussen de broers, zoals over het schrijversprotest van 1962, een uitlating van Karel over het huis van Gerard in Frankrijk en dergelijke, lijken eerder futiel dan voorwaarden voor een principiële kloof. Bovendien waren de conflicten altijd eenzijdig: er was er maar één kwaad, en dat was Gerard.

Karel was een milde man. De overgang van Gerard naar de katholieke kerk ontlokte hem nog niet het begin van een kritische noot. Zelfs de belasteraars van zijn vader, aan wie fascistische activiteiten als spion voor de Duitsers en de Amerikanen verweten werden, bejegende hij na enkele forse uithalen relativerend mild. Een van zijn romanfiguren laat hij zeggen: ‘Bovendien koesterde ik beslist geen vijandige gevoelens jegens de secte die mijn vriend Joop had opgericht of althans in zijn greep hield. Ook ben ik verdraagzaam van aard, en kan ik het heel goed hebben als iemand meningen en gevoelens heeft die strijdig zijn met de mijne. Het gezelschap van vrome lieden is me zelfs niet onaangenaam.’

Allergisch was hij voor ongepaste ijdelheid. Een medegecommitteerde bij eindexamens die zelfverheffing met macht combineerde, kon bij hem

[p. 124]

geen genade vinden. Onschuldige ijdelheid vond hij vermakelijk of aandoenlijk, zoals van een leraar Engels die het in de klas vaak over ‘my personal friend Galsworthy’ had.

Aanvallen op zijn eigen persoon en werk werden maar zelden gepareerd. Maar mensen die beter konden weten en toch hardnekkig verderfelijke regimes als van Stalin, Mao en Castro bleven verdedigen (Wertheim, Mulisch) konden bij herhaling op gedocumenteerde tegenstoten rekenen.

Maar terug naar zijn vroege jeugd.

Over de lagereschooltijd horen we weinig. De familie woont dan nog in Betondorp. De verhuizing naar de Jozef Israëlskade 116/1, waar hij tot 1945 bleef wonen, vindt pas in 1937 plaats.

Aan het eind van zijn lagereschooltijd, als Karel en Gerard lid zijn van de communistische jeugdbeweging de Pioniers, valt zijn eerste publicitaire activiteit: stukjes in de jeugdrubriek van De Tribune over het kamperen met die club. Hij hanteert dan het herkenbare pseudoniem Karel Beton. Die stukjes krijgen steeds meer een columnachtig karakter en zijn opvallend goed geschreven.

Dan volgen zijn ouders het advies van Jan en Annie Romein, het ‘geleerde echtpaar’, en sturen hem naar het Vossiusgymnasium (1933). Daar komt hij vanaf de tweede in de klas bij vrienden als Jan Erik Romein, Philip de Vries en David Koker, zijn beste vriend. Deze laatste zal in 1945 omkomen, op transport naar Polen. De dagboeknotities die Koker maakte toen hij in Vught gevangen zat, worden later door Karel geredigeerd en van een inleiding voorzien (Dagboek geschreven in Vught, 1977).

Karel is geen briljante leerling, noemt zich ook later bij herhaling lui. Maar die luiheid, die ook wat geaffecteerd aandoet, wordt voldoende gecompenseerd door zijn zeer goede verstand, zodat hij de school zonder problemen doorloopt.

Veel later zegt hij in een interview in de Haagse Post met Ischa Meijer (1980): ‘Ik deed mijn best niet, dus ik heb zes jaar lang de wurgende angst gekend dat ik een beurt zou krijgen. Ik heb tot nu toe nooit begrepen waarom ik mijn huiswerk nooit deed. Ik ben betrekkelijk lui en geneigd om onaangename dingen uit de weg te gaan.’

Toch lijkt hij plezier te hebben in het schoolgaan. Een belangrijke rol spelen daarbij enkele leraren die hem aanspreken: de historicus Jacques Presser, met wie Van het Reve en zijn vrouw bevriend raken, de neerlandicus D.A.M. Binnendijk, en de classicus Willem Vreeken. Ook zijn genoemde vrienden waren ‘verwante zielen’ en droegen ertoe bij dat hij zich

[p. 125]

op school thuis voelde. Dit in tegenstelling tot zijn broer Gerard, die ook een goed verstand had, maar de school voortijdig verliet. Ook met Tini - Jozien, eigenlijk Jozina - Israël (geb. 6 juli 1920) raakte hij op school bevriend, toen zij in de vijfde bij elkaar in de klas kwamen. Het is een voorbeeldige schoolliefde, die uitmondt in een huwelijk.

Initiatieven tot vriendschap gingen, voorzover bekend, goeddeels van de anderen uit. Karel was geen ‘opzoeker’ van vrienden, ook later niet. Hij ontving ze bij voorkeur, gastvrij en onderhoudend.

Hij werd hoofdredacteur van de officiële schoolkrant, Vulpes (Latijn voor vos), en schrijft ook met enige frequentie in de ‘illegale’ schoolkrant, De Ventilator. Als scholier vertaalt hij al twee boeken van Konstantin Paustovski (De baai van Kara Boegas, 1935; Kolchis, 1937), maar dan wel uit het Duits, dat hij naar eigen zeggen toen zeer onvolledig beheerste.

Na het eindexamen (1939) begonnen Karel, Tini en David Koker aan de studie sociografie, omdat dat hun ‘wel wat leek’. Maar dat viel tegen, zodat zij aan een terreinverkenning begonnen bij andere vakken en hoogleraren. De colleges van buitengewoon hoogleraar Russische geschiedenis Bruno Becker (Russisch emigrant, van huis uit historicus en Coornhertspecialist) bevielen Karel en Tini meteen. Daar bleven ze dus hangen. De studie Russisch werd onderbroken door de oorlog, althans het officiële universitaire traject. Want Becker bleef huiscolleges geven. Van het Reve las in die tijd de klassieke Russische schrijvers en begon met vertalen. In 1944 vertaalde hij Poesjkins drama in verzen Boris Godoenov, waarin zijn geverseerdheid in het Russisch en in het hanteren van het vers al duidelijk bleek. Hij stuurde zijn vertaling ter beoordeling aan de door hem bewonderde Martinus Nijhoff, maar die liet niets van zich horen.

De oorlog betekende voor het gezin Van het Reve overleven. De oude Vanter was verstoten uit de Communistische Partij én werd gezocht door de Duitsers, zodat hij al snel onderdook, wat niet meeviel, want bij communisten kon hij niet meer terecht. Karel en Gerard werden een keer van huis gehaald, maar toen zij - naar waarheid, overigens - verklaarden niets van hun vaders verblijfplaats te weten en beloofden de bezetter geen enkele schade te berokkenen - een grif gedane loze belofte - kwamen ze gauw vrij.

Aan het eind van de oorlog verliet ook Karel het ouderlijk huis en hielp met allerlei hand- en spandiensten een kleine organisatie van hulpverlening aan joodse onderduikers. Zijn vriendin Tini had zich op voorspraak van Femke Last daar al eerder bij aangesloten. Men noemde zich in dat groepje wel ‘illegalicus’, een door Karel graag gehanteerde titel. Maar,

[p. 126]

zegt hij zelf: ‘In het verzet was ik ook niet zo erg, want ik zag er verschrikkelijk tegenop om doodgeschoten te worden.’ Toch was hij in het geheel niet bang, zoals schrijver dezes kan getuigen.

Ondertussen was hij in 1941 een jaar na Gerard een studie (patroonscursus) aan de Grafische School begonnen, niet alleen om wat om handen te hebben nu de universitaire studie plat lag, maar ook om een vak te leren. De slavistiek, zo meende hij, zou hem geen droog brood opleveren. Daarbij gaven hij en Tini ook Russische les, onder andere aan oud-wereldkampioen schaken Max Euwe en de schrijver Theun de Vries (die nog tientallen jaren na de oorlog de partijlaster over Vanter zou blijven rondbazuinen).

Kort na de oorlog, op 11 juli 1945, trouwden Karel en Tini. Uit de loterij van aan de illegaliteit beschikbaar gestelde huizen hadden zij Amstel 268 verkregen. Een dochter, Jozina Jannetta (Jozien), en een zoon, David, werden in respectievelijk 1947 en 1950 geboren.

De studie kon legaal hervat worden. Hij wordt assistent bij de inmiddels als gewoon hoogleraar Russische geschiedenis, taal- en letterkunde benoemde Becker en geeft onder andere colleges voor beginners. Dat waren er direct na de oorlog zeer veel. Ook bewerkt hij een leerboek van de Duitser Georg Thier (Eenvoudig Russisch leerboek, 1946) en stelt hij een oefenboek samen (Russisch lees- en themaboek, 1947). In het najaar van 1948 wordt hij, samen met studiegenoot Tom Eekman, wetenschappelijk assistent op het pas opgerichte Rusland Instituut (later Oost-Europa Instituut), waarvan Becker hoogleraar-directeur wordt.

Eerder dat jaar had hij zijn eerste reis naar Moskou gemaakt. Hij reisde met de Nederlandse delegatie naar het toernooi om het wereldkampioenschap schaken. Op voorspraak van Euwe was Karel toegevoegd aan de Amerikaanse schaker Reshevsky als vertegenwoordiger van de Amerikaanse schaakbond in het college van arbiters. Zelf was hij niet meer dan een huiskamerschaker, en naar verluidt bracht hij meer tijd in de Leninbibliotheek door dan in de toernooizaal.

Vanaf 1945 schrijft hij in De Vrije Katheder, eerst weekblad, later maandblad. Het blad, voortgekomen uit de illegaliteit, heette een ontmoetingsplaats voor de diverse schakeringen van politiek links, van gelovige communisten tot renegaten en andere nog wel linkse sympathisanten. Met een stuk over de sovjetwaardering van Poesjkin (1949) wekt Van het Reve - niet voor het laatst - de woede op van mensen als Theun de Vries en Ger Harmsen.

[p. 127]

Het wordt ook tijd om af te studeren. Dat gebeurt in januari 1951. Voor dat doctoraal schrijft hij twee scripties, één over zijn geliefde auteurs Heine en Poesjkin (door Romein in 1949 gepubliceerd in De Nieuwe Stem), de andere over ‘Radicale kritiek en literatuur in de Russische 19e eeuw’.

De eerste tekenen van zijn geloofsafval - hij was nooit lid van de cpn - zijn in 1948-1949 waar te nemen. Het ging niet abrupt. Jan Willem Bezemer zegt daarover (Haagse Post, 1980): ‘Dat proces van geloofsafval is bij hem heel geleidelijk gegaan, maar het ging zeer bewust, stap voor stap beredeneerd, hij heeft zich van zijn geloof àfgedacht, het was de zegepraal van de rede.’

In die periode bezochten wij nog wel meetings van de cpn zoals in de Amsterdamse markthallen: ‘Indonesië los van Holland, nu!’ Of op het Museumplein, waar herhaaldelijk door de luidsprekers werd geroepen: ‘Willen de kameraden van de bunkers gaan!’ Het frequent citeren van de uitroep hoorde bij deze periode van beginnende afvalligheid, die ironisering en mallotisering, veel meer dan wrok of afkeer, als kenmerken had. Dat alles kwam hem op verguizing, verdachtmaking en lasterlijke praat van de partij te staan, onder andere bij monde van De Waarheid.

Inmiddels maakte zijn werk op het Rusland Instituut het mogelijk om in een behoorlijk tempo aan zijn dissertatie te werken: Goed en schoon in de sovjetcritiek: beschouwingen over de aesthetica van het Sovjetrussische marxisme. Door Romein - nota bene copromotor - werd binnen de promotiecommissie fel campagne gevoerd om Van het Reves promotie tegen te houden. Het zou geen pas geven om zo oneerbiedig over de Sovjet-Unie te schrijven. De opzet slaagde niet en Karels promotie in 1954, op de verjaardag van zijn vrouw, werd door vakgenoten met veel bewondering ontvangen. Ook promotor Becker meende dat hij ‘de rode draad in deze moeilijke materie’ had ontdekt. De ontvangst van de zijde van de partij en enkele fellow-travellers was uiteraard minder positief.

In zijn proefschrift analyseert Van het Reve de criteria voor waardering, positief en negatief, in de Sovjetrussische kritiek. Daartoe is vooral de relatie onderzocht tussen de esthetische waardering van een kunstwerk en de ethische. De kronkels die de critici moeten maken om aan die waardering een maatschappelijk positief effect te verbinden, worden met scherpzinnigheid en geduld beschreven in een in meer dan één opzicht uiterst leesbare, want ook lichtvoetige studie.

Na zijn promotie krijgt hij van de Rockefeller Foundation een beurs voor een onderzoek aan de Columbia University naar de tijdgenoten van

[p. 128]

Poesjkin. Hij reist dan ook langs andere Amerikaanse universiteiten met een afdeling slavistiek.

Tijdens zijn verblijf in de vs is hij ook druk bezig met vertalen van de romans van Toergenjev, voor Van Oorschots Russische Bibliotheek. Eerst is hij alleen in de vs, waar zijn bestaan van een vindingrijke soberheid is. Hij mag later graag vertellen hoe hij zich iedere avond onder de douche wast, waarbij hij zijn nylon overhemd aanhoudt en inzeept, om het de volgende ochtend schoon aan te kunnen trekken. Als hij na drie maanden genoeg gespaard heeft voor hun overtocht, voegen vrouw en kinderen zich bij hem en ontstaat een geregeld huishouden.

In de jaren daarna is hij met wisselende intensiteit naast zijn universitaire werk bezig met het schrijven van de roman Twee minuten stilte, die in 1959 uitkomt. Het is een sleutel-detectiveroman, die op een instituut speelt, waarvan de hoogleraar-directeur, waar Becker model voor staat, door een bomontploffing gedood wordt. Het boek wordt gunstig ontvangen, maar wordt geen bestseller.

Kort daarna schrijft hij zijn tweede en laatste roman, Nacht op de kale berg (1961). Evenals het eerste boek heeft het een detective-achtige inslag. Het handelt over het fenomeen sekte en de daarbij horende oplichterspraktijken. In de prachtige dialogen van dit boek worden veel thema's aangestipt, die in later werk expliciet terugkomen. In zijn ter gelegenheid van Van het Reves zeventigste verjaardag geschreven journalistieke biografie Karel: Zjizn njenoezjnogo tsjelavjeka (1991), wijst Theodor Holman daar terecht op, aan de hand van een passage over godsdienst, die sterke overeenkomsten vertoont met het veel latere, vermaarde stuk ‘De ongelooflijke slechtheid van het opperwezen’, gepubliceerd in de gelijknamige bundel (1987).

Over dominees zegt de verteller bijvoorbeeld: ‘ ‘Hoe kan iemand zo verdorven zijn,’ aldus is in zulke gevallen ongeveer mijn gedachtegang, ‘hoe kan iemand zo verdorven zijn dat hij dingen die hij kennelijk meent op een zo uitgesproken huichelachtige wijze ten gehore brengt?’ ’ Zijn twijfels aan de goedheid van dat opperwezen illustreert de schrijver met tal van argumenten, ook met een citaat van de door hem zeer bewonderde Schopenhauer: ‘Wenn ein Gott diese Welt gemacht hat, so möchte ich nicht dieser Gott sein.’ Bij herlezing blijkt deze roman niet in de laatste plaats zeer boeiend door het aan de orde komen van een keur van onderwerpen die Van het Reve nog jarenlang zouden bezighouden. Het is ook een leuk boek. Voorbeeld daarvan zijn de personages die de namen dragen

[p. 129]

van bestaande personen, zoals Maartje Draak en Frans Meijers. En niet te vergeten Garmt Stuiveling, ‘de god der humanisten’.

Holman wijst op nog een andere literaire ader, die spaarzaam is aangeboord, de poëzie. Voorzover ons bekend beperkt dat zich tot gelegenheids-poëzie, vaak in de vorm van limericks, waarin hij een niet geringe virtuositeit vertoonde. Hij was trouwens, en dat bleek al eerder, een uitnemend kenner van de versleer, met name van de metriek in de poëzie.

In 1958 reist Karel ten tweede male naar Moskou, voor een internationaal slavistencongres, waar hij een voordracht houdt over Krylov (1768-1844), de beroemde Russische fabeldichter. In 1961, tijdens de ‘dooi’ van Chroestsjov, volgt een derde bezoek, dit keer aan een seminar voor West-Europese docenten Russisch. Hij kan de toestand vergelijken met die in 1949 en 1958 en signaleert vooruitgang op allerlei gebied.

De vierde keer (1965) maakt hij op uitnodiging van De Volkskrant een reis met de Transsiberische spoorlijn. Hij publiceert zijn verslagen in de krant en bundelt die later (1966) tot het Siberisch dagboek. In de zomer van 1966 maakt hij, weer voor De Volkskrant, een kampeertocht per auto, samen met zijn vrouw en zijn dochter en haar vriend. Als voorbereiding op een reeks artikelen ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van de Russische Revolutie bezoeken zij vele communistische bedevaartsoorden.

Zijn langdurigste en ook belangrijkste verblijf in Rusland valt in 1967-1968, als hij correspondent in Moskou van Het Parool wordt. Hij is dan al tien jaar hoogleraar in Leiden en krijgt een jaar onbetaald verlof.

Het journalistenvak is nieuw voor hem, maar hij had daar via zijn vader en zijn broer waarschijnlijk enige affiniteit mee ontwikkeld. Hij heeft het nieuws garen en bewerken in ieder geval al gauw onder de knie. Zijn stukken in Het Parool werden gretig gelezen, met recht. De weerslag van dit verblijf is onder andere te vinden in de bundel Met twee potten pindakaas naar Moskou (1970).

Een belangrijk verblijf, zeiden we al, omdat Karel in deze periode bevriend raakte met Andrej Amalrik, die later naar Nederland kwam, en andere dissidenten. Voor de dissidenten zelf waren deze contacten niet zonder risico, want de meeste van deze intellectuelen werden afgeluisterd en hun huizen werden ‘geobserveerd’. Elke afspraak, elke overhandiging van documenten moest daarom met grote omzichtigheid worden georganiseerd. De in de Nederlandse illegaliteit van 1940-1945 opgedane ervaring kwam toen van pas.

Van het Reve versloeg in januari 1968 het proces tegen A. Ginsboerg en

[p. 130]

J. Galanskov, twee dissidenten die waren aangeklaagd wegens het maken van een verslag van het geruchtmakende proces in 1966 tegen de schrijvers Andrej Sinjavski en Joeli Daniel (een proces dat door Harry Mulisch werd uitgelegd als bewijs van het respect dat de Russische autoriteiten voor de literatuur koesterden). Hij zag het belang in van het vermaarde manifest van de kerngeleerde Andrej Sacharov (1921-1989), Gedachten over vooruitgang, vreedzame coëxistentie en intellectuele vrijheid, en zorgde er in juli 1968 voor dat dit eerst in Het Parool en enige uren later in The New York Times werd gepubliceerd.

Ook literaire manuscripten bereikten Nederland en werden daar uitgegeven. Dit werd de basis voor de Alexander Herzen Stichting, waarover in een persbericht, door Van het Reve in december 1969 opgesteld, het volgende gezegd wordt:

‘The Foundation has been legally established on May 19th, 1969, in Amsterdam. Its aim is to publish quickly and responsibly manuscripts written in the ussr which cannot be published there because of censorship. It is a much needed response to the increasing flow of such manuscripts and to the wishes of various Soviet citizens who would like manuscripts to be published under independent and scholarly auspices. The Foundation will publish manuscripts and collections of documents which are of literary or documentary value, irrespective of their political, philosophical or religious tendency, and with the minimum of editing. They may be written in any language of the ussr.’

Bestuurders van de stichting waren Jan Willem Bezemer, Karel van het Reve en Peter Brian Reddaway. De stichting was genoemd naar Alexander Herzen (1812-1870), de Russische schrijver die als eerste in het Westen zonder censuur boeken en tijdschriften publiceerde voor een lezerspubliek in Rusland.

Na zijn terugkeer uit Moskou in augustus 1968 reisde Van het Reve enige tijd de wereld af om op Ruslandkundige congressen geduldig uit te leggen dat de dissidenten echt bestonden en geen provocateurs van de kgb waren, zoals met name veel Amerikaanse sovjetologen meenden.

Het laat zich raden dat Van het Reve na dit Moskouse jaar voor het Sovjetregime officieus persona non grata was en in de Nederlandse communistische pers opnieuw met smadelijke epitheta werd overladen. Uit deze tijd stamt de beschuldiging dat hij een agent van de cia was, iets waar hij regelmatig met een zekere trots aan refereerde. Toen de journalist Max Pam hem jaren later eens vroeg of hij nu wel of niet voor de cia had ge-

[p. 131]

werkt, antwoordde Karel: ‘Dat mogen wij niet zeggen.’

Pas onder Gorbatsjov kon hij Rusland weer in en in oktober 1988 bezochten de Van het Reves, op uitnodiging van de Nederlandse ambassade, voor de laatste keer Moskou. In 1993 volgde nog een toeristisch bezoek aan wat inmiddels weer St. Petersburg was geworden.

Terug naar 1957, toen hij in Leiden benoemd werd tot hoogleraar in de slavische letterkunde, een functie die hij tot zijn emeritaat in 1983 vervuld heeft. Pogingen om hem in Amsterdam als opvolger van Becker benoemd te krijgen mislukten, mede door de publiciteit in De Waarheid. Het werd zijn vriend Jan Willem Bezemer, ook lid van de betrekkelijk kleine groep Ruslandkundigen en slavisten die verenigd waren in het kort na de oorlog opgerichte dispuut Beseda.

Eenmaal in Leiden was zijn hoogleraarschap onomstreden. Hij bleef in Amsterdam wonen en reisde meestal per auto naar Leiden, ook bij kou en gladheid. Eens belandde hij met zijn auto via het spekgladde Rapenburg te water. Een bouwvakker redde hem toen met behulp van een ladder het leven en de toevallig passerende Maarten Biesheuvel, die Karel altijd als God zelve is blijven beschouwen, stond hem zijn - droge - broek af, zodat Karels college door kon gaan. Een gedetailleerd verslag van deze gebeurtenis is te vinden in Afscheid van Leiden (1984).

Als men zijn hoogleraarschap beoordeelt naar de professorale hoofdtaken - onderzoek, publiceren, vak bijhouden, les geven, studenten begeleiden, universiteit mee-besturen - dan vervulde hij die taken op één na exemplarisch. Zijn colleges werden zeer gewaardeerd, ook door degenen voor wie het hoofdvak elders lag. Het begeleiden van studenten inclusief promovendi gebeurde zorgvuldig. Maar hij nam daartoe geen bemoeizuchtige initiatieven. Van te voren had hij gemeld dat het besturen van de universiteit niet zijn grote interesse had, al was hij wel actief bij hem regarderende benoemingsprocedures èn bij het in stand houden van het vak als universitaire (Leidse) discipline. Verder heeft hij zich zelden met bestuurstaken beziggehouden, ook niet buiten de universiteit. Wel was hij jarenlang lid van het bestuur van de Stichting Het Parool en voorzitter van de Stichting De Grote Beer, een club die sinds 1945 kinderkampen organiseert.

Hij maakte vrijwel nooit post open die hem in grote gele of bruine enveloppen werd toegezonden. Interventies van zijn vrouw dwongen hem soms tot het lezen van zo'n zending. Zelf stuurde hij mij tot in de jaren zeventig graag brieven in dienstenveloppen zonder postzegel van de kort na de oorlog opgeheven Distributiedienst Amsterdam.

[p. 132]

Hij had moeite met het herkennen van zijn toch niet zo talrijke studenten; hij kende de naam en het gezicht maar veelal niet de combinatie. Dat leverde een probleem op bij het aanvragen van examens. Hij was daar op het kokette af eerlijk in en kon gelukkig door het raadplegen van het fotoarchief van de pedel gezichten en namen aan elkaar koppelen.

Op congressen, seminars en dergelijke was hij een geziene spreker. Hij schreef op zijn vakgebied belangrijke èn zeer leesbare artikelen, die voorzover niet in zijn bundels gepubliceerd het verdienen verzameld te worden in wat de oosterburen ‘kleine Schriften’ plegen te noemen. Zijn magnum opus, Geschiedenis van de Russische literatuur: van Vladimir de Heilige tot Anton Tsjechov (1985), is met zijn ruim 500 pagina's een waar meesterwerk. Daarvoor had hij van alle besproken auteurs alles tot zeer veel gelezen en toch ook tamelijk veel over die auteurs. Ik zeg ‘toch ook’, omdat zijn onwrikbare stelling was dat men een auteur lezen moest en dat interpretaties van de diepere gronden en vragen naar de bedoelingen van de schrijver zelden een bijdrage tot beter begrip opleveren. Als de auteur niet zelf duidelijk kan maken aan de gemiddelde lezer wat hij bedoelt, dan kan men die auteur beter terzijde leggen, meende hij - niet altijd tot tevredenheid en met instemming van zijn vakgenoten.

Ook na zijn emeritaat gaf hij nog enkele jaren college voor belangstellenden. Dat zogenaamde vertaalcollege had een bijzondere faam en grote aantrekkelijkheid voor een groep trouwe volgelingen. Het adagium ‘vertalen wat er staat’ werd in genuanceerde en consequente trant uitgedragen en leverde fraaie producten op. Daarbij bestreed hij de vertaler die wegliet, toevoegde, ‘verduidelijkte’ of ‘nog leuker’ probeerde te maken door bijvoorbeeld mallotig te moderniseren. Het hoeft de Van het Reve-kenner niet te verbazen dat hij in 1979 de Martinus Nijhoff-prijs voor Vertalingen kreeg, voor het vertalen van werken van Toergenjev. De jury merkt in haar rapport op: ‘Van een Nederlandse professor, en laat staan van een Leidse, verwacht men nu eenmaal niet dat hij zich als een menselijk wezen uitdrukt. Daarvoor wordt hij trouwens niet betaald ook.’ De jury merkt ook op dat de brieven van Toergenjev zijn vertaald door Jozina Israël, waarmee ‘mevrouw Van het Reve zich wat dat betreft de medebekroonde mag weten’.

Ook in de lange periode van zijn hoogleraarschap bleef hij publiceren in dag- en weekbladen en andere periodieken over allerhande zaken die veelal buiten zijn vakgebied en zelfs buiten de literatuur in het algemeen vielen. Midden jaren vijftig schreef hij in Het Vrije Volk nog uitsluitend

[p. 133]

over Russische zaken. Het is K.L. Poll, oprichter van het Hollands Weekblad - later Maandblad - geweest die Van het Reve er eind jaren vijftig toe heeft aangezet om ook over andere onderwerpen te gaan schrijven. Zo ging een van zijn eerste polemische stukken voor Hollands Weekblad over de Planta-affaire (opgenomen in Marius wil niet in Joegoslavië wonen, 1970). De oudere lezers herinneren zich deze margarine van de firma Van den Bergh en Jurgens, waar tal van mensen een soort allergische aandoening van kregen en zelfs enkelen door overleden. Waar Karel zich kwaad over maakte was dat de fabrikant wist c.q. kon weten welke risico's aan het onderwerpelijk smeersel verbonden waren en desondanks de productie niet staakte, integendeel met gedraai en gelieg de zaak probeerde te bagatelliseren. Nog kwalijker vond hij dat de overheid meeloog en ook de pers zich erop toelegde vooral de belangen van Unilever niet te schaden.

Als Henk Broekhuis schreef hij in NRC Handelsblad televisiekritieken (1971). Zeven jaar volgden onder hetzelfde pseudoniem stukken over gemeenplaatsen, zogenaamde opinions chics, waaraan de mensheid ten onrechte geloofde. Een voorbeeld: zwemmen in zee bij afgaand water is riskant en moet derhalve vermeden worden. Deze stukken werden gebundeld in Uren met Henk Broekhuis (1978). Het was een geheel eigen vorm van debunking, lichtvoetig doch goed onderbouwd.

Ook bewees hij zijn meesterschap als columnist. Zijn voorlaatste bundel was Luisteraars! (1995), voor de Wereldomroep tussen 1979 en 1991 uitgesproken columns. De laatste bundel Achteraf (1999) bevat het merendeel van de columns die hij van 1986 tot 1996 in Het Parool schreef. Het werk daaraan zette hij met grote inspanning langer voort dan zijn gezondheid toeliet. Hij leed al vele jaren aan de ziekte van Parkinson, had hartklachten en bovendien liet zijn geheugen hem in de steek. Desalniettemin waren die stukken tot het laatste toe glashelder.

Het merkwaardige verschijnsel doet zich voor dat men telkens bij een nieuwe bundel denkt: dit is het allerbeste wat hij ooit schreef. Misschien is dat wel zo.

Toen ik onlangs Het geloof der kameraden: kort overzicht van de communistische wereldbeschouwing (1969) herlas, dacht ik toch weer: dit is zijn meesterwerk. De wijze waarop de stellingen, theorieën, visies van de marxistisch-leninistische levensbeschouwing worden gefileerd, is geheel uniek. Zware kost, want de argumentatie is niet mis, maar ook gewoon leuk. Direct in het begin zegt hij: ‘Om de lezer een juist begrip van het marxisme-leninisme bij te brengen zou dit betoog eigenlijk iedere paar bladzijden

[p. 134]

onderbroken moeten worden met de mededeling, dat het marxisme-leninisme de voornaamste raadselen van het bestaan heeft opgelost en dat andere wereldbeschouwingen er eigenlijk geen idee van hebben hoe de wereld in elkaar zit. Om humanitaire redenen is daarvan afgezien.’ En in het hoofdstuk over de communistische partij en de gewoonte om door dik en dun een standpunt te herzien als de partij zulks doet: ‘De voorstander van politiek A zal, als de partij besluit politiek B te voeren, [...] met grote geestdrift politiek B gaan verkondigen en met grote hoon en verachting spreken over hen, die ooit gemeend hebben dat politiek A de juiste zou kunnen zijn. Indien hij die politiek A ooit openlijk heeft verkondigd zal hij met veel vertoon zijn ongelijk bekennen, en er met klem de aandacht op vestigen dat hij dankzij het wijze partijbesluit het foutieve van zijn vroegere mening heeft ingezien. Dit leidt er toe dat een communistische partij op buitenstaanders zo vaak de indruk maakt van een mensonterend gekkenhuis - en het is ook een van de oorzaken van de grote aantrekkingskracht die zulk een partij uitoefent.’

Naast het marxisme-leninisme, literatuur en Rusland, zijn de beroemdste thema's in zijn bundels wel: Freud als charlatan (in diverse stukken), God (De ongelooflijke slechtheid van het opperwezen, 1987), de evolutieleer (Een dag uit het leven van de reuzenkoeskoes, 1979) en natuurlijk de literatuurwetenschap, die hij in zijn Huizingalezing Het raadsel der onleesbaarheid (1979) onderuithaalt. Het mooist is misschien wel zijn weerwoord op de kritiek van enkele van die wetenschappers die met een beschamende redeneertrant om zich heen sloegen (‘Wat waren ze kwaad’, in: Een dag uit het leven van de reuzenkoeskoes).

Niet onvermeld mogen blijven zijn optreden in televisiefora en de talrijke interviews, waarin hij de zinsnede ‘dat weet ik niet’ dikwijls tot slogan maakte. Het is overigens niet duidelijk of hij dan bedoelde: zeur niet, of dat gaat je niets aan, of echt: dat weet ik niet.

Meestal wil men weten door wie iemand beïnvloed is. Dat zijn meestal bewonderde auteurs. Maar niet altijd impliceert bewondering beïnvloeding. Dat moge blijken uit het volgende lijstje van door Van het Reve bewonderde auteurs in willekeurige volgorde: Gorter, Elsschot (werd moeiteloos geciteerd), Heine (idem), Multatuli, Gerard Reve, Schopenhauer, Popper, Poesjkin, Kingsley Amis, Somerset Maugham, Nabokov, Toergenjev, Tsjechov, Shakespeare, Voltaire, Homerus, Catullus, Thomas Mann, Amalrik, Solzjenitsyn, John O'Hara, Dashiell Hammet, Raymond Chandler.

[p. 135]

De waardering voor de persoon van Van het Reve en zijn werk was in toenemende mate algemeen, al is hij nooit een populaire schrijver geworden (wel herdrukken van veel werk, geen enorme oplagen). Over de mate waarin hij politiek omstreden was, is al gesproken.

In 1970 kreeg hij de prijs voor politieke journalistiek van het Lucas Ooms-fonds; in 1973 de Dr. C.J. Wijnaendts Francken-prijs van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde; in 1979 de Martinus Nijhoff-prijs voor vertalingen en in 1982 de Staatsprijs voor Letterkunde (P.C. Hooft-prijs). In 1991 werd hij ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

Drie citaten uit het juryrapport bij de P.C. Hooft-prijs:

‘De algemene strekking van dit werk is wantrouwen - wantrouwen tegen elk geloof en iedere doctrine. Wantrouwen tegen alles dat niet teruggaat op eenvoud, op iets begrijpelijks, iets ongekunstelds, iets aantoonbaars; tegen alles dat zich voordoet als onduidelijk, hoogdravend en gewichtig.’

‘[...] dat wat hij goedbeschouwd bepleit is een voortdurend hernieuwde confrontatie tussen waarheid en voorstelling, tussen wat op een gegeven moment bekend is en de vervormingen ervan die in onze cultuur circuleren [...].’

‘Het boeiende is dat het bedenken van voorbeelden en vergelijkingen tegelijk een stylistische kunstgreep is en een esthetische functie heeft. Het is dan ook in de eerste plaats het kunstenaarschap in het werk van Karel van het Reve dat de jury bekroond wil zien. Dit kunstenaarschap is onlosmakelijk verbonden met een taalgebruik dat door zijn oorspronkelijkheid, zijn intelligentie en zijn humor, door zijn eenvoud en zijn economie van middelen, door zijn afkeer van vaagheid en gewichtigdoenerij in Nederland mag gelden als een voorbeeld.’

Terecht is steeds gewezen op de brede scala van onderwerpen en thema's, van Planta tot Freud zou men kunnen zeggen. Hij veinsde daarbij onwetendheid en bescheidenheid. Van een figuur in zijn roman Nacht op de kale berg zegt hij: ‘ook bekende hij soms met een aan cynisme grenzende openhartigheid zijn eigen onwetendheid, juist waar het dingen betrof die iedereen geacht wordt te weten’. Zelfkennis zou je zeggen.

Hij wist veel van zijn onderwerpen en argumenteerde onnavolgbaar, zo zelfs dat hij zelden met gezag werd tegengesproken, behalve misschien bij een deel van zijn vertoog over de evolutieleer. Dat alles in een onberispelijk Nederlands, een soort tot schrijftaal omgebouwde spreektaal. Behalve Nederlands kende hij zeer goed Frans, Duits en Engels (hij loste graag

[p. 136]

moeilijke Engelse kruiswoordpuzzels op), heel aardig Grieks en Latijn, en uiteraard Russisch.

Zijn proza kent geen weerzindrempels. Woorden en termen als: dusdanig, recentelijk, op een rijtje zetten, ergens mee omgaan, leerkracht of inschatten zal men bij hem niet tegenkomen. Iedere vorm van verhulling is hem vreemd. ‘Zeg het maar in je eigen woorden’ was een zinswending uit een codetaal van hem en zijn broer Gerard. Je zou bij hem kunnen spreken van ‘het raadsel der leesbaarheid’. En om zijn tegenstrevers, de literatuurwetenschappers, niet voor de voeten te lopen, lossen we dat raadsel niet op.

 

robert van amerongen

Voornaamste geschriften

Eenvoudig Russisch leerboek; naar G. Thier. Amsterdam [1946].
Russisch lees- en themaboek. Bevattende teksten ter vertaling in en uit het Russisch voor beginners en gevorderden. Verzameld en van aantekeningen voorzien door K. van het Reve. Amsterdam [1947].
Goed en schoon in de sovjetcritiek. Beschouwingen over de aesthetica van het Sovjetrussische marxisme. Academisch proefschrift. Amsterdam 1954.
Sovjet-annexatie der klassieken. Bijdrage tot de geschiedenis der Marxistische cultuurbeschouwing. Amsterdam 1954. - Handelseditie van het proefschrift.
De ‘ouderwetse roman’ in Rusland. Rede uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar in de Slavische letterkunde aan de Rijksuniversiteit te Leiden op 18 oktober 1957. Amsterdam 1957.
Twee minuten stilte. Amsterdam 1959.
Nacht op de Kale Berg. Amsterdam 1961. (De Witte Olifant.)
Rusland voor beginners. Tien opstellen over literatuur. Amsterdam 1962. (Stoa.)
Siberisch dagboek. Utrecht 1966.
Kanttekeningen bij Ton Regtien. [Met tekeningen van F. Behrendt.] Amsterdam [1969]. (De Vrije Bladen 4.)
[p. 137]
Het geloof der kameraden. Kort overzicht van de communistische wereldbeschouwing. Amsterdam [1969].
Marius wil niet in Joegoslavië wonen en andere stukken over cultuur, recreatie en maatschappelijk werk. Amsterdam 1970.
Met twee potten pindakaas naar Moskou. Amsterdam 1970.
Lenin heeft echt bestaan. Amsterdam 1972.
Rusland hoe het was. Een merkwaardige verzameling foto's van 80 jaar Rusland (1852-1932). Met verklarende tekst van Karel van het Reve. Amsterdam 1976.
Uren met Henk Broekhuis. Amsterdam 1978.
Literatuurwetenschap: het raadsel der onleesbaarheid. Baarn 1979.
Een dag uit het leven van de reuzenkoeskoes. Amsterdam 1979.
Dankwoord bij de aanvaarding van de P.C. Hooftprijs 1981 uitgesproken in het Muiderslot op 19 mei 1982; van een kritische kanttekening voorzien door S. Carmiggelt. Amsterdam 1982.
Freud, Stalin en Dostojevski. Amsterdam 1982.
Afscheid van Leiden. Amsterdam 1984.
Geschiedenis van de Russische literatuur. Van Vladimir de Heilige tot Anton Tsjechov. Amsterdam 1985.
De leerboeken en ik. Voordracht, uitgesproken bij de viering van het 150-jarig bestaan van Wolters-Noordhoff in de Oosterpoort te Groningen op 11 oktober 1986. Groningen 1986.
De ongelooflijke slechtheid van het opperwezen. Amsterdam 1987.
Zie ook onder Mozes. Amsterdam 1988.
De ondergang van het morgenland. Amsterdam 1990.
Verbaast u dit, nuchtere lezer? Zevenentwintig limericks en een ballade. Amsterdam 1991. (Poëziepocket 9.)
Waarom Russisch leren? Voordracht in het kader van de Alexander Hegiuslezing 1991.
Raalte 1991. (Alexander Hegiuslezing 1991.) - Dit boek bevat ook de studie ‘Oude schoolreglementen in Deventer’, door drs. J. Schoppen.
Een grote bruine envelop. Een keuze uit eigen werk. Amsterdam 1991.
Luisteraars! Amsterdam 1995.
Apologie. Woubrugge 1996.
Achteraf. Amsterdam 1999.

Vertalingen

K. Paustowski, De baai van Kara Boegas. [Amsterdam] 1935.
Konstantin Paustowski, Kolchis: Het land der nieuwe argonauten. Een woord vooraf door Nico Rost. Amsterdam 1937. - Dit boek bevat ook het verhaal ‘Haar grootste overwin-
[p. 138]
ning: Het Leven en Strijden van Tadshikan Sjadiewa’, door W. Grassimowa.
I.S. Toergenjew, Verzamelde Werken. Deel i: Roedin; Het adelsnest; Aan de vooravond; Vaders en zonen. Amsterdam 1955.
I.S. Toergenjew, Verzamelde Werken. Deel iv: Rook; Een maand op het land; Nieuwe gronden. Amsterdam 1958.
Ivan Toergenjev en Lev Tolstoj, De literator en de holbewoner. Honderd brieven; bijeengezocht, vertaald en van commentaar voorzien door Karel van het Reve. [De brieven van Toergenjev zijn vertaald door Jozina Israël.] Amsterdam 1964. (Stoa.)
Andrej Amalrik, Niet begeerde reis naar Siberië. Uit het Russisch vertaald door Jozina Israël en Karel van het Reve. Amsterdam 1969.
Alexander Sergejevitsj Poesjkin, Het Schot. Vertaling door een aantal letteren-studenten onder leiding van K. van het Reve. Utrecht 1978.
Nikolaj Gogol, De Revisor. Vertaald door Leidse slavisten onder leiding van Karel van het Reve. Leiden 1983. (Cahiers van De Lantaarn 20.)
Ivan Toergenjew, Een maand op het land. Amsterdam 1983.
Aleksander Blok [et al.], De meisjes van Zanzibar: 27 gedichten. Uit het Russisch vertaald door Leidse slavisten met Karel van het Reve; [ingeleid door Karel van het Reve]; portretten getekend door Joeri Annenkov [et al.] Maastricht 1988. (Visum 4.)
Alexander Poesjkin, De stenen gast. Uit het Russisch vertaald door Leidse slavisten met Karel van het Reve; [ingeleid door Karel van het Reve]. Leiden 1989. (De Lantaarn 54; De Kleine Slavische Bibliotheek 2.)
Anton Tsjechov, Vier eenakters. Vertaald door Leidse slavisten met Karel van het Reve. Leiden 1989. (Russisch Theater 1.)
I.S. Toergenjew, Vaders en Zonen. Amsterdam 1995. (Rainbow Pocketboeken 211.)